Motivering TAM-omgevingsplan Ruinerwoldseweg 2 Uffelte
Tekst van het document
\
Motivering Ruinerwoldseweg 2, Uffelte
Status: Vastgesteld
Februari 2026
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
Motivering TAM-omgevingsplan Ruinerwoldseweg 2, Uffelte
Plannaam: Plantype: Bij TAM:
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Ruimtelijke motivering ten behoeve van een wijziging van het omgevingsplan NL.IMRO.1701.509TAMRuinerw2Uff-0002
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
1
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
Inhoudsopgave HOOFDSTUK 1 1.1 1.2 1.3 1.4
INLEIDING .............................................................4
AANLEIDING .............................................................................................................. 4 LIGGING VAN HET PLANGEBIED ......................................................................................... 4 HET OMGEVINGSPLAN ................................................................................................... 5 LEESWIJZER .............................................................................................................. 6
HOOFDSTUK 2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE................................7
HOOFDSTUK 3
PLANBESCHRIJVING ..................................................8
3.1 3.2
HET VOORNEMEN ........................................................................................................ 8 INFRASTRUCTUUR EN OPENBARE RUIMTE ............................................................................ 10
HOOFDSTUK 4 4.1 4.2 4.3
ALGEMEEN .............................................................................................................. 11 LADDER VOOR DUURZAME VERSTEDELIJKING ....................................................................... 11 LANDSCHAPPELIJKE WAARDEN ........................................................................................ 12
HOOFDSTUK 5 5.1 5.2 5.3
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN 11
BELEIDSKADERS .................................................... 13
RIJKSBELEID ........................................................................................................... 13 PROVINCIAAL BELEID .................................................................................................. 15 GEMEENTELIJK BELEID ................................................................................................ 17
HOOFDSTUK 6
OMGEVINGSVEILIGHEID .......................................... 23
HOOFDSTUK 7
BESCHERMEN VAN DE WATERBELANGEN ....................... 25
7.1 7.2 7.3 7.4
VIGEREND BELEID ..................................................................................................... 25 WATERASPECTEN ...................................................................................................... 26 WATERTOETSPROCES EN WATERHUISHOUDING PLANGEBIED ...................................................... 26 CONCLUSIE ............................................................................................................. 29
HOOFDSTUK 8 8.1 8.2 8.3 8.4 8.5 8.6
GELUID DOOR ACTIVITEITEN ......................................................................................... 30 BODEMKWALITEIT ..................................................................................................... 32 LUCHTKWALITEIT ...................................................................................................... 33 GEUR ................................................................................................................... 34 TRILLINGSHINDER ..................................................................................................... 35 GEZONDHEID .......................................................................................................... 36
HOOFDSTUK 9 9.1 9.2 9.3
ARCHEOLOGIE EN CULTUURHISTORIE .......................... 40
WETTELIJK KADER .................................................................................................. 40 ARCHEOLOGIE ...................................................................................................... 40 CULTUURHISTORIE ................................................................................................. 40 CONCLUSIE .......................................................................................................... 41
HOOFDSTUK 11 11.1 11.2 11.3
BESCHERMING VAN DE NATUUR .................................37
GEBIEDSBESCHERMING ............................................................................................... 37 SOORTENBESCHERMING .............................................................................................. 38 CONCLUSIE ............................................................................................................. 39
HOOFDSTUK 10 10.1 10.2 10.3 10.4
BESCHERMING GEZONDHEID EN HET MILIEU.................. 30
M.E.R.- BEOORDELING ............................................ 42
ALGEMEEN........................................................................................................... 42 SITUATIE PLANGEBIED ............................................................................................. 42 CONCLUSIE .......................................................................................................... 42
HOOFDSTUK 12
ECONOMISCHE UITVOERBAARHEID ............................. 43 BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
2
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld 12.1 12.2 12.3
ALGEMEEN........................................................................................................... 43 KOSTENVERHAAL ................................................................................................... 43 SITUATIE PLANGEBIED ............................................................................................. 43
HOOFDSTUK 13 13.1 13.2 13.3
PARTICIPATIE ....................................................................................................... 44 AFSTEMMING OVERLEGPARTNERS ................................................................................. 44 ZIENSWIJZEN ....................................................................................................... 44
HOOFDSTUK 14 14.1 14.2 14.3
MAATSCHAPPELIJKE UITVOERBAARHEID ...................... 44
JURIDISCHE VERANTWOORDING ................................ 45
INLEIDING ........................................................................................................... 45 OPZET VAN DE REGELS ............................................................................................. 45 VERANTWOORDING VAN DE REGELS .............................................................................. 46
BIJLAGEN BIJ DE RUIMTELIJKE MOTIVERING ........................................... 48 BIJLAGE 1
RUIMTELIJK KWALITEITSPLAN .......................................... 49
BIJLAGE 2
WATERTOETS ................................................................ 50
BIJLAGE 3
AKOESTISCH ONDERZOEK WEGVERKEERSLAWAAI ................... 51
BIJLAGE 4
VERKENNEND BODEMONDERZOEK .......................................52
BIJLAGE 5
VOORTOETS NATUURBESCHERMING ....................................53
BIJLAGE 6
QUICKSCAN FLORA EN FAUNA ............................................ 54
BIJLAGE 7
PARTICIPATIEVERSLAG ................................................... 55
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
3
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
HOOFDSTUK 1
1.1
INLEIDING
Aanleiding
Aan de Ruinerwoldseweg 2 in Uffelte heeft een melkveebedrijf zich aangemeld voor de Landelijke Beëindigingsregeling Veehouderij (Hierna: LBV-regeling). Inmiddels is de beschikking van het RVO ontvangen. Het voornemen is om de vrijkomende agrarische bedrijfsgebouwen te slopen en op basis van de ruimte-voor-ruimte regeling twee compensatiewoningen te realiseren. Aangezien op het erf onvoldoende sloopmeters aanwezig zijn voor de bouw van twee compensatiewoningen, worden aanvullende sloopmeters gebruikt uit een sloopbewijs van een ander adres. De bestaande bedrijfswoning blijft behouden en wordt omgezet naar een reguliere woning. Daarnaast houdt de initiatiefnemer grond in de omgeving in eigendom, waardoor de behoefte aan een mestbassin blijft bestaan. Het verplaatsen van het bestaande mestbassin op het terrein vormt daarom eveneens onderdeel van dit TAM-omgevingsplan. Ten behoeve van de LBV-regeling moet het omgevingsplan worden gewijzigd, in die zin dat het houden van dieren op deze locatie wordt uitgesloten. Verder is het realiseren van twee compensatiewoningen in strijd met het geldende omgevingsplan. Om voorliggend initiatief mogelijk te maken is een wijziging van het omgevingsplan nodig. De gemeente Westerveld heeft op 8 april 2025 middels een principebesluit besloten om onder voorwaarden medewerking te verlenen aan deze ontwikkeling.
Hiervoor moet worden aangetoond dat het voornemen in overeenstemming is met een evenwichtige toedeling van functies aan locaties, waaraan dit TAM-omgevingsplan beoogt te voldoen.
1.2
Ligging van het plangebied
Het plangebied ligt aan de Ruinerwoldseweg 2 in Uffelte in de gemeente Westerveld. Het plangebied staat kadastraal bekend als gemeente Havelte, sectie P, nummers 296 (deels), 293 (deels) 294 (deels) en 314 (deels). In afbeelding 1.1 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Afbeelding 1.1
Ligging plangebied (Bron: Openstreetmap.org)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
4
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
1.3
Het omgevingsplan
1.3.1
Algemeen
Ter plaatse van het plangebied is sprake van het omgevingsplan van rechtswege zoals deze in werking is getreden op 17 juli 2024. Het omgevingsplan van rechtswege bestaat ter plaatse uit meerdere documenten. Door de vernietiging van recentere bestemmingsplannen ‘Buitengebied’ is ter plaatse van het plangebied het bestemmingsplan ‘Buitengebied Havelte – agrarische gronden’ uit 1985 het rechtsgeldige bestemmingsplan. Vanwege de duiding van het plangebied en actuele ruimtelijke taalgebruik en begrippen wordt, in overleg met gemeente en provincie, het bestemmingsplan ‘Buitengebied’ uit 2012 gebruikt als leidraad en duiding van de aanwijzingen en verbeelding. Het omgevingsplan bevat in de huidige situatie verder uitsluitend de regels van de bruidsschat. Op basis van het bestemmingsplan “Buitengebied” is het plangebied voorzien van de enkelbestemming ‘Agrarisch -1’ met functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch - agrarische bedrijfskavel grondgebonden bedrijf’. De voor ‘Agrarisch – 1’ aangewezen gronden zijn bestemd voor het uitoefenen van een grondgebonden agrarisch bedrijf. Gronden met de agrarische bestemming zijn met name bestemd voor de uitoefening van een grondgebonden agrarisch bedrijf.
Dit betreft een agrarische bedrijfsvoering die, al dan niet met beweiding, hoofdzakelijk niet in gebouwen plaatsvindt, waarbij het gebruik van de gronden (weiden) nodig is voor het functioneren van het bedrijf, zoals een melkrundveehouderij. Tot slot gelden er nog de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologie 3’. Deze dubbelbestemming is bestemd voor het behoud van de archeologische waarden. Gronden met deze archeologische dubbelbestemming zijn bedoeld ter bescherming van de archeologische waarden. Archeologisch onderzoek is nodig bij bodemingrepen groter dan 1.000 m 2 en dieper dan 30 centimeter. Afbeelding 1.2 weergeeft een uitsnede van het omgevingsplan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
5
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld Afbeelding 1.2
1.3.2
Uitsnede geldend deel omgevingsplan “Buitengebied” (Bron: omgevingswet.overheid.nl)
Opheffen strijdigheid
Het is binnen de bestemming is het reguliere woongebruik niet toegestaan en zijn er geen mogelijkheden om de twee compensatiewoningen te realiseren. De beoogde ontwikkeling is daarmee is strijd met het geldend omgevingsplan. Daarnaast is een voorwaarde van de LBVregeling dat de mogelijkheden voor het houden van vee op de agrarische bedrijfsfunctie worden gestaakt en planologisch wordt voorkomen in de toekomst. Een ruimtelijk planologische procedure is noodzakelijk om de voorgenomen ontwikkeling mogelijk te maken. Daarnaast is het wenselijk om het mestbassin te verplaatsen. Hiervoor is een afwijkingsmogelijkheid in het omgevingsplan opgenomen. Het is niet mogelijk om zonder vergunning buiten het bouwvlak een mestbassin te realiseren. Het Digitaal Stelsel Omgevingswet (DSO) ondersteunt bij het werken volgens de Omgevingswet. Er zijn tijdelijke alternatieve maatregelen (TAMs) voor organisaties die bij de voorbereiding en inwerkingtreding van de wet nog geen gebruik kunnen maken van lokale of landelijke onderdelen van het DSO. Een van de tijdelijke alternatieve maatregelen is de TAM-IMRO ofwel het TAMomgevingsplan. Kort gezegd houdt TAM-IMRO in dat de huidige techniek voor planvorming tijdelijk kan worden gebruikt onder de Omgevingswet.
Deze techniek betreft de bestaande uitwisselingsstandaard IMRO (Informatiemodel Ruimtelijke Ordening) en de bestaande voorziening Ruimtelijke Plannen. IMRO is een bekende en functionerende techniek. Juridisch maakt het TAMomgevingsplan deel uit van het omgevingsplan van de gemeente. Technisch is het dat niet, waardoor aanvullende (voorrangs)regels noodzakelijk zijn. Hier wordt in hoofdstuk 14 nader op ingegaan.
1.4
Leeswijzer
Na deze inleiding wordt in hoofdstuk 2 allereerst ingegaan op de huidige situatie. Hoofdstuk 3 en 4 gaan achtereenvolgens in op de gewenste situatie van het plangebied de bescherming van de landschappelijke en stedenbouwkundige waarden in en rondom het plangebied. In hoofdstuk 5 wordt ingegaan op het beleidskader. Hierin wordt het relevante beleid beschreven. Hoofdstuk 6 gaat in op de omgevingsveiligheid, waarna in hoofdstuk 7 de bescherming van de waterbelangen wordt behandeld. Hoofstuk 8 en 9 gaan respectievelijk in op de bescherming van de gezondheid, het milieu en de natuur. Hoofdstuk 10 behandelt de archeologische en cultuurhistorische waarden. In hoofdstuk 11 komt de m.e.r.-beoordeling aan bod. Hoofdstuk 12 en 13 behandelen ten slotte de economische en maatschappelijke uitvoerbaarheid van het voornemen. Ten slotte wordt in hoofdstuk 14 ingegaan op de juridische planverantwoording.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
6
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
HOOFDSTUK 2
BESCHRIJVING HUIDIGE SITUATIE
De ruimtelijk-functionele structuur van de omgeving bestaat hoofdzakelijk uit agrarische cultuurgronden en verspreid liggende (agrarische) bedrijfspercelen. De belangrijkste ruimtelijke structuurdrager is de Ruinerwoldseweg en de langgerekte verkavelingspatronen. Het plangebied wordt begrensd door agrarische cultuurgronden aan alle zijden. Ten zuidoosten van het plangebied is een tweede agrarische veehouderij aanwezig. Zoals in de inleiding al benoemd betreft het een melkveehouderij, waar in totaal 1.900 m 2 aan melkveestallen staat. Op het erf staat een bedrijfswoning, met daaromheen een tuin. Het erf wordt aan de oostzijde door twee in- en uitritten ontsloten op de Ruinerwoldseweg, die aan de oostzijde ligt. Het erf wordt aan alle overige zijden begrensd door agrarische cultuurgronden. Op het achterste deel van het erf ligt het bestaande mestbassin. In afbeelding 2.1 is een luchtfoto van de huidige situatie van het plangebied weergegeven. Afbeelding 2.2 toont een straatbeeldfoto genomen vanaf de Ruinerwoldseweg.
Afbeelding 2.1
Luchtfoto huidige situatie plangebied (Bron: Cyclomedia)
Afbeelding 2.2
Straatbeeld huidige situatie plangebied (Bron: Cyclomedia)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
7
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
HOOFDSTUK 3 3.1
PLANBESCHRIJVING
Het voornemen
LBV regeling De voorgenomen ontwikkeling bestaat uit het herontwikkelen van het agrarische bedrijfsperceel aan de Ruinerwoldseweg 2 in Uffelte met behulp van de LBV-regeling. Er zijn twee landelijke beëindigingsregelingen, namelijk de LBV-plus en LBV. Beide LBV-regelingen vergoeden het waardeverlies van de opstallen. Bij de LBV-plus worden ook de sloopkosten vergoed, daarom kan de sloop van opstallen in principe niet worden meegewogen in de kwaliteitsbalans. Voor de LBVregeling ligt dat anders. Deze regeling biedt geen tegemoetkoming voor de sloopkosten. De toepassing hiervan is maatwerk. De sloop van eventuele andere opstallen, die niet vallen onder de sloopverplichting van de LBV-regelingen en waarvoor dus geen waardeverlies en sloopkosten worden gedekt, kunnen altijd deel uitmaken van de kwaliteitsbalans. Om het voornemen landschappelijk in te passen is een ruimtelijk kwaliteitsplan gemaakt. Deze is volledig opgenomen in Bijlage 1 van deze motivering. Planologische transformatie plangebied De initiatiefnemers maken gebruik van de LBV-regeling en willen gecompenseerd worden voor de sloop van 1.900 m2 aan agrarische bedrijfsgebouwen door middel van twee compensatiewoning. Hierbij wordt gebruik gemaakt van een sloopbewijs van 125 m2 om aan de sloopnorm van 2.000 m2 te voldoen die benodigd is voor de twee compensatiewoningen.
Het sloopbewijs is afkomstig van een locatie buiten de gemeente Westerveld, uit de gemeente Noordenveld. Het sloopbewijs is bij de gemeente Noordenveld geregistreerd onder zaaknummer VOO/2025/1805. De agrarische functie ter plaatse van de bebouwing komt volledig te vervallen. Enkel ter plaatse van de herbouwlocatie van het mestbassin blijft de agrarische functie gehandhaafd, en wordt tevens een bouwvlak toegevoegd die het bouwen van het bassin mogelijk maakt. De bestaande bedrijfswoning blijft behouden en wordt omgezet naar een regulier woning met een bouwvlak. De twee nieuwe compensatiewoningen met bijgebouwen worden geplaatst ter plaatse van de te slopen stallen. De woningen krijgen tevens een eigen bouwvlak. De woningen worden ontsloten via het kavelpad aan de noordzijde van het erf, en vormen samen een nieuw woonerf dat is gericht op dit noordelijke kavelpad. Landschappelijke inpassing De landschappelijke inrichting is zorgvuldig ontworpen om aan te sluiten bij de kenmerken van het veldontginningslandschap. Aan de noordzijde wordt een struweel aangebracht, terwijl op de erfgrenzen zwarte elzen en berken worden aangeplant. Deze beplanting versterkt de karakteristieke groene omzoming van erven in dit landschapstype. Op beide erven komen daarnaast solitaire bomen zoals walnoten en lindes, aangevuld met gemengde geschoren hagen ter afscherming.
Op het voorste erf wordt een hoogstamfruitboomgaard aangelegd, waarbij bestaande waardevolle bomen behouden blijven. Een bijzonder aspect van het plan betreft het behoud van het mestbassin. Aangezien de initiatiefnemer een groot aantal hectaren grond in de omgeving in eigendom houdt die bemesting behoeven, is een mestbassin noodzakelijk. Het huidige bassin, dat direct achter het erf grenst aan het bouwvlak, wordt verplaatst naar een locatie meer westelijk in het agrarisch gebied, Naast de Asseweg.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
8
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
Afbeelding 3.1 Uitsnede Ruimtelijk kwaliteitsplan (Bron: De Erfontwikkelaar)
Afbeelding 3.2 Sloopopgave, te slopen bebouwing wordt in rood aangeduid (Bron: Cyclomedia, bewerkt)
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
9
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
3.2
Infrastructuur en openbare ruimte
3.2.1
Algemeen
Op basis van de instructieregels zoals opgenomen in paragraaf 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl houdt het bevoegd gezag bij het evenwichtig toedelen van functies aan locaties rekening met het behoeden van de staat en werking van infrastructuur en het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen. In deze paragraaf wordt ingegaan op de verkeerssituatie en parkeerbehoefte van het plangebied. 3.2.2
Verkeer en parkeren
Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met de parkeerbehoefte en verkeersgeneratie die daardoor ontstaat. Het CROW ontwikkelt en publiceert kennis onder andere op het gebied van verkeer en parkeren. Specifiek voor verkeersgeneratie en parkeren heeft het CROW de publicatie ‘Parkeerkencijfers 2024 – Basis voor parkeernormering’ opgesteld. Deze kencijfers zijn landelijk (en juridisch) geaccepteerd en worden gezien als de meest betrouwbare gegevens met betrekking tot het bepalen van de verkeersgeneratie en het benodigde aantal parkeerplaatsen. Qua functie, verstedelijkingsgraad, stedelijke zone, parkeernorm en verkeersgeneratie worden de volgende uitgangspunten gehanteerd: • •
Verstedelijkingsgraad: niet stedelijk Stedelijke zone: Buitengebied
In de publicatie van de CROW is de verkeersgeneratie per functie uiteengezet. Daarnaast wordt hierin een minimaal en maximaal aantal verkeersbewegingen voor de functies aangegeven. Functie Koop, huis, vrijstaand
Parkeernorm per woning 2,1
Verkeersgeneratie per woning 8,2
Parkeerbehoefte In voorliggend geval is er een parkeerbehoefte van (naar boven afgerond) 7 parkeerplaatsen. In het plangebied is voldoende ruimte om de parkeerbehoefte te faciliteren op eigen terrein. Iedere woning zal op eigen terrein voldoende parkeergelegenheid hebben. Verkeersgeneratie en ontsluiting Het plangebied wordt ontsloten aan de Ruinerwoldseweg. Deze weg is van voldoende capaciteit om de 24,6 verkeersbewegingen per etmaal te kunnen verwerken. 3.2.3
Conclusie
Het voornemen houdt in voldoende mate rekening met de staat en werking van de infrastructuur en de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte. Het plan voldoet vanuit deze aspecten aan een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
10
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
HOOFDSTUK 4 4.1
LANDSCHAPPELIJKE EN STEDENBOUWKUNDIGE WAARDEN
Algemeen
In het vorige hoofdstuk is de gewenste ontwikkeling beschreven. Dit hoofdstuk zal ingaan op hoe het plan rekening houdt met de ter plaatse aanwezige landschappelijke en stedenbouwkundige waarden. De waardering van de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit is altijd gebiedsspecifiek. Deze kunnen daarom worden benut binnen het ontwerp van een ruimtelijke ontwikkeling. De landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit maken integraal onderdeel uit van de taak van overheden om in een omgevingsplan te voorzien in een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Voor de landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteit zijn in afdeling 5.1.5 instructieregels opgesteld voor het beschermen van deze kwaliteiten. Deze gaan over de volgende onderwerpen: • • • • •
Kustbescherming; Waddenzee en Waddengebied; Cultureel erfgoed en werelderfgoed; Landelijke fiets- en wandelroutes; Ladder voor duurzame verstedelijking.
Het aspect ‘cultureel erfgoed en werelderfgoed’ zal in hoofdstuk 10 worden behandeld. In onderstaande paragraaf wordt ingegaan op de ladder voor duurzame verstedelijking en de gebiedsspecifieke landschappelijke en stedenbouwkundige kwaliteiten.
4.2
Ladder voor duurzame verstedelijking
4.2.1
Algemeen
De Ladder is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand. Bij nieuwe stedelijke ontwikkelingen wordt beoordeeld of er echt behoefte aan is en of de ontwikkeling binnen het stedelijk gebied kan. De instructieregel in artikel 5.129g Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) regelt dat bij een wijziging van het omgevingsplan voor een nieuwe stedelijke ontwikkeling toepassing van de Ladder is vereist. De Ladder wordt toegepast bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Bij de toetsing aan de ladder worden beide onderdelen van de Ladder meegenomen: • •
de behoefte aan de stedelijke ontwikkeling; bij een ontwikkeling buiten stedelijk gebied: de mogelijkheden om binnen het bestaande stedelijk gebied in de behoefte te voorzien zijn verkend.
Teneinde een ontwikkeling adequaat te kunnen toetsen aan de ladder is het noodzakelijk inzicht te geven in de begrippen ‘stedelijk gebied’ en een ‘stedelijke ontwikkeling’. Stedelijk gebied: Op grond van een omgevingsplan of een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit toegelaten stedenbouwkundig samenstel van bebouwing voor wonen, dienstverlening, bedrijvigheid, detailhandel en horeca, en de daarbij behorende openbare of sociaal-culturele voorzieningen en infrastructuur, met uitzondering van stedelijk groen aan de rand van die bebouwing en lintbebouwing langs wegen, waterwegen of waterkeringen; Een stedelijke ontwikkeling is de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelsvoorziening of een andere stedelijke voorziening die voldoende substantieel is. Artikel 5.129g Bkl legt geen grens vast wat voldoende substantieel is. In uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State zijn wel lijnen uitgezet. Er is een overzichtsuitspraak (ECLI:NL:RVS:2017:1724) over de Ladder. De Afdeling geeft hierin geen harde ondergrenzen, maar stelt wel 'in beginsel' grenzen.
Bij het beschrijven van de behoefte dient te worden uitgegaan van het saldo van de aantoonbare vraag naar de voorgenomen ontwikkeling verminderd met het aanbod in planologische besluiten, ook als het feitelijk nog niet is gerealiseerd (harde plancapaciteit). BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
11
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld 4.2.2
Toetsing van het voornemen aan de Ladder voor duurzame verstedelijking
In het kader van dit plan wordt voorgesteld om twee compensatiewoningen te realiseren op basis van de rood-voor-rood-regeling. Daarbij rijst de vraag of deze ontwikkeling dient te worden getoetst aan de Ladder voor duurzame verstedelijking, zoals opgenomen in artikel 3.1.6, tweede lid, van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De Ladder is uitsluitend van toepassing wanneer sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Of daar sprake van is, dient te worden beoordeeld aan de hand van aard, omvang en locatie van het initiatief. In dit geval betreft het de toevoeging van slechts twee woningen in het buitengebied, ter compensatie van de sloop van voormalige agrarische bebouwing. Het betreft daarmee een beperkte, incidentele ontwikkeling die plaatsvindt binnen de kaders van bestaand (provinciaal en gemeentelijk) beleid. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft zich meermaals uitgesproken over vergelijkbare situaties. In onder meer uitspraak ECLI:NL:RVS:2016:3150 oordeelde de Afdeling dat de bouw van één woning in het buitengebied geen stedelijke ontwikkeling vormt en dus niet aan de Ladder hoeft te worden getoetst.
Deze lijn is bevestigd in latere uitspraken, waaronder ECLI:NL:RVS:2021:2191 en ECLI:NL:RVS:2022:1577, waarin de Afdeling expliciet stelde dat het realiseren van een enkele woning, bijvoorbeeld in het kader van functieverandering of rood-voorrood, in beginsel niet kwalificeert als een stedelijke ontwikkeling. Op basis van deze jurisprudentie kan worden geconcludeerd dat het realiseren van twee compensatiewoningen in het buitengebied geen stedelijke ontwikkeling betreft. Er is derhalve geen verplichting om een verantwoording op grond van de Ladder voor duurzame verstedelijking op te nemen. Gelet op vorenstaande is er geen sprake van een stedelijke ontwikkeling zoals bedoeld in de Ladder voor duurzame verstedelijking. Het plan voldoet daarmee aan de instructieregels uit artikel 5.129g van het Bkl.
4.3
Landschappelijke waarden
Het erf wordt landschappelijk ingepast door het aanplanten van struweel aan de noordzijde en bomenrijen van elzen op de erfgrens. Bestaande bomen blijven behouden. Hiermee worden de kenmerken van het veldontginningslandschap, waar de erven een groene omzoming kennen, versterkt. Op beide erven worden daarnaast enkele solitaire inheemse bomen, zoals walnoten en lindes, geplant. Ook worden gemengde, geschoren hagen en een bomenrij van berken aangeplant ter afscherming van de erven. Op het voorste erf wordt een hoogstamboomgaard gerealiseerd, aan twee zijden omsloten door een haag. Hiermee wordt het erf goed ingepast en sluit het aan bij gebiedskenmerken van de veldontginningen. De ruimtelijke kwaliteit wordt versterkt door de sloop van landschapsontsierende bebouwing, die plaatsmaakt voor nieuwbouw. Deze ontwikkeling draagt bij aan een betere landschappelijke inpassing, waarbij zorgvuldig rekening wordt gehouden met de omgeving. Het beplantingsplan van de ontwikkeling maakt onderdeel uit van het ruimtelijk kwaliteitsplan in Bijlage 1.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
12
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
HOOFDSTUK 5
BELEIDSKADERS
Dit hoofdstuk beschrijft, voor zover van belang, het rijks-, provinciaal-, regionaal- en gemeentelijk beleid. Naast de belangrijkste algemene uitgangspunten worden de specifiek voor dit plangebied geldende uitgangspunten weergegeven.
5.1
Rijksbeleid
5.1.1
Nationale Omgevingsvisie (NOVI)
5.1.1.1 Algemeen Nederland staat voor grote uitdagingen die van invloed zijn op onze fysieke leefomgeving. Complexe opgaven zoals verstedelijking, verduurzaming en klimaatadaptatie zijn nauw met elkaar verweven. Dat vraagt een nieuwe, integrale manier van werken waarmee keuzes voor onze leefomgeving sneller en beter gemaakt kunnen worden. De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) zorgt voor een gezamenlijke aanpak die leidt tot een duurzaam perspectief voor onze leefomgeving. Dit is nodig om onze doelen te halen en is een zaak van overheid en samenleving. 5.1.1.2 Vier prioriteiten Aan de hand van een toekomstperspectief op 2050 brengt de NOVI de langetermijnvisie in beeld. Op nationale belangen wil het Rijk sturen en richting geven. Dit komt samen in vier prioriteiten. 1. Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Nederland moet zich aanpassen aan de gevolgen van klimaatverandering. In 2050 is Nederland klimaatbestendig en waterrobuust. Dit vraagt om maatregelen in de leefomgeving, waarmee tegelijkertijd de leefomgevingskwaliteit verbeterd kan worden en kansen voor natuur geboden kunnen worden. In 2050 heeft Nederland daarnaast een duurzame energievoorziening. Dit vraagt echter om ruimte. Door deze ruimte zoveel mogelijk te clusteren, wordt versnippering van het landschap voorkomen en wordt de ruimte zo efficiënt mogelijk benut.
Het Rijk zet zich in door het maken van ruimtelijke reserveringen voor het hoofdenergiesysteem op nationale schaal. 2. Duurzaam economisch groeipotentieel Nederland werkt toe naar een duurzame, circulaire, kennisintensieve en internationaal concurrerende economie in 2050. Daarmee kan ons land zijn positie handhaven in de top vijf van meest concurrerende landen ter wereld. Er wordt ingezet op een innovatief en sterk vestigingsklimaat met een goede quality of life. Belangrijk is wel dat onze economie toekomstbestendig wordt, oftewel concurrerend, duurzaam en circulair. 3. Sterke en gezonde steden en regio’s Er zijn vooral in steden en stedelijke regio’s nieuwe locaties nodig voor wonen en werken. Het liefst binnen de bestaande stadsgrenzen, zodat de open ruimten tussen stedelijke regio’s behouden blijven. Dit vraagt optimale afstemming op en investeringen in mobiliteit. Dit betekent dat voorafgaand aan de keuze van nieuwe verstedelijkingslocaties helder moet zijn welke randvoorwaarden de leefomgevingskwaliteit en -veiligheid daar stelt en welke extra maatregelen nodig zijn wanneer er voor deze locaties wordt gekozen. Zo blijft de gezondheid in steden en regio’s geborgd. 4. Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied Er ontstaat een nieuw perspectief voor de Nederlandse landbouwsector als koploper in de duurzame kringlooplandbouw.
Een goed verdienpotentieel voor de bedrijven wordt gecombineerd met een minimaal effect op de omgevingskwaliteit van lucht, bodem en water. In alle gevallen zetten we in op ontwikkeling van de karakteristieke eigenschappen van het Nederlandse landschap. Dit vertegenwoordigt een belangrijke cultuurhistorische waarde. Verrommeling en versnippering, bijvoorbeeld door wildgroei van distributiecentra, is ongewenst en wordt tegengegaan.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
13
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld 5.1.1.3 Afwegingsprincipes De druk op de fysieke leefomgeving in Nederland is zo groot, dat belangen soms botsen. Het streven is combinaties te maken en win-win situaties te creëren, maar dit is niet altijd mogelijk. Soms zijn er scherpe keuzes nodig en moeten belangen worden afgewogen. Hiertoe gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: 1. Combinatie van functies gaan voor enkelvoudige functies. In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van onze ruimte; 2. Kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal. Het verschilt tussen gebieden wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling en tussen concurrentiekracht en leefbaarheid. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; 3. Afwentelen wordt voorkomen. Het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie inwoners, zonder dat dit ten koste gaat van toekomstige generaties. 5.1.2
Instructieregels Rijk (AMvB’s)
Het omgevingsplan bevat op basis van artikel 4.2 van de Omgevingswet voor het gehele grondgebied van de gemeente in ieder geval de regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. In afdeling 5.1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl) zijn de instructieregels opgenomen voor het stellen van regels in het omgevingsplan. Hieronder zijn de hoofdonderwerpen opgesomd waarvoor het Bkl instructieregels bevat: o o o o o o
o
waarborgen van veiligheid (paragraaf 5.1.2); beschermen van waterbelangen (paragraaf 5.1.3); beschermen van gezondheid en milieu (paragraaf 5.1.4), waaronder instructieregels voor de kwaliteit van de buitenlucht, trillingen, geluid en geur en bodemkwaliteit; beschermen van landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed (paragraaf 5.1.5), waaronder de ladder voor duurzame verstedelijking; het behoud van ruimte voor toekomstige functies (paragraaf 5.1.6) voor autowegen, buisleidingen, natuur- en recreatiegebieden; het behouden van de staat en werking van infrastructuur of voorzieningen voor nadelige gevolgen van activiteiten (paragraaf 5.1.7), waaronder landsverdediging en nationale veiligheid, elektriciteitsvoorziening, rijksvaarwegen en luchtvaart, fiets- en wandelroutes, aanwijzing van woningbouwcategorieën; het bevorderen van de toegankelijkheid van de openbare buitenruimte voor personen (paragraaf 5.1.8).
Daarnaast bevat afdeling 5.2 van het Bkl instructieregels voor de uitoefening van taken voor de fysieke leefomgeving. Daarbij gaat het onder meer om het voorkomen van belemmeringen van gebruik en beheer van spoorwegen en rijkswegen. In heel bijzondere gevallen kunnen B&W de Minister vragen om een ontheffing van bepaalde instructieregels te verlenen. Dit volgt uit afdeling 5.3 van het Bkl. In de onderbouwing moet worden ingegaan op de bovengenoemde onderwerpen, wanneer deze relevant zijn voor de betreffende ontwikkeling. Per onderwerp dient een toetsing plaats te vinden. 5.1.3
Toetsing van het initiatief aan de uitgangspunten in het Rijksbeleid
In voorliggend geval betreft het een project waarbij geen nationale belangen in het geding zijn en er geen sprake is van enige belemmering met betrekking tot de prioriteiten zoals verwoord in de NOVI. Bij het uitwerken van het plan zijn de kenmerken en identiteit van het gebied centraal gesteld. Geconcludeerd wordt dat de NOVI geen belemmering vormt voor de in de voorliggende ruimtelijke onderbouwing opgenomen ontwikkeling. In de volgende hoofdstukken wordt aangegeven hoe het plan rekening houdt met de hoofdonderwerpen waarvoor het Bkl instructieregels bevat. Hoofdstuk 3 en 4 zijn reeds ingegaan op de instructieregels zoals vervat in paragraaf 5.1.5, 5.1.7 en 5.1.8 van het Bkl.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
14
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
5.2
Provinciaal beleid
Het provinciaal beleid is verwoord in tal van plannen. De belangrijkste plannen zijn de Omgevingsvisie en de Omgevingsverordening. 5.2.1
Omgevingsvisie Drenthe 2022
5.2.1.1 Algemeen De Omgevingsvisie is hét strategische kader voor de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe. De visie formuleert de belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing van de provincie in het ruimtelijke domein. De Omgevingsvisie beschrijft de ruimtelijk-economische ontwikkeling van Drenthe in de periode tot 2030, met in sommige gevallen een doorkijk naar de periode daarna. Als in de tekst wordt gesproken over ‘lange termijn’, betreft het de periode na 2030. De Omgevingsvisie heeft voor de provincie vooral een interne binding. Dit betekent dat de provincie bij de uitoefening van haar taken aan de Omgevingsvisie gebonden is. De missie van de provincie is het waarderen van de Drentse kernkwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij de kernkwaliteiten. Deze missie is ingegeven door wat inwoners, medeoverheden en maatschappelijke partners belangrijk vinden voor de toekomst van Drenthe. De kernkwaliteiten zijn samen met partners en de inwoners van Drenthe benoemd, te weten landschap, cultuurhistorie, aardkundige waarden, archeologie, rust en natuur. 5.2.1.2 Ruimtelijke kwaliteit De ruimtelijke kwaliteit van Drenthe is hoog en de ruimtelijke identiteit is herkenbaar en beleefbaar.
Het tot dusver gevoerde ruimtelijk beleid heeft ertoe geleid dat ontwikkelingen altijd in samenhang met de ondergrond en met besef van de cultuurhistorie hebben plaatsgevonden. Er is evenwicht en onderscheid tussen stad en platteland, tussen rust en dynamiek, tussen historie en het heden. Het Drentsche landschap is rijk aan herinneringen aan vroegere bewoning, kent karakteristieke bebouwingspatronen, heeft hoge natuurwaarden en is beleefbaar. In Drenthe kan nog steeds openheid, rust, ruimte en duisternis worden ervaren. Deze aspecten worden in de rest van het land steeds zeldzamer en wordt door de samenleving steeds meer gewaardeerd. Omdat niet alle kernkwaliteiten goed te duiden zijn in het fysiek-ruimtelijk domein, zijn ze vertaald naar indicatoren. Rust is vertaald naar stilte en duisternis. Ruimte staat voor de openheid van het landschap. De kernkwaliteit natuur is uitgewerkt in het kunnen beleven en benutten van de natuur die Drenthe rijk is en daarnaast het beschermen om de biodiversiteit in stand te houden en te versterken. Oorspronkelijkheid is concreet gemaakt in de kernkwaliteiten cultuurhistorische, archeologische en aardkundige waarden. Veiligheid staat voor sociale, externe en verkeersveiligheid.
De kernkwaliteiten noaberschap, menselijke maat en kleinschaligheid zijn lastig ruimtelijk te duiden, maar zijn meegenomen in de begrippen ‘leefbaarheid en ‘passend bij Drenthe’. De verschillende kernkwaliteiten zijn de basis van de kernkwaliteit landschap. Er is immers een duidelijke relatie tussen de ondergrond, de historische ontwikkeling, leefbaarheid, ‘passend bij Drenthe’ en het landschap. Daar komt bij dat de gaafheid en de diversiteit van het Drentse landschap overal beleefbaar is binnen Drenthe. Daarmee vormt de kernkwaliteit landschap de kapstok voor de kernkwaliteiten. De kernkwaliteiten landschap, natuur, cultuurhistorie, archeologie en aardkundige waarden zijn middels kaartlagen inzichtelijk gemaakt. In subparagraaf 5.2.1.3 wordt het plan aan de kernkwaliteiten getoetst. Tijdens de toetsing bleek dat ten aanzien van de kernkwaliteiten natuur, cultuurhistorie en aardkundige waarden geen aanduidingen aanwezig zijn binnen het plangebied. Landschap Het plan laat zien dat zorgvuldig is nagedacht over de inpassing in het landschap. De compensatiewoningen krijgen een situering die past bij een erfgedachte, wat past bij het kleinschalige besloten karakter van het omliggende esdorpenlandschap.
Daarnaast wordt met het uitvoeren van het beplantingsplan een impuls gegeven aan de inpassing in het landschap door de bebouwing in te passen in gebiedseigen beplanting die kenmerkend is voor het Drentse landschap.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
15
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld Archeologie Het plangebied bevindt zich in een gebied waar de kernkwaliteit Archeologie met ‘Beekdal (Archeologie)’ van toepassing is. Het beschermingsniveau richt zich op het beschermen van archeologische verwachtingsgebieden. Ter plaatse van deze aanduiding geldt een onderzoeksplicht. Er geldt een vrijstelling voor ontwikkelingen met een oppervlakte van kleiner dan 1.000 m 2 en minder diep dan 50 cm. In paragraaf 10.2 wordt gemotiveerd dat er met voorliggend projectvoornemen geen archeologische waarden worden aangetast. Op basis van bovenstaande toetsing wordt geconcludeerd dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de Omgevingsvisie Drenthe. 5.2.2
Omgevingsverordening
De Provinciale Omgevingsverordening Drenthe (POV) is een belangrijk instrument om het omgevingsbeleid, zoals dat is opgenomen in de Omgevingsvisie Drenthe, uit te voeren. Provinciale staten hebben de Omgevingsverordening Drenthe op 3 oktober 2018 vastgesteld. Op 1 juli 2025 is de Omgevingsverordening voor het laatst gewijzigd. In voorliggend geval zijn artikelen 3.15 en 3.16 van toepassing op het plangebied. Artikel 3.15 Ruimte-voor-ruimte regeling Lid 1: Een omgevingsplan voor een gebied gelegen in Landelijk Gebied, kan voorzien in een ruimtevoor-ruimte regeling als in dat gebied bedrijfsmatige of maatschappelijke bebouwing aanwezig is die de oorspronkelijke functie is verloren, mits: a.
de sloopnorm voor 1 compensatiewoning ten minste 750 m² en ten minste 2.000 m² voor maximaal 2 compensatiewoningen aan bedrijfsbebouwing bedraagt;
b.
onverminderd het bepaalde in sub a bedraagt de sloopnorm voor 3 compensatiewoningen ten minste 3.000 m² en ten minste 4.000 m² voor 4 compensatiewoningen en ten minste 5.000 m² voor 5 compensatiewoningen.
c.
In afwijking van het bepaalde in sub c bedraagt de sloopnorm 6 compensatiewoningen wanneer meer dan 6.000 m² wordt gesloopt.
Lid 3: De ruimte-voor-ruimte regeling wordt vormgegeven met inachtneming van het volgende: a. b. c. d. e.
toepassing van de regeling is alleen mogelijk voor bebouwing die op 1 januari 2014 al aanwezig was; in het omgevingsplan mag de mogelijkheid worden geboden tot het samenvoegen van bebouwing op meerdere percelen (saldering) om te kunnen komen tot de sloopnorm; Bij het realiseren van drie of meer woningen als bedoeld in leden 1 en 2 toont het omgevingsplan aan dat de aantallen en doelgroep passen binnen de gemeentelijke woonvisie of omgevingsvisie, uitvoeringsprogramma’s en prestatie afspraken; randvoorwaarden voor inpassing, omvang, inhoud en uiterlijk van de compensatiewoning worden vastgelegd; en de randvoorwaarde dat bouw van een compensatiewoning niet plaatsvindt in Natuurnetwerk Nederland of Beekdal en bergingsgebied, tenzij de oorspronkelijke bebouwing in die gebieden wordt verwijderd.
Toetsing aan artikel 3.15 Ruimte-voor-ruimte regeling Lid 1: Het is wenselijk om in dit geval 1.900 m2 landschapsontsierende bebouwing op het erf te slopen en daarnaast een sloopbewijs van 100 m2 in te zetten teneinde in totaal 2.000 m2 aan sloopmeters in te zetten. Het is wenselijk om twee woningen te realiseren, aan de sloopnorm van 2.000 m2 wordt voldaan;
Lid 3: De regeling is mogelijk met inachtneming van het volgende: a. De bebouwing is rond 1984 gebouwd; b. Hier is sprake van. In dit geval wordt een sloopbewijs ingezet teneinde aan de norm van 2.000 m2 te voldoen;
c. De woningen passen binnen de gemeentelijke woonvisie en omgevingsvisie. Later in deze motivering wordt daarop ingegaan;
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
16
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld
d. Aan deze voorwaarden wordt bij de nadere uitwerking voldaan; e. Het plangebied ligt niet in het Natuurnetwerk Drenthe en ook niet in een
bergingsgebied. Het projectgebied ligt wel in een beekdal, echter is dit geen belemmering aangezien er sprake is van het verdwijnen van de oorspronkelijke bebouwing in het gebied.
Het voornemen is niet in strijd met artikel 3.15 uit de omgevingsverordening van de Provincie Drenthe. Artikel 3.16 Woningbouw 2. Een omgevingsplan kan in Landelijk Gebied voorzien in incidentele woningbouwmogelijkheden wanneer sprake is van bedrijfswoningen, een tweede bedrijfswoning bij een agrarisch bedrijf, het splitsen van boerderijen in twee of meer woningen en nieuwbouw die past binnen de kaders van de ruimte-voor-ruimte regeling. 3. Onverminderd het bepaalde in lid 3, kan een omgevingsplan in Landelijk Gebied voorzien in een incidentele woningbouwmogelijkheid wanneer: a. de bebouwing is gelegen in een bebouwingslint of een cluster van bebouwing; b. er sprake is van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; c. er sprake is van een landschappelijke inpassing passend bij de gebiedskenmerken die zijn vastgelegd in een landschappelijk inpassingsplan, en; d. het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie. 4. Een omgevingsplan kan voorzien in een woonfunctie voor gronden met bebouwing die zijn functie verloren heeft, mits: a. het bebouwing betreft die niet landschapsontsierend is; b. het omgevingsplan een verbetering van de landschappelijke kwaliteit verzekert; c. het omgevingsplan ten hoogste 6 woningen mogelijk maakt en niet gepaard gaat met externe bouwactiviteiten; en d.
wordt voldaan aan artikel 3.15, lid 3, sub a, c en d van de Omgevingsverordening Drenthe. Toetsing van het initiatief aan Artikel 3.16 Woningbouw lid 2, 3 en 4 Het voorliggende initiatief valt onder lid 2 van artikel 3.16, aangezien er sprake is van woningbouw die past binnen de kaders van de ruimte-voor-ruimte regeling. De initiatiefnemer doet mee aan de LBV-regeling en slaat alle agrarische bebouwing (1.900 m² stallen) om deze te vervangen door twee nieuwe woningen, conform de sloopnorm van 2.000 m². Dit past direct binnen het kader van incidentele woningbouwmogelijkheden zoals bedoeld in dit lid. Daarnaast voldoet het plan aan de voorwaarden van lid 4, dat van toepassing is op gronden met bebouwing die hun functie hebben verloren. Het melkveebedrijf verliest immers zijn agrarische functie. De bestaande bebouwing wordt niet als landschapsontsierend beschouwd, het plan voorziet in maximaal twee nieuwe woningen (naast behoud van de bestaande bedrijfswoning), er zijn geen externe bouwactiviteiten nodig, en de uitgebreide landschappelijke inpassing met inheemse beplanting, hoogstamfruitboomgaard en behoud van bestaande bomen zorgt voor een aantoonbare verbetering van de landschappelijke kwaliteit. Het plan sluit goed aan bij de gebiedskenmerken van het veldontginningslandschap door de karakteristieke groene erfomzoming te versterken.
Het plan is in lijn met het provinciale beleid. Er is geen aantasting van aardkundige waarden, en de ontwikkeling draagt bij aan de verbetering van het landschap en sluit aan bij het woonbeleid. voor een verder uitwerking wordt verwezen naar paragraaf 5.3.1.3 en 5.3.2.3. 5.2.3
Conclusie toetsing aan het provinciale beleid
Geconcludeerd wordt dat de voorgenomen ontwikkeling in overeenstemming is met de uitgangspunten uit het provinciaal beleid.
5.3
Gemeentelijk beleid
Het gemeente beleid is verwoord in tal van beleidsplannen het gebied van wonen, gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
17
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de omgevingsvisie en andere voor voorliggend initiatief relevante beleidsstukken. 5.3.1
Omgevingsvisie Westerveld
5.3.1.1 Algemeen Deze Omgevingsvisie bevat het toekomstbeeld van en voor de gemeente Westerveld. De omgevingsvisie is de integrale langetermijnvisie op de ontwikkeling van de gemeente en gaat over de hele fysieke leefomgeving. Voor 2040 heeft de gemeente vijf ambities: • • • • •
Een bereikbaar en veilig Westerveld; Een bedrijvig en gastvrij Westerveld; Een leefbaar en inclusief Westerveld; Een gezond en groen Westerveld; Een herkenbaar en toekomstgericht Westerveld.
Samen met de gemeente brede keuzes vormen deze vijf ambities de basis voor de Visiekaart. Op basis van de ligging van het plangebied op de Visiekaart zijn met name de keuzes en ambities behorend bij deelgebied ‘Essen en oude veldontginningen’ en ‘overige kernen’ van toepassing. 5.3.1.2 Gebiedskompas: Oude veldontginningen’ De gemeentebrede ambities en keuzes zijn opgedeeld per gebied. Voor elk gebied is omschreven wat bijzonder is en welke koers er voor dit gebied is. In dit geval is met name de ambitie voor de oude veldontginningen relevant. Dit deelgebied bestaat uit oude gronden, voornamelijk essen, veldontginningen en (delen van) veenrandontginningen. Passend bij het wisselende karakter is ook de variatie aan gebruik binnen dit gebied. Naast akkerbouw en grasland is dit ook natuur en recreatie. De hoofdkoers van dit gebied betreft dat landbouw, natuur en recreatie zich gelijkwaardig kunnen ontwikkelen. Er wordt gericht op de volgende ambities: • • • • •
‘Bedrijvig en gastvrij’ vanwege de combinatie landbouw/toerisme; ‘Bedrijvig en gastvrij’ vanwege de beleefbare natuur; ‘Herkenbaar’ vanwege het authentieke karakter; ‘Groen en gezond’ vanwege de nabijheid van dorpen; ‘Bereikbaar en veilig’ vanwege de infrastructurele verbindingen tussen dorpen en voorzieningen die door dit gebied lopen.
In dit gebied is schaalvergroting van agrarische bedrijven lastig door kleinschalig grondbezit, waardevolle landschapselementen, nabijheid van milieugevoelige functies en natuurgebieden. Ontwikkeling van landbouw wordt daarom vooral verwacht via functieverandering (bijv. wonen of recreatie) en functieverbreding (zoals verkoop van lokale producten). Er is ruimte voor duurzame, kleinschalige en biologische landbouw. Wanneer transitie niet haalbaar is, krijgen boerderijen een alternatieve functie, zoals kleinschalige recreatie of wonen. Bij nieuwe ontwikkelingen is het volgende belangrijk: • • • •
De gemeente ondersteunt functieverandering of verbreding van agrarische bedrijven; Er is ruimte voor een innovatieve en dynamische recreatieve sector; Ontwikkelingen doen geen afbreuk aan de beleefbaarheid en herkenbaarheid van het authentieke landschap; Gebiedsontwikkeling nabij dorpen wordt bij voorkeur gecombineerd met een functie die uitnodigt om te bewegen.
5.3.1.3 Toetsing aan de ‘Omgevingsvisie Westerveld’ De gemeente Westerveld faciliteert procesmatig bij de functieveranderingen van agrarische bedrijven binnen de Oude veldontginningen. In deze gebieden is agrarische schaalvergroting lastig gebleken. De transitie van een melkveebedrijf naar een woonfunctie past binnen het beleid van de gemeente om bedrijven een alternatieve functie te geven wanneer transitie niet mogelijk is.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
18
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld De uitgebreide landschappelijke inpassing van het initiatief met inheemse beplanting, hoogstamfruitbomen en de versterking van de groene erfomzoming dragen bij aan de ambities ‘Herkenbaar’ en ‘Groen en Gezond’. Door het nieuw te vormen erf volgens het erfinrichtingsplan in te planten wordt de herkenbaarheid van het veldontginningslandschap versterkt. Het initiatief is daarmee in lijn met het toekomstbeeld dat de gemeente Westerveld richting 2040 nastreeft. 5.3.2 Woonvisie 2019 – 2025, afwegingskader nieuwbouw en Addendum op de Woonvisie 5.3.2.1 Algemeen In de woonvisie zijn de gemeentelijke ambities om het woonklimaat te behouden en te versterken vastgelegd. De woonvisie is een visie voor de lange termijn waarbij als stip op de horizon 2025. De gemeente Westerveld heeft aan de hand van vijf hoofdthema’s haar wens vertaald: 1. 2. 3. 4. 5.
Profileren als woongemeente; Beschikbaarheid en betaalbaarheid sociale huur; Naar een toekomstbestendige woningvoorraad; Wonen met zorg; Ontwikkeling van de woningvoorraad.
Binnen dit project zijn met name de thema’s ‘profileren als woongemeente’, ‘naar een toekomst bestendige woonvoorraad’ en ‘ontwikkeling van de woningvoorraad’ van belang. In een onderzoek naar de leefstijlen van huishoudens in de gemeente Westerveld komen drie groepen sterk naar voren: ‘landelijk leven’, ‘vrijheid en ruimte’ en ‘welverdiend genieten’. Bereikbaarheid en leefbaarheid in de dorpen zijn belangrijk om te profileren als woongemeente. De gemeente wenst vraag en aanbod goed op elkaar af te stemmen. Ook focust de gemeente zich op kwalitatieve woningvraag. 5.3.2.2 Afwegingskader nieuwbouw Nieuwbouwplannen binnen de gemeente Westerveld worden getoetst aan de het ‘Afwegingskader nieuwbouw’. Het instrument is in het leven geroepen om ervoor te zorgen dat het woningbouwprogramma zo goed mogelijk aansluit op de ontwikkeling van de woningbehoefte. Het afwegingskader bestaat uit een kwalitatieve en kwantitatieve toetsing. Kwalitatieve toetsing •
•
•
Inbreiding boven uitbreiding o Nieuwbouw vindt bij voorkeur plaats binnen bestaand stedelijk gebied. o Bij uitbreidingslocaties wordt eerst gekeken of alternatieve locaties beschikbaar zijn binnen de bestaande dorpskernen (binnen bestaand stedelijk gebied, conform de definitie van de Ladder voor Duurzame Verstedelijking). Verrijking voor de bestaande voorraad o Biedt het plan een gevarieerd programma naar financieringscategorie en prijsniveaus, en draagt het bij aan de ambitie voor (aantrekken van) gezinnen, of voorziet het in Vernieuwende concepten die expliciet gericht zijn op Levenslang Wonen, experimentele vormen van Verduurzaming of woonconcepten die gericht zijn op het versterken van gemeenschapszin? o Voor de beoordeling van initiatieven wordt gekeken naar de bijdrage die het initiatief levert aan het verbeteren van de ruimtelijke kwaliteit en de belevingswaarde daarvan. Hierbij wordt gedacht aan locaties die beschikbaar komen door hergebruik of transformatie van bepalende gebouwen of herontwikkeling na sloop verouderd (maatschappelijk) vastgoed: ▪ Het object heeft bij voorkeur een gezichtsbepalend karakter. Bijvoorbeeld een voormalige melkfabriek, schoolgebouw of karakteristieke boerderij. Dit betekent ook dat we aan transformatie van bijvoorbeeld niet-monumentale schuren of andere (voormalige) bedrijfsgebouwen naar woonfunctie geen medewerking verlenen.
▪ Transformaties hebben in landschappelijk waardevolle gebieden voorrang boven nieuwbouw, om zodoende de waardevolle open ruimten te sparen. Passend binnen de woonomgeving BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
19
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld Past het woningbouwplannen binnen de maat en schaal van de bestaande omgeving. Verdere verstening van het buitengebied, en dus nieuwe woningen, wordt in principe niet toegestaan. Zie ook de structuurvisie, het bestemmingsplan Buitengebied en de provinciale omgevingsverordening. Toekomstbestendige woningvoorraad o Er wordt voorkeur gegeven aan de ontwikkeling van levensloopgeschikte/voor senioren geschikte woningen in de voorzieningendorpen. o Er wordt voorkeur gegeven aan ontwikkelingen die Nul op de Meter zijn. Wonen met zorg o Initiatieven voor (kleinschalige) woonzorg vastgoed worden gefaciliteerd. o Ook hier wordt hierbij voorkeur gegeven aan transformatie-initiatieven, zoals vrijkomende agrarische bebouwing, oude schoolgebouwen en dergelijke om bouwen naar kleinere wooneenheden voor senioren. o o
•
•
Kwantitatieve toetsing •
Alleen bouwen bij aantoonbare behoefte en (maatschappelijke) meerwaarde o Nieuwbouw binnen de bestaande planologische ruimte (bestemmingsplannen) is mogelijk. Jaarlijks wordt vastgesteld in welke mate recente realisaties aansloten bij de vraag, en wat dit betekent voor de ruimte voor de komende jaren.
5.3.2.3 Addendum op de woonvisie Op 6 september 2022 heeft de raad van de gemeente Westerveld een addendum op de Woonvisie vastgesteld. De tijd en de woningbouwopgaven hebben de bestaande Woonvisie 2019-2025 ingehaald. Deze actualisatie in de vorm van het addendum dient als kader voor het uitvoeringsprogramma woningbouw voor de komende vier jaar. Gemeente Westerveld heeft de ambitie om 1.000 nieuwe woningen voor 2030 te realiseren. Hierbij gaat het tevens om de herbestemming van (deels) leegstaande panden. De basisopgave voor gemeente Westerveld is een minimale bouwopgave van 450 tot 500 woningen voor diverse doelgroepen. Uit de huidige plancapaciteit en toekomstige plannen blijkt dat verwacht wordt dat er tot 2030 een aantal van 100 of 200 woningen gerealiseerd worden op basis van particuliere plannen voor ruimte voor ruimte, woningsplitsing, transformatie van bedrijfslocaties en CPO’s. 5.3.2.3 Toetsing aan de Woonvisie 2019-2025, afwegingskader nieuwbouw en Addendum op de Woonvisie Binnen de gemeente Westerveld wordt gestreefd naar het behouden en versterken van het woonklimaat, zoals vastgelegd in de Woonvisie 2019–2025. Belangrijke thema’s hierin zijn het profileren als aantrekkelijke woongemeente, het creëren van een toekomstbestendige woningvoorraad en het gericht ontwikkelen van het woningaanbod.
In dit kader komt de sloop van landschapsontsierende schuren, gecombineerd met de realisatie van een compensatiewoning, op meerdere punten tegemoet aan het gemeentelijk beleid. Door het slopen van oude of vervallen schuren wordt de ruimtelijke kwaliteit van het landschap versterkt. Dit sluit aan bij de ambitie om Westerveld aantrekkelijker te maken als woongemeente en tegelijkertijd waardevolle open ruimten te beschermen. De realisatie van een compensatiewoning biedt daarnaast de mogelijkheid om beter in te spelen op de kwalitatieve woningvraag, bijvoorbeeld door het toevoegen van een levensloopgeschikte of duurzame woning. Mits deze woning past binnen de schaal en karakteristiek van de omgeving, kan hiermee worden voldaan aan de voorwaarde dat verdere verstening van het buitengebied ongewenst is. De combinatie van sloop van landschapsontsierende bebouwing en het bouwen van een compensatiewoning past binnen het beleid van de gemeente Westerveld. De nieuwe woning draagt bij aan de ruimtelijke kwaliteit en sluit aan bij de actuele woningbehoefte. Dit initiatief draagt bij aan een aantrekkelijk woonklimaat én een duurzame ontwikkeling van het buitengebied.
BJZ.nu Ruimtelijke plannen en advies
20
TAM-omgevingsplan Hoofdstuk 22x Ruinerwoldseweg 2, Uffelte Vastgesteld 5.3.3
Beeldkwaliteitsplan Buitengebied gemeente Westerveld
5.3.3.1 Algemeen Het buitengebied van de gemeente Westerveld kent een grote verscheidenheid aan landschappen. Deze verscheidenheid is in het verleden ontstaan door verschillen in bodem, waterhuishouding etc., maar vooral door het gebruik van het land door de bewoners. Elk landschap heeft zijn eigen ontstaansgeschiedenis en daardoor zijn eigen identiteit en samenhang. De gemeente wil werken aan een aantrekkelijker en herkenbaarder landschap. Het gaat niet alleen om behoud en versterken van wat er nog rest van vroeger, maar juist ook om het inpassen van nieuwe ontwikkelingen. Het Beeldkwaliteitsplan is bedoeld als inspiratiebron voor initiatiefnemers die een bouwaanvraag of een aanlegvergunning willen indienen. Het is tevens het toetsingskader voor de gemeenteambtenaren. Dit beeldkwaliteitsplan gaat over zowel de kenmerken en essenties van de 6 verschillende landschapstypen als de verschillen in bebouwingstypologieën binnen de gemeente Westerveld. In dit geval is met name het landschapstype van het plangebied van belang, aangezien er geen bebouwing wordt toegevoegd. 5.3.3.2 Beekdalenlandschap Het projectgebied ligt in het overgangsgebied van het beekdalenlandschap veldontginningslandschap. De kernkwaliteiten voor het veldontginningslandschap zijn: • • • •
naar
het
Overwegend open, plaatselijk verdicht met bosjes, houtwallen en singels; In gebruik als bouw- en grasland; Percellering afhankelijk van ontginning en ruilverkaveling; Bebouwing voornamelijk langs de ontginningsassen.
De kernkwaliteiten voor het beekdalenlandschap betreffen: • • • • • •