Ontwerp bestemmingsplan Schoolstraat 18 Uffelte, toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Schoolstraat 18 Uffelte
November 2023
Status: ontwerp
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
Bestemmingsplan Schoolstraat 18, Uffelte
Plan: Plantype: IMRO-nummer: Status: Datum:
Schoolstraat 18, Uffelte Bestemmingsplan NL.IMRO.1701.UFFPHZSchoolstr18-0001 Ontwerp November 2023
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
TOELICHTING
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
INHOUDSOPGAVE HOOFDSTUK 1 INLEIDING ................................................................................... 5 1.1 1.2 1.3 1.4 1.5
AANLEIDING ............................................................................................................................................... 5 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ....................................................................................................................... 5 DE BIJ HET PLAN BEHORENDE STUKKEN ............................................................................................................. 5 HUIDIGE PLANOLOGISCHE REGIEM ................................................................................................................... 6 LEESWIJZER ................................................................................................................................................ 7
HOOFDSTUK 2 HUIDIGE SITUATIE ......................................................................... 8 2.1 2.2
UFFELTE..................................................................................................................................................... 8 BESCHRIJVING PLANGEBIED EN OMGEVING ........................................................................................................ 8
HOOFDSTUK 3 PLANBESCHRIJVING ....................................................................... 9 3.1 3.2
RUIMTELIJKE ONTWIKKELING .......................................................................................................................... 9 VERKEER EN PARKEREN ............................................................................................................................... 10
HOOFDSTUK 4 BELEIDSKADER ........................................................................... 12 4.1 4.2 4.3
RIJKSBELEID .............................................................................................................................................. 12 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................................................. 14 GEMEENTELIJK BELEID................................................................................................................................. 16
HOOFDSTUK 5 MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN .................................................. 19 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8 5.9 5.10
GELUID .................................................................................................................................................... 19 BODEM.................................................................................................................................................... 20 LUCHTKWALITEIT ....................................................................................................................................... 21 EXTERNE VEILIGHEID ................................................................................................................................... 22 MILIEUZONERING ...................................................................................................................................... 23 GEUR ...................................................................................................................................................... 25 ECOLOGIE................................................................................................................................................. 26 ARCHEOLOGIE & CULTUURHISTORIE .............................................................................................................. 28 BESLUIT MILIEUEFFECTRAPPORTAGE ..............................................................................................................
29 WATERASPECTEN....................................................................................................................................... 30
HOOFDSTUK 6 JURIDISCHE ASPECTEN EN PLANVERANTWOORDING .............................. 34 6.1 6.2 6.3
INLEIDING................................................................................................................................................. 34 OPZET VAN DE REGELS ................................................................................................................................ 34 VERANTWOORDING VAN DE REGELS............................................................................................................... 36
HOOFDSTUK 7 ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID .................................................. 37 HOOFDSTUK 8 VOOROVERLEG & INSPRAAK .......................................................... 38 8.1 8.2
VOOROVERLEG .......................................................................................................................................... 38 INSPRAAK EN ZIENSWIJZEN ........................................................................................................................... 38
BIJLAGEN BIJ DE TOELICHTING ............................................................................... 39 BIJLAGE 1 BIJLAGE 2 BIJLAGE 3 BIJLAGE 4
VERKENNEND BODEMONDERZOEK ......................................................................................................... 39 AERIUS-BEREKENING......................................................................................................................... 40 QUICKSCAN NATUURWAARDENONDERZOEK ............................................................................................ 41 WATERTOETSRESULTAAT ..................................................................................................................... 42
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
HOOFDSTUK 1 1.1
INLEIDING
Aanleiding
Het voorliggende bestemmingsplan heeft betrekking op het perceel Schoolstraat 18 te Uffelte, gemeente Westerveld (hierna: plangebied). Ter plaatse van het plangebied zijn een bedrijfswoning en loods aanwezig. Het plangebied is voorzien van de bestemming ‘detailhandel’. Ter plaatse is echter geen sprake meer van een actieve detailhandelsfunctie. Om leegstand en verloedering te voorkomen, is gezocht naar een nieuwe, passende en duurzame vervolgfunctie. Het voornemen is om de bestaande loods te slopen en een nieuwe tweede woning op het perceel te realiseren. De bestaande bestemming ‘detailhandel’ wordt gewijzigd in de bestemming ‘wonen’. Hiermee krijgt de bestaande bedrijfswoning een reguliere woonbestemming. Omdat de voorgenomen ontwikkeling niet in overeenstemming is met het geldend bestemmingsplan “Bestemmingsplan Uffelte” van de gemeente Westerveld, dient het bestemmingsplan partieel te worden herzien. Voorliggend bestemmingsplan voorziet hierin. In dit bestemmingsplan wordt aangetoond dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt aan de Schoolstraat 18 aan de westzijde van de kern Uffelte. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Havelte, sectie M, nummers 1252 en 1253. Op onderstaande afbeeldingen wordt de ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Uffelte en directe omgeving weergegeven. Voor de exacte begrenzing van het plangebied wordt verwezen naar de verbeelding.
Afbeelding 1.1
1.3
Ligging van het plangebied ten opzichte van de kern Uffelte en directe omgeving (Bron: PDOK)
De bij het plan behorende stukken
Het bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18, Uffelte’ bestaat uit de volgende stukken: • •
verbeelding (tek.nr. NL.IMRO.1701. UFFPHZSchoolstr18-0001) en een renvooi; regels en bijhorende bijlagen.
Op de verbeelding is de bestemming van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van het bestemmingsplan en van de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan.
1.4
Huidige planologische regiem
1.4.1
Algemeen
Het plangebied ligt binnen de begrenzing van het bestemmingsplan “Bestemmingsplan Uffelte”. Dit bestemmingsplan is op 26 mei 2009 vastgesteld door de gemeenteraad van Westerveld. In afbeelding 1.2 is een uitsnede van de verbeelding opgenomen. Het plangebied is indicatief met de rode contour aangegeven.
Afbeelding 1.2
1.4.2
Uitsnede verbeelding geldend bestemmingsplan (Bron: ruimtelijkeplannen.nl)
Bestemmingen
De gronden binnen het plangebied hebben de bestemming ‘detailhandel’. Hieronder wordt kort op de geldende bestemming ingegaan. Detailhandel Binnen de bestemming ‘detailhandel’ is ter plaatse van het plangebied een bouwvlak opgenomen. Op de tot ‘detailhandel’ bestemde gronden mogen uitsluitend worden gebouwd bouwwerken ten dienste van de bestemming, met dien verstande dat voor gebouwen geldt dat deze uitsluitend binnen een bouwvlak mag worden gebouwd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp 1.4.3
Strijdigheid
De voorgenomen ontwikkeling is niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Zo is het op basis van het geldende bestemmingsplan niet toegestaan om de bestaande woning aan de Schoolstraat 18 in gebruik te nemen als reguliere woning. Verder is de realisatie van een tweede woning eveneens niet in overeenstemming met het geldende bestemmingsplan. Voorliggend bestemmingsplan voorziet in een adequaat juridisch-planologisch kader voor de voorgenomen ontwikkeling en toont aan dat de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling in overeenstemming is met ‘een goede ruimtelijke ordening’.
1.5
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een beschrijving van de huidige situatie in het plangebied gegeven. Hoofdstuk 3 bevat de planbeschrijving. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het beleid van het Rijk, provincie Drenthe en de gemeente Westerveld beschreven. In hoofdstuk 5 passeren alle relevante milieu- en omgevingsaspecten de revue. In de hoofdstukken 6 en 7 wordt respectievelijk ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording en de economische uitvoerbaarheid van het project. Hoofdstuk 8 gaat in op vooroverleg en de inspraak.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
HOOFDSTUK 2 2.1
HUIDIGE SITUATIE
Uffelte
Het dorp Uffelte is een esdorp in de gemeente Westerveld. De gemeente Westerveld ligt in het zuidwesten van de provincie Drenthe. Het dorp Uffelte telt circa 1.440 inwoners. Onder het dorp valt ook de buurtschap Holtinge. Uffelte ligt ten noordoosten van Havelte en dichtstbijzijnde grote plaats in Meppel, waarvan het ook ten noorden is gelegen. Uffelte kent veel karakteristieke boerderijen. Na de Tweede Wereldoorlog is het dorp Uffelte uitgebreid met nieuwbouw. Het dorp is erg toeristisch, hoewel de meeste voorzieningen in het buurdorp Havelte zijn gevestigd.
2.2
Beschrijving plangebied en omgeving
Het plangebied ligt aan de Schoolstraat 18 aan de westzijde van de kern Uffelte. Het plangebied is kadastraal bekend als gemeente Havelte, sectie M, nummers 1252 en 1253. De ruimtelijke structuur van de nabijheid van het plangebied wordt mede bepaald door de Schoolstraat. In de omgeving van het plangebied komt voornamelijk de functie wonen voor. Aan de oostzijde wordt het plangebied begrensd door de Schoolstraat. Aan de noord- en westzijde wordt het plangebied begrensd door woonpercelen. Aan de westzijde wordt het plangebied begrensd door groen. In de huidige situatie is ter plaatse van het plangebied een bedrijfswoning en loods aanwezig. De loods staat al geruime tijd leeg. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto opgenomen met daarin de huidige situatie van het plangebied en de directe omgeving.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto ligging plangebied (Bron: PDOK)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING
In hoofdstuk 2 is een beschrijving van het plangebied gegeven. In dit hoofdstuk wordt op de ontwikkeling zelf ingegaan.
3.1
Ruimtelijke ontwikkeling
In afbeelding 3.1 is een schets opgenomen van de beoogde situatie ter plaatse van het plangebied. Deze wordt aansluitend toegelicht.
Afbeelding 3.1
Beoogde situatie Schoolstraat 18, Uffelte (Bron: Bouwkundig ontwerpbureau Muntinga)
Aan de Schoolstraat is een bedrijfswoning en loods aanwezig. Zoals benoemd heeft het perceel in de huidige situatie de bestemming ‘detailhandel’. Het betreffende perceel heeft zijn functie als detailhandel verloren, waardoor verval en verpaupering van de loods dreigt. Om dit te voorkomen is gezocht naar een nieuwe, passende en duurzame vervolgfunctie. Het voornemen ziet toe op de sloop van de bestaande loods en het toevoegen van nieuwe tweede woning op het perceel. De bestaande bestemming ‘detailhandel’ wordt gewijzigd in de bestemming ‘wonen’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
3.2
Verkeer en parkeren
3.2.1
Algemeen
Bij het opstellen van een bestemmingsplan moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die ontstaat door een nieuwe ontwikkeling. Hiertoe kunnen berekeningen worden uitgevoerd op basis van de publicatie 'Toekomstbestendig parkeren, publicatie 381 (december 2018)' van het CROW. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. In dit geval wordt voor de parkeerbehoefte aangesloten bij de uitgangspunten uit het ‘Gemeentelijk Verkeer- en Vervoerplan 2020-2030’. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie, 'Toekomstbestendig parkeren’ opgesteld. Deze kencijfers zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en praktijkervaringen van gemeenten. De kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van onder andere de verkeergeneratie. Overigens wordt opgemerkt dat bij iedere functie, in de CROW-publicatie, een maximum en minimum wordt genoemd. Dit is de bandbreedte. 3.2.2
Uitgangspunten
Voor de berekening van de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie wordt uitgegaan van de volgende uitgangspunten: • • • 3.2.3
Functie: ‘Koop, huis, vrijstaand’; Stedelijkheidsgraad: ‘Niet stedelijk’; Stedelijk gebied: ‘Rest bebouwde kom’. Parkeren
Op basis van de voorgenoemde uitgangspunten ontstaan de volgende parkeerbehoefte: Functie
Parkeerplaatsen per woning
Aantal woningen
Totaal aantal parkeerplaatsen
Koop, huis, vrijstaand
2,3
2
4,6
Totaal
Afgerond 5 parkeerplaatsen
Gelet op vorenstaand is sprake van een parkeerbehoefte van afgerond 5 parkeerplaatsen. Het parkeren ten behoeve van de bestaande woning vindt overeenkomstig de huidige situatie plaats op het eigen erf aan de zijde van de Schoolstraat. In de huidige situatie is daar al reeds sprake van parkeren op eigen terrein. De nieuwe woning welke aan de achterzijde van het perceel wordt gerealiseerd zal tevens worden voorzien van verharding waar ook in de eigen parkeerbehoefte kan worden voorzien. Geconcludeerd wordt dat ten aanzien van onderhavig voornemen in de eigen parkeerbehoefte kan worden voorzien. 3.2.4
Verkeersgeneratie
Op basis van voorgenoemde uitgangspunten ontstaat er het volgende beeld voor wat betreft de verkeersgeneratie. Opgemerkt dat uitsluitend in wordt gegaan op de toe te voegen woningen. Immers zorgt deze voor een toename van de verkeersgeneratie.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
Functie
Verkeersgeneratie per woning
Aantal woningen
Totale verkeersgeneratie
Koop, huis, vrijstaand
8,2
1
8,2
Totaal
Afgerond 9 verkeersbewegingen per weekdagetmaal
Gelet op het vorenstaande is er sprake van een toename van de verkeersgeneratie van afgerond 9 verkeersbewegingen per weekdagetmaal. Gezien de minimale toename van de verkeersbewegingen en de voldoende capaciteit van omliggende wegen kunnen de voorgenoemde verkeersbewegingen eenvoudig en veilig afgewikkeld worden. 3.2.5
Conclusie
Geconcludeerd wordt dat er vanuit verkeerskundig oogpunt geen bezwaren zijn tegen de voorgenomen ontwikkeling.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
HOOFDSTUK 4
BELEIDSKADER
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifieke voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven. Het beleid is in dit bestemmingsplan afgewogen en doorvertaald op de verbeelding en in de regels.
4.1
Rijksbeleid
4.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
4.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 4.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut. Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal.
2.
Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair.
3.
Sterke en gezonde steden en regio's Er zijn vooral in steden en stedelijke regio's nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio's behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio's geborgd.
4.
Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan. 4.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.
2.
3.
Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.
4.1.1.4 Toetsing van het initiatief aan de NOVI De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke kleinschalige ontwikkelingen. Het betreft een ontwikkeling waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er is geen sprake van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling. 4.1.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.1.2.1 Algemeen De ladder voor duurzame verstedelijking is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen. Op 1 juli 2017 is de Ladder in het Besluit ruimtelijke ordening gewijzigd. Aanleiding voor de wijziging waren de in de praktijk gesignaleerde knelpunten bij de uitvoering van de Ladder en de wens om te komen tot een vereenvoudigt en geoptimaliseerd instrument. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Hierbij geldt een motiveringsvereiste voor het bevoegd gezag als nieuwe stedelijke ontwikkelingen planologisch mogelijk worden gemaakt. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’ en ‘stedelijke ontwikkeling’. In de Bro zijn in artikel 1.1.1 definities opgenomen voor: •
•
bestaand stedelijk gebied: ‘bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur’. stedelijke ontwikkeling: ´ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen.´
Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling (de komende tien jaar, zijnde de looptijd van het bestemmingsplan) verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit).
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp 4.1.2.2 Toetsing aan de ladder voor duurzame verstedelijking Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen (3.1.6 Bro). Er is geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang (toename van bebouwing of ruimtegebruik) van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Uit afdelingsjurisprudentie blijkt dat voor het realiseren van woningen geldt, dat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen worden beoordeeld als een stedelijke ontwikkeling die ladderplichtig is. Hieronder worden deze uitspraken weergegeven: • •
11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921); 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953).
Aan de Schoolstraat 18 is sprake van een bestemmings- en functiewijziging van een bestaande woning. De bestaande woning wordt voorzien van een woonbestemming teneinde ter plaatse reguliere bewoning toe te staan. Daarnaast wordt een loods gesloopt waarvoor een nieuwe tweede woning op de locatie wordt gerealiseerd. Planologisch gezien is er per saldo sprake van het toevoegen van twee (reguliere)woningen. Er is hiermee op basis van de hierboven weergegeven jurisprudentie geen sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro. Het nader toetsen van het initiatief aan de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' is niet noodzakelijk. 4.1.3
Toetsing van initiatief aan uitgangspunten in het rijksbeleid
De NOVI laat zich niet specifiek uit over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen rijksbelangen als opgenomen in de NOVI. Wat betreft de ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij ‘nieuwe stedelijke ontwikkelingen’ (3.1.6 Bro). In paragraaf 4.1.2.2 wordt geconcludeerd dat, in dit geval geen sprake is van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, lid 2 van het Bro. Hier wordt geconcludeerd dat het rijksbeleid geen belemmering vormt voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
4.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid behelst een doorvertaling van rijksbeleid en is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste betreffen de Omgevingsvisie Drenthe 2022 en de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (versie 2023). 4.2.1
Omgevingsvisie Drenthe 2022
4.2.1.1 Algemeen Met de Omgevingsvisie Drenthe 2022 geeft de provincie invulling aan de verplichte strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving op grond van de Omgevingswet. De Omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen landbouw, natuur, water, wonen, werklocaties, verkeer en vervoer, landschap en cultureel-, aardkundig- en archeologisch erfgoed. De visie beschrijft de provinciale belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing, beschrijft het beleid en schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Drenthe richting 2030. De Omgevingsvisie 2022 is een geactualiseerde versie van de Omgevingsvisie 2018. De maatschappij verandert snel, en het provinciale beleid verandert mee. Al het provinciale beleid voor de fysieke leefomgeving dat sinds 2018 nieuw of gewijzigd is vastgesteld, is doorgevoerd in de Omgevingsvisie 2022.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp 4.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit en robuuste systemen De provincie Drenthe verwoordt haar missie als volgt: ‘Het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij deze kernkwaliteiten.’ Onder de Drentse kernkwaliteiten worden landschap, cultuurhistorische waarden, archeologische waarden, aardkundig erfgoed, natuur, stilte en duisternis verstaan. De missie draagt uit dat de provincie Drenthe bij nieuwe ontwikkelingen bijdraagt aan de ruimtelijke kwaliteit van de provincie. Onder ‘bruisend Drenthe’ verstaat de provincie Drenthe een provincie waar het goed wonen en werken is en waar voor jong en oud veel te beleven valt. Een provincie waar ondernemerschap, cultuur en sport floreren. Deze missie wordt vervolgens verwoordt in de visie ‘Ontwikkeling van robuuste systemen mét ruimtelijke kwaliteit.’ De provincie Drenthe ordent de ruimte van de provincie in vier functies: natuur, landbouw, water en sociaaleconomisch. Voor deze functies streeft de provincie naar robuustheid. Dat betekent dat een functie zo stevig is, dat het weinig gevoelig is voor verstoringen. Hiervoor zijn de volgende robuuste systemen aangewezen: • • • •
Het robuust sociaaleconomisch systeem: heeft betrekking op wonen, werklocaties, infrastructuur en een gezond economisch klimaat; Het robuust landbouwsysteem: heeft betrekking op de ontwikkeling van een toekomstgerichte landbouw; Het robuust natuursysteem: heeft betrekking op de natuurgebieden en de verbindingen die de ruggengraat vormen voor de natuur; Het robuust watersysteem: betreft de samenhang van beken en kanalen die zorgdragen voor een optimaal waterbeheer.
4.2.1.3 Uitwerking robuuste systemen Gelet op vorenstaande is voor onderhavig voornemen voornamelijk het robuust sociaaleconomisch systeem relevant. Onderstaand is dit nader uitgewerkt. Robuust sociaaleconomisch systeem Ten aanzien van het voornemen is met name het thema wonen relevant. Wonen De woningnood in Nederland wordt ook gevoeld in Drenthe. De regio Oost-Drenthe is door het Rijk aangewezen als één van de regio’s waar de bevolkingskrimp in Nederland het sterkt is, maar deze laat zich vooralsnog niet vertalen in huishoudenskrimp. Dit komt omdat huishoudens steeds kleiner worden, waardoor de krimp opgevangen wordt door de vraag naar de woningen. De autonome woningbouwopgave in Drenthe krijgt tot 2020 te maken met een daling van het aantal huishoudens, maar hier tegenover staat dat vanuit Groningen en Zwolle sprake is van een regionaal overkokende woningvraag die landt in de Drentse gemeenten. Per saldo betekent dit een woningbehoefte van ca. 10.000 tot 20.000 extra woningen tot en met 2030. De provincie zet in om toekomstbestendige woningen voor jong en oud. Dat betekent duurzaam, betaalbaar en passend bij de woonwens. Toetsing van het initiatief aan het sociaaleconomisch systeem Het voornemen ziet toe op het omzetten van een bedrijfswoning naar een reguliere woning en het toevoegen van een reguliere woning.
Met onderhavig voornemen wordt voorzien in de woningbehoefte en sluit aan bij de visie van provincie Drenthe. 4.2.1.4 Toetsing van het initiatief aan de Omgevingsvisie Drenthe Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de ‘Omgevingsvisie Drenthe’.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp 4.2.2
Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2023
4.2.2.1 Algemeen De provinciale omgevingsverordening is een instrument om het omgevingsbeleid uit de provinciale omgevingsvisie uit te kunnen voeren. In de verordening staan de regels die bij deze plannen en ideeën gelden. Gemeenten en waterschappen moeten aan de regels uit deze verordening voldoen bij het opstellen van hun ruimtelijke plannen. In voorliggend geval is met name artikel 2.17 lid 1 en 4 (woningbouw) uit de Provinciale Omgevingsverordening relevant. 4.2.2.2 Relevante artikelen Artikel 2.17 lid 1 en 4:
Woningbouw
1. Een ruimtelijk plan kan voorzien in nieuwe woningbouw mits de behoefte op basis van de gemeentelijke woonvisie kan worden aangetoond en aansluit bij bestaand stedelijk gebied. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad: a. b. c. d. e.
draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's; benoemt tenminste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur. schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad; geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd; geeft een lange termijn beeld.
4. Een ruimtelijk plan kan voorzien in een woonfunctie voor gronden met bebouwing die zijn functie verloren heeft, mits: a. b. c. d.
het bebouwing betreft die niet landschapsontsierend is; het ruimtelijk plan een verbetering van de landschappelijke kwaliteit verzekert; het ruimtelijk plan ten hoogste 6 woningen mogelijk maakt en niet gepaard gaat met bouwactiviteiten; en wordt voldaan aan artikel 2.16, lid 3, sub a, c en d van deze verordening.
4.2.2.3 Toetsing aan Provinciale Omgevingsverordening Drenthe Het ruimtelijk plan voorziet in een toename van 2 woningen op een inbreidingslocatie in bestaand stedelijk gebied. In paragraaf 4.3 wordt aangetoond dat deze woningbouwontwikkeling past binnen de gemeentelijke en lokale woonbehoefte, zoals beschreven in de gemeentelijke woonvisie van de gemeente Westerveld. Hiermee wordt voldaan aan artikel 2.17 en de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe 2023. 4.2.3
Conclusie toetsing aan het provinciaal beleid
Geconcludeerd wordt dat het bestemmingsplan in overeenstemming is met de Provinciale Omgevingsvisie en Omgevingsverordening Drenthe. Relevante provinciale belangen zijn in voorliggend plan voldoende geborgd.
4.3
Gemeentelijk beleid
4.3.1
Omgevingsvisie Westerveld
4.3.1.1 Algemeen Deze Omgevingsvisie bevat het toekomstbeeld van en voor de gemeente Westerveld. De omgevingsvisie is de integrale langetermijnvisie op de ontwikkeling van onze gemeente en gaat over de hele fysieke leefomgeving. Voor 2040 heeft de gemeente vijf ambities: BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp 1. 2. 3. 4. 5.
Een bereikbaar en veilig Westerveld; Een bedrijvig en gastvrij Westerveld; Een leefbaar en inclusief Westerveld; Een gezond en groen Westerveld; Een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld.
Samen met de gemeentebrede keuzes vormen deze vijf ambities de basis voor de Visiekaart. Op basis van de ligging van het plangebied op de Visiekaart zijn met name de keuzes en ambities behorend bij deelgebied ‘Natuurgebieden’ van toepassing. 4.3.1.2 Uitwerking gebiedskompassen Het plangebied ligt in het gebiedskompas/deelgebied ‘overige dorpen’. De gemeente Westerveld kent een groot aantal dorpen en buurtschappen. Ieder dorp is uniek, kent zijn eigen geschiedenis en heeft daardoor een eigen identiteit ontwikkeld. De dorpen kunnen worden opgesplitst in twee typen dorpen te weten ‘woondorpen’ en ‘dynamische dorpen’. Uffelte valt onder het type ‘dynamische dorpen’. Dynamische dorpen liggen qua omvang tussen de woondorpen en de voorzieningendorpen in. Naast de woonfunctie zijn er nog een paar voorzieningen aanwezig zoals bijvoorbeeld een dorpshuis of een basisschool. Koers Omdat elk dorp uniek is, is maatwerk erg belangrijk. In alle dorpen is ruimte voor (beperkte) woningbouw. Wat betreft woningbouw in de overige dorpen wordt gekozen voor een vraag gestuurde aanpak. Eigen initiatieven worden toegejuicht. 4.3.1.3 Toetsing aan de Omgevingsvisie Westerveld De voorgenomen ontwikkeling ziet toe op het toevoegen van twee reguliere woningen in het dorp Uffelte. Het voornemen is op eigen initiatief.
Zoals bovenstaand benoemd juicht de gemeente eigen initiatieven toe en is er ruimte voor (beperkte) woningbouw. Het voornemen ziet toe op beperkte woningbouw. Geconcludeerd wordt dat de ontwikkeling aansluit bij de visie en ambities zoals opgenomen in de Omgevingsvisie Westerveld. 4.3.2
Woonvisie 2019 – 2025 en Addendum op de Woonvisie
4.3.2.1 Algemeen In de woonvisie zijn de gemeentelijke ambities om het woonklimaat te behouden en te versterken vastgelegd. De woonvisie is een visie voor de lange termijn waarbij als stip op de horizon 2025. De gemeente Westerveld heeft aan de hand van vijf hoofdthema’s haar wens vertaald: 1. 2. 3. 4. 5.
Profileren als woongemeente; Beschikbaarheid en betaalbaarheid sociale huur; Bestaande voorraad en verduurzaming; Wonen met zorg; Woningmarktopgave (nieuwbouw, transformatie).
Met dit plan komen de thema’s ‘profileren als woongemeente’ en ‘woningmarktopgave (nieuwbouw, transformatie)’ aan de orde. In een onderzoek naar de leefstijlen van huishoudens in de gemeente Westerveld komen drie groepen sterk naar voren: ‘landelijk leven’, ‘vrijheid en ruimte’ en ‘welverdiend genieten’. Bereikbaarheid en leefbaarheid in de dorpen zijn belangrijk om te profileren als woongemeente. De gemeente wenst vraag en aanbod goed op elkaar af te stemmen. Ook focust de gemeente zich op kwalitatieve woningvraag.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp 4.3.2.2 Addendum op de woonvisie Op 6 september 2022 heeft de raad van de gemeente Westerveld een addendum op de Woonvisie vastgesteld. De tijd en de woningbouwopgaven hebben de bestaande Woonvisie 2019-2025 ingehaald. Deze actualisatie in de vorm van het addendum dient als kader voor het uitvoeringsprogramma woningbouw voor de komende vier jaar. Gemeente Westerveld heeft de ambitie om 1.000 nieuwe woningen voor 2030 te realiseren. Hierbij gaat het tevens om de herbestemming van (deels) leegstaande panden. De basisopgave voor gemeente Westerveld is een minimale bouwopgave van 450 tot 500 woningen voor diverse doelgroepen. Uit de huidige plancapaciteit en toekomstige plannen blijkt dat verwacht wordt dat er tot 2030 een aantal van 100 of 200 woningen gerealiseerd worden op basis van particuliere plannen voor ruimte voor ruimte, woningsplitsing, transformatie van bedrijfslocaties en CPO’s. 4.3.2.3 Toetsing aan de Woonvisie 2019-2025 en Addendum op de Woonvisie Het voornemen ziet toe op de realisatie van twee regulieren woningen in het dorp Uffelte. Het plan voorziet in de behoefte voor wonen in bestaand stedelijk gebied van de gemeente Westerveld. Met dit plan wordt uitvoering gegeven aan de wens om gemeente Westerveld te profileren als woongemeente en is daarmee in lijn met de Woonvisie 2019-2025 en het Addendum op de Woonvisie. 4.3.3
Conclusie toetsing aan het gemeentelijk beleid
Geconcludeerd wordt dat het initiatief in overeenstemming is met de gemeentelijke beleidsambities zoals verwoord in het hiervoor behandelde gemeentelijk beleid.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
HOOFDSTUK 5
MILIEU- EN OMGEVINGSASPECTEN
Op grond van artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening moet in de toelichting op het bestemmingsplan een beschrijving worden opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. Bovendien is een bestemmingsplan vaak een belangrijk middel voor afstemming tussen de milieu- en omgevingsaspecten en ruimtelijke ordening. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de thema's geluid, bodem, luchtkwaliteit, externe veiligheid, milieuzonering, geur, ecologie, archeologie & cultuurhistorie, Besluit milieueffectrapportage en water.
5.1
Geluid
5.1.1
Algemeen
De Wet geluidhinder (Wgh) bevat geluidnormen en richtlijnen over de toelaatbaarheid van geluidniveaus als gevolg van rail- en wegverkeerslawaai en industrielawaai. De Wgh geeft aan dat een akoestisch onderzoek moet worden uitgevoerd bij het voorbereiden van de vaststelling van een bestemmingsplan of het nemen van een omgevingsvergunning indien het plan een geluidgevoelig object mogelijk maakt binnen een geluidszone van een bestaande geluidsbron of indien het plan een nieuwe geluidsbron mogelijk maakt. Het akoestisch onderzoek moet uitwijzen of de wettelijke voorkeurswaarde bij geluidgevoelige objecten wordt overschreden en zo ja, welke maatregelen nodig zijn om aan de voorkeurswaarde te voldoen. 5.1.2
Situatie plangebied
Wegverkeerslawaai In artikel 74 van de Wgh is aangegeven dat wegen aan weerszijden een wettelijke geluidszone hebben waarvan de grootte is opgenomen in onderstaande tabel. Wettelijke geluidszones van wegen: Aantal rijstroken
Stedelijk gebied Buitenstedelijk gebied
1 of 2 rijstroken
200 m
250 m
3 of 4 rijstroken
350 m
400 m
5 of meer rijstroken 350 m
600 m
De hiervoor genoemde zones gelden niet voor: • •
wegen die zijn aangeduid als woonerf (art 74.2); wegen waarvoor een maximumsnelheid van 30 km/uur geldt (art 74.2).
Het plangebied is gelegen in een gebied waar enkel 30 km/uur wegen aanwezig zijn. Volgens jurisprudentie blijkt een 30 km/uur weg echter in de beoordeling te moeten worden meegenomen, indien vooraf aangenomen had kunnen worden dat deze weg een geluidbelasting veroorzaakt die hoger ligt dan de voorkeursgrenswaarde (48 dB). De betreffende wegen rondom het plangebied zijn verkeersluwe wegen die hoofdzakelijk zijn bedoeld voor bestemmingsverkeer, voornamelijk in de vorm van personenwagens. Van zwaar vrachtverkeer is niet of nauwelijks sprake. De wegen met een hoge(re) verkeersintensiteit en hoger snelheidsregime (> 30 km/u), zoals de N371 (afstand van circa 400 meter tot plangebied), zijn op voldoende afstand van het plangebied gelegen. Daarnaast is er sprake van afschermende werking door omliggende bebouwing. De lage geluidsbelasting van wegverkeerslawaai wordt bevestigd door de geluidskaart van de Atlas leefomgeving. Een onderzoek naar wegverkeerslawaai kan dan ook achterwege worden gelaten.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp Railverkeerslawaai Railverkeerslawaai wordt in dit geval buiten beschouwing gelaten, omdat er in de nabijheid van het plangebied geen spoorlijn is gelegen. Industrielawaai In de nabijheid van het plangebied zijn geen gezoneerde industrieterreinen aanwezig. Daarom is het aspect industrielawaai buiten beschouwing gelaten. In paragraaf 5.5 wordt ingegaan op (individuele) milieubelastende functies in de omgeving van het plangebied. 5.1.3
Conclusie
Het aspect geluid in het kader van de Wgh vormt geen belemmering voor de uitvoering van dit plan.
5.2
Bodem
5.2.1
Algemeen
Bij de vaststelling van een bestemmingsplan dient te worden bepaald of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van de bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Om hierin inzicht te krijgen, dient doorgaans een bodemonderzoek te worden verricht conform de NENrichtlijnen. 5.2.2
Situatie plangebied
In voorliggend geval is door Sigma Geo- & Milieutechniek B.V. een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. Onderstaand wordt ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten. De volledige rapportage is bijgevoegd als bijlage 1 bij deze toelichting. Onderzoeksresultaten Op basis van de vooraf gestelde hypothese is de onderzoekslocatie in eerste aanleg als milieuhygiënisch onverdacht aangemerkt. Het grondwater t.p.v. peilbuis 8 bevat een verhoogd gehalte zink (zware metalen) t.o.v. de tussenwaarde, aanvullend onderzoek in de vorm van een herbemonstering en heranalyse van het grondwater, kan na afstemming met het bevoegd gezag noodzakelijk zijn. Voor het overige bevat de grond en het grondwater ter plaatse van de onderzoekslocatie enkele stoffen verhoogd t.o.v. de achtergrondwaarde resp. de streefwaarde. De licht verhoogd gemeten gehalten overschrijden de tussenwaarde/ bodemindex-waarde (>0.5) niet en geven daardoor geen formele aanleiding tot het instellen van een nader onderzoek. Opgemerkt wordt dat de conclusies betrekking hebben op de chemische gesteldheid van de bodem (excl. asbest). Op basis van dit onderzoek dat volgens NEN-5740-A1 is uitgevoerd kan geen uitspraak worden gedaan omtrent de aanwezigheid van asbesthoudend materiaal in de bodem of puin.
Indien een formele uitspraak over het voorkomen van asbest in de bodem gewenst is dient een asbestonderzoek uit gevoerd te worden conform de NEN 5707+C2 of NEN 5897+C2.Op basis van de resultaten van het verkennend bodemonderzoek blijkt dat de locatie niet geheel vrij is van bodemverontreiniging. Ter plaatse van het bestaande bijgebouw is sprake van afwatering op verharding. Nader onderzoek naar asbest ter plaatse is niet benodigd.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp 5.2.3
Conclusie
PM.
5.3
Luchtkwaliteit
5.3.1
Beoordelingskader
Om een goede luchtkwaliteit in Europa te garanderen heeft de Europese unie een viertal kaderrichtlijnen opgesteld. De hiervan afgeleide Nederlandse wetgeving is vastgelegd in hoofdstuk 5, titel 2 van de Wet milieubeheer. Deze wetgeving staat ook bekend als de Wet luchtkwaliteit. In de Wet luchtkwaliteit staan ondermeer de grenswaarden voor de verschillende luchtverontreinigende stoffen. Onderdeel van de Wet luchtkwaliteit zijn de volgende Besluiten en Regelingen: • •
Besluit en de Regeling niet in betekenende mate bijdragen (luchtkwaliteitseisen); Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen).
5.3.1.1 Besluit en de Regeling niet in betekenende mate Het Besluit niet in betekenende mate bijdragen (NIBM) staat bouwprojecten toe wanneer de bijdrage aan de luchtkwaliteit van het desbetreffende project niet in betekenende mate is. Het begrip ‘niet in betekenende mate’ is gedefinieerd als 3% van de grenswaarden uit de Wet milieubeheer. Het gaat hierbij uitsluitend om stikstofdioxide (NO2) en fijn stof (PM10). Toetsing aan andere luchtverontreinigende stoffen uit de Wet luchtkwaliteit vindt niet plaats. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen (inrichtingen, kantoor- en woningbouwlocaties) opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele voorbeelden zijn: • • •
woningen: 1500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. 5.3.1.2 Besluit gevoelige bestemmingen Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
21
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp 5.3.2
Situatie plangebied
Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. De grootste bron van luchtverontreiniging in Nederland is het wegverkeer. Het Besluit legt aan weerszijden van rijkswegen en provinciale wegen zones vast. Bij rijkswegen is deze zone 300 meter, bij provinciale wegen 50 meter. Bij realisatie van 'gevoelige bestemmingen' binnen deze zones is toetsing aan de grenswaarden die genoemd zijn in de Wet luchtkwaliteit nodig. 5.3.3 Conclusie Gezien het vorenstaande vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de uitvoering van dit bestemmingsplan.
5.4
Externe veiligheid
5.4.1
Algemeen
Externe veiligheid is een beleidsveld dat is gericht op het beheersen van risico's die ontstaan voor de omgeving bij de productie, de opslag, de verlading, het gebruik en het transport van gevaarlijke stoffen. Bij nieuwe ontwikkelingen moet worden voldaan aan strikte risicogrenzen. Een en ander brengt met zich mee dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen moeten worden getoetst aan wet- en regelgeving op het gebied van externe veiligheid. Concreet gaat het om risicovolle bedrijven, vervoer gevaarlijke stoffen per weg, spoor en water en transport gevaarlijke stoffen via buisleidingen. Op de diverse aspecten van externe veiligheid is afzonderlijke wetgeving van toepassing. Voor risicovolle bedrijven gelden onder meer: • • • • •
het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi); de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi); het Registratiebesluit externe veiligheid; het Besluit risico's Zware Ongevallen 2015 (Brzo 2015); het Vuurwerkbesluit.
Voor vervoer van gevaarlijke stoffen geldt de ‘Wet Basisnet vervoer gevaarlijke stoffen’ (Wet Basisnet). Dat vervoer gaat over water, spoor, wegen, per buisleiding of door de lucht. De regels van het Basisnet voor ruimtelijke ordening zijn vastgelegd in: • • •
het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt); de Regeling basisnet; de (aanpassing) Regeling Bouwbesluit (veiligheidszone en plasbrandaandachtsgebied).
De regelgeving omtrent buisleidingen is opgenomen in het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb). Het doel van wetgeving op het gebied van externe veiligheid is het tot een minimum beperken van risico’s waaraan burgers in hun leefomgeving worden blootgesteld vanwege risicovolle inrichtingen en activiteiten. Het is noodzakelijk inzicht te hebben in de kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten en het plaatsgebonden en het groepsrisico. 5.4.2
Situatie plangebied
Aan hand van de Risicokaart is een inventarisatie verricht van risicobronnen in en rond het plangebied. Op de Risicokaart staan meerdere soorten risico's, zoals ongevallen met brandbare, explosieve en giftige stoffen, grote branden of verstoring van de openbare orde. In totaal worden op de Risicokaart dertien soorten rampen weergegeven. In de volgende afbeelding is een uitsnede van de Risicokaart met betrekking tot het plangebied (rode ster) en omgeving weergegeven.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
22
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp
Afbeelding 5.2
Uitsnede Risicokaart (Bron: Risicokaart.nl)
In afbeelding 5.2 is te zien dat rondom het plangebied een risicovolle functie aanwezig is. Op de locatie Nieuwlandenweg 1 is een opslagtank van Propaan aanwezig. Hiervoor geldt een brandaandachtsgebied. Het plangebied ligt buiten de risicocontouren en ligt op circa 475 meter afstand van de aanwezige opslagtank. Een nadere risicoverantwoording wordt dan ook niet noodzakelijk geacht. 5.4.3
Conclusie
Het plan is in overeenstemming is met wet- en regelgeving ter zake van externe veiligheid.
5.5
Milieuzonering
5.5.1
Algemeen
Zowel de ruimtelijke ordening als het milieubeleid stellen zich ten doel een goede kwaliteit van het leefmilieu te handhaven en te bevorderen. Dit gebeurt onder andere door milieuzonering. Onder milieuzonering verstaan we het aanbrengen van een voldoende ruimtelijke scheiding tussen milieubelastende bedrijven of inrichtingen enerzijds en milieugevoelige functies als wonen en recreëren anderzijds. De ruimtelijke scheiding bestaat doorgaans uit het aanhouden van een bepaalde afstand tussen milieubelastende en milieugevoelige functies. Die onderlinge afstand moet groter zijn naarmate de milieubelastende functie het milieu sterker belast. Milieuzonering heeft twee doelen: • •
het voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij woningen en andere gevoelige functies; het bieden van voldoende zekerheid aan bedrijven dat zij hun activiteiten duurzaam onder aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
23
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp Voor het bepalen van de aan te houden afstanden wordt de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” uit 2009 gehanteerd. Deze uitgave bevat een lijst, waarin voor een hele reeks van milieubelastende activiteiten (naar SBI-code gerangschikt) richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. De lijst geeft richtafstanden voor de ruimtelijk relevante milieuaspecten geur, stof, geluid en gevaar. De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie en daarmee ook voor de uiteindelijke richtafstand. De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet zullen worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. 5.5.2
Gebiedstypen
In de VNG-uitgave “Bedrijven en Milieuzonering” is een tweetal gebiedstypen te onderscheiden; 'rustige woonwijk' en 'gemengd gebied'. Een rustige woonwijk is een woonwijk die is ingericht volgens het principe van functiescheiding. Overige functies komen vrijwel niet voor. Langs de randen is weinig verstoring van verkeer. In de VNG-uitgave wordt het buitengebied veelal gerekend tot het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. Een ‘gemengd gebied’ is een gebied met een matige tot sterke functiemenging. Direct naast woningen komen andere functies voor zoals winkels, horeca en kleine bedrijven. Ook lintbebouwing in het buitengebied met overwegend agrarische en andere bedrijvigheid kan als gemengd gebied worden beschouwd. Gebieden die direct langs de hoofdinfrastructuur liggen, behoren eveneens tot het omgevingstype gemengd gebied. Hier kan de verhoogde milieubelasting voor geluid de toepassing van kleinere richtafstanden rechtvaardigen. Geluid is voor de te hanteren afstand van milieubelastende activiteiten veelal bepalend. De richtafstanden uit het omgevingstype rustige woonwijk kunnen, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat, met één afstandsmaat worden verlaagd indien sprake is van gemengd gebied.
Daarbij wordt in de VNG-uitgave ‘Bedrijven en milieuzonering’ opgemerkt dat het vanuit het oogpunt van efficiënt ruimtegebruik de voorkeur verdient functiescheiding niet verder door te voeren dan met het oog op een goed woon- en leefklimaat noodzakelijk is. Het gebied waarin het plangebied zich bevindt is aan te merken als een ‘rustige woonwijk’. In de omgeving van het plangebied komen weinig verschillende functies voor. Milieucategorie 1 2 3.1 3.2 4.1 4.2 5.1 5.2 5.3 6
5.5.3
Richtafstanden tot omgevingstype rustige woonwijk 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m 1.500 m
Richtafstanden tot omgevingstype gemengd gebied 0m 10 m 30 m 50 m 100 m 200 m 300 m 500 m 700 m 1.000 m
Situatie plangebied
5.5.3.1 Algemeen Aan de hand van vorenstaande regeling is onderzoek verricht naar de feitelijke situatie. De VNG uitgave ‘Bedrijven en Milieuzonering’ geeft inzicht in de milieuhinder van inrichtingen.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
24
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp Zoals reeds hiervoor genoemd wordt bij het realiseren van nieuwe bestemmingen gekeken te worden naar de omgeving waarin de nieuwe bestemmingen gerealiseerd worden. Hierbij spelen twee vragen een rol: 1. past de nieuwe functie in de omgeving? (externe werking); 2. laat de omgeving de nieuwe functie toe? (interne werking). 5.5.3.2 Externe werking Hierbij gaat het met name om de vraag of de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling leidt tot een situatie die, vanuit hinder of gevaar bezien, in strijd is te achten met een goede ruimtelijke ordening. Daarvan is sprake als het woon- en leefklimaat van omwonenden in ernstige mate wordt aangetast. De woning betreft geen milieubelastende functie voor de omgeving. Er is daarom ten aanzien van de omliggende woningen geen sprake van een aantasting van het woon- en leefklimaat. 5.5.3.3 Interne werking Hierbij gaat het om de vraag of de nieuwe functies binnen het plangebied hinder ondervinden van bestaande functies (in de omgeving). In onderstaande tabel zijn de bedrijfsfuncties in de nabije omgeving van het plangebied opgenomen. Functie
Categorie 1
Richtafstand rustige woonwijk 10 meter
Daadwerkelijke afstand tot plangebied (circa) 58 meter
Detailhandel Zuidstraat 6 Maatschappelijk (Kerk) Schoolstraat 5 Maatschappelijk (School) Schoolstraat 4
2
30 meter
73 meter
2
30 meter
80 meter
Aan de richtafstanden ten opzichte van omliggende bedrijfsfuncties wordt voldaan. Geconcludeerd kan worden dat de functies binnen het plangebied geen hinder ondervinden van omliggende bedrijven/functies en er sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Andersom geldt dat bestaande omliggende bedrijven niet extra beperkt worden als gevolg van de vaststelling van dit bestemmingsplan. 5.5.4
Conclusie
Het aspect milieuzonering vormt geen belemmering voor de in dit bestemmingsplan besloten ontwikkeling.
5.6
Geur
5.6.1
Wet geurhinder en veehouderij & Activiteitenbesluit
De Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) vormt het toetsingskader voor vergunningsplichtige veehouderijen, als het gaat om geurhinder. Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven is het beoordelingskader voor geurhinder opgenomen in het Activiteitenbesluit. De Wgv stelt één landsdekkend beoordelingskader met een indeling in twee categorieën. Voor diercategorieën waarvan de geuremissie per dier is vastgesteld, wordt deze waarde uitgedrukt in een ten hoogste toegestane geurbelasting op een geurgevoelig object. Voor de andere diercategorieën is die waarde een wettelijke vastgestelde afstand die ten minste moet worden aangehouden. Voor diercategorieën waarvoor in de Wgv een geuremissie per dier is vastgesteld geldt dat, binnen een concentratiegebied, de geurbelasting op geurgevoelige objecten binnen de bebouwde kom niet meer dan 3 odeur units per kubieke meter lucht mag bedragen. Voor geurgevoelige objecten buiten de bebouwde kom mag deze niet meer bedragen dan 14 odeur units per kubieke meter lucht.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
25
Bestemmingsplan ‘Schoolstraat 18’ Ontwerp Op grond van de Wet geurhinder en veehouderij (Wgv) dient voor diercategorieën waarvoor per dier geen geuremissie is vastgesteld (bijvoorbeeld melkkoeien en paarden) en een geurgevoelig object de volgende afstanden aangehouden te worden: • •
ten minste 100 meter indien het geurgevoelige object binnen de bebouwde kom is gelegen, en ten minste 50 meter indien het geurgevoelige object buiten de bebouwde kom is gelegen.
Voor meldingsplichtige veehouderijbedrijven gelden tevens vaste afstandseisen. Deze eisen zijn gebaseerd op en komen overeen met de vaste afstanden zoals opgenomen in de Wgv. 5.6.2
Situatie plangebied
Het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf is gevestigd op de locatie Zuidstraat 1 in Uffelte. Het agrarische bedrijf ligt op circa 210 meter afstand van het plangebied. Gelet op de afstand van het agrarische bedrijf wordt geconcludeerd dat ter plaatse van het plangebied sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Tevens wordt omgekeerd de omliggende bedrijvigheid niet (verder) in de bedrijfsvoering belemmerd als gevolg van de voorliggende ontwikkeling. Dit kan zondermeer gesteld worden, aangezien tussen het plangebied en het hiervoor genoemde agrarische bedrijf bestaande geurgevoelige objecten aanwezig zijn. Deze bestaande geurgevoelige objecten zijn daarmee maatgeven. 5.6.3
Conclusie
Het aspect geur vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.7
Ecologie
5.7.1
Algemeen
Bescherming in het kader van de natuur wet- en regelgeving is op te delen in gebieds- en soortenbescherming. Sinds 1 januari 2017 is het wettelijk kader ten aanzien van gebieds- en soortenbescherming vastgelegd in de Wet natuurbescherming. Bij gebiedsbescherming heeft men te maken met Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Nederland (NNN). Soortenbescherming gaat uit van de bescherming van dier- en plantensoorten. 5.7.2
Gebiedsbescherming
5.7.2.1 Natura 2000 Natura 2000 is een samenhangend netwerk van natuurgebieden in Europa. Natura 2000 bestaat uit gebieden die zijn aangewezen in het kader van de Europese Vogelrichtlijn (79/409/EEG) en gebieden die zijn aangemeld op grond van de Europese Habitatrichtlijn (92/43/EEG). Deze gebieden worden in Nederland op grond van de Wet natuurbescherming beschermd. In de Wet natuurbescherming heeft Nederland de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn in nationale wetgeving verankerd. Nederland zal aan de hand van een vergunningenstelsel de zorgvuldige afweging waarborgen rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van EZ. Situatie plangebied Het plangebied ligt niet binnen een Natura 2000-gebied. Het plangebied bevindt zich op circa 400 meter van het dichtstbijzijnde stikstofgevoelige Natura 2000-gebied ‘Holtingerveld’. Om de stikstofdepositie van het voornemen op Natura 2000-gebieden te bepalen is door BJZ.nu een AERIUS-berekening uitgevoerd. Deze is als bijlage 2 bijgevoegd bij deze toelichting. Onderstaand wordt nader ingegaan op de belangrijkste onderzoeksresultaten.