Memo beantwoording vragen fracties tijdens PaW 16 maart 2021 (voorstel nota bodembeheer)
Tekst van het document
Aan: Van: Onderwerp:
de Gemeenteraad wethouder H. Doeven regionale nota bodembeheer (agendapunt 3.1 op PAW 16 maart 2021) Vragen en antwoorden Politieke Avond Westerveld 16 maart 2021.
Geachte leden van de Raad, Wethouder Doeven heeft op 16 maart 2021 bij de bespreking van de regionale nota bodembeheer aangegeven dat de gestelde vragen schriftelijk zullen worden beantwoord. Hieronder vindt u de gestelde vragen en de bijbehorende antwoorden. We hebben hier nog antwoorden bijgevoegd op vragen die naderhand schriftelijk door de PvdA aan het college zijn gesteld. De heer Beets (PW): 1. Hoe wordt er omgegaan met grondverzet zolang de bodemkwaliteitskaart niet opnieuw is vastgesteld? Het college wil grondverzet tot die tijd gedogen conform de kwaliteitskaart indien de Raad instemt met het ontwerpbesluit. 2. Mandatering: Het college heeft geen voorstel gedaan om bepaalde bevoegdheden van de raad te mandateren aan het college dan wel te delegeren aan de RUD. Die suggestie is wel door de RUD gedaan, blijkens de bijlage bij het raadsvoorstel. Hoe denkt het college hier over? Meerdere fracties zien toch graag een voorstel. De heer Beets vindt dat het aanpassen van kaders aan de Raad voorbehouden moet blijven, zoals het aanpassen van PFAS-gehalten. Beslissingen die uitvoerend van aard zijn en beleidsneutraal, zouden gemandateerd kunnen worden. De gemeenteraad heeft op 25 september 2012 het erkennen van een bodemkwaliteitskaart van een andere gemeente gemandateerd aan het college.
In 2015 zijn op grond van deze mandatering, de kaarten van Weststellingwerf en Ooststellingwerf geaccepteerd voor Westerveld. Verder stelt het college ten aanzien van PFAS of andere parameters voor om het college te mandateren voor wijzigingen die neutraal of gunstig zijn voor het milieu. Een Drents voorstel voor verhoging van de PFAS-norm is niet te verwachten, maar mocht zich dat voordoen dan is dat dus niet gemandateerd. Voor de beleidsneutrale (landelijke) aspecten is het college op grond van de wet al het bevoegde gezag. De raad gaat over het beleid wat gebiedsspecifiek is. In de bodemnota is alleen de norm ten aanzien van 10% bodemvreemd materiaal gebiedsspecifiek (op grond van het landelijke generieke beleid is dit 20% bodemvreemd materiaal). 3. De heer Beets stelt dat het hebben van een bodemkwaliteitskaart een wettelijke plicht is. Het is geen wettelijke plicht, maar een keuze, een beleidsinstrument. 4. De heer Beets en andere woordvoerders hebben moeite met plastic en ander afval in grond. 10% vindt men (te) veel. Hoeveel plastic accepteert de nota bij het toepassen van grond? Kan de Raad hiervoor lokale regels stellen en zo ja, wat geeft het voorstel hierover aan? (zie ook onder 8) Op grond van het besluit bodemkwaliteit kan de raad een maximale waarde vaststellen voor bodemvreemd materiaal. De gekozen norm van 10% is strenger dan het landelijk beleid.
Plastic is afval en hoort niet in de bodem en moet zoveel mogelijk worden verwijderd. Daarvoor is een aanvullende eis gesteld dat dit zoveel mogelijk moet worden verwijderd. Het is aan de toezichthouder om dit te beoordelen, een en ander op basis van redelijkheid. De regelgeving heeft betrekking op het
toepassen van een partij grond op een andere locatie, het is niet de bedoeling dat alle bodems worden gesaneerd op een teveel aan plastics. Het gaat alleen om de toe te passen partijen grond. Voor een nadere toelichting op de term sporadisch wordt verwezen naar de Regeling bodemkwaliteit, artikel 1, onderdeel A. 5. De zelfde kritiek geldt temeer voor asbest. Het asbestgehalte van grond, toegepast in een woonwijk zou nul moeten zijn. Wat stelt de nota hierover en welke mogelijkheid is er om dit op nul te stellen? De uitgesproken “ambitie” is te laag. Het college wil ook geen asbesthoudende grond toepassen in woonwijken. Conform de regelgeving is grond met een gehalte aan asbest beneden de 100 mg/kg ds vrij toepasbaar. Het is mogelijk om van deze regel op lokaal niveau van af te wijken door strengere regels te hanteren (gebiedsspecifiek beleid). De vraag is of dit wenselijk is omdat dit uitwisseling van grond binnen Drenthe hindert. Daarnaast zal veel extra onderzoek naar het asbestgehalte in de grond nodig zijn. Het voorstel is daarom is om dit privaatrechtelijk te regelen, door in de bestekken van gemeentelijke werken en projecten op te nemen dat op alle locaties anders dan functie industrie of infrastructuur geen grond met zichtbaar asbest mag worden toegepast. 6. In de bodem van veel landbouwpercelen zit drainagemateriaal.
De heer Beets stelt voor dit in kaart te brengen en iets te zeggen over de toepasbaarheid van grond met drainage-afval. Het is bij de gemeente niet volledig in beeld waar drainage ligt, omdat het aanleggen deels vergunningvrij is (of is geweest). We hebben niet de indruk dat er vaak akkers tot in de drainage worden afgegraven. Dat is op grond van het bestemmingsplan en andere regels verboden in grote delen van de gemeente. We verwachten daarom niet dat het zal gebeuren dat een akker inclusief drainage wordt afgegraven. Indien het toch gebeurt, zal het drainage-afval in beginsel moeten worden afgezeefd omdat anders het afvalpercentage te hoog is. 7. Mevrouw Masselink, VVD Ook de VVD wil dat er geen asbest in woonwijken wordt toegepast. Zie vorig antwoord onder 6. De VVD wil graag nader advies over het reguleren van de hoeveelheid bijmenging (nu is 10% voorgesteld terwijl landelijk 20% geldt). Dit is een norm die provinciaal is afgesproken. Uit een gehouden enquête onder overheden, bedrijven en overige belanghebbenden in Drenthe kwam naar voren dat de meeste respondenten wilden vasthouden aan de norm van 10%. Landelijk mag 20% bodemvreemd materiaal in partij grond zitten. Dat werd door de opstellers voor het Drentse grondverzet als een te hoog percentage gezien. Als het percentage te laag wordt gesteld belemmert dit het grondverzet weer te veel. Daarom is gekozen voor 10%.
Wij merken daarbij op dat ook plantenresten bodemvreemd materiaal is. 8. Mevrouw Kiers, DSW DSW ziet graag dat grondtransport zo weinig mogelijk gebeurt om uitstoot door vervoer te minderen. Het is daarom wenselijk dat bodemkwaliteitskaarten van andere gemeenten over de provinciegrens ook kunnen worden gebruikt (Steenwijkerland, Staphorst). Ook grond van waterschappen zou als mogelijkheid aanwezig moeten zijn. Het college kan daarover zelf beslissen. Dit is eerder gebeurd voor de kaarten van grensgemeenten in Friesland, dit zal bij de nieuwe kaart opnieuw gedaan kunnen worden. Het college wil zich ervoor inzetten om bodemkaarten van meer grensgemeenten te accepteren, mits deze vergelijkbaar zijn. 9. De heer Ballast vraagt hoe snel de bodemkwaliteitskaart kan worden vastgesteld. Als het ontwerp door de Raad wordt vastgesteld, wordt dit gedurende 6 weken ter inzage gelegd. Daarna wordt het ontwerp met een zienswijzennota aan u ter vaststelling voorgelegd. Dat kan voor de zomervakantie. Mevrouw Mulder, Gemeentebelangen sluit zich aan bij de vragen over asbest, afval en mandatering.
10. Mevrouw Dollekamp (PvdA) wijst op de bepaling in de Omgevingsvisie dat in waterwingebieden geen gewasbestrijdingsmiddelen (GBM) mogen worden toegepast. Naar haar mening is de bodemnota hiermee in strijd omdat deze toestaat dat bollenspoelgrond in waterwingebied wordt toegepast. Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen is op grond van de Provinciale omgevingsverordening inderdaad verboden in waterwingebieden (art 7.6 lid 2). De provincie is bevoegd om deze bepaling te handhaven. De bodemnota doet niets af aan de bepalingen van de POV. De waterwingebieden bestaan voornamelijk uit bos (bestemming bos). In het waterwingebied mag op grond van de nota alleen grond worden toegepast die na keuring voldoet aan de achtergrondwaarde (klasse landbouw /natuur) of die volgens de kwaliteitskaart de klasse landbouw natuur heeft. 11. In spoelbassins wordt spoelgrond gemengd. Die grond is niet schoon. Voor spoelgrond (tarragrond) geldt een aparte landelijke regeling. Die houdt in dat deze grond naar de locatie van herkomst terug mag worden gebracht, en naar andere teeltlokaties van het zelfde bedrijf. De Raad kan hier geen strengere regels voor stellen. Naderhand heeft de PvdA aanvullend nog twee schriftelijke vragen ingediend, die wij na overleg ook hier beantwoorden.
-Hoe wordt toezicht gehouden dat de juiste grond van bollenteelt, na twee jaar terugkomt op de oorspronkelijke locatie, zonder verontreinigingen? M.a.w. wordt de grond gemonsterd op verontreinigingen? Op grond van landelijke regels mag spoelgrond worden teruggebracht naar de locatie van herkomst of een ander perceel van het zelfde bedrijf, waar een vergelijkbaar gewas wordt geteeld. Deze grond hoeft niet te worden bemonsterd en de toepassing hoeft niet te worden gemeld. De gemeente is niet bevoegd om strengere regels te stellen of monsters te eisen. In het kader van een milieucontrole kan de gemeente wel altijd een monster (laten) nemen als daar een specifieke aanleiding voor is. -Is de gemeente verantwoordelijk te houden voor vervuiling van de bodem inde waterwingebieden? Nee. Het principe dat de vervuiler betaalt, is een van de algemene uitgangspunten van het milieubeleid. Dit beginsel gaat ervan uit dat iedere vervuiler financieel verantwoordelijk is voor het verwijderen of ongedaan maken van de door hem veroorzaakte verontreiniging. Het uitgangspunt 'de vervuiler betaalt' is voor het eerst in 1972 geformuleerd door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO). Het is in 1975 overgenomen door de toenmalige EEG. Sindsdien is dit begrip vastgelegd in de Europese Akte in art. 174, lid 2 EG.
Later is het in Nederland overgenomen in algemene bepalingen op het gebied van milieubeleid. Als dit niet het geval zou zijn, zouden deze kosten afgewenteld worden op de gemeenschap als geheel en uit de algemene middelen moeten worden gefinancierd. Alleen indien de vervuiler niet te achterhalen is en de eigenaar geen verhaal biedt zullen de gezamenlijke overheden naar een oplossing moeten zoeken. De PvdA verwees in de brief ter verduidelijking naar: • Nota bodembeheer 4.2 8e bullit • Provinciale Omgevingsvisie artikel 6.6 punt 1 en 2. 4.2 8e bullit verwijst naar artikel 38, lid 6, onder b van het besluit bodemkwaliteit. Dit bepaalt dat grond mag worden teruggebracht naar de locatie van herkomst of een ander perceel van het bedrijf waar een vergelijkbaar gewas wordt geteeld. Omdat de raad niet van dit artikel mag afwijken, geldt de bodemkwaliteitskaart niet voor deze handelingen. Met de Provinciale Omgevingsvisie bedoelt u kennelijk de Provinciale omgevingsverordening (verbod toepassing GBM in waterwingebied).