CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Interpellatieverzoek Progressief Westerveld - brief college B&W aan ministerie LNV en PS en GS Drenthe inzake stikstofaanpak

Politieke avond Westerveld 28 juni 2022, gemeente WesterveldBij agendapunt: Interpellatieverzoek Progressief Westerveld - brief college B&W aan ministerie LNV en PS en GS Drenthe inzake stikstofaanpak1.674 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Aan de voorzitter van de gemeenteraad van Westerveld cc. het College van Burgemeester en Wethouders cc. de Griffie Lhee, 24 juni 2022

Geachte voorzitter van de gemeenteraad van Westerveld,

Conform artikel 44 van het Reglement van Orde dient de fractie van Progressief Westerveld hierbij een verzoek in tot het houden van een interpellatie in de raadsvergadering van 28 juni a.s. Het onderwerp van de interpellatie is de inhoud van de brief van het College van B&W van de gemeente Westerveld aan de Ministers Van der Wal en Staghouwer en aan GS en PS van de Provincie Drenthe, d.d. 21 juni 2022 (onder zaaknummer 330347). Inleidend. Onze fractie laat de toonzetting van de brief terzijde. Wel wil de fractie op enkele zaken verhelderende vragen stellen om misverstanden in toekomstige debatten te voorkomen. Deels is onze fractie het ook eens met elementen in de brief. De daarbij behorende vragen beogen vast te stellen of we uitgangspunten voor toekomstige debatten kunnen formuleren. De vragen daarbij zijn als volgt: 1.

De brief opent met de zin “Binnen onze gemeente is door zowel de agrarische als niet agrarische gemeenschap verrast gereageerd op de stikstofplannen van het kabinet…” Verderop in de brief staan opmerkingen over het onrealistische tijdpad, c.q. de tijd die nodig is voor de sector ‘om samen met de provincie en andere stakeholders de tijd te krijgen om te komen met gedragen plannen’. Vraag 1.1. Hoe verklaart het College deze ‘verrassing’, c.q. dit ‘tijdgebrek’ gegeven het feit dat het stikstofvraagstuk al ruim 40 jaar aan de orde wordt gesteld, na de uitspraak van het Europese Hof van 2019 op scherp is gesteld, en ook in het regeerakkoord helder is benoemd? Vraag 1.2. Bedoelt het College met de uitspraak dat ‘zowel de agrarische gemeenschap als de nietagrarische gemeenschap’ verrast hebben gereageerd te suggereren dat binnen beide gemeenschappen daarover geen verschil van inzicht bestaat? Waarop is dat gebaseerd? Vraag 1.3. Als het College extra tijd wenselijk acht, wat is dan het tijdsperspectief dat zij daarbij in gedachten heeft: een extra half jaar, een extra decennium of langer? En hoe verhoudt dat zich tot de urgentie van de problematiek?

2.

Het ingezette rijksbeleid gaat uit van cijfers en onderliggende berekeningen van het RIVM. In de maatschappelijke discussie wordt door sommigen twijfel gezaaid over de juistheid van die cijfers en berekeningen. Ook worden her en der breed gesteunde wetenschappelijke inzichten over de gevolgen van stikstof in de natuur in twijfel getrokken. Vraag 2.1. Gaat het College uit van de cijfers en berekeningen van het RIVM inzake stikstof en stikstofdepositie, of hecht het College waarde aan alternatieve feiten?

Vraag 2.2. Deelt het College de onderliggende wetenschappelijke inzichten die door het kabinet zijn gebruikt ter onderbouwing van het ingezette stikstofbeleid? Vraag 2.3. Erkent het College dat ook de natuur in Westerveld sterk te lijden heeft onder de stikstofdepositie? 3.

Het kabinet geeft in haar Startnotitie de drie kerndoelen weer van het ingezette Stikstofbeleid Landelijke Gebied’’ en licht die kerndoelen toe (zie bijlage). Vraag 3. Onderschrijft het College wel de door het kabinet geformuleerde kerndoelen?

4.

De brief suggereert op verschillende plekken, dat alleen de agrarische sector door het kabinet verantwoordelijk wordt gehouden voor het stikstofprobleem, bijvoorbeeld in een zin als “Het lijkt of alle pijlen op de landbouw zijn gericht, terwijl er meer sectoren en activiteiten zijn, die stikstof uitstoten” Vraag 4. Hoe verhoudt deze aanname zich tot deze expliciete tekst uit de Startnotitie: Structurerende keuzes rond de woningbouwopgave, bedrijventerreinen, infrastructuur, datacenters en de energietransitie worden door andere beleidsonderdelen binnen het Rijk voorbereid. Deze hebben ook een ruimtelijke relevantie voor het landelijk gebied. Voor de afstemming tussen deze keuzes en de keuzes binnen het NPLG heeft elk programma/beleidsonderdeel een eigen verantwoordelijkheid. Daarnaast ligt er een coördinerende (regie)rol bij de minister voor Volkshuisvesting en Ruimtelijke Ordening voor het bewaken van het geheel. Periodieke afstemming tussen de verschillende trajecten en departementen is nodig om aansluiting te verzorgen en overlap te vermijden.

5.

De brief stelt (op zich terecht) vast, dat ook de aanpak van andere problemen dan alleen stikstofreductie van groot belang is voor het verbeteren van de natuur. Vraag 5.1. Heeft het College de indruk dat het kabinet alle andere problemen, die van negatieve invloed zijn op de natuur, niet in beeld heeft, niet benoemt en niet aanpakt? Te denken valt aan het gebruik van bestrijdingsmiddelen of verdroging. Vraag 5.2. Is het College bereid om in ieder geval voor Westerveld ‘een integrale aanpak’ te initiëren, waardoor hier ‘in de volle breedte moeten stappen kunnen worden gemaakt’? Vraag 5.3. Is het College het eens met deze letterlijke tekst uit de Startnotitie: Ten slotte is het bijvoorbeeld ongewenst als veeteelt op de zandgronden wordt vervangen door (tijdelijke) uitspoelingsgevoelige gewassen die veel water en/of gewasbeschermingsmiddelen vragen, zoals lelies.

6.

De brief benadrukt de belangrijke rol van de landbouw als voedselproducent. Vraag 6. Hoe verhoudt dit zich tot het zich uitbreidende areaal in deze gemeente, dat niet wordt ingezet voor voedselproductie, maar voor sierteeltgewassen?

7.

De brief is buitengewoon kritisch waar het gaat om het ontbreken van toekomstperspectief voor de agrarische sector. Die kritiek is volkomen terecht, maar richt zich op de als volstrekt ontoereikend beschouwde beleidsbrief van Minister Staghouwer, en niet op de Startnotitie van Minister van der Wal. Ook in de Tweede Kamer werd die kritiek (breed) gedeeld en in een motie vastgelegd (Motie Klaver c.s.), waarmee de Minister van Landbouw met een heldere opdracht werd teruggestuurd. Ook drie andere moties hebben duidelijke denkrichtingen vastgesteld, die de perspectieven van de agrarische sector dienen te waarborgen. Vraag 7.1. Hoe kijkt het College naar de opdracht, die de Tweede Kamer(per motie) aan de Minister van Landbouw heeft gegeven om een perspectief te bieden voor landbouw en boeren, inclusief een verdienmodel, en nog voor Prinsjesdag de politieke keuze daarvoor op een rij te zetten? Vraag 7.2. Hoe staat het College tegenover het verzoek van de Tweede Kamer (per motie) aan de regering om ‘koplopers in kringlooplandbouw, zoals biologische en natuurinclusieve kringloopboeren, te ondersteunen om hun bedrijf zo veel mogelijk voort te zetten binnen de gebiedsgerichte aanpak’? Vraag 7.3.

Hoe staat het College tegenover het verzoek van de Tweede Kamer (per motie) aan de regering om ‘er op een niet-vrijblijvende wijze voor te zorgen, dat de transitie naar kringlooplandbouw, inclusief een eerlijk verdienmodel, een vaste plek krijgt in de private kwaliteitssystemen’, aangezien ‘de transitie naar

kringlooplandbouw begint bij de verwerkende industrie, toeleveranciers en de supermarkten; en bij een eerlijke prijs voor primaire producenten’. Vraag 7.4. Hoe staat het College tegenover het verzoek van de Tweede Kamer (per motie) aan de regering om ‘te onderzoeken hoe banken en leveranciers en afnemers met langlopende contracten zijn te verplichten tot een bail-in die een substantieel aandeel in de transitiekosten draagt’, gezien het feit dat ‘het agroindustrieel complex achter de boeren het meest heeft geprofiteerd van de intensieve veehouderij’, en ‘het niet eerlijk is om alleen boeren en belastingbetalers te laten opdraaien voor de kosten van de stikstofcrisis’? 8.

Tenslotte de hamvraag. Het Coalitieakkoord 22-26 ‘Bouwen aan de Toekomst’ stelt in de korte paragraaf ‘Transitie van de Landbouw’ vast, dat ‘die in volle gang is’ en dat ‘het beleid (daaromtrent) plaats vindt op landelijk en provinciaal niveau’. Vraag 8.1. Is het College ook na de afgelopen week nog steeds van mening dat het transitiebeleid Landbouw alleen een zaak is van rijks- en provinciale overheden? Vraag 8.2. Kan het College toezeggen dat het nog dit najaar komt met een Plan van Aanpak voor Westerveld inzake de Landbouwtransitie, toegespitst op deze gemeente, binnen de kaders, die door het Rijk worden gesteld voor de kerndoelen Natuur, Water en Klimaat, en met een toekomstbestendig perspectief voor de sector?

Bijlage De drie kerndoelen toegelicht 1.

Natuur Voor de Vogel- en Habitatrichtlijn (VHR) hebben de verplichtingen betrekking op de instandhouding van Europees beschermde soorten en habitats binnen Natura 2000-gebieden, maar ook daarbuiten. Het NPLG draagt bij aan de realisatie van die internationale verplichting. Op dit moment vormt de overbelasting van stikstofdepositie in N2000-gebieden een grote belemmering om te voldoen aan de verplichtingen van de VHR, met alle gevolgen van dien. Het is in dit kader dat het realiseren van de wettelijke stikstofdoelstellingen, ofwel het terugbrengen van deze overmatige depositie, van groot belang is. In het coalitieakkoord heeft het kabinet aangekondigd de huidige wettelijke omgevingswaarde voor stikstofdepositie voor 2035 uit de Wet stikstofreductie en natuurverbetering naar voren te halen. Dit betekent dat in 2030 74% van het stikstofgevoelig Natura 2000-areaal onder de kritische depositiewaarde moet zijn gebracht. In 2025 is dit conform de wettelijke verplichting 40% van dat areaal.

2.

Water Vanuit de KRW, de Nitraatrichtlijn en de EU Grondwaterrichtlijn wordt in het NPLG de kwaliteit van oppervlakte- en grondwater meegenomen, voor zover beïnvloed door landbouw (nutriënten en gewasbeschermingsmiddelen). Ook de grondwaterkwantiteit is onderdeel van de KRW en wordt dus meegenomen. Waterkwantiteit (droogte en wateroverlast) is onderdeel van het NPLG voor zover noodzakelijk voor natuur en landbouw, immers zonder water geen natuur en geen landbouw. Grondwateronttrekkingen en vasthouden van water zijn daarmee dus ook onderdeel van het NPLG. In 2027 moeten de benodigde KRW-maatregelen genomen zijn.

3.

Klimaat De internationale klimaatafspraken, de Europese klimaatwetgeving, de nationale Klimaatwet en het Klimaatakkoord landbouw en landgebruik (terugdringen broeikas gassen door landbouw en landgebruik) bepalen de opgave voor landbouw en land gebruik: veeteelt, glastuinbouw, veenweide, landbouwbodems en bomen, bossen en natuur. Met het coalitieakkoord is het nationale reductiedoel in de Klimaatwet aangescherpt. Hier zijn indicatieve emissiedoelen voor 2030 van afgeleid voor de sectoren. Op basis van de ramingen in de Klimaat- en Energieverkenning 2022 worden definitieve restemissiedoelen 2030 voor alle sectoren, en dus ook voor de landbouw en voor het landgebruik, vastgesteld. De hiervoor benodigde broeikasgasreductie zal voor een belangrijk deel gerealiseerd moeten worden met de integrale aanpak in het landelijk gebied. In het coalitieakkoord is een indicatieve broeikasgasreductie van 5 megaton gekoppeld aan deze aanpak. De klimaatopgave voor de glastuinbouw maakt overigens geen onderdeel uit van de integrale aanpak in het landelijk gebied

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=1df1bcbd-0339-4451-a9a0-a9182eff7c72