CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Financiele verordening gemeente Westerveld 2025

Politieke avond Westerveld 25 november 2025, gemeente WesterveldBij agendapunt: Raadsvoorstel Financiële Verordening gemeente Westerveld 2025 (spreekrecht)5.091 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Financiële verordening gemeente Westerveld 2025 (artikel 212 Gemeentewet) Besluit van de raad van de gemeente Westerveld tot vaststelling van de Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) Westerveld 2025. De raad van de gemeente Westerveld; gelezen het voorstel van burgemeester en wethouders van 01-10-2025; gelet op artikel 212, eerste lid, van de Gemeentewet; gelezen het advies van de auditcommissie; besluit vast te stellen de volgende verordening: Verordening financieel beleid, beheer en organisatie (artikel 212 Gemeentewet) gemeente Westerveld 2025

Paragraaf 1. Algemene bepalingen Artikel 1. Definities In deze verordening wordt verstaan onder: - administratie: het systematisch verzamelen, vastleggen, verwerken en verstrekken van informatie ten behoeve van het besturen, functioneren en beheersen van de gemeentelijke organisatie en de verantwoording die daarover moet worden afgelegd. - overheidsbedrijf: onderneming met privaatrechtelijke rechtspersoonlijkheid, niet zijnde een personenvennootschap met rechtspersoonlijkheid, waarin de gemeente, al dan niet tezamen met een of meer andere publiekrechtelijke rechtspersonen, in staat is het beleid te bepalen of een onderneming in de vorm van een personenvennootschap, waarin een publiekrechtelijke rechtspersoon deelneemt. - rechtmatigheidsverantwoording: de rapportage van burgemeester en wethouders waarbij aangegeven wordt in welke mate de totstandkoming van de financiële beheershandelingen en de vastlegging daarvan overeenstemmen met de relevante wet- en regelgeving.

Paragraaf 2. Begroting en verantwoording Artikel 2. Vaststelling programma-indeling en paragrafen 1. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode een programma-indeling voor die raadsperiode vast. 2. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode op voorstel van burgemeester en wethouders per programma vast: a. de taakvelden of producten per programma, en b. de beleidsindicatoren. Het voorstel van burgemeester en wethouders bevat in ieder geval de verplichte beleidsindicatoren, bedoeld in artikel 25, tweede lid, onder a, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten. 3. De raad stelt bij aanvang van iedere raadsperiode vast over welke onderwerpen hij in extra paragrafen naast de verplichte paragrafen van de begroting en de jaarstukken kaders wil stellen en wil worden geïnformeerd. Artikel 3. Inrichting begroting en jaarstukken 1. Bij de uiteenzetting van de financiële positie in de begroting wordt: a. van de nieuwe investeringen per investering het benodigde investeringskrediet weergegeven en wordt van de lopende investeringen het geautoriseerde investeringskrediet en de raming van de uitputting van het investeringskrediet in het lopende boekjaar weergegeven, en b.

in aanvulling op het bepaalde in de artikelen 20 en artikel 21 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten inzicht gegeven in de ontwikkeling van de schuldpositie als gevolg van de begroting, de meerjarenraming, de investeringen en de grondexploitatie. 2. In de jaarrekening wordt van de investeringen de uitputting van de geautoriseerde investeringskredieten en de actuele raming van de totale uitgaven en inkomsten weergegeven. 3. In het overzicht van de geraamde incidentele baten en lasten per programma worden posten vanaf € 50.000 afzonderlijk gespecificeerd.

Financiële verordening gemeente Westerveld 2025

Artikel 4. Kaders begroting en meerjarenraming 1. Burgemeester en wethouders bieden voor 15 juni aan de raad de kadernota aan met een voorstel voor het beleid en de financiële kaders van de begroting voor het volgende begrotingsjaar en de meerjarenraming. De raad stelt deze nota voor 15 juli vast. 2. In de begroting wordt een post onvoorzien van € 20.000 opgenomen. Artikel 5. Autorisatie begroting en investeringskredieten 1. De raad autoriseert met het vaststellen van de begroting de baten en de lasten per programma. 2. Bij de begrotingsbehandeling geeft de raad aan van welke nieuwe investeringen hij op een later tijdstip een apart voorstel voor autorisatie van het investeringskrediet wil ontvangen. De overige nieuwe investeringskredieten worden bij de begrotingsbehandeling met het vaststellen van de financiële positie geautoriseerd. 3. Burgemeester en wethouders informeren de raad als zij verwachten, dat de lasten van een programma de geautoriseerde lasten dreigen te overschrijden, de investeringsuitgaven van een investeringskrediet het geautoriseerde investeringskrediet dreigen te overschrijden, of de baten van een programma of een prioriteit de geautoriseerde baten dreigen te onderschrijden.

De raad geeft aan of hij een voorstel wil voor het wijzigen van de geautoriseerde lasten van het programma of de prioriteit, voor het wijzigen van het geautoriseerde investeringskrediet, of voor het bijstellen van het beleid. 4. Bij de behandeling van de tussentijdse rapportages in de raad bedoeld in artikel 6, eerste lid, doen burgemeester en wethouders voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde baten en lasten, het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten en het bijstellen van het beleid. In geval van investeringen met een meerjarig karakter doen burgemeester en wethouders indien nodig ook bij iedere begroting op grond van geactualiseerde ramingen voorstellen voor het wijzigen van de geautoriseerde investeringskredieten. 5. Voor een investering waarvan het investeringskrediet niet met het vaststellen van de begroting is geautoriseerd, leggen burgemeester en wethouders voorafgaand aan het aangaan van verplichtingen een investeringsvoorstel met een voorstel voor het vaststellen van een investeringskrediet aan de raad voor. Bij investeringen groter dan € 500.000 informeren burgemeester en wethouders de raad in het voorstel over het effect van de investering op de schuldpositie van de gemeente. 6. Burgemeester en wethouders zijn bevoegd een geautoriseerd investeringskrediet met ten hoogste 10% met een maximum van € 50.000 te overschrijden.

Over deze overschrijding zal uiterlijk in het jaarverslag worden gerapporteerd. Artikel 6. Tussentijdse rapportages 1. Burgemeester en wethouders informeren de raad door middel van de 1e en 2e Bestuursrapportage over de realisatie van de begroting van de gemeente over de eerste vier maanden en de eerste acht maanden van het lopende boekjaar. 2. De Bestuursrapportages bevatten in ieder geval een uiteenzetting over de uitvoering en het bijstellen van het beleid en een overzicht met de bijgestelde raming van: a. de baten en de lasten per programma uitgesplitst naar taakvelden of producten; b. het overzicht van de algemene dekkingsmiddelen uitgesplitst naar taakvelden of producten; c. het overzicht van de overhead en de geraamde vennootschapsbelasting; d. het totale saldo van de baten en lasten, volgend uit de onderdelen a, b en c; e. de beoogde toevoegingen en onttrekkingen aan reserves per programma; f. het resultaat, volgend uit de onderdelen d en e; g. de realisatie en raming van de uitputting van de investeringskredieten Verdere detaillering P&C cyclus wordt uitgevoerd conform raadsbesluit d.d. 28-03-2023. Artikel 7. Jaarstukken 1. Gelijktijdig met het aanbieden van de jaarstukken bieden burgemeester en wethouders de raad het voorstel aan over de bestemming van het jaarrekeningresultaat. 2.

Vooruitlopend op het bestemmingsvoorstel over het jaarrekeningresultaat kunnen burgemeester en wethouders de raad voorstellen om restantmiddelen op onderdelen van het rekeningresultaat over te hevelen naar het volgende begrotingsjaar. Artikel 8. Wensen en bedenkingen over grote onderwerpen [1.] In het kader van de actieve informatieplicht beslissen burgemeester en wethouders niet over:

Financiële verordening gemeente Westerveld 2025

a. de aan- en verkoop van goederen, werken en diensten groter dan € 1 miljoen b. het verstrekken van leningen, waarborgen en garanties groter dan € 100.000 en c. het verstrekken van kapitaal aan instellingen en ondernemingen, dan nadat de raad is geïnformeerd over het voornemen en hiertoe in de gelegenheid is gesteld zijn wensen en bedenkingen ter kennis van burgemeester en wethouders te brengen. Artikel 9. EMU-saldo Als het Rijk de gemeente bericht dat alle gemeenten samen het collectieve aandeel van gemeenten in het EMU-tekort, bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Wet houdbare overheidsfinanciën, hebben overschreden, informeren burgemeester en wethouders de raad of een aanpassing van de begroting nodig is. Als burgemeester en wethouders een aanpassing nodig achten, doen burgemeester en wethouders een voorstel voor het wijzigen van de begroting.

Paragraaf 3. Rechtmatigheidsverantwoording Artikel 10. Verantwoordings- en rapportagegrens rechtmatigheidsverantwoording 1. De raad stelt vast op welke wijze hij door middel van de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken, naast de verplichte onderdelen van deze paragraaf, wil worden geïnformeerd over rechtmatigheid. 2. In de rechtmatigheidsverantwoording bij de jaarrekening rapporteren burgemeester en wethouders aan de raad over afwijkingen met een verantwoordingsgrens 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief de dotaties aan de reserves. 3. In de paragraaf bedrijfsvoering worden de geconstateerde afwijkingen (fouten of onduidelijkheden) groter dan 2% van de totale lasten van de gemeente, exclusief de dotaties aan de reserves, nader toegelicht. Artikel 11. Voorwaardencriterium 1. Het voorwaardencriterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op de eisen die worden gesteld bij de uitvoering van de financiële beheershandelingen. De eisen/voorwaarden zijn afkomstig uit diverse wet- en regelgeving en hebben betrekking op aspecten als doelgroep, termijn, grondslag, administratieve bepalingen, normbedragen, bevoegdheden, bewijsstukken, recht, hoogte en duur. 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks uiterlijk 31 december ter vaststelling een normenkader rechtmatigheid aan.

Dit kader bestaat uit alle relevante (interne) wet- en regelgeving waaruit financiële beheershandelingen kunnen voortvloeien. Burgemeester en wethouders operationaliseren dit normenkader in een toetsingskader ten behoeve van de interne beheersing. Artikel 12 Begrotingscriterium 1. Het begrotingscriterium is een criterium van rechtmatigheid dat betrekking heeft op de grenzen van de baten en lasten in de door de raad geautoriseerde begroting van exploitatie en investeringskredieten en de hiermee samenhangende programma’s, waarbinnen de financiële beheershandelingen tot stand moeten zijn gekomen; 2. De begrotingsrechtmatigheid wordt beoordeeld op het niveau waarop de begroting door de raad is geautoriseerd, zoals is opgenomen in artikel 5. 3. Bij investeringsprojecten wordt de begrotingsrechtmatigheid beoordeeld op het niveau van het totaal gevoteerde kredietbedrag. Een overschrijding van het jaarbudget, passend binnen het totaalbedrag van het krediet, wordt daarmee als rechtmatig beschouwd. 4. Indien de afwijking van de begroting toeziet op een overschrijding van de lasten en/of een overschrijding van het totaal gevoteerde investeringskrediet, dan is deze onrechtmatig. Deze overschrijdingen kunnen als acceptabel aangemerkt worden in de volgende situaties: a. Er is sprake van een overschrijding waarbij direct gerelateerde inkomsten de overschrijding compenseren; b.

Er is sprake van een overschrijding op een open-einde regeling; c. De overschrijding past binnen het bestaande beleid van de raad; d. De raad is gedurende het begrotingsjaar wel geïnformeerd over de overschrijding, maar er is geen begrotingswijziging doorgevoerd. 5. Indien de afwijking van de begroting toeziet op een onderschrijding van de lasten, een onderschrijding van het gevoteerde investeringskrediet en/of een over- en/of onderschrijding van de baten, dan zijn deze onrechtmatig indien deze niet tijdig door het college aan de raad gemeld zijn. Onder tijdig melden wordt verstaan dat melding is gedaan bij de momenten zoals genoemd in artikel 6 of bij de jaarstukken. Financiële verordening gemeente Westerveld 2025

Artikel 13 Misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium 1. Het misbruik en oneigenlijk gebruik-criterium is het criterium van rechtmatigheid, dat betrekking heeft op het voorkomen, detecteren en corrigeren van misbruik en oneigenlijk gebruik van overheidsgelden en gemeentelijke eigendommen bij financiële beheershandelingen. 2. Burgemeester en wethouders zorgen voor en leggen vast de regels voor het voorkomen van misbruik en oneigenlijk gebruik van gemeentelijke regelingen en eigendommen. Paragraaf 4. Financieel beleid Artikel 14. Waardering en afschrijving vaste activa 1. Immateriële en materiële vaste activa worden afgeschreven volgens de methodiek en de termijnen zoals vermeld in de Bijlage afschrijvingsbeleid bij deze verordening. 2. Kosten voor het afsluiten van geldleningen worden direct ten laste van de exploitatie gebracht. 3. Een saldo voor agio of disagio wordt lineair in vier jaren afgeschreven. 4. Kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden direct ten laste van de exploitatie gebracht, uitgezonderd de kosten die betrekking hebben op voorbereidingskosten ten behoeve van toekomstige grondexploitaties; activeren van deze kosten mag alleen als er voldaan is aan de instructies van de rijksoverheid en de relevante wet- en regelgeving. 5.

Vaste activa worden alleen geactiveerd bij een verwachte gebruiksduur van minimaal vier jaar én een totale verkrijgingsprijs van meer dan €10.000, uitgezonderd de gronden en terreinen; deze laatstgenoemden worden altijd geactiveerd. 6. Vaste activa worden afgeschreven volgens de lineaire afschrijvingsmethode waarbij rekening gehouden kan worden met een restwaarde. 7. De afschrijving van activa start bij de ingebruikname van het desbetreffende kapitaalgoed, waarbij als uitgangspunt 1 januari van het jaar na ingebruikname wordt genomen. 8. De rente wordt berekend over de boekwaarde per 1 januari. 9. Voor de activa die niet genoemd zijn in de bijlage afschrijvingsbeleid en waarover twijfel is over de te hanteren afschrijvingstermijn, stelt het college de afschrijvingstermijn vast die is gebaseerd op een realistische schatting van de gebruiksduur (economische levensduur). Artikel 15. Voorziening voor oninbare vorderingen 1. Voor de vorderingen op verbonden partijen en derden wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd op basis van een individuele beoordeling op inbaarheid van de openstaande vorderingen. 2. Voor openstaande vorderingen betreffende: a. onroerende zaakbelasting; b. rioolheffing; c. afvalstoffenheffing, en d.

bijstandsverstrekking, wordt, met uitzondering van individuele vorderingen groter dan € 50.000, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid. 3. Vorderingen en schulden worden gewaardeerd tegen de nominale waarde. 4. Voor openstaande vorderingen wordt een voorziening wegens oninbaarheid gevormd volgens de methodiek zoals vermeld in de bijlage waardering dubieuze debiteuren bij deze verordening. 5. In afwijking van het derde en vierde lid worden vorderingen en schulden van openbare lichamen niet betrokken in de berekening van de voorziening voor oninbare vorderingen. Artikel 16. Reserves en voorzieningen 1. In de beleidsbegroting, de financiële begroting, het jaarverslag en de jaarrekening vindt geen toerekening van rente over de reserves en voorzieningen aan de taakvelden plaats. 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad eens in de vier jaar een nota reserves en voorzieningen aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt in ieder geval: a. de vorming en besteding van reserves; b. de vorming en besteding van voorzieningen, en c. bij welke specifiek benoemde taakvelden het verschil tussen het geraamde saldo van baten en lasten en het gerealiseerde saldo van baten en lasten mogen worden verrekend met een daartoe in het leven geroepen reserve. 3.

Bij een voorstel voor de instelling van een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen wordt in ieder geval aangegeven: a. het specifieke doel van de reserve; Financiële verordening gemeente Westerveld 2025

b. het bestedingsplan van de reserve; c. de voeding van de reserve; d. de maximale hoogte van de reserve, en e. de maximale looptijd. 4. Als een bestemmingsreserve voor een investeringsvoornemen binnen de aangegeven maximale looptijd niet heeft geleid tot een investering, valt de bestemmingsreserve vrij en wordt deze aan de algemene reserve toegevoegd. Artikel 17. Kostprijsberekening In de paragraaf Lokale heffingen in de begroting en de jaarrekening worden de uitgangspunten geformuleerd voor de bepaling van de kostprijs en toerekening overhead van rechten, heffingen en goederen, werken en diensten die worden geleverd aan overheidsbedrijven en derden. Artikel 18. Prijzen economische activiteiten 1. Voor de levering van goederen, diensten en werken door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden waarbij de gemeente in concurrentie met marktpartijen treedt, wordt ten minste de geraamde integrale kostprijs in rekening gebracht. 2. Bij het verstrekken van leningen of garanties door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden worden ten minste de geraamde integrale kosten in rekening gebracht. 3. Bij het verstrekken van kapitaal door de gemeente aan overheidsbedrijven en derden gaan burgemeester en wethouders uit van een vergoeding van ten minste de geraamde integrale kosten van de verstrekte middelen. 4.

Bij afwijking van het eerste, tweede of derde lid vanwege een publiek belang doen burgemeester en wethouders vooraf voor elk van deze activiteiten afzonderlijk een voorstel voor een raadsbesluit, waarin het publiek belang van de activiteiten wordt gemotiveerd. 5. Raadsbesluiten met de motivering van het publiek belang als bedoeld in het vorige lid zijn niet nodig als minder dan de integrale kostprijs in rekening wordt gebracht en er sprake is van een van de uitzonderingen zoals genoemd in artikel 25h van de Mededingingswet. Artikel 19. Vaststelling hoogte belastingen, rechten, heffingen en prijzen 1. Burgemeester en wethouders doen de raad jaarlijks een voorstel voor de hoogte van de gemeentelijke tarieven voor de belastingen, de rioolheffingen en de afvalstoffenheffing toekomen. Artikel 20. Financieringsfunctie 1. Burgemeester en wethouders nemen bij het uitzetten en het aantrekken van middelen de volgende kaders in acht: a. voor het aantrekken van financieringen met een looptijd langer dan één jaar worden ten minste twee prijsopgaven bij verschillende financiële instellingen gevraagd; en b. er wordt geen gebruik gemaakt van financiële derivaten als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder c, van de Wet financiering decentrale overheden. 2. Bij het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal bedingen burgemeester en wethouders indien mogelijk zekerheden. 3.

Burgemeester en wethouders bieden de raad eens in de 5 jaar een nota leningen- en garantiebeleid aan. Deze nota wordt door de raad vastgesteld en behandelt de werkwijze omtrent het verstrekken van leningen, garanties en risicodragend kapitaal. 4. Het college biedt eens in de vier jaar de raad een treasurystatuut aan.

Paragraaf 5. Paragrafen bij de begroting en jaarstukken Artikel 21. Lokale heffingen Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf lokale heffingen bij de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 10 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de kostentoerekening van de geraamde rentekosten en de geraamde overheadkosten aan de rechten en heffingen waarmee kosten in rekening worden gebracht; b. de berekening van het rentepercentage voor de omslagrente voor het bepalen van de kostprijzen, bedoeld in artikel 17, zesde lid; c. onder het onderdeel beleid bedoeld in artikel 10, Aanhef en onder b, van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten een overzicht van de te onderscheiden lokale heffingen, de maatstaf en de doelstelling die wordt beoogd met het opleggen van de heffing; Financiële verordening gemeente Westerveld 2025

Artikel 22. Weerstandsvermogen en risicobeheersing 1. In dit artikel wordt verstaan onder: - netto schuld per inwoner: bruto schuld minus de omvang van de geldelijke bezittingen gedeeld door het aantal inwoners op 31 december van het begrotingsjaar. Onder bruto schuld wordt verstaan het totaal van langlopende leningen, kortlopende schulden, crediteuren, vorderingen en overlopende passiva. Onder geldelijke bezittingen wordt verstaan: het totaal van leningen aan deelnemingen, leningen aan overige verbonden partijen, leningen aan derden, langlopende uitzettingen, kortlopende uitzettingen, debiteurenvorderingen, liquide middelen en overlopende activa; - onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting: positieve uitkomst van het verschil tussen de opbrengst onroerendezaakbelasting bij de tarieven die minimaal nodig zijn voor toegang tot de procedure van artikel 12 van de Financiële-verhoudingswet en de (geraamde) opbrengst onroerendezaakbelasting. 2. Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf weerstandsvermogen en risicobeheersing van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 11 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de ontwikkeling van de netto schuld per inwoner; b. het saldo van de baten en lasten voor dotaties en onttrekkingen van reserves als percentage van de inkomsten; c.

de onbenutte belastingcapaciteit onroerendezaakbelasting als percentage van de inkomsten; d. de wijze waarop met conjuncturele risico’s en de omvang van het weerstandsvermogen wordt omgegaan; e. de wijze waarop met projectspecifieke risico’s wordt omgegaan bij het bepalen van de tussentijdse winstneming en de omvang van het weerstandsvermogen. Artikel 23. Onderhoud kapitaalgoederen 1. Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan openbare ruimte aan. Het onderhoudsplan openbare ruimte geeft het kader weer voor het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud en de kosten van het onderhoud voor het openbaar groen, water, wegen, kunstwerken en straatmeubilair. De raad stelt het onderhoudsplan openbare ruimte vast. 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de vier jaar een rioleringsplan aan. Het rioleringsplan geeft het kader weer voor het beheer van het watersysteem, waaronder het beoogde onderhoudsniveau, de planning van het onderhoud, de uitbreiding van de riolering en de kosten van het onderhoud. De raad stelt het rioleringsplan vast. 3. Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de vier jaar een onderhoudsplan gebouwen aan. Het onderhoudsplan gebouwen bevat voorstellen voor het te plegen onderhoud en de bijbehorende kosten aan de gemeentelijke gebouwen.

De raad stelt het onderhoudsplan gebouwen vast. Artikel 24. Bedrijfsvoering Burgemeester en wethouders nemen in de paragraaf bedrijfsvoering van de begroting en de jaarstukken naast de verplichte onderdelen op grond van artikel 14 van het Besluit begroting en verantwoording provincies en gemeenten in ieder geval op: a. de omvang, opbouw en ontwikkeling van het personeelsbestand en de loonkosten; b. de kosten van inhuur derden; c. de huisvestingskosten; d. de automatiseringskosten; e. de budgetten voor de raad, de griffie, de rekenkamer en de accountant; f. een toelichting op alle afwijkingen in rechtmatigheid, die in de rechtmatigheidsverantwoording zijn opgenomen voor zover deze de rapportagegrens, zoals bedoeld in artikel 10 overschrijden of voldoen aan en eventueel welke maatregelen worden genomen om deze afwijkingen in de toekomst te voorkomen; g. een overzicht van en toelichting op niet-financiële onrechtmatigheden in verband met het niet naleven van bepalingen in de Wet financiering decentrale overheden en de bijbehorende ministeriële regelingen, als deze voorkomen; h. rapportage van het veelvuldig niet naleven van normen uit de gids proportionaliteit en/of slechte documentatie of naleving hiervan, als deze voorkomen; i. geconstateerde fraude door eigen medewerkers, als dit voorkomt. Artikel 25. Grondbeleid 1.

Burgemeester en wethouders bieden de raad ten minste eens in de vier jaar een nota grondbeleid aan. De raad stelt de nota grondbeleid vast. De nota grondbeleid bevat in ieder geval: a. de strategische visie van het toekomstig grondbeleid van de gemeente; b. te ontwikkelen en in ontwikkeling genomen projecten; Financiële verordening gemeente Westerveld 2025

c. het verloop van de grondvoorraad; d. de uitgangspunten voor de verkoopprijzen van gronden; e. de wijze waarop met de toerekening van bovenwijkse voorzieningen wordt omgegaan. 2. Burgemeester en wethouders bieden de raad jaarlijks een grondprijzenbrief aan met een vastgestelde uitgifteprijs voor zowel maatschappelijke grond als intern door te leveren grond. De raad stelt de grondprijzenbrief vast. 3. De voorziening voor verliesgevende grondexploitaties wordt gewaardeerd tegen nominale waarde.

Paragraaf 6. Financiële organisatie en financieel beheer Artikel 26. Administratie De administratie is zodanig van opzet en werking, dat zij in ieder geval dienstbaar is voor: a. het sturen en het beheersen van activiteiten en processen in de gemeente als geheel en in de organisatieonderdelen; b. het verstrekken van informatie over ontwikkelingen in de omvang van de vaste activa, voorraden, vorderingen, schulden, contracten; c. het verschaffen van informatie over uitputting van de toegekende budgetten en investeringskredieten en voor het maken van kostencalculaties; d. het verschaffen van informatie over indicatoren met betrekking tot de gemeentelijke productie van goederen en diensten en de maatschappelijke effecten van het gemeentelijke beleid; e. het afleggen van verantwoording door burgemeester en wethouders aan de raad over de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving, en f. de controle van de registratie van gegevens als zodanig en van de daaraan ontleende informatie, alsmede voor de controle op de rechtmatigheid, de doelmatigheid en de doeltreffendheid van het gevoerde bestuur in relatie tot de gestelde beleidsdoelen, de begroting en relevante wet- en regelgeving. Artikel 27.

Financiële organisatie Burgemeester en wethouders dragen in ieder geval zorg voor: a. een eenduidige indeling van de gemeentelijke organisatie en een eenduidig toewijzing van de gemeentelijke taken aan de afdelingen; b. een adequate scheiding van taken, functies, bevoegdheden en verantwoordelijkheden; c. de verlening van mandaten en volmachten voor het aangaan van verplichtingen ten laste van de toegekende budgetten en investeringskredieten; d. de interne regels voor taken en bevoegdheden, de verantwoordingsrelaties en de bijbehorende informatievoorziening van de financieringsfunctie; e. de te maken afspraken met de afdelingen over de te leveren prestaties, de daarvoor beschikbare middelen en de wijze en frequentie van rapportage over de voortgang van de activiteiten en uitputting van middelen; f. het beleid en de interne regels voor de inkoop en de aanbesteding van goederen, werken en diensten; g. het beleid en de interne regels voor de steunverlening en de toekenning van subsidies aan en instellingen, en h. het beleid en de interne regels voor het voorkomen van fraude van gemeentelijke regelingen en eigendommen, opdat aan de eisen van rechtmatigheid, controle en verantwoording wordt voldaan. i.

het verzamelen en vastleggen van gegevens over de geleverde prestaties en de maatschappelijke effecten zodat de doelmatigheid en doeltreffendheid van het beleid, zoals vastgesteld door de raad, kunnen worden getoetst. Artikel 28. Interne controle 1. Burgemeester en wethouders dragen zorg voor de jaarlijkse interne toetsing van de getrouwheid van de informatieverstrekking en de rechtmatigheid van de beheershandelingen. Bij afwijkingen rapporteren burgemeester en wethouders daarover in de rechtmatigheidsverantwoording, zoals beschreven in artikel 24 onder f. Daarnaast informeren burgemeester en wethouders de raad over genomen maatregelen tot herstel van de tekortkomingen. 2. Burgemeester en wethouders zorgen voor de systematische controle van de administratie en de ontwikkeling van de bezittingen en het financieel vermogen van de gemeente met dien verstande dat de waardepapieren, de voorraden, de uitstaande leningen, de debiteurenvorderingen, de liquiditeiten, de opgenomen leningen, de kortlopende schulden en de vorderingen van crediteuren jaarlijks worden Financiële verordening gemeente Westerveld 2025

gecontroleerd en registergoederen en bedrijfsmiddelen ten minste eenmaal in de vijf jaar. Bij afwijkingen in de administratie nemen burgemeester en wethouders maatregelen tot herstel van de tekortkomingen.

Paragraaf 7. Slotbepalingen Artikel 29. Intrekking oude regeling De Financiële verordening gemeente Westerveld 2023 wordt ingetrokken, met dien verstande dat zij van toepassing blijft op de jaarrekening en het jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar voorafgaand aan het jaar waarin deze verordening in werking treedt en op de begroting, jaarrekening en jaarverslag en bijbehorende stukken van het begrotingsjaar dat samenvalt met het jaar waarin deze verordening in werking treedt. Artikel 30. Inwerkingtreding en citeertitel 1. Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2025. 2. Deze verordening wordt aangehaald als: Financiële verordening gemeente Westerveld 2025. Aldus vastgesteld in de vergadering van de raad van 25 november 2025. De voorzitter, De griffier,

Financiële verordening gemeente Westerveld 2025

Bijlage afschrijvingsbeleid bij artikel 14 Afschrijvingsbeleid immateriële vaste activa Kosten voor het afsluiten van een geldlening en kosten voor onderzoek en ontwikkeling worden niet geactiveerd. Hierop zijn uitgezonderd de ontwikkel- en onderzoekskosten die betrekking hebben op de voorbereidingskosten ten behoeve van toekomstige grondexploitaties; activeren van deze kosten mag alleen als er voldaan is aan de instructies van de rijksoverheid en de relevante wet- en regelgeving. De volgende immateriële vaste activa worden lineair afgeschreven in: a. Maximaal looptijd lening: agio, disagio en boeterentes b. Maximaal 5 jaar: kosten voor onderzoek en ontwikkeling toekomstige grondexploitaties c. Maximaal afschrijvingsduur derde partij: bijdragen aan activa in eigendom van derden Afschrijvingsbeleid materiële vaste activa met economisch nut Activa met een verkrijgingsprijs van minder dan € 10.000 worden niet geactiveerd, uitgezonderd gronden en terreinen. Gronden en terreinen worden altijd geactiveerd. Op gronden en terreinen wordt niet afgeschreven. De volgende materiële vaste activa worden lineair afgeschreven in: Gronden en terreinen a: 40 jaar: aanleg begraafplaatsen b. 15 jaar: aanpassing/uitbreiding begraafplaatsen c. 40 jaar: aanleg sportterreinen (groen) d. 15 jaar: aanpassing/uitbreiding sportterreinen (groen) e. 20 jaar: renovatie sportterreinen (groen) Woonruimten f.

50 jaar: nieuwbouw woningen g. 30 jaar: uitbreiding/verbouw- en herstelkosten woningen (levensduur verlengend) i. 30 jaar: woonwagens nieuw j 20 jaar: woonwagens bestaand k. 20 jaar nieuwbouw semi-permanent Gebouwen l. 50 jaar: nieuwbouw permanent m. 20 jaar: nieuwbouw semi-permanent n. 30 jaar: aankoop bestaand gebouw permanent o. 15 jaar: aankoop bestaand gebouw semi-permanent p. 30 jaar: uitbreiding-/verbouw en herstelkosten bedrijfsgebouwen (levensduur verlengend) q. 20 jaar: uitbreiding tijdelijke huisvesting r. 20 jaar: energiebesparende maatregelen s. 20 jaar: inrichtingskosten t. 20 jaar: technische installaties Openlucht zwembaden u. 40 jaar: bouw openlucht zwembad v. 20 jaar: uitbreiding-/verbouw- en herstelkosten (levensduur verlengend) x. 20 jaar: inrichtingskosten y. 20 jaar: technische installaties Grond-, weg en waterbouw a. 30 jaar: aanleg wegen, straten en pleinen b. 25 jaar: reconstructie wegen, straten en pleinen c. 25 jaar: herinrichting/duurzaam veilige wegen straten en pleinen d. 25 jaar: openbare verlichting lantaarnpalen (inclusief armaturen) e. 25 jaar: parkeervoorzieningen aanleg f. 20 jaar: abri’s bouw g. 20 jaar: straatmeubilair h. 50 jaar: bruggen beton i. 25 jaar: bruggen hout j. 25 jaar: groenvoorziening aanleg Financiële verordening gemeente Westerveld 2025

k. l. m. n.

15 jaar: groenvoorziening renovatie 20 jaar: speeltuinen aanleg 15 jaar: speeltuinen inrichting/speeltoestellen 1 jaar: Riolering; conform ideaalcomplex RWP (riolering en water programma)

Onderwijs r. 10 jaar: onderwijs, eerste inrichting onderwijsleerpakket s. 25 jaar: onderwijs, eerste inrichting meubilair Automatisering t. 4 jaar: pc’s en monitoren u. 5 jaar: servers v. 15 jaar: bekabeling w. 5 jaar: overige automatisering Kantoorinrichting x. 5 jaar: kantoormiddelen/machines y. 15 jaar: kantoormeubilair/inrichting z. 5 jaar: communicatie-/foto-/videoapparatuur Materieel buitendienst a. 10 jaar: vrachtauto’s b. 12 jaar: bestel-/personenauto’s c. 15 jaar: tractoren d. 15 jaar: shovel e. 15 jaar: aanhangwagens f. 10 jaar: materieel gladheidsbestrijding g. 15 jaar: schaftwagen h. 10 jaar: gereedschappen i. 8 jaar: robotmaaiers Restwaarden Normaal gesproken is de boekwaarde van een activum aan het eind van de afschrijvingstermijn afgeschreven tot nihil. Voor sommige activa wordt echter van tevoren vastgesteld dat sprake dient te zijn van een restwaarde, omdat een deel van het actief geacht wordt altijd zijn waarde te behouden. Voor deze activa mag dan ook een restwaarde worden gehanteerd (bijvoorbeeld bij vastgoed en vervoersmiddelen). De restwaarde dient reëel en per actief te worden geschat. Het hanteren van een vast percentage restwaarde is daarbij niet toegestaan. De restwaarde mag daarnaast ook niet zodanig hoog worden geschat, dat feitelijk geen of te weinig afschrijving plaatsvindt.

Financiële verordening gemeente Westerveld 2025

Bijlage waardering dubieuze debiteuren bij artikel 15 Vorderingen worden gewaardeerd tegen de nominale waarde onder aftrek van een voorziening voor oninbaarheid. Voor openstaande vorderingen wordt, met uitzondering van individuele vorderingen groter dan € 10.000, een voorziening wegens oninbaarheid gevormd ter grootte van het historische percentage van oninbaarheid. Bij alle vorderingen boven € 10.000 wordt altijd een individuele beoordeling uitgevoerd. Deze individuele beoordeling kan leiden tot het bijstellen van de berekende voorziening dubieuze debiteuren. Ten behoeve van de bepaling van de hoogte van de voorziening dubieuze debiteuren worden de debiteuren gecategoriseerd naar aard en omvang van de vordering.

De volgende soorten vorderingen zijn te onderscheiden: - Vordering door opgelegde belastingen conform de belastingverordeningen (1) - Vorderingen Sociale Dienst (2) - Overige vorderingen (3) Belastingdebiteuren (1) De voorziening wordt gevormd op basis van de volgende indeling naar ouderdom: - 100%: t-8 en ouder - 90%: t-6 t/m t-7 - 70%: t-3 t/m t-5 - 60%: t-2 - 20%: t-1 - 10%: t Vorderingen Sociale Dienst (2) De voorziening wordt gevormd op basis van de volgende indeling naar ouderdom: - 100%: Vordering > 1 jaar zonder ontvangst - 90%: t-10 en ouder - 75%: t-5 t/m t-9 - 60%: t-2; t/m t-4 - 50%: t Privaatrechtelijke vorderingen (3a) De voorziening wordt gevormd op basis van de volgende indeling naar ouderdom: - 100%: t-3 en ouder - 50%: t-2 - 25%: t-1 - 0%: t Vorderingen openbare lichamen (3b) Vorderingen en schulden van openbare lichamen worden niet betrokken in de berekening van de voorziening voor oninbare vorderingen.

Financiële verordening gemeente Westerveld 2025

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=c3e7242a-d91f-4151-83ab-b7621fdd4c0c