CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Motivering vast te stellen TAM-omgevingsplan Polderweg 1 Nijensleek

Politieke avond Westerveld 30 juni 2026, gemeente WesterveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Vaststelling TAM-omgevingsplan Polderweg 1 Nijensleek (spreekrecht)23.528 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 3

"TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek"

Bezoekadres Postadres

Rombou : Jufferenwal 30, 8011 LE Zwolle : Postbus 432, 8000 AK Zwolle

Datum

: 23 april 2026

Status Projectleider Telefoon E-mail

: vastgesteld : E.W. Lamberts : 08 8236 8236 : info@rombou.nl

Inhoudsopgave Toelichting

Hoofdstuk 1

Inleiding

6

1.1

Aanleiding

6

1.2

Plangebied

7

1.3

De bij het plan behorende stukken

7

1.4

Omgevingsplan

8

1.5

Leeswijzer

12

Hoofdstuk 2

Planbeschrijving

13

2.1

Huidige situatie

13

2.2

Toekomstige situatie

14

2.3

Landschappelijke inpassing

18

Hoofdstuk 3

Beleidskader

21

3.1

Rijksbeleid

21

3.2

Provinciaal beleid

26

3.3

Beleid Waterschap

38

3.4

Gemeentelijk beleid

40

Hoofdstuk 4

Fysieke leefomgeving

46

4.1

Besluit milieueffectrapportage

46

4.2

Geluid

47

4.3

Luchtkwaliteit

50

4.4

Geur

51

4.5

Bodemkwaliteit

53

4.6

Omgevingsveiligheid

57 3

4.7

Bedrijven en milieuzonering

61

4.8

Water

63

4.9

Ecologie

68

4.10

Archeologie en cultuurhistorie

79

4.11

Verkeer en parkeren

82

4.12

Duurzaamheid

85

4.13

Gezonde fysieke leefomgeving

86

4.14

Kabels, leidingen en straalpaden

88

4.15

Conclusie fysieke leefomgeving

89

Hoofdstuk 5

Juridische aspecten en planverantwoording

90

5.1

Inleiding

90

5.2

Opzet van de regels

90

5.3

Verantwoording van de regels

94

Hoofdstuk 6

Economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid

96

6.1

Economische uitvoerbaarheid

96

6.2

Maatschappelijke uitvoerbaarheid

96

Bijlagen

Bijlage 1

Ontwerpstudie Staag

Bijlage 2

Landschappelijke inpassing

Bijlage 3

Watertoets

Bijlage 4

Uitgangspunten Beperkt Waterbelang

Bijlage 5

AERIUSberekening sloop

Bijlage 6

AERIUSberekening bouw

Bijlage 7

AERIUSberekening gebruik

Bijlage 8

Natuurwaardenonderzoek

4

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

Bijlage 9

Locatiespecifiek onderzoek

Bijlage 10

Reactie Waterschap

Bijlage 11

Reactie provincie

Inhoudsopgave

5

Toelichting Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1

Aanleiding

Aan de Polderweg 1 in Nijensleek is het intensieve veehouderijbedrijf van initiatiefnemer aanwezig. Het betreft een grootschalige varkenshouderij met een verleende vergunning voor een aanzienlijke groei van het bedrijf. Initiatiefnemer heeft besloten om deel te nemen aan de Landelijke Beëindigingsregeling veehouderij (LBV+). Deelname aan de LBV+ regeling betekent de beëindiging van de intensieve veehouderij, de sloop van de stallen en het intrekken van de vergunningen. Initiatiefnemer heeft aan de gemeente Westerveld gevraagd om de functie van zijn locatie te wijzigen naar Wonen in combinatie met het toepassen van de provinciale ruimte voor ruimte-regeling. Op basis van de te slopen bebouwing komt initiatiefnemer in aanmerking voor 6 compensatiewoningen. Door middel van de brief van 4 maart 2025 laat de gemeente weten planologische medewerking te willen verlenen aan het verzoek onder de voorwaarde van een goede landschappelijke inpassing. Verder dienen de nieuwe woningen te voldoen aan de bouwregels van de bestemming 'Wonen' uit het bestemmingsplan Buitengebied 2012. Om de herontwikkeling van de locatie aan de polderweg 1 in Nijensleek mogelijk te maken, moet het (tijdelijk) omgevingsplan van de gemeente Westerveld worden gewijzigd.

Dit TAM-omgevingsplan zorgt voor de gewenste planologische kaders en toont aan dat het voornemen in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.

6

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

1.2

Plangebied

Het plangebied ligt in het buitengebied van de gemeente Westerveld, circa 1 kilometer te zuiden van Nijensleek op enkele meters van de grens tussen de provincie Drenthe en Overijssel. De omgeving wordt bepaald door grootschalig open gebied, waarin het bedrijf een solitaire ligging heeft. Op de onderstaande afbeelding is het plangebied weergegeven. Het linker plaatje geeft de ligging in het buitengebied van de gemeente Westerveld weer, terwijl in het rechter plaatje met de blauwe lijn de begrenzing van het plangebied is weergegeven.

Afbeelding 1: ligging plangebied 1.3

De bij het plan behorende stukken

Het TAM-omgevingsplan “TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek” bestaat uit de volgende stukken: verbeelding (tek. nr. NL.IMRO.1701.509TAMPolderweg1-0002) en een renvooi; regels (met bijbehorende bijlagen). Op de verbeelding zijn de functies en gebiedsaanwijzingen van de in het plan begrepen gronden weergegeven. In de regels zijn bepalingen opgenomen om de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld met een toelichting. De toelichting geeft een duidelijk beeld van de wijziging van het omgevingsplan en de daaraan ten grondslag liggende gedachten maar maakt geen deel uit van het juridisch bindende deel van de wijziging.

Toelichting

7

1.4

Omgevingsplan

1.4.1

Geldend omgevingsplan

Het geldend planologisch regime is vastgelegd in het omgevingsplan van de gemeente Westerveld met identificatienummer /akn/nl/act/gm1701/2020/omgevingsplan. Ter plekke van de locatie geldt het tijdelijk deel van het omgevingsplan 'Buitengebied Vledder - agrarische gronden' zoals is vastgesteld door de gemeente Westerveld in juni 1992 en van rechtswege onderdeel maakt van het tijdelijk deel van het omgevingsplan van de gemeente Westerveld. In het bestemmingsplan 'Buitengebied Vledder - agrarische gronden' hebben de gronden de bestemming 'agrarisch gebied'. Binnen het bestemmingsplan zijn geen mogelijkheden om mee te werken met het plan. In afbeelding 2 is een uitsnede van de verbeeldingen behorende bij het bestemmingsplan opgenomen.

8

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

Afbeelding 2: uitsnede verbeelding vigerend bestemmingsplan 1.4.2

Verleende vergunning Handelen in strijd met regels ruimtelijke ordening

Voor de locatie Polderweg 1 in Nijensleek is op 19 juli 2016 een omgevingsvergunning verleend voor een uitbreiding van het bedrijf in afwijking van de regels van het bestemmingsplan (artikel 2.1 lid 1 onder c jº 2.12 lid 1 onder a onder 3º Wabo). Met het bouwplan, waarvoor de vergunning is verleend, zou het bouwvlak groeien naar 1,5 hectare waarbinnen de bebouwde oppervlakte zou toenemen naar circa 12.000 m². Op de onderstaande afbeelding is de vergunde situatie weergegeven, inclusief bedrijfswoning.

Toelichting

9

Afbeelding 3: vergunde situatie Polderweg 1 De milieusituatie is door middel van de vergunning uit 2016 als volgt gewijzigd: Het uitbreiden van het aantal vleesvarkens van 2.390 naar 5.142 vleesvarkens; Het uitbreiden van het aantal kraamzeugen van 80 naar 200 kraamzeugen; Het uitbreiden van het aantal guste en dragende zeugen van 300 naar 798 guste en dragende zeugen; Het uitbreiden van het aantal opfokzeugen naar 210 stuks. Er worden geen opfokberen en schapen meer gehouden; Het uitbreiden van het aantal gespeende biggen van 1.480 naar 4.096 gespeende biggen; Het uitbreiden met 3 dekberen; Het slopen van alle stallen behalve stal 6. De nieuw te bouwen stallen 1, 2, 3, 4 en 5 worden voorzien van een emissiearm stalsysteem met een gecombineerd luchtwassysteem met 85% emissiereductie met watergordijn en biologische wasser; Het uitbreiden van de (brij)voer- en spuiwateropslag; Diverse kleine wijzigingen ten opzichte van de vergunde situatie. 1.4.3

Beschrijving bestemmingen

Bedrijfslocatie Polderweg 1 Op grond van het bestemmingsplan 'Buitengebied Vledder - agrarische gronden' zijn de gronden bestemd voor agrarische doeleinden (artikel 3). De gronden, op de 10

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

plankaart aangewezen voor agrarische doeleinden, kategorie AG, agrarisch gebied, zijn bestemd voor de bedrijfsmatige bewerking en/of bereiding van kultuurgrond, alsmede voor de uitoefening van een: a. grondgebonden agrarisch bedrijf, indien het bebouwingsvlak van de letteraanduiding "G" is voorzien; b. grondgebonden agrarisch bedrijf en niet grondgebonden agrarisch bedrijf in de overige bebouwingsvlakken; c. (......) Omdat de letteraanduiding "G" ontbreekt op de plankaart, is het bebouwingsvlak dus ook bestemd voor een intensieve veehouderij. Agrarische gronden De agrarische gronden aansluitend aan de bedrijfslocatie hebben conform het bestemmingsplan Buitengebied de bestemming 'Agrarisch -1 ' en de dubbelbestemming 'Waarde-Archeologie 3'. Verder is de gebiedsaanduiding 'vrijwaringszone - laagvliegroute' van toepassing. 1.4.4

Beschrijving strijdigheden met geldend bestemmingsplan

De voorgenomen herontwikkeling van het plangebied is niet in overeenstemming met de gebruiks- en bouwregels van de geldende bestemming ‘agrarische doeleinden’ aangezien reguliere woningen niet passen binnen deze functie. Het voornemen gaat gepaard met een zorgvuldige landschappelijke inpassing aansluitend op de karakteristieke kenmerken van het omliggende landschap. Het voorliggend TAM-omgevingsplan voorziet in de gewenste juridische planologische kaders om het planvoornemen te kunnen realiseren. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAM-omgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet. Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAM-omgevingsplan deel uit van het Toelichting

11

omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in hoofdstuk 5 nader op ingegaan. 1.5

Leeswijzer

Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 een weergave van de huidige en de toekomstige situatie weergegeven. In hoofdstuk 3 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid van het Rijk, de provincie en de gemeente beschreven. In hoofdstuk 4 passeren alle relevante aspecten in de fysieke leefomgeving de revue. In hoofdstuk 5 wordt de ingegaan op de juridische aspecten/planverantwoording. Tot slot wordt in hoofdstuk 6 ingegaan op de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid.

12

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1

Huidige situatie

2.1.1

Landschap

Het landschap rond de Wapserveensche Aa is open. Er is maar weinig bebouwing, beplanting is schaars. De beek is rond 1960 gekanaliseerd en als gevolg van de versnelde waterafvoer is een groot aantal kenmerkende kavelsloten, haaks op de beek gedicht. Schaalvergroting heeft plaatsgevonden middels ruilverkavelingen maar het karakteristiek is nog bijzonder voelbaar. Het landschap loopt af richting de beek met een opstrekkende, smalle verkaveling. De openheid van het landschap wordt enkel onderbroken door schaar aanwezige groene erven van de overwegend agrarische bebouwing. De wegdorpen Nijensleek in het noordwesten en Wapserveen in het zuidoosten met hun lintbebouwing en opgaande beplantingen vormen de ruimtelijke begrenzingen. Het verlengde van de beek is aan weerszijden open. 2.1.2

De locatie

Aan de Polderweg 1 in Nijensleek bevindt zich een agrarisch erf dat in gebruik is als varkenshouderij. Op het perceel staan verschillende bedrijfsgebouwen, waaronder stallen, opslagruimten, silo's en een bedrijfswoning. De bedrijfsvoering is gericht op het houden van varkens, met bijbehorende voorzieningen voor voer, mestopslag en logistiek. De totale oppervlakte aan bebouwing (exclusief de bedrijfswoning) bedraagt 6.120 m2. In afbeelding 4 is een luchtfoto afgedrukt waarop de bestaande bebouwing is te zien. Aan de zijde van de weg, ter plaatse van de rode druppel, is de bedrijfswoning met bijbehorend bijgebouw aanwezig.

Toelichting

13

Afbeelding 4: aanwezige bebouwing Op de locatie rust een natuurvergunning (kenmerk VTH/2014000636) voor het houden van de dieraantallen waarvoor in 2016 de omgevingsvergunning is verleend. 2.2

Toekomstige situatie

Initiatiefnemer heeft besloten deel te nemen aan de LBV+-regeling. Deelname aan deze regeling houdt in dat de agrarische bedrijfsvoering wordt gestaakt, alle stallen en voorzieningen (mest- en voeropslagen) worden gesloopt en de vergunning worden ingetrokken. Deelname aan de regeling houdt verder in dat op de locatie aan de Polderweg 1 in Nijensleek voor de toekomst geen landbouwhuisdieren meer gehouden mogen worden. De gemeente heeft ermee ingestemd om de agrarische bestemming van de locatie 14

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

te wijzigen naar 'Wonen' en medewerking te verlenen aan de bouw van 6 ruimte voor ruimte-woningen. De bestaande bedrijfswoning wordt ook bestemd voor woondoeleinden, waardoor in de toekomstige situatie 7 woningen op het perceel aanwezig zullen zijn. De ruimte voor ruimte-woningen worden gesitueerd op de voormalige agrarische bedrijfskavel. Door Architectenbureau Staag is een ontwerp gemaakt van de nieuwe invulling van het perceel, waarbij het erf-principe leidend is geweest. De verkavelingsstudie van Staag is toegevoegd als bijlage 1 bij deze motivering. De nieuwe woningen liggen in twee groepjes van 3 rondom een gezamenlijk erfje. Op deze wijze is een verbinding gemaakt met het oorspronkelijk agrarisch gebruik van het perceel. Er wordt hiermee onderscheid gemaakt tussen de oorspronkelijke (bedrijfs)woning en de nieuwbouw, waarbij de nieuwe woningen een samenhangend geheel vormen. De ontsluiting van de 6 nieuwe woningen vindt plaats door één gezamenlijke ontsluitingsweg. Het gros van het parkeren vindt centraal plaats op het gezamenlijk erfje. In afbeelding 5 is het ontwerp van de toekomstige situatie weergegeven. Afbeelding 6 geeft het ontwerp in vogelvlucht weer.

Toelichting

15

Afbeelding 5: verkaveling nieuwe situatie (bron : Staag architecten) De nieuwe woningen zullen qua kleurstelling afwijken van de bestaande (bedrijfs) woning, waardoor het onderscheid tussen bestaand en nieuw op een subtiele wijze zichtbaar wordt.

Afbeelding 6: verkaveling nieuwe situatie vogelvlucht (bron : Staag architecten) De kavels van de nieuwe woningen krijgen een oppervlakte van circa 1.000 m2. De woningen krijgen een oppervlakte van maximaal 150 m2. De kavel van de bestaande (bedrijfs) woning krijgt een oppervlakte van circa 1.900 m2. Iedere woning krijgt de beschikking over een bijgebouw. Door te variëren in de plek van het bijgebouw ontstaat het erf-principe. Verbeelding Aan iedere woning is een aparte woonbestemming gegeven. Concreet hebben alle woningen een eigen bestemmingsvlak met een bestemming 'Wonen'. Binnen de woonbestemming is een bouwvlak opgenomen waarbinnen de woning gerealiseerd moet worden. Er is voor gekozen om de ligging van de woningen op de verbeelding door middel van een bouwvlak vast te leggen teneinde zeker te stellen dat het erf-principe ook zodanig vormt krijgt. In de onderstaande afbeelding is een uitsnede gegeven van de verbeelding.

16

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

Afbeelding 7: uitsnede verbeelding Polderweg 1 Bij een aantal woningen wordt het bijgebouw gesitueerd voor de voorgevel van de woning. Dit wijkt af van de 'standaard' bouwregels die de gemeente hanteert bij de bestemming Wonen. Om de bijgebouwen op deze positie mogelijk te maken is aan de bouwvlakken van deze woning de bouwaanduiding 'afwijkende positie bijgebouw' opgenomen. In de regels is vastgelegd dat ter plaatse van deze aanduiding het bijgebouw voor de voorgevel , conform het bijgevoegde ontwerp van Staag, gerealiseerd moet worden. Voor de ontsluiting van de woningen wordt gebruik gemaakt van een bestaande inrit. Deze inrit wordt doorgetrokken tot aan het aan het woongebied aansluitend stuk weiland. Voor de bereikbaarheid van het weiland aan de zuidoostzijde van de woningen wordt een pad aangelegd tussen twee woonpercelen door. Op de verbeelding is aan deze paden de functieaanduiding 'specifieke vorm van Wonen Toelichting

17

ontsluiting' toegekend. 2.3

Landschappelijke inpassing

Ten behoeve van de herontwikkeling van de locatie aan de Polderweg 1 in Wonen is door Buro Stad en Land een landschappelijk inpassingsplan opgesteld. Het plan is bijgevoegd als bijlage 2 bij deze motivering. In de navolgende afbeelding is de landschappelijke inpassing van de woningen weergegeven.

18

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

Afbeelding 8: landschappelijke inpassing (bron: Buro Stad en Land) Visie Meest waardevol in de structuur is de noordwest-zuidoost- verkavelingsrichting. De Bakensloot versterkt deze richting en is een belangrijke ruimtelijke drager in de Toelichting

19

directe omgeving. Middels een wilde haag wordt deze extra gemarkeerd én daarmee ook het gaswinningsterrein aan het oog onttrokken. Aan de oostelijke zijde wordt door bomen deze erfrand gemarkeerd, de woningen deels aan het oog vanuit de omgeving onttrokken. Transparant weliswaar, of onderbroken, bewoners houden vanuit woning en tuin zicht op het fantastische landschap. Tussen de woningen zijn (lage) hagen voorzien. Als het ware ontstaan tuin-/landschapskamers met daarin woning, bijgebouw en tuin. Uitgangspunt is wel om met één erfontsluitingsweg in de hoofdrichting de 7 woningen te ontsluiten waarmee verrommeling van het straatbeeld wordt voorkomen en ook het aantal erftoegangen wordt beperkt. Een aantal groepen hoogstamfruitbomen draagt bij aan biodiversiteit en het (oorspronkelijke) agrarische karakter. Toetsing landschappelijke inpassing aan beleid In het beeldkwaliteitsplan wordt gesproken over het terugbrengen van houtwallen bij erven aan de rand van het beekdal, ook als onderdeel bij uitbreiding van het erf. Gesteld wordt de kantige en rechthoekige vorm als basisopzet te hanteren. Op vier hoeken staat hoogopgaande beplanting. Tussen twee hoeken is deze gevuld met een combinatie van streekeigen bomen en struiken. Overige zijden gevuld met een combinatie van streekeigen bomen, hagen en/of struikbomen of grastalud.

Afstand tussen bebouwing en kavelgrens moet ruim voldoende zijn voor beplanting.

20

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

Hoofdstuk 3 Beleidskader 3.1

Rijksbeleid

3.1.1

Novi

Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.

Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, ofteweloncurrerend, duurzaam en circulair. Toelichting

21

3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw. Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk.

Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1.

Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte;

2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties.

22

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

3.1.2

Instructieregels Rijks (Amvb’s)

Artikel 8.0b, eerste lid, van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) bepaalt dat bij een aanvraag om een buitenplanse omgevingsvergunning de instructieregels in hoofdstuk 5 van het Bkl, de provinciale instructieregels en eventuele instructies het beoordelingskader vormen van een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Uit het tweede lid van artikel 8.0b van het Bkl volgt dat de omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit geweigerd wordt als: a. de activiteit zou leiden tot een situatie die niet is toegelaten op grond van instructie(regel)s; b. de omgevingsplanactiviteit betrekking heeft op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan (opvolger van het voorbereidingsbesluit); c. de omgevingsplanactiviteit het uitvoeren van een project waarvoor een projectbesluit is vastgesteld door provincie of Rijk, belemmert.

Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2) beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3) beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behoeden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8). Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van Toelichting

23

bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. Zie stap 11f van hoofdstuk 3. In de motivering moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. Hierna is een uitwerking gegeven inzake de Ladder voor duurzame verstedelijking, omdat deze in de praktijk veel voorkomt. Ladder voor duurzame verstedelijking De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De Ladder voor duurzame verstedelijking is geïntroduceerd in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR: voorganger van de NOVI). Deze ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening (artikel 3.1.6, lid 2) opgenomen en vervolgens beleidsneutraal overgezet naar het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). Dit geldt ook voor de reeds opgebouwde jurisprudentie. Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘bestaand stedelijk gebied’, ‘stedelijke ontwikkeling’ en nieuwe ‘stedelijke ontwikkeling’.

bestaand stedelijk gebied betreft het bestaand stedenbouwkundig samenstel van bebouwing ten behoeve van wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel of horeca, alsmede de daarbij behorende openbare of sociaal culturele voorzieningen, stedelijk groen en infrastructuur. In artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving staat de instructieregel dat de Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen. Uit Afdelingsjurisprudentie blijkt dat de vraag wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling in grote mate casuïstisch wordt beantwoord. Zo heeft de 24

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

Afdeling uitgemaakt dat de bouw van 11 woningen niet als stedelijke ontwikkeling wordt gezien. De raad is van oordeel dat gelet op het aantal woningen het plan niet voorziet in een woningbouwlocatie of andere stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 5.129g Bkl. Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). 3.1.3

Toetsing van het planvoornemen aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid

NOVI Voor wat betreft het omzetten van de functie agrarische doeleinden naar een woonfunctie met bijhorende groene inpassing kan worden geconstateerd dat de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zich niet specifiek uitlaat over dergelijke lokale ontwikkelingen. De voorgenomen ontwikkeling raakt geen Rijksbelangen zoals opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie. Wel kan worden opgemerkt dat rekening is gehouden met het afwegingsprincipe 'Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal'. Bij de herontwikkeling van de agrarische bedrijfslocatie naar de woonfunctie is in de uitwerking van het landschappelijk inpassingsplan juist aangesloten bij de kenmerken en identiteit van het gebied. Instructieregels Rijks (Amvb’s) De toetsing aan de instuctieregels van het Rijk vindt plaats in hoofdstuk 4, voorzover deze instructieregels relevant zijn voor het planvoornemen. Ladder voor duurzame verstedelijking Wat betreft de 'Ladder voor duurzame verstedelijking' wordt opgemerkt dat deze van toepassing is bij 'nieuwe stedelijke ontwikkelingen'. Er zijn inmiddels meerdere gerechtelijke uitspraken geweest over deze begripsdefinitie. Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Er is geen ondergrens bepaald voor wat een ‘stedelijke ontwikkeling’ is.

Op basis van jurisprudentie blijkt dat de vraag of sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang (toename van Toelichting

25

bebouwing of ruimtegebruik) van die ontwikkeling, in relatie tot de omgeving. Uit afdelingsjurisprudentie blijkt dat voor het realiseren van woningen geldt, dat woningbouwlocaties vanaf twaalf woningen worden gezien als een nieuwe stedelijke ontwikkeling en dus ladderplichtig. Hieronder worden deze uitspraken weergegeven: 11 woningen geen nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 16 september 2015; ECLI:NL:RVS:2015:2921) 12 woningen wel een nieuwe stedelijke ontwikkeling (ABRvS 25 maart 2015; ECLI:NL:RVS:2015:953). Het voorliggende plan beperkt zich echter tot de realisatie van zes nieuwe vrijstaande woningen met bijgebouw. Daarom is geen verdere beoordeling aan de Ladder noodzakelijk. 3.2

Provinciaal beleid

3.2.1

Omgevingsvisie Drenthe

3.2.1.1 Algemeen Met de Omgevingsvisie Drenthe 2022 geeft de provincie invulling aan de verplichte strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving op grond van de Omgevingswet. De Omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen landbouw, natuur, water, wonen, werklocaties, verkeer en vervoer, landschap en cultureel-, aardkundig- en archeologisch erfgoed. De visie beschrijft de provinciale belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing, beschrijft het beleid en schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Drenthe richting 2030.

3.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit De inzet is de ruimtelijke kwaliteit van Drenthe te behouden en, waar mogelijk, te ontwikkelen. Daarvoor is het essentieel dat duidelijk is welke kwaliteiten de provincie van belang vindt, zodat initiatiefnemers van nieuwe ontwikkelingen daar rekening mee kunnen houden. De provincie ziet de waarde van de kernkwaliteiten als een inspirerend uitgangspunt voor een ontwikkeling en niet als een remmende factor. De provincie zet de kernkwaliteiten op de kaart en geeft aan waar initiatiefnemers rekening mee moeten houden. Zo worden voor de verschillende kernkwaliteiten 26

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

kenmerken (zoals karakteristiekbeschrijvingen en typologieën) benoemd, randvoorwaarden gegeven en niveaus van sturing aangegeven. Ook wordt beschreven hoe wordt gestuurd op zorgvuldig ruimtegebruik en de kwaliteit van milieu- en leefomgeving. In het planproces voor ontwikkelingen waarbij provinciale kernkwaliteiten in het geding zijn, speelt de provincie een nadrukkelijke rol: Er wordt gestuurd op een zo vroeg mogelijke betrokkenheid; bij visievorming of in de ontwerpfase. In dit stadium wordt aangegeven wat de betekenis van ons kernkwaliteitenbeleid voor het betreffende plan is, en wordt meegedacht over de gewenste integrale samenhang van kernkwaliteiten en functies. Dit geldt voor initiatieven van gemeenten, waterschappen of derden, en uiteraard ook voor ruimtelijke ontwikkelingen die door de provincie zelf worden geïnitieerd. Er wordt bijgedragen aan het behouden en ontwikkelen van de kernkwaliteiten door inspirerende voorbeelden en informatie binnen en buiten Drenthe te verzamelen, te ontwikkelen en uit te dragen. Een voorbeeld hiervan is het boek ‘Drenthe maakt – het landschap als inspiratiebron'. Er wordt gestuurd op het vastleggen van kernkwaliteiten in de ruimtelijke plannen van gemeenten en in de beheersplannen van waterschappen en terrein beherende organisaties.

In een aantal gebieden in Drenthe komen veel verschillende kernkwaliteiten samen, zoals in de Drentsche Aa, Dwingelderveld, het Drents-Friese Wold, de Koloniën van Weldadigheid, de Hondsrug, Holtingerveld, de Onlanden en het Reestgebied. Voor deze gebieden geldt dat we inzetten op een integrale provinciale advisering, gericht op de samenhang van de verschillende kernkwaliteiten. Ook bij de inzet van provinciale middelen, waaronder subsidies, zetten we in deze gebieden in op het behouden en ontwikkelen van de kernkwaliteiten. Het plangebied ligt in deelgebied 6: De velden in centraal Drenthe. Voor het plangebied gelden de volgende relevante kernkwaliteiten genoemd in de Omgevingsvisie: Landschap – ‘Wegdorpenlandschap van de laagveenontginningen; Cultuurhistorie - deelgebied 'De Drentese Hoofdvaart' en sturingsniveau 'D5 Esdorpenlandschap Vledder- en Wapserveense Aa'. Aardkundige erfgoed – ‘beschermingsniveau middel’; Robuust natuursysteem – ‘Doelenkaart natuur en landschap’; Toelichting

27

Robuust watersysteem – ‘Grondwaterlichaam – Zand Rijn-Oost’ en ‘Beekdalen’. Toetsing planvoornemen aan kernkwaliteiten Landschap Dit wegdorpenlandschap, ook wel het ‘slagenlandschap’, ligt op de laagstgelegen plekken in de provincie Drenthe, waar in de benedenlopen van de beekdalen veen is ontstaan. Kenmerkend zijn de ontginningsassen, de langgerekte lintdorpen en de grote, open weidegebieden. Sommige delen hebben door de kavelgrensbeplanting een min of meer besloten karakter. Van provinciaal belang is het open weidegebied en de smalle verkaveling met het fijnmazige slotenpatroon. Het planvoornemen heeft geen negatieve gevolgen voor de grote open weidegebieden en de smalle verkaveling met het fijnmazige slotenpatroon. Door de beëindiging van de intensieve veehouderij verdwijnen de stallen en worden tevens de vergunde uitbreidingsmogelijkheden doorgehaald. De planontwikkeling vindt plaats op het voormalige agrarisch erf wordt de stallen worden afgebroken. De oppervlakte aan bebouwing zal per saldo afnemen. Door het wegnemen van de uitbreidingsmogelijkheden en de compactere bebouwing zal het planvoornemen de openheid van het gebied zeker niet aantasten, maar eerder versterken. Verder kan worden opgemerkt dat er geen sloten gedempt zullen worden. Hierdoor blijft de smalle verkaveling met het fijnmazige slotenpatroon onaangetast.

Cultuurhistorie In het deelgebied 'De Drentese Hoofdvaart' en sturingsniveau 'D5 Esdorpenlandschap Vledder- en Wapserveense Aa' zijn de volgende karakteristieken van belang: Open beekdalen, met zicht naar de wegdorpen van de randveenontginningen; Het licht slingerende lint met opstrekkende verkaveling van Wapserveen, met karakteristieke eenzijdige bebouwing; Grote, scherp begrensde boseenheden als representanten van de jonge ontginningen; Esdorpen met intern en extern een ruime opzet en herkenbaarheid van historische uitbreidingen die het landschap insteken. Eén belangrijke ambitie van de provincie is het in stand houden van de karakteristiek van het esdorpenlandschap. Deze karakteristiek uit zich in een zichtbare ruimtelijke samenhang tussen esdorp, es, beekdal en veld, met bijbehorend microreliëf en 28

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

beplantingselementen als houtwallen en esrandbosjes. Veel agrarische bedrijfslocaties passen door schaalvergroting en verharding niet langer goed binnen dit karakteristieke landschap. Zeker met de uitbreidingsplannen voor de intensieve veehouderij aan de Polderweg 1 is deze locatie te bestempelen als een zeer groot bedrijf. Door de herontwikkeling naar wonen ontstaat de mogelijkheid om: verouderde en landschappelijk storende bedrijfsbebouwing te verwijderen; het erf opnieuw en in overeenstemming met de landschappelijke structuur in te richten; en de karakteristieke groenstructuren (zoals houtwallen, singels en erfbeplanting) te versterken. De ontwikkeling resulteert daarmee in een zichtbare kwaliteitsverbetering van het landschap en draagt bij aan het behoud van de identiteit van het esdorpenlandschap. Aardkundig Aardkundige waarden zijn natuurlijke variaties in het aardoppervlak van geomorfologische, geologische, bodemkundige verschijnselen en/of processen die onder andere onder invloed van wind en water gebeuren. Onder aardkundige waarden vallen bijvoorbeeld veentjes, pingoruïnes, stuwwallen, zandkoppen en (micro en macro) reliëf. Drenthe heeft een eigen karakter, een eigen (ruimtelijke) identiteit, die door inwoners en bezoekers hoog gewaardeerd wordt. Het aardkundige landschap van Drenthe is hiervoor in belangrijke mate bepalend.

Ons aardkundig erfgoed is de enige informatiebron over de natuurlijke ontstaansgeschiedenis van Drenthe. Aardkundige waarden zijn voor het merendeel onzichtbaar en eenmaal aangetast of vernield, onvervangbaar. Ze zijn kwetsbaar voor ruimtelijke ontwikkelingen die met bodemingrepen gepaard gaan. Binnen dit beschermingsniveau zijn beperkingen aan grootschalige ingrepen van toepassing, maar kleinschalige ontwikkelingen die het aardkundig karakter respecteren en versterken zijn toelaatbaar. De herontwikkeling van de voormalige agrarische bedrijfslocatie naar een woonfunctie is qua aard, schaal en inpassing passend binnen het beschermingsniveau middel. Door de sloop van voormalige agrarische bebouwing en het realiseren van een kleinschalige woonfunctie neemt de hoeveelheid verhard oppervlak af. De ontwikkeling: Toelichting

29

respecteert het bestaande reliëf en de bodemopbouw; beperkt verharding en zware ingrepen; versterkt de natuurlijke en landschappelijke kenmerken; en draagt bij aan de herkenbaarheid van het esdorpenlandschap. Hiermee wordt voldaan aan het provinciale beleid inzake behoud en versterking van aardkundige waarden, en kan de ontwikkeling als aardkundig verantwoord en ruimtelijk passend worden beschouwd. Robuust natuursysteem De buitengewone natuur in Drenthe wil de provincie doorgeven en robuuster maken voor de toekomst. De provincie heeft de wettelijke taak om planten en dieren te beschermen, natuur te beheren en nieuwe natuur aan te leggen. Vanuit het Natuurpact en het Nationaal Programma Natuur en vanuit de eigen ambities zet de provincie in op het herstellen en het verbeteren van de kwaliteit van de natuur in heel Drenthe. Het beleid om de natuurgebieden te ontwikkelen tot een robuust netwerk heeft een positief effect op de ontwikkeling van natuurwaarden. De afname van de biodiversiteit in het Natuurnatuurnetwerk (NNN) lijkt te zijn gekeerd, maar niet alle soorten in het NNN hebben een gunstig toekomstperspectief. De provincie blijft inzetten op het verder versterken en verbeteren van de biodiversiteit, zowel binnen als buiten de NNN. Onderdeel van het natuurbeleid is de Gebiedsgerichte aanpak stikstof. De Wet stikstofreductie en natuurverbetering geeft hiervoor de kaders.

Om de effecten van verdroging, vermesting en verzuring tegen te gaan, zet de provincie – naast natuurherstel – in op het verminderen van de stikstofdepositie. Het planvoornemen draagt in grote mate bij aan het verminderen van de stikstofemissie vanwege de beëindiging van een grootschalig veehouderijbedrijf (piekbelaster). In het TAM-omgevingsplan wordt vastgelegd dat op de locatie aan de Polderweg 1 in Nijensleek geen landbouwhuisdieren meer gehouden mogen worden. Op deze wijze draagt het planvoornemen op duurzame wijze bij aan het verminderen van de stikstofdepositie. Robuust watersysteem Het plangebied ligt binnen het provinciaal aangewezen robuuste watersysteem, dat bestaat uit samenhangende hydrologische eenheden met belangrijke functies voor 30

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

waterberging, infiltratie en grondwaterbescherming. Binnen het Grondwaterlichaam – Zand Rijn-Oost en de aangrenzende beekdalen is het beleid gericht op het behouden en versterken van de natuurlijke waterhuishouding, het voorkomen van verdroging, en het vergroten van de klimaatbestendigheid van het watersysteem. Bij ruimtelijke ontwikkelingen geldt als uitgangspunt dat: de hydrologische balans niet mag worden verstoord; ontwikkelingen bijdragen aan een robuuster, klimaatadaptief watersysteem; en oppervlakte- en grondwaterkwaliteit niet worden aangetast. De voorgenomen functieverandering van agrarisch gebruik naar wonen sluit goed aan bij deze uitgangspunten. 1. Zand Rijn-Oost Het planvoornemen heeft: a.

Beperkte invloed op grondwaterhuishouding

Het plan voorziet in het beëindigen van de agrarische bedrijfsvoering, waardoor grondwateronttrekking, mestopslag en verharding afnemen. Er vindt geen verhardingsuitbreiding of diepe ontgronding plaats. De ontwikkeling heeft daardoor geen negatieve invloed op de grondwateraanvulling of -kwaliteit. b. Bevordering van infiltratie en waterberging Door het verwijderen van verhard oppervlak en het aanleggen van groen wordt de natuurlijke infiltratiecapaciteit van de bodem versterkt. Het hemelwater wordt lokaal wordt vastgehouden en infiltreert langzaam in het zandige ondergrondssysteem van Rijn-Oost. Dit sluit aan bij de doelstelling van het robuust watersysteem om de natuurlijke sponswerking van de bodem te herstellen. c. Bescherming van de grondwaterkwaliteit Het beëindigen van agrarisch gebruik leidt tot een vermindering van nutriënten. Daarmee draagt de ontwikkeling bij aan een verbetering van de grondwaterkwaliteit binnen het grondwaterlichaam Zand Rijn-Oost, in lijn met de Kaderrichtlijn Water (KRW)-doelstellingen. 2. Beekdal In de beekdalen behoudt de provincie de ruimte voor water. De waterhuishouding in de beekdalen draagt bij aan de grondwatervoorraad en het voorkomen van wateroverlast De herontwikkeling van de voormalige agrarische bedrijfslocatie naar een woonfunctie levert een positieve bijdrage aan de grondwatervoorraad en helpt Toelichting

31

wateroverlast te voorkomen, door een combinatie van minder verharding, meer infiltratie, en natuurlijke waterberging op perceelsniveau. Door de beëindiging van agrarisch gebruik neemt de verharding af en wordt het erf grotendeels ingericht met doorlatende verharding en groenstructuren, waardoor regenwater lokaal kan infiltreren. Hiermee wordt de natuurlijke sponswerking van de bodem versterkt en neemt de grondwateraanvulling toe. Daarnaast worden voorzieningen toegepast om hemelwater tijdelijk te bergen en piekafvoer te voorkomen. De ontwikkeling sluit daarmee aan bij het beleid van provincie en waterschap om te streven naar een klimaatadaptieve, robuuste waterhuishouding volgens het principe vasthouden – bergen – afvoeren.

3.2.1.3 Thema Wonen De woningnood in Nederland wordt ook gevoeld in Drenthe. De verschillen in bevolkingsontwikkeling tussen de stedelijke gebieden en het landelijk gebied worden groter, ondanks de stagnatie op de woningmarkt vanwege forse prijsstijgingen. Op basis van de huidige prognoses blijft de bevolking van Assen stabiel en profiteert de noordzijde van Drenthe van de groei van Groningen. De zuidelijke as laat in de prognoses een sterk verloop zien, van groei in de gemeente Meppel tot het doorzetten van de krimp die in de gemeente Emmen in 2014 is ingezet. De regio Oost-Drenthe is door het Rijk aangewezen als één van de regio’s waar de bevolkingskrimp in Nederland het sterkst is, maar deze laat zich vooralsnog niet vertalen in huishoudenskrimp. Lokaal laten, ook in Oost-Drenthe, sterke dorpen nog steeds bescheiden groeicijfers zien. Dit komt omdat huishoudens steeds kleiner worden, waardoor de krimp opgevangen wordt door de vraag naar woningen. Daarnaast is de inkomende migratie uit het buitenland hoger dan verwacht. Een steeds kleiner aanbod van woningen en de effecten van corona lijken de verwachte ontwikkeling te vertragen. Vraag en aanbod passen niet altijd goed meer bij elkaar, wat leidt tot een vraag naar nieuwe woningen. Dit terwijl een deel van de bestaande woningvoorraad in kwaliteit afneemt en huishoudens niet kunnen doorstromen naar passende woningen.

De autonome woningbouwopgave in Drenthe krijgt tot 2030 te maken met een daling van het aantal huishoudens, maar hier tegenover staat dat vanuit Groningen en Zwolle sprake is van een regionaal overkokende woningvraag die landt in de Drentse gemeenten. Per saldo betekent dit een woningbehoefte van ca. 10.000 tot 20.000 extra woningen tot en met 2030. 32

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

Bestaand stedelijk gebied en buitengebied De provincie maakt onderscheid tussen bestaand stedelijk gebied en buitengebied. Deze noodzaak komt voort uit het provinciaal belang bij een goede ruimtelijke ordening om, mede conform Rijksbeleid, nieuwe initiatieven bij voorkeur te faciliteren binnen de reeds bebouwde omgeving. Het stedelijk gebied omvat de buitenste contouren van dorpen en steden zoals op de kaart Bestaand stedelijk gebied is aangegeven. De provincie biedt ruimte voor het toevoegen van een incidentele woning buiten bestaand stedelijk gebied mits: De bebouwing is gelegen in een bebouwingslint of een cluster van bebouwing; Er sprake is van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; Er sprake is van een landschappelijke inpassing, passend bij de gebiedskenmerken die zijn vastgelegd in een landschappelijk inpassingsplan; Het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie en leidt niet tot leegstand elders. Overeenkomstig de Ladder voor Duurzame Verstedelijking geldt voor ontwikkelingen buiten bestaand stedelijk gebied een uitgebreide motiveringsplicht. Bij de ontwikkeling van woonmilieus vormt een landschappelijk kader dat aansluit bij de kernkwaliteiten van het gebied het uitgangspunt. De provincie biedt ruimte voor woningbouw ter vervanging van landschapsontsierende (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen met de ruimte-voor- ruimteregeling.

Het beleid hiervoor is vertaald in de Provinciale Omgevingsverordening. Bij eventuele aantasting van de kernkwaliteiten streeft de provincie naar compensatie. In overleg met gemeenten en andere partners geeft de provincie hier verder invulling aan. Met het planvoornemen worden landschapsontsierende (voormalige) agrarische bedrijfsgebouwen gebouwen gesloopt. Ter compensatie worden 6 compensatiewoningen gebouwd op het voormalige agrarisch erf, aansluiten op het erf-principe.

Toelichting

33

3.2.2

Omgevingsverordening

De Provinciale omgevingsverordening Drenthe is een instrument om het omgevingsbeleid uit de provinciale omgevingsvisie uit te kunnen voeren. Het geeft de randvoorwaarden voor het opstellen van ruimtelijke plannen. De verordening heeft onder meer als doel om de kernkwaliteiten van Drenthe te behouden en te versterken. Een ruimtelijk plan kan in principe geen nieuwe activiteiten toestaan die kernkwaliteiten significant aantasten. Wat 'significant' is, wordt bepaald door de contouren die de Omgevingsvisie voor de omgang met kernkwaliteiten stelt. Een ontwikkeling leidt dus niet tot significante aantasting, wanneer rekening wordt gehouden met de kernkwaliteiten conform de Omgevingsvisie en uitwerkingen als het Cultuurhistorisch Kompas. Wordt buiten het provinciaal beleid getreden, dan is in principe wél sprake van een significante aantasting. Te denken valt aan een ingreep die de samenhang van een robuust natuursysteem aantast of een onomkeerbare ingreep in een gebied met grote cultuurhistorische en/of archeologische waarde. In paragraaf 3.2.1. is het planvoornemen reeds getoetst aan de kernkwaliteiten. Geconstateerd is dat deze niet significant worden aangetast. De beëindiging van het grootschalige intensieve veehouderijbedrijf heeft voor een aantal kernkwaliteiten (zoals de landschap en het robuust natuursysteem) juist een positief effect.

Artikel 3.15 Ruimte-voor-ruimte Het provinciale beleid biedt onder voorwaarden de mogelijkheid om maximaal 6 ruimte-voor-ruimte woningen te bouwen. In artikel 3.15 zijn de voorwaarden opgenomen waaraan voldaan moet worden: 1. Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in Landelijk Gebied, kan voorzien in een ruimte-voor-ruimte regeling als in dat gebied bedrijfsmatige of maatschappelijke bebouwing aanwezig is die de oorspronkelijke functie is verloren, mits: a. de sloopnorm voor 1 compensatiewoning ten minste 750 m² en ten minste 2.000 m² voor maximaal 2 compensatiewoningen aan bedrijfsbebouwing bedraagt; b. onverminderd het bepaalde in sub a bedraagt de sloopnorm voor 3 compensatiewoningen ten minste 3.000 m² en ten minste 4.000 m² voor 4 34

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

compensatiewoningen en ten minste 5.000 m² voor 5 compensatiewoningen. c. In afwijking van het bepaalde in sub c bedraagt de sloopnorm 6 compensatiewoningen wanneer meer dan 6.000 m² wordt gesloopt. 2. In afwijking van het bepaalde in lid 1 kan een omgevingsplan voorzien in ten hoogste 4 woningen bij een sloopnorm van 2.000 m², voor zover de totale oppervlakte van alle woningen tezamen niet meer bedraagt dan 500 m². 3. De ruimte-voor-ruimte regeling wordt vormgegeven met inachtneming van het volgende: a. toepassing van de regeling is alleen mogelijk voor bebouwing die op 1 januari 2014 al aanwezig was; b. in het omgevingsplan mag de mogelijkheid worden geboden tot het samenvoegen van bebouwing op meerdere percelen (saldering) om te kunnen komen tot de sloopnorm; c. Bij het realiseren van drie of meer woningen als bedoeld in leden 1 en 2 toont het omgevingsplan aan dat de aantallen en doelgroep passen binnen de gemeentelijke woonvisie of omgevingsvisie, uitvoeringsprogramma’s en prestatie afspraken; d. randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de compensatiewoning worden vastgelegd; en e. de randvoorwaarde dat bouw van een compensatiewoning niet plaatsvindt in Natuurnetwerk Nederland of Beekdal en bergingsgebied, tenzij de oorspronkelijke bebouwing in die gebieden wordt verwijderd.

3.2.2.1 Toetsing planvoornemen aan de Omgevingsverordening Sloopnorm Op de locatie aan de Polderweg 1 in Nijensleek wordt 6.120 m2 aan bedrijfsbebouwing gesloopt. Op grond van lid 1c komt initiatiefnemer in aanmerking voor de bouw van 6 compensatiewoningen. Oprichting gebouwen De bebouwing moet opgericht zijn voor 1 januari 2014. Het nieuwste gebouw is gerealiseerd in 2008. Alle gebouwen zijn derhalve opgericht vóór 2014 en daarmee voldoet het plan aan deze voorwaarde. In afbeelding 9 is een luchtfoto van de locatie weergegeven van de site Topotijdreis uit 2009. Hierop is alle bebouwing te zien.

Toelichting

35

Afbeelding 9: Bebouwing in 2009 (Bron: Topotijdreis) Ontwikkeling passend binnen de gemeentelijke woonvisie of omgevingsvisie De gemeente heeft op 8 oktober 2019 de woonvisie van de gemeente Westerveld gepubliceerd. De gemeente zet in om jonge gezinnen in het dorp te houden. Betaalbare huizen aan te bieden is een uitdaging. Dit komt onder andere omdat de doorstroom van de huizen steeds minder wordt. Mensen blijven langer wonen in bijvoorbeeld een starterswoning omdat de woningmarkt dusdanig oververhit is dat er niet altijd ruimte is om te verhuizen en daarbij ruimte te maken voor starters. De woningen die gerealiseerd worden op het perceel aan de Polderweg 1, dragen bij aan de doorstroom. Starters zoeken vaak een plekje dicht bij voorzieningen, dicht bij scholen etc. De gemeente verwacht een tekort aan vrijstaande woningen goedkoop, middelduur en duur. Deze woningen zijn vaak niet bedoeld voor starters maar voor doorstromers die niet kunnen doorstromen en daarmee een starterswoning bezet houden. De woningen zullen vrijstaand zijn en vallen in de categorie vrijstaand duur (deze woningen worden verkocht vanaf 3,5 ton). De compensatiewoningen zijn ideaal voor doorstromers, zodat er ruimte gemaakt kan worden voor starters. Tevens is een belangrijk punt in de woonvisie dat de woningen duurzaam en energieneutraal worden gebouwd. De compensatiewoningen zullen hier ook aan voldoen.

De gemeente heeft in reactie op het verzoek bevestigd dat het planvoornemen in lijn is 36

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

met de gemeentelijk Woonvisie. Beeldkwaliteit Op grond van lid 3d dienen de randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de compensatiewoning worden vastgelegd. Ten behoeve van het planvoornemen is een ontwerpstudie gemaakt van het woningbouwplan (zie bijlage 1) en een landschappelijke inpassingsplan (zie bijlage 2). In de ontwerpstudie is de verkaveling van het woningbouwplan uitgewerkt (erf-principe) en zijn de materialen en kleuren bepaald. In het landschappelijk inpassingsplan is vervolgens de groene inpassing van het woningbouwplan uitgewerkt. Op de verbeelding van het TAM-omgevingsplan zijn voor de woningen bouwvlakjes opgenomen om te bewerkstelligen dat de woningen ook volgens het erf-principe op het perceel worden gepositioneerd. Door middel van voorwaardelijke verplichtingen in de regels wordt vastgelegd dat het plan tot uitvoering wordt gebracht conform de ontwerpstudie en het landschappelijk inpassingsplan. Wat betreft de omvang en de inhoud van de woningen wordt aangesloten bij de bouwregels van reguliere woningen in het buitengebied, conform de bestemming 'Wonen' in het bestemmingsplan 'Buitengebied 2012' van de gemeente Westerveld. Beekdal Het planvoornemen ligt in het Beekdal.

Omdat de oorspronkelijke agrarische bebouwing in het gebied wordt verwijderd, staat de Omgevingsverordening het toe dat op het perceel compensatiewoningen gebouwd mogen worden.

3.2.2.2 Conclusie Het planvoornemen voorziet in de sloop van een grootschalige intensieve veehouderijlocatie. Omdat er meer dan 6.000 m2 aan bebouwing wordt gesloopt, komt initiatiefnemer op grond van artikel 3.15, lid 1d in aanmerking voor 6 compensatiewoningen. Onderbouwd is dat voldaan wordt aan de voorwaarden die worden gesteld aan de toepassing van de ruimte-voor-ruimteregeling. Het planvoornemen is in overeenstemming met het provinciaal beleid.

Toelichting

37

3.3

Beleid Waterschap

3.3.1

Vigerend beleid

3.3.1.1 Europees beleid De Europese Kaderrichtlijn Water (2000/60/EG) is op 22 december 2000 in werking getreden en is bedoeld om in alle Europese wateren de waterkwaliteit chemisch en ecologisch verder te verbeteren. De Kaderrichtlijn Water omvat regelgeving ter bescherming van het binnenlandse oppervlaktewater, overgangswateren (waaronder estuaria worden verstaan), kustwateren en grondwater. Voor het uitwerken van de doelstellingen worden er op (deel)stroomgebied plannen opgesteld. In deze (deel)stroomgebiedbeheersplannen staan de ambities en maatregelen beschreven voor de verschillende (deel)stroomgebieden. Met name de ecologische ambities worden op het niveau van de deelstroomgebieden bepaald.

3.3.1.2 Rijksbeleid Het Nationaal Waterprogramma NWP komt voort uit de Waterwet en met het oog op de Omgevingswet zijn deze twee plannen samengevoegd tot één programma. In het NWP staan de internationale verplichtingen voortkomend uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW), de Richtlijn Overstromingsrisico’s (ROR) en de Kaderrichtlijn Maritieme Strategie (KRM). Het Nationaal Waterprogramma geeft op hoofdlijnen het beleid aan van het Rijk in de periode 2022 – 2027. Door klimaatverandering, bodemdaling, milieuverontreiniging, het verlies aan biodiversiteit en ruimtedruk worden de wateropgaven steeds groter en complexer. De opgaven zijn complex door deze in samenhang met de opgaven voor energietransitie, de woningbouw, de transitie van het landelijk gebied en de verouderde infrastructuur aan te pakken. Bij de ruimtelijke inrichting van Nederland zijn daarvoor water en bodem leidend. Het vraagt daarvoor in te zetten op klimaaten landbouwtransitie en herstel voor natuur.

38

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

3.3.1.3 Provinciaal beleid In de Omgevingsvisie Drenthe wordt ruim aandacht besteed aan de wateraspecten. De ambities zijn, naast de uitvoering van de Kaderrichtlijn Water, gericht op de verbetering van de kwaliteit van de kleinere wateren, de veiligheid, de grondwaterbescherming, bestrijding van wateroverlast, de kwantiteit en kwaliteit van grond- en oppervlakte water en waterbeleving zowel in de groene ruimte als stedelijk gebied.

3.3.1.4 Waterschap Drents Overijsselse Delta Door de invoering van de Kaderrichtlijn Water is Nederland verdeeld in vijf deelstroomgebieden. Het deelstroomgebied Rijn-Oost wordt beheerd door de waterschappen Rijn en IJssel, Vechtstromen, Vallei en Veluwe, Drents Overijsselse Delta en Zuiderzeeland. Om te voldoen aan de eisen van de Kaderrichtlijn Water hebben deze waterschappen een Waterbeheerplan opgesteld. Het algemeen bestuur van het waterschap Drents Overijsselse Delta heeft in november 2021 het 'Waterbeheerprogramma 2022-2027' vastgesteld. Het programma bevat de uitwerking van de ambities in onze Watervisie “Meer dan water” en geeft voor de periode 2022 tot en met 2027 aan wat de maatregelen zijn om het watersysteem, de waterketen en de waterkeringen op orde te brengen en de maatschappelijke doelen van het waterschap te realiseren. Een waardevolle aanvulling op de Watervisie is de doorvertaling van de doelen en maatregelen van het waterschap in gebiedsuitwerkingen. 3.3.2

Toetsing van initiatief aan beleid waterschap Drents Overijsselse Delta

In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat het planvoornemen, waarbij een aanzienlijke vermindering van de oppervlakteverharding zal worden gerealiseerd, in combinatie met de beëindiging van een intensieve veehouderij, een positief effect heeft op de waterhuishouding. Voor de nadere toetsing aan het initiatief aan het beleid van het waterschap Drents Overijsselse Delta wordt verwezen naar paragraaf 4.8.

Toelichting

39

3.4

Gemeentelijk beleid

3.4.1

Omgevingsvisie Westerveld

3.4.2

Algemeen

De Omgevingsvisie van de gemeente Westerveld bevat het toekomstbeeld van en voor de gemeente Westerveld. De omgevingsvisie is de integrale langetermijnvisie op de ontwikkeling van de gemeente en gaat over de hele fysieke leefomgeving. Voor 2040 heeft de gemeente vijf ambities: Een bereikbaar en veilig Westerveld; Een bedrijvig en gastvrij Westerveld; Een leefbaar en inclusief Westerveld; Een gezond en groen Westerveld; Een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld. Samen met de gemeentebrede keuzes vormen deze vijf ambities de basis voor de Visiekaart. Op basis van de ligging van het plangebied op de Visiekaart zijn met name de keuzes en ambities behorend bij deelgebied ‘Oude veldontginningen’ van toepassing.

3.4.2.1 Uitwerking deelgebiedsvisie Dit deelgebied bestaat uit de oude gronden, voornamelijk zijn dit essen, veldontginningen en (delen van) veenrandontginningen. Het karakter van het gebied is wisselend. Van grote open agrarische landschappen naar kleinschalig esdorpenlandschap en wegdorpen. Passend bij het wisselende karakter is ook de variatie aan gebruik van dit gebied. Naast akkerbouw en grasland bestaan in dit gebied ook de functies natuur en recreatie. Enkele delen van dit deelgebied maken onderdeel uit van het door de provincie Drenthe aangewezen Natuur Netwerk Nederland. Gebied specifieke keuzes Combinatie van functies Schaalvergroting van (agrarische) bedrijven is in dit gebied moeilijk te realiseren. Dit als gevolg van de kleinschalige eigendomssituatie, de aanwezigheid van waardevolle essen, de nabijheid van andere (milieugevoelige) functies en de nabijheid van 40

TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22s Polderweg 1 Nijensleek

natuurgebieden. Daar waar kansen liggen, willen we deze echter faciliteren. Ontwikkeling van agrarische bedrijven zal naar verwachting met name plaatsvinden door functieverandering of functieverbreding, bijvoorbeeld met de verkoop van lokale producten. Ook daarvoor wordt ruimte geboden. Duurzame landbouw is hier zeker kansrijk, evenals kleinschalig en biologisch boeren. In het gebied liggen agrarische gronden die binnen de doelbegrenzing van het Natuur Netwerk Nederland vallen. De realisatie van het Natuur Netwerk Nederland vindt hier idealiter – voortbordurend op de landelijke ontwikkelingen - plaats door extensivering van de landbouw in vormen als agrarisch natuurbeheer en biologische landbouw. Boerderijen waar dit niet lukt, krijgen een andere passende functie, bijvoorbeeld wonen of kleinschalige verblijfsrecreatie. Beleefbaarheid Omdat dit deelgebied grenst aan bijna alle dorpen, wordt het belangrijk gevonden om dit deelgebied vanuit de dorpen zo toegankelijk en uitnodigend mogelijk te maken - waar dat nog niet het geval is. Dit sluit aan bij de gemeentebrede ambitie om bewegen te stimuleren. Daarnaast is het kleinschalige en authentieke landschap belangrijk om te behouden, zeker als er allerlei ontwikkelingen in het gebied zijn. Bebouwing moet altijd passen bij de omgeving.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=0795351f-58a3-418c-8e6e-6e0fefa4352e