Rondvraag CDA - Ongewenste beperkingen voor (agrarische) ondernemers in Kolonie van Weldadigheid e.o. (wordt mondeling afgedaan)
Tekst van het document
Rondvraag Politieke avond Westerveld 2 maart 2021. Aanleiding. Op 15 december 2020 stelde wethouder Smidt, bij de bespreking van het voorstel Beleidsuitgangspunten kleinschalige hernieuwbare energie, dat ten gevolge van de aanvraag tot de Werelderfgoed status voor het gebied van de Koloniën met de bijbehorende bufferzones er in dat gebied door onder anderen agrariërs geen opwekking van hernieuwbare energie bijvoorbeeld met kleine windmolens mogelijk zou zijn. De CDA-fractie concludeert hieruit dat, ten gevolge van de aangevraagde Werelderfgoedstatus in het betreffende gebied en in de aangewezen bufferzones, de economische mogelijkheden ook voor onder anderen de agrarische sector worden beperkt. Dit mede omdat door (agrarische-) ondernemers gewenste maatregelen in het kader van verduurzaming of opwekking van energie niet zouden mogen. Alles wat afwijkend is van de bestaande situatie tijdens de aanvraag tot de status van Werelderfgoed zou immers niet zijn toegestaan. Als vervolg op een motie van DSW, CDA en Progressief Westerveld over de plaatsing van kleine windmolens ook voor anderen dan de agrarische sector, heeft de wethouder op 9 februari 2021 aangegeven daartoe eerst ook met alle stakeholders te moeten overleggen.
Het op slot zetten van het gebied waarvoor de Werelderfgoedstatus is aangevraagd inclusief de daarbij bestemde bufferzones is, naar de mening van de CDA-fractie, nooit een besluit geweest van de gemeenteraad van Westerveld. Tijdens de Raadsvergadering van 22 september 2016 is, als onderdeel van het Nominatiedossier Kolonie van Weldadigheid, een raadsbesluit genomen waarin een convenant is opgenomen dat de drie gemeenten Steenwijkerland, Weststellingwerf en Westerveld met de Vereniging Oorden en Parten, aan elkaar verbindt. Dit convenant kon overigens mede dankzij de inspanningen van onze burgemeester worden afgesloten. De Vereniging Oorden en Parten, bestaat uit ca. 70 grondeigenaren die in het Werelderfgoed-gebied bedrijfseconomische belangen hebben. In het convenant, dat een onlosmakelijk onderdeel is van een raadsbesluit, wordt de zekerheid gegeven dat: "De aanwijzing als werelderfgoed waaronder ook begrepen de aanwijzing van een kern- en bufferzone, geen extra regelgeving of beperkingen met zich brengt voor de uitoefening van het agrarisch bedrijf". Ook wordt in het convenant overeengekomen dat: "Het regime voor het landbouwgebied binnen de kern- en bufferzone gelijk blijft aan het regiem voor een vergelijkbaar landbouwgebied buiten de kern- en bufferzone." Een en ander leidt voor de fractie van het CDA tot de volgende rondvragen: 1.
Is het College met de CDA-fractie van mening dat het genoemde convenant een onlosmakelijk onderdeel is van het nominatiedossier?
Pagina 1|2
2. Is de constatering van de CDA-fractie juist dat het convenant, dat onderdeel uitmaakt van het Raadsbesluit van 22 september 2016, nog steeds en ongewijzigd van toepassing is en op die manier de partijen aan elkaar verbindt? 3. Is het College met de CDA-fractie van mening dat in het convenant bedoeld wordt dat er geen sprake kan zijn van extra beperkingen of regelgeving voor ondernemers in het gebied en dat bedrijfseconomische beperkingen in dat gebied voor ondernemers als gevolg van die Werelderfgoedstatus ook niet aan de orde zullen zijn of komen. 4. Is het College het met de CDA-fractie eens dat dit convenant maakt dat ook opwekking van hernieuwbare energie in het gebied van de Koloniën met de bijbehorende bufferzones op dezelfde wijze moet kunnen worden gerealiseerd als in andere gebieden in onze gemeente als (agrarische-) ondernemers dat zouden willen? Zo nee, waarom niet? Zo ja, gaat het College dan het eerdergenoemde voorbehoud in de Beleidsuitgangspunten verwijderen?
Namens de CDA-fractie Adri van der Weyde.
Pagina 2|2