CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Regels TAM IMRO Doldersum, Landarbeid 2

Politieke avond Westerveld 25 maart 2025, gemeente WesterveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststellen TAM IMRO omgevingsplan Landarbeid 2, Doldersum (spreekrecht)21.761 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Inhoudsopgave

Regels

3

Hoofdstuk 1 Artikel 1 Artikel 2 Artikel 3

Inleidende regels Begripsbepalingen Meet- en rekenbepalingen Toepassingsbereik

4 4 10 12

Hoofdstuk 2 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8

Functies en gebiedsaanwijzingen Wonen Agrarisch Waarde - Archeologie 3 overige zone - natuur vrijwaringszone - straalpad

13 13 17 20 22 24

Hoofdstuk 3 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11 Artikel 12 Artikel 13

Algemene regels voor activiteiten Anti-dubbeltelregel Ruimtelijke bouwactiviteiten Planologische gebruiksactiviteiten Algemene afwijkingsregels Overige regels

25 25 26 27 28 29

Hoofdstuk 4 Artikel 14

Overgangsrecht- en slotbepalingen Overgangsrecht

30 30

Bijlage bij de regels

31

Bijlage 1

(bij Landarbeid 2) Archeologische beleidskaart RAAP-rapport 2021

32

Bijlage 2

(bij Landarbeid 2) Bedrijvenlijst kleinschalige bedrijven

33

Bijlage 3

(bij Landarbeid 2) Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld 34

2

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Regels Dit TAM-omgevingsplan is gericht op het faciliteren van de herontwikkeling op de locatie Landarbeid 2 en is als nieuw hoofdstuk (hoofdstuk 22a) opgenomen in het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. Dit hoofdstuk is bekend gemaakt en digitaal beschikbaar gesteld met de landelijke voorziening, bedoeld in artikel 1.2.1, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening. Het is met deze landelijke voorziening niet mogelijk dit hoofdstuk conform de juridische vormgeving van het omgevingsplan in STOP-TPOD beschikbaar te stellen. De in dit op https://www.ruimtelijkeplannen.nl uitgegeven deel van het omgevingsplan (hierna: dit deel) weergegeven hoofdstukken moeten gelezen worden als paragrafen van hoofdstuk 22a van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. In de artikelkop van de in dit deel weergegeven artikelen moet na het woord 'Artikel', na de spatie en direct voor het artikelnummer '22a' gelezen worden. In de kop van de bijlagen bij het in dit deel weergegeven hoofdstuk moet na het woord 'Bijlage', na de spatie en direct voor het nummer de bijlage '22a' gelezen worden.

(ontwerp)

3

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Hoofdstuk 1 Artikel 1

Inleidende regels

Begripsbepalingen

De bijlage bij de Omgevingswet, bijlage I bij het Besluit activiteiten leefomgeving, bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving, bijlage I bij het Besluit kwaliteit leefomgeving, bijlage I bij het Omgevingsbesluit en bijlage I bij de Omgevingsregeling, zijn van overeenkomstige toepassing op dit 'TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a', tenzij daar in dit artikel van worden afgeweken. Bij de toepassing van dit hoofdstuk gelden de volgende begripsbepalingen:

1.1

aan huis verbonden beroep:

een dienstverlenend beroep, dat in of bij een woning wordt uitgeoefend, waarbij de woning in overwegende mate de woonfunctie behoudt en dat een ruimtelijke uitwerking of uitstraling heeft die met de woonfunctie in overeenstemming is; 1.2

aanbouw:

een gebouw dat als afzonderlijke ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw waarmee het in directe verbinding staat, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist; 1.3

aanduiding:

een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden; 1.4

agrarisch bedrijf:

een bedrijf dat is gericht op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen en/of het houden van dieren; 1.5

archeologische waarden:

waarden die aan een gebied zijn toegekend vanwege de kennis en wetenschap van de in dat gebied voorkomende overblijfselen van menselijke aanwezigheid of activiteiten uit het verleden. Bij toetsing aan de archeologische waarden zal telkens de Archeologische beleidskaart RAAP-rapport 2021 toetsingskader zijn (Bijlage 1); 1.6

atelier

een werkplaats, in het bijzonder die van een beeldend kunstenaar. 1.7

bebouwing:

één of meer gebouwen en/of andere bouwwerken; 1.8

bebouwingspercentage:

een in de regels aangegeven percentage, dat de grootte van het deel van het terrein aangeeft dat maximaal mag worden bebouwd; 1.9

bed and breakfast:

het bieden van de, ten opzichte van het hoofdgebruik ondergeschikte, mogelijkheid tot recreatief nachtverblijf en ontbijt aan personen die hun hoofdverblijf elders hebben;

4

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 1.10

bedrijfsgebouw:

een gebouw, dat dient voor de uitoefening van een bedrijf; 1.11

beeldkwaliteitsplan gemeente Westerveld, vastgesteld 21-09-2010:

Plan dat eisen en aanbevelingen bevat: a. met betrekking tot inpassing van ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de karakteristieken en kwaliteiten van een gebied; en b. met betrekking tot stedenbouwkundige en architectonische vorm, massa en (wegen-)structuur van voorgenomen ruimtelijke ontwikkelingen; met het oogmerk de kwaliteit van ruimtelijke ontwikkelingen te waarborgen alsmede de wijze waarop deze in hun omgeving worden ingepast, en dat juridisch onderdeel uitmaakt van het ruimtelijk plan waarop het betrekking heeft; 1.12

bestaand:

bestaand en legaal aanwezig op 01-01-2024. 1.13

bijbehorend bouwwerk:

uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd op de grond staand gebouw, of ander bouwwerk, met een dak; 1.14

bijgebouw:

een opzichzelfstaand, al dan niet vrijstaand gebouw, dat door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; 1.15

boomteelt:

de teelt van boomkwekerijgewassen; 1.16

bosbouw:

het geheel van bedrijfsmatig handelen en van activiteiten gericht op de instandhouding en ontwikkeling van bestaande respectievelijk nieuwe bossen ten behoeve van (de functies) natuur, houtproductie, landschap, milieu en recreatie; 1.17

bouwen:

het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk; 1.18

bouwlaag:

een doorlopend gedeelte van een gebouw dat door op gelijke of bij benadering gelijke hoogte liggende vloeren of balklagen is begrensd, zulks met inbegrip van de begane grond en met uitsluiting van onderbouw en zolder; 1.19

bouwperceel:

een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegestaan; 1.20

bouwperceelsgrens:

de grens van een bouwperceel; 1.21

bouwwerk:

elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal, die hetzij direct hetzij indirect met de grond is verbonden, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;

(ontwerp)

5

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 1.22

cultuurgrond:

grasland, akkerbouw- en tuinbouwgronden, die hobbymatig in gebruik zijn en niet worden gebruikt ten behoeve van een agrarische bedrijfsvoering; 1.23

cultuurhistorische waarden:

de aan een bouwwerk of een gebied toegekende waarden, gekenmerkt door het beeld dat is ontstaan door het gebruik dat de mens in de loop van de geschiedenis van dat bouwwerk of dat gebied heeft gemaakt; 1.24

dak:

iedere bovenbeëindiging van een gebouw; 1.25

de verbeelding

de geometrische bepaalde planobjecten als vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1701.509TAMLandarbeid2-0001 met bijbehorende regels en eventuele bijlagen; 1.26

detailhandel:

het bedrijfsmatig te koop aanbieden (waaronder de uitstalling ten verkoop), verkopen, verhuren en leveren van goederen aan personen die goederen kopen of huren voor gebruik, verbruik of aanwending anders dan in de uitoefening van een beroeps- of bedrijfsactiviteit, waaronder grootschalige detailhandel, volumineuze detailhandel, tuincentrum en supermarkt. 1.27

erf:

al dan niet bebouwd perceel, of een gedeelte daarvan, dat direct is gelegen bij een gebouw en dat in feitelijk opzicht is ingericht ten dienste van het gebruik van dat gebouw, en, voor zover dit bestemmingsplan deze inrichting niet verbiedt; 1.28

erker:

een uitbouw van de gevel van het hoofdgebouw en ondergeschikt aan het hoofdgebouw in vorm en uitstraling; 1.29

evenement:

elke voor publiek buiten de daartoe ingerichte inrichtingen toegankelijke festiviteit, grootschalige sportwedstrijd, auto- of motorcrosswedstrijd, optocht, georganiseerd vuurwerk en alle overige tot vermaak en recreatie bedoelde activiteiten, met uitzondering van markten als bedoeld in de Gemeentewet, kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen en betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties; 1.30

(extensief) dagrecreatief medegebruik:

een (extensief) dagrecreatief medegebruik van gronden dat ondergeschikt is aan de functie van de bestemming waarbinnen dit recreatieve gebruik is toegestaan, zoals wandelen, fietsen, paardrijden, kanoën, de aanleg van een vissteiger of een picknickplaats of een naar de aard daarmee gelijk te stellen medegebruik; 1.31

fruitteelt:

de teelt of het kweken van fruit aan houtige gewassen; 1.32

gebouw:

elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke, overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;

6

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 1.33

geomorfologische waarden

de waarden van de gronden vanwege de ontstaansgeschiedenis van de vormen van het aardoppervlak, welke waarden worden bepaald door de herkenbaarheid van de vormen; 1.34

hoofdgebouw:

een gebouw dat, gelet op de bestemming, als het belangrijkste bouwwerk op een bouwperceel kan worden aangemerkt; 1.35

houtteelt

de bedrijfsmatige uitoefening van uitsluitend de functie houtproductie op gronden die in principe hiervoor tijdelijk worden gebruikt en waarvoor daartoe ontheffing is verleend zoals die gold op het moment van onherroepelijk worden van dit TAM-omgevingsplan; 1.36

huishouden:

een verzameling van één of meer personen die een woonruimte bewoont en daar zichzelf voorziet, of door derden wordt voorzien, in dagelijkse levensbehoeften; 1.37

kampeermiddel:

een tent, een tentwagen, een kampeerauto, een caravan of een stacaravan, dan wel enig ander daarmee vergelijkbaar voertuig of onderkomen, dat geheel of ten dele is bestemd of opgericht dan wel wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf; 1.38

kampeerterrein:

een terrein ter beschikking gesteld voor het plaatsen dan wel geplaatst houden van kampeermiddelen; 1.39

kap:

een dak met een zekere helling; 1.40

kleinschalig houden van vee:

het houden van ten hoogste 25 groothoevige dieren (zoals paarden/runderen) of 50 kleinhoevige dieren (zoals schapen/geiten) dan wel een combinatie daarvan waarbij nooit meer dan 50 hoevige dieren aanwezig zijn; 1.41

kleinschalige bedrijfsmatige activiteiten:

het bedrijfsmatig verlenen van diensten c.q. het uitoefenen van bedrijfsmatige activiteiten, geen detailhandel zijnde en prostitutie, zoals genoemd in Bijlage 2 bij deze regels; 1.42

kleinschalige duurzame energiewinning:

energie die gewonnen wordt uit kleinschalige perceelsgebonden bronnen, niet zijnde windturbines, waarbij weinig tot geen schadelijke milieueffecten optreden bij winning en omzetting en die in onuitputtelijke hoeveelheden beschikbaar is, zoals zon, wind, water, biomassa, aard- en omgevingswarmte; 1.43

landschappelijke waarden:

de cultuurhistorische en de visuele waarden van het landschap. Bij de afweging van het begrip landschappelijke waarden zal het Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld (Bijlage 3) steeds onderdeel van het toetsingskader zijn; 1.44

maatwerkvoorschrift

Met een maatwerkvoorschrift kan het bevoegd gezag in individuele gevallen afwijken van algemene regels voor activiteiten.

(ontwerp)

7

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 1.45

mest- en/of organische (bij)productvergisting:

het onder gecontroleerde omstandigheden (volledig afgesloten van lucht) afbreken van organische verbindingen door bacteriën waarbij methaangas vrijkomt; 1.46

mestopslag:

een werk of een bouwwerk ten behoeve van de opslag van mest; 1.47

natuurlijke waarden:

de aan een gebied toegekende waarden in verband met de geologische, bodemkundige en biologische elementen voorkomende in dat gebied; 1.48

normaal bosbeheer:

het onderhoud en beheer, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goede instandhouding van de cultuurhistorische, natuurlijke en landschappelijke waarden van de bosgebieden; 1.49

normaal natuurbeheer:

het onderhoud en beheer, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goede instandhouding van de natuurlijke, landschappelijke en cultuurhistorische waarden van de natuurgebieden; 1.50

normale onderhoud:

het onderhoud, dat gelet op de bestemming regelmatig noodzakelijk is voor een goed beheer en gebruik van de gronden en gebouwen die tot de betreffende bestemming behoren; 1.51

omgevingsvergunning:

een vergunning voor het uitvoeren van een project dat invloed heeft op de fysieke leefomgeving, op grond van de Omgevingswet; 1.52

opgaande meerjarige teelt:

de meerjarige teelt van opgaande sierbeplanting als heesters en struiken, het kweken van fruit aan houtige gewassen en naar de aard daarmee gelijk te stellen vormen van opgaande teelt van meerjarige gewassen; 1.53

overkapping:

een bouwwerk voorzien van een plat dak dan wel een kap en met maximaal één wand is uitgevoerd; 1.54

peil:

a. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang direct aan de weg grenst: de hoogte van de weg ter plaatse van die hoofdtoegang; b. voor een bouwwerk op een perceel, waarvan de hoofdtoegang niet direct aan de weg grenst: de hoogte van het terrein ter hoogte van die hoofdtoegang bij voltooiing van de bouw; 1.55 perceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten; 1.56

perceelsgrens:

een grens van een perceel; 1.57

productiegebonden detailhandel:

detailhandel in goederen die ter plaatse worden vervaardigd, geteeld, gerepareerd en/of toegepast in het productieproces, waarbij de detailhandelsfunctie ondergeschikt is aan de productiefunctie al dan niet in combinatie met de verkoop van streekeigen goederen;

8

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 1.58

prostitutie:

het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen tegen vergoeding; 1.59

prostitutiebedrijf:

een gebouw, voer- of vaartuig, dan wel enig gedeelte daarvan, geheel of gedeeltelijk bestemd, dan wel in gebruik voor het daar uitoefenen van prostitutie; 1.60

recreatieappartement:

het geheel van bijbehorende vertrekken als afzonderlijk gemeubileerde woongelegenheid, bedoeld voor verblijfsrecreatie, als onderdeel van een (andere) hoofdfunctie; 1.61

recreatieve bewoning:

de bewoning die plaatsvindt in het kader van de weekend- en/of verblijfsrecreatie; 1.62

seksinrichting:

een voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte, waarin bedrijfsmatig, of in omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht. Onder een seksinrichting wordt in elk geval verstaan: een prostitutiebedrijf, waaronder begrepen een erotische massagesalon of een parenclub, al dan niet in combinatie met elkaar; 1.63

silo:

een bouwwerk, geen gebouw zijnde, ten behoeve van opslagdoeleinden; 1.64

uitbouw:

een gebouw dat als vergroting van een bestaande ruimte is gebouwd aan een hoofdgebouw, welk gebouw door de vorm onderscheiden kan worden van het hoofdgebouw en dat in architectonisch opzicht ondergeschikt is aan het hoofdgebouw; functionele ondergeschiktheid is niet vereist; 1.65

voorgevel:

de naar de weg gekeerde gevel van een gebouw of, indien het een gebouw betreft met meer dan één naar de weg gekeerde gevel, de gevel die kennelijk als zodanig moet worden aangemerkt; 1.66

waterhuishoudkundige voorzieningen:

voorzieningen die nodig zijn ten behoeve van een goede wateraanvoer, waterafvoer, waterberging en waterkwaliteit, zoals duikers, stuwen, gemalen, inlaten etc; 1.67

weg:

een voor gemotoriseerd verkeer geschikt gemaakte strook grond; 1.68

windmolen:

een bouwwerk ten behoeve van de opwekking van windenergie; 1.69

woning:

een complex van ruimten, uitsluitend bedoeld voor de huisvesting van één afzonderlijk huishouden, woonwagens niet inbegrepen; 1.70

woonhuis:

een gebouw, hetzij vrijstaand, hetzij aaneengebouwd, dat slechts één woning omvat.

(ontwerp)

9

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Artikel 2

Meet- en rekenbepalingen

De meet- en rekenbepalingen uit artikel 22.24 van het omgevingsplan zijn van overeenkomstige toepassing op het meten van de waarden die in dit hoofdstuk in meters (m), m² of m³ zijn uitgedrukt, voor zover hiervan niet is afgeweken in het bepaalde in dit artikel. Bij toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:

2.1

bebouwingspercentage:

een deel van de locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' uitgedrukt in procenten dat bebouwd mag worden; 2.2

de bouwhoogte van een bouwwerk:

vanaf het peil tot aan het hoogste punt van een gebouw of van een bouwwerk, geen gebouw zijnde, met uitzondering van ondergeschikte bouwonderdelen, zoals schoorstenen, antennes, en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwonderdelen; 2.3

de dakhelling:

langs het dakvlak gemeten ten opzichte van het horizontale vlak (dakhellingregels zijn niet van toepassing op de horizontale gedeelten van afgeknotte daken, de onderste dakvlakken van mansarde kappen en op dakvlakken welke niet evenwijdig aan de noklijn zijn gelegen). 2.4

de goothoogte:

vanaf het peil tot aan de bovenkant van de goot, c.q. de druiplijn, het boeiboord, of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel; 2.5

de inhoud van een bouwwerk:

tussen de onderzijde van de begane grondvloer, de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van de scheidsmuren) en de buitenzijde van daken en dakkapellen; 2.6

de oppervlakte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of het hart van de scheidingsmuren, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk. Bij de toepassing van deze bepaling telt een dakoverstek mee, indien het overstek groter is dan 0,7 m dan wel de gezamenlijke oppervlakte van de overstekken groter is dan 4 m 2. 2.7

de oppervlakte van een overkapping:

tussen de buitenwerkse constructiedelen, neerwaarts geprojecteerd op het gemiddelde niveau van het afgewerkte bouwterrein ter plaatse van het bouwwerk; 2.8

het bebouwd oppervlak van een bouwperceel:

de oppervlakte van alle op een bouwperceel gelegen bouwwerken tezamen; 2.9

de afstand tot de zijdelingse bouwperceelsgrens:

tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is; 2.10

de lengte, breedte en diepte van een bouwwerk:

tussen de buitenwerkse gevelvlakken en/of de harten van de scheidingsmuren. 2.11

ondergeschikte bouwonderdelen:

bij de toepassing van het bepaalde ten aanzien van het bouwen, worden ondergeschikte bouwdelen als: a. plinten, pilasters, kozijnen, gevelversieringen, ventilatiekanalen, schoorstenen, ingangspartijen, gevel- en kroonlijsten; b. overstekende daken en/of luifels kleiner dan 0,75 m; 10

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 buiten beschouwing gelaten.

(ontwerp)

11

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Artikel 3

Toepassingsbereik

1. De besluiten op grond van artikel 22.1, onder a, van Omgevingswet zijn niet van toepassing voor zover het gaat over regels opgenomen in een besluit als bedoeld in artikel 4.6, eerste lid, onder a, b, c, g, h, i, j, k, l of m, van de Invoeringswet Omgevingswet op de locatie, bedoeld in het derde lid. 2. De regels in afdeling 22.2, met uitzondering van paragraaf 22.2.7.3, en afdeling 22.3 zijn niet van toepassing voor zover die regels in strijd zijn met regels in dit hoofdstuk. 3. De regels in dit hoofdstuk zijn van toepassing op de locatie Landarbeid 2 in Doldersum, waarvan de geometrische bepaalde planobjecten zijn vervat in het GML-bestand NL.IMRO.1701.509TAMLandarbeid2-0001 zoals vastgelegd op https://www.ruimtelijkeplannen.nl.

12

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Hoofdstuk 2 Artikel 4 4.1

Functies en gebiedsaanwijzingen

Wonen

Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' heeft de volgende functies: a. woonhuizen, aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, al dan niet in combinatie met ruimten voor: 1. een aan-huis-verbonden beroep, atelier, kleinschalige bedrijfsmatige activiteit en/of kinderopvang, zoals genoemd in Bijlage 2; met daaraan ondergeschikt: b. kleinschalige duurzame energiewinning; c. wegen en paden; d. water; met de daarbijbehorende: e. bouwwerken, geen gebouwen zijnde; f. erven, tuinen en paden. 4.2

Beoordelingsregels

Deze beoordelingsregels zijn eveneens van toepassing voor functies die na afwijken van de gebruiksregels binnen de functies zijn toegevoegd.

4.2.1 Toepassingsbereik 1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden de in dit artikel opgenomen beoordelingsregels; 2. Deze beoordelingsregels zijn eveneens van toepassing voor functies die na afwijken van de gebruiksregels binnen de functies zijn toegevoegd. 4.2.2

Hoofdgebouwen

Voor het bouwen van hoofdgebouwen gelden de volgende regels: a. als hoofdgebouw mogen uitsluitend woonhuizen worden gebouwd; b. per locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Wonen' zal ten hoogste één woonhuis worden gebouwd; c. de afstand van een hoofdgebouw ten opzichte van de weg zal ten minste gelijk zijn aan de afstand zoals die was op 01-01-2024; d. de oppervlakte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 150 m² bedragen; e. de goothoogte van een hoofdgebouw zal, behalve bij wolfseinden, ten hoogste 3,50 m bedragen; f. de bouwhoogte van een hoofdgebouw zal ten hoogste 9,00 m bedragen; g. de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten minste 25° bedragen; h. de dakhelling van een hoofdgebouw zal ten hoogste 60° bedragen; i. in afwijking van het bepaalde on der d t/m h geldt dat afwijkingen in maten en afmetingen, zoals die bestonden op 01-01-2024, gehandhaafd mogen worden. 4.2.3

Aanbouwen, uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen

Voor het bouwen van aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gelden de volgende regels: a. de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen zullen ten minste 3,00 m achter de voorgevel van het hoofdgebouw dan wel het verlengde daarvan worden gebouwd;

(ontwerp)

13

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 b. de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, de bijgebouwen en de overkappingen bij een hoofdgebouw zal ten hoogste 75% van de oppervlakte van het hoofdgebouw bedragen, tenzij en voor zover de oppervlakte van het hoofdgebouw de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen gezamenlijk niet groter wordt dan 250 m²; c. de goothoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping zal ten hoogste 3,50 m bedragen; d. de bouwhoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping zal ten minste 1,00 m lager zijn dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw; e. de dakhelling van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping zal ten hoogste 60° bedragen. 4.2.4 Bouwwerken, geen gebouwen zijnde a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen achter de voorgevel van het hoofdgebouw ten hoogste 2,00 m zal bedragen; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 5,00 m bedragen. 4.3

Specifieke beoordelingsregels

a. In afwijking van de beoordelingsregels zoals opgenomen zoals in lid 4.2.3 onder b kan de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw worden vergroot ten behoeve van de vervanging van landschapsontsierende aanen uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen, mits: 1. bij vervanging boven 100 m² ten hoogste 50% van de gesaneerde oppervlakte wordt teruggebouwd tot een gezamenlijke oppervlakte van ten hoogste 250 m²; 2. met de vervanging de gezamenlijke oppervlakte van de aan- en uitbouwen, bijgebouwen en overkappingen bij een hoofdgebouw ten hoogste 350 m² zal bedragen; 3. de vervanging bijdraagt aan een verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; 4. een onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de natuurlijke en landschappelijke waarden en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. b. In afwijking van de beoordelingsregels zoals opgenomen in lid 4.2.3 onder d kan de bouwhoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping minder dan 1,00 m lager dan de bouwhoogte van het hoofdgebouw bedragen, mits: 1. deze afwijking uitsluitend wordt toegepast, indien dit vanuit de cultuurhistorische waarden van de bebouwing wenselijk is; 2. de bouwhoogte van een aan-, uit- of bijgebouw of overkapping ten hoogste de bouwhoogte van het hoofdgebouw zal bedragen; 3.

geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. 4.4

Specifieke functieregels

Tot een verboden gebruik van gronden en bouwwerken met deze functie, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gedeelten van een hoofdgebouw, een aan- of uitbouw of een bijgebouw bij het hoofdgebouw voor de uitoefening van een aan-huis-verbonden beroep of een kleinschalige bedrijfsmatige activiteit, indien: 1. het beroep of het bedrijf niet wordt uitgeoefend door één van de bewoners van het woonhuis, waarbij één andere arbeidskracht ter plekke werkzaam mag zijn; 2. de beroeps- of bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt dan 30% van de oppervlakte van het hoofdgebouw, de aan- en uitbouwen en bijgebouwen met een maximum van 100 m²; 3. parkeren niet op eigen erf plaatsvindt; 4. detailhandel plaatsvindt anders dan productiegebonden detailhandel; b. het gebruik van vrijstaande bijgebouwen voor bewoning; c. het gebruik van een woonhuis voor kinderopvang waarbij meer dan zes kinderen, inclusief de eigen kinderen, worden opgevangen;

14

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 d. het gebruik van een woonhuis voor meer dan één woning e. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een zorgfunctie; f. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel, anders dan productiegebonden detailhandel; g. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van horecadoeleinden; h. het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijbak met de daarbijbehorende bouwwerken, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; i. het gebruik van gronden en bouwwerken voor de in lid 4.1 onder a specifiek aangeduide bedrijvigheid indien de gezamenlijke vloeroppervlakte meer dan 100 m² bedraagt, tenzij de bestaande gezamenlijke bedrijfsvloeroppervlakte meer bedraagt, in welk geval de bestaande gezamenlijke oppervlakte geldt; j. het gebruik van bouwwerken ten behoeve van het kleinschalig houden van vee, indien de gezamenlijke oppervlakte groter is dan 50 m². 4.5

Omgevingsplanactiviteit

a. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, te gebruiken voor kinderopvang voor meer dan zes kinderen. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels: 1. de gebruiksoppervlakte ten hoogste 100 m² en ten hoogste 1/3 deel van het woonhuis, inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, zal bedragen; 2. de kinderopvang plaatsvindt binnen het woonhuis, een aan- of uitbouw of een aangebouwd bijgebouw; 3. parkeren op eigen erf plaatsvindt; 4. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; 5. de gezamenlijke oppervlakte die bij een woonhuis wordt gebruikt ten behoeve van nevenfuncties ten hoogste 100 m² bedraagt; 6. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; b. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, te gebruiken ten behoeve van een zorgfunctie. Hierbij gelden de volgende beoordelingsregels: 1.

de gebruiksoppervlakte ten hoogste 100 m² en ten hoogste 1/3 deel van het woonhuis, inclusief aan- en uitbouwen en aangebouwde bijgebouwen, zal bedragen; 2. de zorgfunctie plaatsvindt binnen het woonhuis, een aan- of uitbouw of een aangebouwd bijgebouw; 3. parkeren op eigen erf plaatsvindt; 4. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; 5. de gezamenlijke oppervlakte die bij een woonhuis wordt gebruikt ten behoeve van nevenfuncties ten hoogste 100 m² bedraagt; 6. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; c. Het is verboden zonder omgevingsvergunning de gronden en bouwwerken in combinatie met het wonen, al dan niet in samenhang met inpandige bouwactiviteiten, te gebruiken voor logiesverstrekking ten behoeve van recreatieve bewoning in de vorm van bed and breakfast. Hierbij gelden de volgende boordelingsregels: 1. de logiesverstrekking plaatsvindt binnen het woonhuis, een aan- of uitbouw of een bijgebouw. Er wordt uitgegaan van een bestaande entree (deur); 2. de gebruiksoppervlakte ten hoogste 100 m² en ten hoogste 1/3 deel van het woonhuis, inclusief aan- en uitbouwen en bijgebouwen, zal bedragen; 3.

er maximaal drie kamers met in totaal 10 slaapplaatsen gerealiseerd worden; 4. er geen keukenblok in de kamers wordt gemaakt; 5. er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt;

(ontwerp)

15

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 6. de gezamenlijke oppervlakte die bij een woonhuis wordt gebruikt ten behoeve van nevenfuncties ten hoogste 100 m² bedraagt; 7. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden.

16

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Artikel 5 5.1

Agrarisch

Functieomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Agrarisch' heeft de volgende functies: a. het agrarisch grondgebruik; b. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de landschappelijke, natuurlijke, geomorfologische en cultuurhistorische waarden; c. doeleinden van natuurontwikkeling en agrarisch natuurbeheer; d. extensief dagrecreatief medegebruik van bestaande infrastructuur en voorzieningen; e. het behoud, het herstel en het realiseren van natuur- en landschapselementen. Met daaraan ondergeschikt: f. cultuurgrond; g. nutsvoorzieningen; h. kleinschalige duurzame energiewinning; i. wegen, paden en overige oppervlakteverhardingen; j. beken, plassen, poelen, vennen, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen al dan niet mede bestemd voor waterberging; k. terreinen voor evenementen; met daarbij behorende: l. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 5.2

Beoordelingsregels

5.2.1 Toepassingsbereik 1. In aanvulling op het bepaalde in artikel 22.29 gelden in dit artikel opgenomen beoordelingsregels; 2. Deze beoordelingsregels zijn eveneens van toepassing voor functies die na afwijken van de gebruiksregels binnen de functies zijn toegevoegd. 5.2.2 Algemene regels voor bouwwerken In afwijking van artikel 22.27 en 22.36 is er in binnen de functie 'Agrarisch' geen sprake van erf in de zin van mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen. 5.2.3

Gebouwen en overkappingen

Op of in deze gronden mogen geen gebouwen en overkappingen worden gebouwd. 5.2.4

Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen zal ten hoogste 1,00 m bedragen; b. er zullen geen windmolens en naar de aard daarmee gelijk te stellen bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; c. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 2,00 m bedragen. 5.3

Maatwerkvoorschriften

Burgemeester en wethouders kunnen nadere eisen stellen aan de situering van bouwwerken ten behoeve van een goede aansluiting bij het landschappelijk karakteristiek en/of de landschappelijke hoofdstructuur, de woonsituatie en de natuurwaarden, waarbij telkens het Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld (Bijlage 3) toetsingskader zal zijn.

(ontwerp)

17

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 5.4

Specifieke functieregels

Tot een verboden gebruik van gronden en bouwwerken met deze functie, wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van mestvergisting en naar de aard daarmee gelijk te stellen activiteiten anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; b. het gebruik van de gronden en bouwwerken voor niet-agrarische bedrijvigheid, anders dan bij het wonen toegestane beroepen en bedrijven tenzij de gronden daarvoor specifiek zijn aangeduid dan wel waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; c. het opslaan van niet-agrarische producten, auto's, caravans en boten anders dan in gebouwen; d. het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van detailhandel anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; e. het gebruik van gronden ten behoeve van de sierteelt, fruitteelt, boomteelt, houtteelt, of overige opgaande meerjarige teeltvormen hoger dan 1,50 m, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; f. het gebruik van gronden ten behoeve van de aanleg van een paardrijbak met de daarbijbehorende bouwwerken, anders dan waarvoor in het verleden planologische medewerking is verleend; g. het gebruik van gronden voor het aanplanten van bomen en/of houtgewas ten behoeve van bosaanplant, met een aaneengesloten oppervlakte van meer dan 1,00 ha.

5.5 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

5.5.1

Vergunningsplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is een omgevingsvergunning vereist: a. het kappen en/of rooien en/of vellen van bomen en/of houtgewas, niet zijnde bomen en/of houtgewas onderdeel uitmakend van een grondgebonden agrarische teelt; b. het aanplanten van bomen en/of houtgewas ten behoeve van bosaanplant, mits de aaneengesloten oppervlakte ten hoogste één ha bedraagt; c. het afgraven en/of ophogen van gronden; d. het dempen en/of graven van sloten, poelen (diameter > 10 m) en/of andere watergangen en/of partijen; e. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het extensief dagrecreatief medegebruik en/of het educatief medegebruik; f. het aanleggen en/of verharden van paden of parkeergelegenheden en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen, met uitzondering van het aanleggen en/of verharden van wegen ter ontsluiting van agrarische percelen, kuilvoerplaten en sleufsilo's; g. het aanleggen van ondergrondse, bovengrondse transport-, energie- en/of telecommunicatiekabels en/of -leidingen; h. de aanleg van boswallen, groenstroken of andere landschapselementen, al dan niet ten behoeve van de landschappelijke inpassing van bouwwerken of andere werken. 5.5.2

Uitzonderingen

Het bepaalde in lid 5.5.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het normale onderhoud en/of het normale agrarische gebruik betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

18

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 5.5.3

Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke waarden en de geomorfologische, cultuurhistorische en archeologische waarden, het Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld (Bijlage 3). De in lid 5.5.1 onder a, voorzover het houtwallen betreft, en d, voorzover het betreft het dempen, genoemde vergunningen, kunnen voorts slechts worden verleend indien er zódanige compensatie plaatsvindt dat de landschappelijke structuur niet onevenredig wordt geschaad.

(ontwerp)

19

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Artikel 6 6.1

Waarde - Archeologie 3

Gebiedsomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'Waarde - Archeologie 3' is, behalve voor de andere daar voorkomende functies, mede bedoeld voor: a. het behoud van de archeologische waarden. 6.2

Beoordelingsregels

6.2.1

Bouwwerken met een oppervlakte groter dan 1000 m2

Ongeacht elders bepaald in dit omgevingsplan mogen op of in deze gronden geen bouwwerken worden gebouwd, waarbij de bodem dieper dan 0,30 m -Mv wordt geroerd, met uitzondering van: a. bouwwerken ter vervanging van bestaande bouwwerken waarbij de bestaande oppervlakte met ten hoogste 1000 m² wordt uitgebreid; b. bouwwerken met een oppervlakte kleiner dan 1000 m² ten behoeve van andere daar voorkomende functies. 6.3

Specifieke beoordelingsregels

In afwijking van het bepaalde in lid 6.2.1 kan de omgevingsvergunning worden verleend, mits: a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de bouwactiviteiten niet onevenredig wordt geschaad, of; c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen; 3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg; d. middels verleende vergunningen, rekeningen van uitgevoerd werk en dergelijke aangetoond wordt dat de bodem reeds eerder dieper geroerd is dan 0,30 m -Mv. Indien aan de afwijking voorwaarden worden verbonden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd. 6.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 6.4.1

Vergunningplichtige werken en werkzaamheden

Voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden is ongeacht het bepaalde in de regels bij de andere op deze gronden voorkomende functies een omgevingsvergunning vereist: a. het ontginnen, egaliseren van natuurlijk reliëf of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking; b. het afgraven, mengwoelen, diepploegen of een naar de aard daarmee gelijk te stellen grondbewerking dieper dan 0,3 m; c. niet-bodemkerende werkzaamheden ten behoeve van het oplossen van een verdichte bodemstructuur (woelen), dieper dan 10 cm onder de bouwvoor; d. het graven of vergraven van waterlopen; e. het graven van sleuven breder dan 0,3 m en dieper dan 1,00 m ten behoeve van het aanbrengen van ondergrondse transport-, energie-, telecommunicatie-leidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties en/of apparatuur; f. het aanplanten van bomen of een houtig gewas voor zover het gaat om planten waarvan zeker is dat bij de oogst van de plant, dan wel het verwijderen van de gehele plant, de bodem dieper dan 30 cm zal worden geroerd; g. het permanent verlagen van het waterpeil.

20

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 6.4.2

Uitzondering

Het bepaalde in lid 6.4.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het normale onderhoud, het normaal agrarisch gebruik, waaronder drainage, of het normaal bosof natuurbeheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning of ontgrondingsvergunning; d. aanvaardbaar zijn op basis van een eerder onderzoek waaruit is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn. 6.4.3

Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend indien: a. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn, of; b. op basis van archeologisch onderzoek door een daartoe bevoegde instantie is aangetoond dat de archeologische waarden door de werken en werkzaamheden niet onevenredig wordt geschaad, of; c. één of meer van de volgende voorwaarden in acht genomen wordt: 1. een verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor archeologische resten in de bodem kunnen worden behouden; 2. een verplichting tot het doen van archeologisch onderzoek door middel van opgravingen; 3. een verplichting de bouw van een bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg; d. middels verleende vergunningen, rekeningen van uitgevoerd werk en dergelijke aangetoond wordt dat de bodem reeds eerder dieper geroerd is dan 0,30 m -Mv. Indien aan de omgevingsvergunning voorwaarden worden verbonden, wordt een archeologisch deskundige om advies gevraagd.

(ontwerp)

21

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Artikel 7 7.1

overige zone - natuur

Gebiedsomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'overige zone - natuur' mag, behalve voor de daar voorkomende functies, mede worden gebruikt voor: a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de natuurlijke en de landschappelijke waarden van de natuurgebieden; b. beken, plassen, poelen, vennen, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen al dan niet mede bestemd voor waterberging; c. de winning van organisch materiaal ten behoeve van biobrandstof en/of compostering; Met daaraan ondergeschikt: d. het extensief agrarisch medegebruik; e. het extensief dagrecreatief medegebruik en educatief medegebruik van bestaande infrastructuur en voorzieningen; f. wegen en paden; g. parkeervoorzieningen; h. nutsvoorzieningen; i. kleinschalige duurzame energiewinning; j. terreinen voor evenementen; Met daarbijbehorende: k. bouwwerken, geen gebouwen zijnde. 7.2

Beoordelingsregels

7.2.1

Gebouwen en overkappingen

In afwijking van artikel 22.27 en 22.36 is er in binnen de gebiedsaanduiding 'overige zone - natuur' geen sprake van erf in de zin van mogelijkheden voor vergunningsvrij bouwen.

7.2.2

Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

Voor het bouwen van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, gelden de volgende regels: a. de bouwhoogte van overige bouwwerken ten behoeve van natuurobservatie zal ten hoogste 15,00 m bedragen; b. de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, zal ten hoogste 2,00 m bedragen. 7.2.3

Verboden gebruiksactiviteiten

Tot een strijdig gebruik van gronden en bouwwerken met deze aanduiding, wordt in ieder geval gerekend: a. het opslaan van mest en/of andere landbouwproducten; b. het gebruik van een als zodanig aangeduid tijdelijk kampeerterrein ten behoeve van het plaatsen van kampeermiddelen in de periode 1 november tot en met 14 maart. c. het bebossen van de gronden; d. het inrichten van gronden ten behoeve van de uitoefening van lawaaisporten; e. het inrichten van gronden zodanig dat de bestaande landschappelijke kenmerken wezenlijk worden veranderd en/of de waterhuishouding buiten de betreffende natuurgronden onevenredig wordt geschaad. 7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

22

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2 7.3.1 Vergunningplichtige werken en werkzaamheden a. het af- en/of vergraven, egaliseren en/of ophogen van gronden, alsmede het wijzigen van het bodemprofiel; b. het verwijderen van bomen en/of houtgewas, alsmede de verwijdering van bodem- en oevervegetaties; c. het aanplanten van bomen en/of houtgewas; d. het graven, dempen, baggeren en/of verbreden van beken, plassen, poelen, vennen, sloten en/of andere watergangen en/of -partijen; e. het wijzigen en/of aanbrengen van kunstwerken, zoals stuwen, dammen en/of duikers; f. het aanbrengen van oppervlakteverhardingen al dan niet ten behoeve van parkeervoorzieningen; g. het verwijderen en/of verleggen van bestaande zand-, fiets- en voetpaden ten behoeve van de verbetering van de natuurwaarden vanuit beheerinrichting; h. het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het extensief dagrecreatief medegebruik en/of het educatief medegebruik; i. het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen. 7.3.2

Uitzonderingen

Het bepaalde uit 7.3.1 is niet van toepassing op werken en werkzaamheden, die: a. het normale onderhoud en/of het normale natuurbeheer betreffen; b. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan; c. worden uitgevoerd in overeenstemming met het beheer- en inrichtingsplan, mits dit plan door middel van een openbare planologische procedure als een algemeen verbindend voorschrift is vastgelegd. d. op grond van het vastgestelde beheerplan plaatsvinden ten behoeve van de instandhouding van de natuurlijke kenmerken van het Natura 2000-gebied of de soorten waarvoor het Natura 2000gebied is aangewezen. 7.3.3

Beoordelingsregels

De omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, mits geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, het Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld (Bijlage 3), met dien verstande dat geen omgevingsvergunning wordt verleend voor inrichtingsmaatregelen die de landschappelijke kenmerken wezenlijk doen veranderen of die gevolgen hebben voor de waterhuishouding buiten het natuurgebied.

(ontwerp)

23

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Artikel 8 8.1

vrijwaringszone - straalpad

Gebiedsomschrijving

Een locatie die op de verbeelding is aangewezen als 'vrijwaringszone - straalpad' mag, behalve voor de daar voorkomende functies, mede worden gebruikt voor het tegengaan van te hoge bebouwing vanwege een straalpad. 8.2

Beoordelingsregels

In afwijking van het bepaalde bij de ter plaatse voorkomende functies zal, op of in de gronden die zijn gelegen binnen het ter plaatse als zodanig aangegeven straalpad, de bouwhoogte van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten hoogste de ter plaatse van de omgevingsnorm 'maximum hoogte (m)' aangegeven hoogte bedragen.

24

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Hoofdstuk 3 Artikel 9

Algemene regels voor activiteiten

Anti-dubbeltelregel

Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.

(ontwerp)

25

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Artikel 10

Ruimtelijke bouwactiviteiten

De bouwgrenzen zoals aangegeven in de Hoofdstuk 2 bedoelde functies en gebiedsaanwijzingen mogen uitsluitend worden overschreden door: a. tot gebouwen behorende stoepen, stoeptreden, trappen(huizen), galerijen, hellingbanen, funderingen, balkons, erkers, serres, entreeportalen, veranda's en afdaken, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,50 m; b. andere ondergeschikte onderdelen van gebouwen, mits de overschrijding niet meer bedraagt dan 1,00 m.

26

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Artikel 11 11.1

Planologische gebruiksactiviteiten

Strijdig gebruik

Met oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties is het verboden gronden of bouwwerken te gebruiken anders dan overeenkomstig de aan die locatie toegedeelde functies en acitiviteiten. Hieronder wordt in ieder geval gerekend: a. het gebruik van de gronden als standplaats voor kampeermiddelen, tenzij het gronden betreft waar een kampeerterrein voor klein kamperen is toegestaan; b. gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting; c. het gebruik van de gronden en bouwwerken ten behoeve van een prostitutiebedrijf; d. het gebruik van de gronden voor de opslag van schroot, afbraak- en bouwmaterialen, anders dan ten behoeve van de uitvoering van krachtens de bestemming toegelaten bouwactiviteiten en werken en werkzaamheden; e. het storten van puin en afvalstoffen; f. de stalling en opslag van aan het oorspronkelijk gebruik onttrokken voer-, vaar- of vliegtuigen; g. het gebruik van de gronden voor het plaatsen en/of aanbrengen van niet-perceelsgebonden handelsreclame en of reclame voor ideële doeleinden of overtuigingen. h.

het gebruik van gronden en bouwwerken op een wijze, waar door middel van een toename in stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor die Natura 2000-gebieden de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in die gebieden kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor die gebieden zijn aangewezen.

(ontwerp)

27

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Artikel 12

Algemene afwijkingsregels

Met een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van: a. de bij recht in de regels gegeven afmetingen en percentages, met uitzondering van de oppervlakte- en inhoudsmaten, tot ten hoogste 10% van die afmetingen en percentages; b. de beoordelingsregels ten aanzien van het bouwen van gebouwen en overkappingen in die zin dat ten behoeve van het kleinschalig kamperen, gebouwtjes, waaronder overkappingen, ten behoeve van sanitaire voorzieningen voor de eigen gasten worden gebouwd, mits: 1. de gezamenlijke oppervlakte van de gebouwen en overkappingen per kampeerterrein ten hoogste 50 m² zal bedragen; 2. de goothoogte van een gebouw of een overkapping ten hoogste 3,00 m zal bedragen; 3. de dakhelling van een gebouw of een overkapping ten minste 15º zal bedragen; 4. geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de natuurlijke en landschappelijke waarden, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; c. beoordelingsregels ten aanzien van de maximale gevellengte van bedrijfsgebouwen in die zin dat de maximale gevellengte wordt vergroot tot ten hoogste 150 m, mits: 1. de gevel uitgevoerd wordt met een verspringing of een geleding waardoor het beeld van een lange gevel wordt doorbroken; 2.

geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het bebouwingsbeeld, de landschappelijke waarden, het Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld (Bijlage 3) en de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden.

28

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Artikel 13 13.1

Overige regels

Aanvullende werking welstandscriteria

De in het plan geboden ruimte ten aanzien van de situering en de maatvoering van bouwwerken kan nader worden ingevuld door welstandscriteria.

13.2

Maatkwerkvoorschriften

Burgemeester en Wethouders kunnen ten behoeve van de milieusituatie, de landschappelijke waarden, de natuurlijke waarden, de geomorfologische waarden, de cultuurhistorische waarden, de archeologische waarden, het bebouwingsbeeld, de woonsituatie, de verkeersveiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden nadere eisen stellen aan de plaats en de afmetingen van de bebouwing, zodanig dat er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de genoemde criteria en waarbij telkens het Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld (Bijlage 3) toetsingskader zal zijn.

13.3

Aanvraagvereisten

De aanvraagvereisten, bedoeld in paragraaf 22.5.2 van dit omgevingsplan, zijn van overeenkomstige toepassing op een omgevingsvergunning die is vereist op grond van dit hoofdstuk.

(ontwerp)

29

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Hoofdstuk 4 Artikel 14 14.1

Overgangsrecht- en slotbepalingen

Overgangsrecht

Overgangsrecht bouwwerken

a. een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot: 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheeld worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. het bevoegd gezag kan eenmalig bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van het bepaalde onder a voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. c. het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van het plan. 14.2

Overgangsrecht gebruik

a. het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het TAM-omgevingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. het is verboden het met het TAM-omgevingsplan verboden gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang word verkleind. c. indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende TAM-omgevingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.

30

(ontwerp)

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Bijlage bij de regels

(ontwerp)

31

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Bijlage 1 (bij Landarbeid 2) Archeologische beleidskaart RAAPrapport 2021

32

(ontwerp)

206

207

208

209

210

211

212

213

214

215

216

217

218

219

220

221

222

223

224

226

225

227

228

Archeologische beleidsadvieskaart Gemeente Westerveld

549

549

205

217500

218000

218500

217500

218000

218500

540500

540500

546

546

547

547

541000

541000

548

548

2009

541500

541500

RAAP-rapport 2021, kaartbijlage 3, versie 2.0

545

545

14235

221000

221500

220500

221000

221500

212000

212500

213000

212000

212500

213000

542

542

539000

539000

543

543

544

544

539500

539500

220500

14239

15297

Wapse

538500

538500

348

14404

14478 Vledder 14240 541

541

Diever 14464

539

539

532500

532500

540

540

14244

14463 Dwingeloo

14423

538

531500

531500

537

537

532000

538

14481

532000

14482

9538

536

536

9575

214500

215000

215500

214500

215000

215500

535

535

14296

14259

534500

534500

9514

534

534

Uffelte

533

533

534000

534000

8603

14264

532

532

Havelte

533500

533500

14268

14486

Archeologische beleidsadvieskaart Gemeente Westerveld legenda

210500

211000

Bij ingrepen > 1000 m² verkennend booronderzoek (6 boringen per ha), zo nodig karterend onderzoek

hoge of middelhoge verwachting, waarschijnlijk verstoord

Bij ingrepen > 1000 m² controlerend verkennend onderzoek (3 boringen per ha)

210000

210500

211000

542000

eerste fase archeologisch onderzoek

hoge of middelhoge verwachting

Bij ingrepen > 1000 m² verkennend onderzoek (6 boringen per ha) bij ingrepen dieper dan 1,5 –Mv, zo nodig karterend onderzoek

hoge verwachting (dekzandkoppen in beekdal)

Bij ingrepen > 1000 m² verkennend booronderzoek (6 boringen per ha), zo nodig karterend booronderzoek (20 megaboringen per ha)

onbekende verwachting (bebouwing)

Bij ingrepen > 1000 m² extrapoleren vanuit de omringende verwachtingwaarden en bij hoge/middelhoge verwachting zie hierboven en bij lage verwachting geen onderzoek vereist

hoge verwachting (essen)

Verkennend en karterend proefsleuvenonderzoek

hoge verwachting (beekdal)

Archeologische begeleiding (protocol opgraving) of bij concrete aanwijzingen voor structuren: proefsleuvenonderzoek

hoge verwachting (beekdal), waarschijnlijk verstoord

Controlerend verkennend onderzoek (3 boringen per ha), zo nodig archeologische begeleiding (protocol opgraving) of veldinspectie na uitvoering bodemingrepen

middelhoge verwachting (beekdal)

Veldinspectie na uitvoering bodemingrepen

middelhoge verwachting (beekdal), waarschijnlijk verstoord

Controlerend verkennend onderzoek (3 boringen per ha), zo nodig veldinspectie na uitvoering bodemingrepen

lage verwachting

Geen onderzoek vereist

lage verwachting, waarschijnlijk verstoord

Geen onderzoek vereist

541500

541500

530

hoge verwachting (dikke stuifzanden)

542000

verwachting

530

210000 531

531

RAAP-rapport 2021, kaartbijlage 3, schaal 1:25.000, uitsnedes 1:10.000, versie 2.0

terrein van archeologische waarde

Waarderend onderzoek, via gemeente contact opnemen met provinciaal archeoloog

terrein van hoge archeologische waarde

Behoud in situ, indien niet mogelijk opgraven; vrijstelling bij ingrepen < 70m² in de historische kernen

terrein van zeer hoge archeologische waarde

Behoud in situ, indien niet mogelijk opgraven; vrijstelling bij ingrepen < 70m² in de historische kernen

terrein van zeer hoge archeologische waarde, beschermd

Behoud in situ, bij ingrepen via gemeente contact opnemen met Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed

bufferzone AMK-terreinen

Bij ingrepen via de gemeente contact opnemen met de provinciaal archeoloog

Havelterberg, Hesselte (oud-Darp), Celtic fields, grafheuvelgebieden, essen, beekdalen

Provinciaal belang archeologie, bij ingrepen via gemeente contact opnemen met provinciaal archeoloog

archeologisch onderzocht terrein

Vrijgeven, geen onderzoek nodig

cultuurhistorisch object

Historisch bronnenonderzoek, zonodig verkennend en karterend onderzoek

541000

(Verkennend), karterend en waarderend booronderzoek

541000

depressies/laagtes, al dan niet gevuld met organisch materiaal

528

528

529

529

bijzondere terreinen en gebieden

overig nummer Cultuurhistorisch object

8602 monumentnummer 0

500 m

Wvabk.wor TP/270110

205

206

207

208

209

210

211

212

213

214

215

216

grens plangebied

1000

2009

1:25.000 217

218

219

220

221

222

223

224

225

226

227

228

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Bijlage 2

(ontwerp)

(bij Landarbeid 2) Bedrijvenlijst kleinschalige bedrijven

33

Categorale bedrijvenlijst SBI

OMSCHRIJVING

AFSTANDEN

INDICES

GEUR

STOF

GELUID

GEVAAR

VERKEER

VISUEEL

GROOTSTE AFSTAND

CAT OPM.

221

Uitgeverijen (kantoren)

0

0

10

0

1

1

10

1

2223

Grafische afwerking

10

0

10

0

1

1

10

1

223

Reproduktiebedrijven opgenomen media

10

0

10

0

1

1

10

1

5020.4

Autobeklederijen

10

10

10

10

1

1

10

1

527

Reparatie t.b.v. particulieren (excl. auto's en motorfietsen)

10

0

10

10

1

1

10

1

61, 62

Vervoersbedrijven (uitsluitend kantoren)

0

0

10

0

2

1

10

1

6322, 6323

Overige dienstverlening t.b.v. vervoer (kantoren)

0

0

10

0

2

1

10

1

633

Reisorganisaties

0

0

10

0

1

1

10

1

634

Expediteurs, cargadoors (kantoren)

0

0

10

0

1

1

10

1

642

Telecommunicatiebedrijven

0

0

10

0

1

1

10

1

70

Verhuur van en handel in onroerend goed

0

0

10

0

1

1

10

1

72

Computerservice- en informatietechnologie-bureau's e.d.

0

0

10

0

1

1

10

1

732

Maatschappij- en geesteswetenschappelijk onderzoek

0

0

10

0

1

1

10

1

74

Overige zakelijke dienstverlening: kantoren

0

0

10

0

1

1

10

1

7484.4

Veilingen voor huisraad, kunst e.d.

0

0

10

0

2

1

10

1

8512, 8513

Artsenpraktijken, klinieken en dagverblijven

10

0

10

0

2

1

10

1

8514, 8515

Consultatiebureaus

0

0

10

0

1

1

0

1

9302

Kappersbedrijven en schoonheidsinstituten

0

0

10

0

1

1

10

1

9305

Persoonlijke dienstverlening n.e.g.

0

0

10

0

1

1

10

1

1

C

C

D

D

D

Verklaring Verklaring - . .. : niet van toepassing of niet relevant < kleiner dan >= groter dan of gelijk aan cat. categorie en dergelijke

kl. n.e.g. o.c. p.c. p.o.

: klasse niet elders genoemd opslagcapaciteit productiecapaciteit productieoppervlak

v.c. u d w j

: verwerkingscapaciteit uur dag week jaar

B C D L Z

: bodemverontreiniging continue divers luchtverontreiniging zonering

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22a Landarbeid 2

Bijlage 3 (bij Landarbeid 2) Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld

34

(ontwerp)

t ce p

t ce p co n

co n Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Westerveld 15 januari 2010

GASFABRIEK MEPPEL

GEMEENTE WESTERVELD

BUREAU B+O ARCHITECTEN B.V.

Vergroot de liefde! B+O geeft liefde en passie in ruil voor schoonheid en blijvende herinneringen!

Beeldkwaliteitsplan Buitengebied Westerveld 15 januari 2010

blz. 5 | Inhoudsopgave

Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld

Inhoudsopgave 00

Voorwoord

01

Inleiding

02

Criteria

03

Beoordeling

04

Hoe werkt het beeldkwaliteitsplan

04

Algemeen over boerenerven

05

Algemeen streek eigen groen

06

Algemene typologieën bebouwing en landschap

06

6 landschapstypen in de gemeente Westerveld

07

Essen landschap

08

Wegdorpen landschap

09

Ontginningskolonie landschap

10

Heideontginnings landchap

11

Veldgronden landschap

12

Beekdalen landschap

13

Uitwerking bestemmingsplan

14

Colofon

15

Beeldverantwoording

blz. 7 | Voorwoord

ESDORP

WEGDORPEN

ONTGINNINGSKOLONIE

Beeldkwaliteitsplan Gemeente Westerveld

Dit beeldkwaliteitplan is tot stand gekomen door een samenwerking tussen de gemeente Westerveld, Bureau B+O Architecten B.V. uit Meppel en Buro Greet Bierema uit Nijeholtpade. Een serie workshops is voedingsbodem geweest om dit beeldkwaliteitplan te schrijven vanuit de beoogde en gewenste ruimtelijke kwaliteit die de gemeente Westerveld bezit én kan ontwikkelen in de komende jaren. Dit document bevat de spelregels waaraan de nieuwe of vernieuwde bebouwing van particulieren en ondernemers zal moeten voldoen. Het BKP dient in de eerste plaats als toetsingskader, maar tevens als inspiratiebron. Middels een aantal voorbeelden zullen de lezers van dit document geïnspireerd raken om, binnen de aangegeven kaders en met inachtneming van de aanbevelingen, creatief om te gaan met bebouwing, erven en omgeving. Dit beeldkwaliteitplan is geen keurslijf, maar een hulpmiddel om met elkaar te streven naar een gemeenschappelijk doel te verwezenlijken, namelijk het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit van de gemeente Westerveld. Het is altijd mogelijk om af te wijken van de beschreven kenmerken, mits goed onderbouwd en passend in de omgeving. Passend kan in sommige gevallen ook juist niet-passend zijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=0be5b660-4389-44ae-b83a-4d7b1bd84ba3