Bijlage 5b_NL.IMRO.1701.509PHZBosweg1-0002_tb3
Tekst van het document
Quickscan natuurwaardenonderzoek Bosweg 1 te Vledderveen In het kader van de Wet natuurbescherming
Colofon Quickscan natuurwaardenonderzoek Bosweg 1 Te Vledderveen
In het kader van de Wet natuurbescherming
Uitgevoerd door:
Natuurbank Overijssel
Opdrachtgever:
Fam. Hoogeveen
Projectnummer en versie: 1937 versie 1.0 Projectleider: Ing. P.Leemreise Ligging projectgebied: Bosweg 1 & P.W. Janssenlaan (ongenummerd) te Vledderveen
Veldmedewerker(s): P.Leemreise
Status: definitief Rapportdatum: 24-5-2019
Correspondentieadres: Aladnaweg 18 7122 RR Aalten E: Tel:
info@natuurbankoverijssel.nl 0543-451142 / 0614-435700
1
Samenvatting Er zijn plannen voor de bouw van een nieuwe woning aan P.W. Janssenlaan te Vledderveen. Deze woning wordt gebouwd in het kader van het zogenaamde Rood-voor-rood-beleid. Ter compensatie voor de bouw van de nieuwe woning, wordt bebouwing op een nabij gelegen agrarisch erf aan de bosweg 1 te Vledderveen gesloopt. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Het onderzoeksgebied is op 23 mei 2019 onderzocht op de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies, zoals foerageergebied en vliegroutes van vleermuizen. Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied zoals het Natuurnetwerk en Natura2000. Wettelijke consequenties m.b.t.
gebiedsbescherming: Het plangebied ligt op ruime afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Drenthe of Natura2000 behoren. Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied. Wettelijke consequenties m.b.t. soortbescherming P.W. Janssenlaan Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten. Vogels benutten het plangebied uitsluitend als foerageergebied, maar mogelijk bezetten sommige beschermde grondgebonden zoogdieren er een rust- en/of voortplantingsplaats. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’ (of de soort is niet beschermd zoals de mol). Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten niet beschermd. Wettelijke consequenties m.b.t.
soortbescherming deelgebied Bosweg: Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats en nestelen er vogels in de bebouwing. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied. In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Bebouwing dient gesloopt te worden buiten de voortplantingsperiode van vogels. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten niet beschermd.
Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen vermoedelijk af, maar het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Het aantasten van de betekenis van het plangebied als foerageergebied leidt niet tot wettelijke consequenties. 2
Samenvattende conclusie (beide deelgebieden): Het plangebied bestaat deels uit intensief beheerd grasland met een soortenarme vegetatie en deels uit een deel van een agrarisch erf met erfverharding en bebouwing. De inrichting en het gevoerde beheer maken het plangebied tot een geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische (grondgebonden) beschermde diersoorten, maar tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. De Wet natuurbescherming en de Provinciale omgevingsverordening Drenthe vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
3
Inhoudsopgave Samenvatting ..................................................................................................................................................... 2 1 Inleiding ........................................................................................................................................................... 5 2 Het plangebied ................................................................................................................................................ 6 2.1 Situering ................................................................................................................................................... 6 2.2 Beschrijving van het plangebied............................................................................................................... 6 3 Voorgenomen activiteiten............................................................................................................................... 7 3.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 7 3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten ....................
7 3.3 Vaststellen van de invloedsfeer ............................................................................................................... 8 3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied .................................................................................................... 8 4 Gebiedsbescherming ....................................................................................................................................... 9 4.1 Algemeen ................................................................................................................................................. 9 4.2 Gebiedsbescherming – Natuurnetwerk Drenthe ..................................................................................... 9 4.3 Natura2000 ............................................................................................................................................ 10 4.4 Slotconclusie........................................................................................................................................... 11 5 Soortenbescherming; het onderzoek ............................................................................................................ 12 5.1 Verwachting en bureauonderzoek .........................................................................................................
12 5.2 Methode ................................................................................................................................................. 12 5.3 Resultaten .............................................................................................................................................. 15 5.4 Toetsingskader ....................................................................................................................................... 18 5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep............................................................................... 19 5.6 Historische gegevens en overige bronnen ............................................................................................ 21 5.7 Volledigheid van het onderzoek............................................................................................................. 21 6 Conclusies ...................................................................................................................................................... 22
4
1 Inleiding Er zijn plannen voor de bouw van een nieuwe woning aan P.W. Janssenlaan te Vledderveen. Deze woning wordt gebouwd in het kader van het zogenaamde Rood-voor-rood-beleid. Ter compensatie voor de bouw van de nieuwe woning, wordt bebouwing op een nabij gelegen agrarisch erf aan de bosweg 1 te Vledderveen gesloopt. Omdat overtreding van de Wet natuurbescherming door uitvoering van de voorgenomen activiteiten niet uitgesloten kan worden, is Natuurbank Overijssel gevraagd om de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming in beeld te brengen. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. In voorliggend rapport worden de bevindingen van het uitgevoerde onderzoek gepresenteerd. Naast een beschrijving van het onderzoeksgebied, de onderzoeksopzet en de resultaten van het onderzoek, worden de wettelijke consequenties van de voorgenomen activiteiten weergegeven. Er is in het onderzoeksgebied gekeken naar de (potentiële) aanwezigheid van beschermde planten en dieren en beschermde nesten, holen, vaste rust- en voortplantingsplaatsen en andere beschermde functies.
Ook is onderzocht of de voorgenomen activiteiten een negatief effect hebben op beschermd (natuur)gebied. Op basis van de onderzoeksresultaten worden de wettelijke consequenties bepaald van de voorgenomen activiteiten in het kader van de Wet natuurbescherming (soorten en Natura2000-gebied) en de Provinciale omgevingsverordening Drenthe; vastgesteld op 3-10-2018 (Natuurnetwerk Drenthe).
5
2 Het plangebied 2.1 Situering Het plangebied bestaat uit twee, dichtbij elkaar gelegen deelgebieden. Te weten P.W. Janssenlaan (ongenummerd) en Bosweg 1. Beide deelgebieden liggen iets ten oosten van de woonkern Vledderveen. De deelgebieden liggen in het buitengebied en worden omgeven door landelijk gebied. Op onderstaande afbeelding wordt de globale ligging van beide deelgebieden weergegeven op de topografische kaart.
slooplocatie bouwlocatie
Globale ligging van beide deelgebieden. De ligging van het deelgebied wordt met de cirkel aangeduid (bron kaart: PDOK).
2.2 Beschrijving van het plangebied Deelgebied P.W. Janssenlaan (ongenummerd) Het plangebied bestaat volledig uit agrarisch cultuurland, tijdens het veldbezoek in gebruik als grasakker. In het plangebied staat een soortenarme, intensief beheerde grazige vegetatie van raaigras. Opgaande (houtige) beplanting, erfverharding en bebouwing ontbreken in het plangebied. Deelgebied Bosweg 1 Het plangebied vormt een deel van een agrarisch erf en bestaat uit bebouwing en erfverharding. De bebouwing bestaat uit het achterdeel van een boerderij, een ligboxenstal en werkplaats. De gebouwen zijn gebouwd van bakstenen, waarbij alleen de ligboxenstal over een (geïsoleerde) spouwmuur beschikt. Het achterdeel van de boerderij is gedekt met gebakken dakpannen (op stro) en de werkplaats en de ligboxenstal zijn gedekt met golfplaten. De ligboxenstal heeft dakisolatie in de vorm van hardschuimisolatieplaten die aan de onderzijde van het dak tegen de gording is bevestigd. De voorzijde van de ligboxenstal is begroeid met klimop. Op onderstaande luchtfoto wordt het plangebied in detail weergegeven, evenals de begrenzing van het onderzoeksgebied.
6
Detailopname van het plangebied. De begrenzing van het plangebied wordt met de gele lijn aangeduid (bron luchtfoto: pdok).
3 Voorgenomen activiteiten 3.1 Algemeen Het concrete voornemen bestaat om de werkplaats en ligboxenstal te slopen en een deel van de boerderij te slopen (kleiner maken boerderij) in deelgebied Bosweg en een nieuwe woning met garage te bouwen in deelgebied P.W. Janssenlaan. Op onderstaande afbeelding wordt het wenselijke eindbeeld van beide deelgebieden weergegeven.
Afbeelding links: verbeelding van het wenselijke eindbeeld in deelgebied P.W. Janssenlaan. Afbeelding rechts: verbeelding van het wenselijke eindbeeld in deelgebied Bosweg 1 (bron: B+O Architectuur en interieur BV)
De volgende activiteiten worden getoetst op relevantie t.a.v. de Wet natuurbescherming: Slopen bebouwing; Verwijderen erfverharding; Bouwrijp maken bouwplaatsen; Bouwen woning (met bijgebouw);
3.2 Mogelijk effect van de voorgenomen activiteiten op beschermde soorten en/of –nesten De voorgenomen activiteiten hebben mogelijk een negatieve invloed op beschermde soorten en beschermd (natuur)gebied. We onderscheiden de volgende negatieve invloeden:
7
Mogelijke tijdelijke invloeden: Verstoren rust- en voortplantingsplaatsen als gevolg van geluid, stof en trillingen tijdens de werkzaamheden Mogelijke permanente invloeden: Mogelijk afname/verdwijnen van beschermde vaste rust- of verblijfplaatsen en/of jaar rond beschermde nesten; Vernielen/verdwijnen van beschermde soorten; Aantasting van de kwaliteit van het leefgebied van beschermde soorten;
3.3 Vaststellen van de invloedsfeer Naast een tijdelijk effect in het onderzoeksgebied, kan het voorkomen dat een voorgenomen activiteit een negatief effect heeft op beschermde soorten of beschermd natuurgebied buiten het onderzoeksgebied. Dit noemen we de invloedsfeer. De omvang van de invloedsfeer wordt bepaald door de duur, aard en omvang van de tijdelijke en/of permanente nieuwe situatie. Het effect van de voorgenomen activiteit op een beschermde soort verschilt per soort en/of soortgroep. In deze studie wordt alleen gekeken naar de uitvoering van de fysieke werkzaamheden, zoals het slopen van bebouwing, het verwijderen van erfverharding, het bouwrijp maken van de bouwplaats en het bouwen van de woning met bijgebouw. Beoordeling van de invloedsfeer van de voorgenomen activiteit: De invloedsfeer van de voorgenomen fysieke activiteiten is lokaal. Mogelijk zijn tijdens de werkzaamheden geluid, stof en trillingen waarneembaar buiten het plangebied, maar deze effecten zijn echter incidenteel en kortstondig en hebben geen wezenlijke schadelijke invloed op beschermde soorten, rust- of voortplantingsplaatsen buiten het plangebied.
3.4 Vaststellen van het onderzoeksgebied Het onderzoeksgebied wordt gelijk gesteld aan het plangebied.
8
4 Gebiedsbescherming 4.1 Algemeen In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het mogelijke effect van de voorgenomen activiteit op beschermd natuurgebied (Natura2000) en het Natuurnetwerk Nederland (voorheen EHS genoemd). 4.2 Gebiedsbescherming – Natuurnetwerk Drenthe Provincies zijn verantwoordelijk voor de veiligstelling en ontwikkeling van het Natuurnetwerk Drenthe. De beoordeling of de voorgenomen activiteit past in het Natuurnetwerk Drenthe, dient met name uitgevoerd te worden in de afweging van een ‘goede ruimtelijke ordening’ als onderdeel van de ruimtelijke onderbouwing. De aanwezigheid van beschermde planten en dieren is daarbij niet direct van belang. Vanwege het grote belang voor de biodiversiteit en de betekenis voor de kwaliteit van de leefomgeving en regionale economie geldt een beschermingsregime voor het gehele Natuurnetwerk Drenthe (voorheen EHS). Voor het Natuurnetwerk Drenthe geldt de verplichting tot instandhouding van de wezenlijke kenmerken en waarden van het gebied. In de verordening is het "nee, tenzij"-regime vast gelegd. Dit betekent dat (nieuwe) plannen, projecten of handelingen niet zijn toegestaan indien zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied significant aantasten. Er kan echter aanleiding zijn om toch ontwikkelingen toe te staan.
De mogelijkheid om een uitzondering te maken op de algemene lijn van behoud en duurzame ontwikkeling van wezenlijke kenmerken en waarden, is aan strikte voorwaarden gebonden. Uiteraard geldt ook hier dat de generieke regeling van toepassing blijft (zoals de toepassing van de principes van zuinig en zorgvuldig ruimtegebruik, ontwikkelingsperspectieven en gebiedskenmerken) Het ruimtelijk beleid voor het Natuurnetwerk Drenthe is gericht op ‘behoud, herstel en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Drenthe’ waarbij tevens zoveel mogelijk rekening wordt gehouden met de andere belangen die in het gebied aanwezig zijn. De kernkwaliteiten binnen het Natuurnetwerk Drenthe zijn natuurkwaliteit, landschappelijke kwaliteiten en beleving van rust. Voor grootschalige ontwikkelingen die niet passen binnen de doelstelling van het NNN is geen ruimte, tenzij er sprake is van een zwaarwegend maatschappelijk belang waar niet op een andere manier aan kan worden voldaan. Daarbij worden de zogenaamde Natuurnetwerk Drenthe -spelregels gehanteerd: herbegrenzing van het Natuurnetwerk Drenthe, saldering van negatieve effecten en toepassing van het compensatiebeginsel. Het ‘nee, tenzij’-principe en de overige spelregels hebben is opgenomen in de provinciale Omgevingsverordening van Drenthe.
Er is door toepassing van de spelregels ruimte voor het aanpassen van de begrenzing als daarmee de doelen op een betere manier kunnen worden bereikt. Ligging t.o.v. het Natuurnetwerk Drenthe Gronden die tot het Natuurnetwerk Drenthe behoren liggen op 125 meter afstand van de slooplocatie en op 490 meter afstand van de bouwlocatie. Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van het Natuurnetwerk Drenthe in de omgeving van beide deelgebieden weergegeven.
9
124 meter afstand tussen slooplocatie en gronden die tot Natuurnetwerk Drenthe behoren
490 meter afstand tussen de bouwlocatie en gronden die tot Natuurnetwerk Drenthe behoren
Ligging van Natuurnetwerk Drenthe in de omgeving van beide deelgebieden. De ligging van de deelgebieden wordt met de cirkel aangeduid. Gronden die tot het Natuurnetwerk Drenthe behoren, worden met de donkergroene kleur aangeduid (bron: Ruimtelijke plannen).
Effectbeoordeling De invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. De voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op beschermd (natuur)gebied. Beschermingsregime Het plangebied ligt buiten het Natuurnetwerk Drenthe. Omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Drenthe geen externe werking kent, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties.
4.3 Natura2000 De biodiversiteit (soortenrijkdom) in Europa gaat al jaren achteruit. Duurzame bescherming van flora en fauna is hard nodig. Planten en dieren trekken zich weinig aan van landsgrenzen en het is daarom belangrijk om natuurbescherming in Europees verband aan te pakken. Zo voorkomen we dat de natuur in Europa en in Nederland steeds eenvormiger wordt. Daartoe is in 1979 de Vogelrichtlijn opgesteld en in 1992 de Habitatrichtlijn. Deze richtlijnen hebben twee componenten: soortenbescherming en gebiedsbescherming. Alle EU-lidstaten wijzen beschermde gebieden aan voor specifieke (leefgebieden van) (vogel-)soorten. De onder beide richtlijnen aangewezen beschermde gebieden vormen het Natura 2000-netwerk. De Nederlandse bijdrage aan dit Europese netwerk van beschermde natuurgebieden bestaat uit ruim 160 gebieden. Ligging van het plangebied t.o.v. Natura-2000 Het plangebied behoort niet tot Natura2000. Gronden die tot Natura2000 behoren liggen op minimaal 124 meter afstand van de slooplocatie en op minimaal 490 meter afstand van de bouwlocatie (bron: Ruimtelijke plannen). Op onderstaande afbeelding wordt de ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied weergegeven.
10
124 meter afstand tussen de slooplocatie en gronden die tot Natura2000 behoren.
490 meter afstand tussen de bouwlocatie en gronden die tot Natura2000 behoren.
Ligging van Natura2000-gebied in de omgeving van het plangebied. Natura2000-gebied wordt met de lichtgroene kleur aangeduid. De ligging van de deelgebieden wordt met de cirkel aangeduid (bron pdok.nl).
Beschermingsregime De Wet natuurbescherming regelt in hoofdstuk 2 de bescherming van Natura 2000-gebieden. Dit zijn speciale beschermingszones op grond van de Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn. De minister wijst deze gebieden aan. Voor de Natura 2000-gebieden stelt de minister instandhoudingsdoelstellingen op voor: de leefgebieden van vogels; de natuurlijke habitats of habitats van soorten (art. 2.1 Wet natuurbescherming); De provincies stellen voor de Natura 2000-gebieden een beheerplan op (art. 2.3 Wet natuurbescherming). In het beheerplan staan maatregelen die ervoor moeten zorgen dat de instandhoudingsdoelstellingen worden bereikt. Nederland past een vergunningenstelsel toe. Hierdoor is in ons land een zorgvuldige afweging gewaarborgd rond projecten die gevolgen kunnen hebben voor Natura 2000-gebieden. Vergunningen worden verleend door provincies of door de Minister van EZ. Natura 2000-gebieden mogen geen significante schade ondervinden. Dit houdt in dat bepaalde plannen en projecten, op zichzelf óf in combinatie met andere plannen en projecten, de natuurwaarden waarvoor de gebieden zijn aangewezen niet significant negatief mogen beïnvloeden. Elke ontwikkeling in of nabij een Natura 2000-gebied dient te worden onderworpen aan een ‘voortoets’.
Uit de voortoets moet blijken of kan worden uitgesloten dat de gewenste werkzaamheden/ontwikkelingen een (significant) negatief effect hebben (op zichzelf of in combinatie met andere plannen of projecten). Voor alle Natura 2000-gebieden dient een beheerplan te zijn opgesteld waaruit duidelijk wordt welke activiteiten wel en niet zonder vergunning mogelijk zijn in en nabij die gebieden. Effectbeoordeling Het plangebied ligt op enige afstand van Natura2000-gebied en de invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten is lokaal. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten hebben geen negatief effect op de instandhoudingsdoelen van Natura2000. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties.
4.4 Slotconclusie Het plangebied behoort niet tot het Natuurnetwerk Drenthe of Natura2000. In verband met de ligging buiten het Natuurnetwerk Drenthe, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties omdat de bescherming van het Natuurnetwerk Drenthe geen externe werking kent. Vanwege de ligging op enige afstand van Natura2000-gebied en de lokale invloedsfeer, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op instandhoudingsdoelen van Natura2000. 11
5 Soortenbescherming; het onderzoek 5.1 Verwachting en bureauonderzoek P.W. Janssenlaan Het deelgebied bestaat volledig uit intensief beheerd grasland met een soortenarme vegetatie van raaigras. De inrichting, het gevoerde beheer en de ligging nabij een doorgaande weg, maken het deelgebied tot een nagenoeg ongeschikt functioneel leefgebied voor beschermde dieren en tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten. Bosweg 1 Het deelgebied vormt een deel van een agrarisch erf en bestaat uit erfverharding en bebouwing. De inrichting en het gevoerde beheer maken het deelgebied tot een potentieel geschikt functioneel leefgebied voor verschillende algemene- en weinig kritische beschermde (grondgebonden) diersoorten, maar tot een ongeschikte groeiplaats voor beschermde plantensoorten.
Het is het niet uitgesloten dat het plangebied tot functioneel leefgebied van sommige algemene en weinig kritische diersoorten uit onderstaande soortgroepen behoort: vogels; vleermuizen; grondgebonden zoogdieren; amfibieën; Overige soorten Het onderzoeksgebied is niet onderzocht op het voorkomen van beschermde faunasoorten als reptielen, libellen, vissen, dag- en nachtvlinders, bladmossen, sporenplanten (kleine vlotvaren), haften (oeveraas) en kreeftachtigen (Europese rivierkreeft) omdat het onderzoeksgebied geen geschikte habitat vormt voor deze soorten of omdat het plangebied buiten het normale verspreidingsgebied van deze soortgroepen ligt. Het is niet aannemelijk dat soorten, of soortgroepen, die moeilijk nieuwe leefgebieden koloniseren, zich spontaan buiten het normale verspreidingsgebied vestigen. Dit geldt bijvoorbeeld voor sommige kleine grondgebonden zoogdieren en reptielen en voor planten.
5.2 Methode In het kader van het natuurwaardenonderzoek is het plangebied op 23 mei 2019 tijdens de daglichtperiode (middag) bezocht. Het onderzoeksgebied is te voet onderzocht op de aanwezigheid en potentiële aanwezigheid van beschermde flora- en faunawaarden. Het gebied is visueel en auditief onderzocht. Tijdens het veldbezoek is gebruik gemaakt van een verrekijker (Swarovski 12x60), zaklamp en zijn de in dit rapport opgenomen afbeeldingen gemaakt. De onderzoeker beschikte tevens over een warmtebeeldcamera (Helion Pulsar xq28), maar deze is niet gebruikt.
12
Bij het bepalen van de mogelijke aantasting van beschermde soorten is gebruik gemaakt van de volgende bronnen: veldbezoek door ervaren ecoloog;1 aanvullend bronnenonderzoek (o.a. internet); Specifieke relevante literatuurbronnen zijn o.a. Atlas van de amfibieën en reptielen van Nederland; Atlas van de zoogdieren van Nederland; Nieuwe atlas van de Nederlandse flora; Het weer tijdens het veldbezoek Bewolkt, droog, temperatuur 15⁰C, wind 2-3 Bft Vogels Het gebied is visueel en auditief onderzocht op het voorkomen van (broed)vogels. De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar (broed)vogels omdat alle, mogelijk in het plangebied voorkomende, broedvogelsoorten in deze tijd van het jaar territorium-indicerend gedrag (zingen/balts) vertonen en de meeste vogelsoorten een bezet nest hebben. Sommige soorten, zoals weidevogels, huismus, bosuil ransuil, merel, spreeuw en mezen kunnen zelfs al uitgevlogen jongen hebben. In het plangebied is gekeken naar vogels, oude nesten en sporen die op de aanwezigheid van nesten in het plangebied duiden, zoals prooiresten (roofvogels), schijtsporen, braakballen, ruiveren (roofvogels), eierdoppen en zichtbaar nestmateriaal.
Op basis van een beoordeling van de landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor vogels en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar vogels. Grondgebonden zoogdieren Het onderzoeksgebied is visueel onderzocht op het voorkomen van beschermde grondgebonden zoogdieren. De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek en onderzoek naar voortplantingslocaties. Veel grondgebonden zoogdiersoorten bezetten de voortplantingsplaats in deze tijd van het jaar en kunnen zogende jongen hebben. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar grondgebonden zoogdieren, verblijfplaatsen en sporen die op de aanwezigheid van grondgebonden zoogdieren in het onderzoeksgebied duiden zoals holen, nesten, graaf-, krab- en bijtsporen, haren, prooiresten, pootafdrukken en uitwerpselen. Vleermuizen De onderzoeksperiode is geschikt voor onderzoek naar verblijfplaatsen van vleermuizen. Er is in het onderzoeksgebied gezocht naar vleermuizen en naar potentiële rust- verblijfplaatsen van vleermuizen in gebouwen. Daarbij is gezocht naar vleermuizen en aanwijzingen die op de aanwezigheid van een verblijfplaats in de gebouwen duiden, zoals uitwerpselen en prooiresten.
De potentiële geschiktheid van de gebouwen als verblijfplaats is onder andere beoordeeld op basis van bouwstijl, gebruikte materialen, mate van afwerking en staat van onderhoud. De mogelijke betekenis van het onderzoeksgebied als foerageergebied en vliegroute voor vleermuizen is bepaald op basis van een visuele beoordeling van de landschappelijke karakteristieken van het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd buiten de periode dat vleermuizen foerageren of lijnvormige landschapselementen benutten als vliegroute. 1
Het onderzoek is uitgevoerd door Ing. P.E.B. Leemreise. Hij heeft ruim 30 jaar ervaring als veldbioloog. Eerst specifiek op het gebied van vogelstudie, later meer integraal met een tweede specialisatie op het gebied van grondgebonden kleine zoogdieren en vleermuizen. Hij voert jaarlijks ca. 200 Quickscan natuurwaardenonderzoeken uit, verspreid over heel Nederland. Behalve beroepsmatig, is hij ook in de vrije tijd betrokken bij vogel- en vleermuisonderzoek, waaronder verschillende projecten in het kader van de Netwerk Ecologische Monitoring (NEMVT) van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Ook is hij voorzitter van de Vogelwerkgroep Zuidoost-Achterhoek en bestuurslid van de Vleermuiswerkgroep Gelderland. 13
Amfibieën De onderzoeksperiode is geschikt voor verspreidingsonderzoek naar amfibieën. Alle amfibieën hebben de winterrustplaats verlaten en bezetten de voortplantingswateren of hebben de voortplantingswateren al weer verlaten. Op basis van een beoordeling van landschappelijke kenmerken kan een goede inschatting gemaakt worden van de functie van het onderzoeksgebied voor amfibieën en of de uitgevoerde inventarisatie voldoet aan de gestelde eisen voor onderzoek naar deze soorten. Daarbij is tevens rekening gehouden met de ligging van het plangebied ten opzichte van het (normale) verspreidingsgebied van verschillende amfibieënsoorten.
14
5.3 Resultaten In deze paragraaf worden de resultaten van het veldbezoek gepresenteerd. Alleen soorten die in het onderzoeksgebied vastgesteld zijn, zeer waarschijnlijk in het onderzoeksgebied voorkomen of soorten waarvan het onderzoeksgebied een (essentieel) onderdeel van het functionele leefgebied vormt, worden in deze paragraaf besproken. Deelgebied P.W. Janssenlaan Het plangebied behoort mogelijk tot foerageergebied van sommige grondgebonden zoogdieren en vogels. Het vormt een ongeschikt leefgebied voor vleermuizen en amfibieën. Er nestelen geen vogels in het plangebied, maar mogelijk bezetten veldmuis en mol er een rust- en voortplantingslocatie. Door het bouwrijp maken van het plangebied worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield. De functie van het plangebied als foerageergebied voor de veldmuis gaat door uitvoering van de voorgenomen activiteiten verloren. Het plangebied blijft geschikt foerageergebied voor de mol. Deelgebied Bosweg Vogels Het plangebied behoort tot functioneel leefgebied van verschillende vogelsoorten. Vogels benutten het plangebied als foerageergebied en er nestelen vermoedelijk ieder voortplantingsseizoen vogels in het plangebied.
Vogelsoorten die mogelijk in de te slopen bebouwing nestelen zijn boerenzwaluw, witte kwikstaart, merel, winterkoning, houtduif, holenduif en boerenzwaluw. Er zijn tijdens het veldbezoek huismussen op het erf waargenomen, maar deze nestelen niet in de te slopen gebouwen, maar onder de dakpannen van de te behouden boerderij (voorzijde). In de te slopen gebouwen zijn geen oude nesten, of potentieel geschikte nestplaatsen voor de huismus waargenomen. Ook zijn geen aanwijzingen gevonden dat steen- of kerkuil de gebouwen in het plangebied benutten als rust- of nestplaats.
Afbeelding links: nest van de boerenzwaluw. Afbeelding rechts: klimop aan de logboxenstal; deze klimop vormt een potentiële nestplaats voor vogels.
Door het slopen van de bebouwing tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Als gevolg van het vernielen van bezette vogelnesten worden mogelijk eieren beschadigd of vernield of worden (jonge) vogels verwond of gedood. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vogels niet af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bijgebouwen tijdens de voortplantingsperiode; Grondgebonden zoogdieren Er zijn in het plangebied geen beschermde grondgebonden zoogdieren waargenomen, maar het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende algemene- en weinig kritische grondgebonden zoogdiersoorten als vos, egel, bruine rat, huisspitsmuis, huismuis en bosmuis. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied hoofdzakelijk als foerageergebied, maar het is niet 15
uitgesloten dat soorten als huisspitsmuis, huismuis, bruine rat en bosmuis er een rust- en/of voorplantingsplaats bezetten. Grondgebonden zoogdieren kunnen een rust- en voortplantingsplaats bezetten in holen en gaten in de grond, onder bladeren, groen, afval en bouwmaterialen, maar ook in holle ruimtes in gebouwen. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat de steenmarter een vaste rust- en/of voortplantingsplaats bezet in het plangebied. Gelet op de geïsoleerde ligging van het erf in intensief beheerd agrarisch cultuurland, wordt het erf als een weinig geschikt leefgebied voor de steenmarter beschouwd. Door het slopen van bebouwing worden mogelijk grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden vermoedelijk vaste rust- en voortplantingsplaatsen beschadigd en vernield. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied, voor de meeste in het plangebied voorkomende grondgebonden zoogdiersoorten af. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Slopen bebouwing; Vleermuizen Verblijfplaatsen Er zijn tijdens het veldbezoek geen vleermuizen waargenomen en er zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen in het plangebied waargenomen. De werkplaats en de achterzijde van de boerderij beschikken niet over een spouw.
De ligboxenstal beschikt wel over een (geïsoleerde) spouw, maar er zijn geen geschikte potentiële invliegopeningen, zoals een open stootvoeg of gaten/kieren, in de buitengevels van de stal waargenomen. De zijgevels van de stal zijn laag, en zijn daarom ongeschikt als verblijfplaats. Aan de ligboxenstal, werkplaats en achterdeel van de boerderij zijn geen potentiële verblijfplaatsen van vleermuizen waargenomen, zoals een holle ruimte achter een windveer, gevelbetimmering, vensterluik of zonnescherm. Ervaring heeft aangetoond dat vleermuizen zelden een verblijfplaats bezetten in de spouw van een stal, maar meestal een verblijfplaats bezetten in de spouw of dakvlak van de (bedrijfs)woning. Vleermuizen kunnen de achterdeel van de boerderij vrij binnen vliegen, maar er zijn geen aanwijzingen gevonden dat vleermuizen een rustplaats bezetten in de achterdeel. Rustplaatsen van vleermuizen zijn doorgaans eenvoudig vast te stellen door de prooiresten die op de grond liggen onder de hangplek. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verstoord, verwond of gedood en worden geen rust- of verblijfplaatsen beschadigd of vernield.
Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Foerageergebied Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen foerageren, maar op basis van een beoordeling van de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt foerageergebied voor vleermuizen beschouwd. Vermoedelijk foerageren sommige algemene vleermuissoorten als laatvlieger, gewone dwergvleermuis en ruige dwergvleermuis incidenteel rond de gebouwen en vliegen ze over het plangebied, terwijl ze foerageren rond de randen en kronen van bomen en struiken die net buiten het plangebied staan. Gelet op de oppervlakte van het plangebied, is de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen vrij gering. Het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt het foerageergebied van vleermuizen niet aangetast. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; 16
Vliegroute Het veldbezoek is uitgevoerd buiten de periode van de dag waarop vleermuizen gebruik maken van vliegroutes. Op basis van een beoordeling van de inrichting, het gevoerde beheer en de ligging in het landschap kan een goede inschatting gemaakt worden van de betekenis van het plangebied als vliegroute. Sommige vleermuissoorten benutten lijnvormige elementen ter geleiding tijdens het foerageren en om van verblijfplaats naar foerageergebied te vliegen (en van foerageergebied naar verblijfplaats). Lijnvormige elementen die benut worden als vliegroute kunnen bestaan uit houtopstanden en wateren, maar ook een rij lantarenpalen, rasterpalen en gevels van woningen. Het plangebied vormt geen verbindende schakel in een lijnvormig landschapselement en maakt daarom geen onderdeel uit van een vliegroute van vleermuizen. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op vliegroutes van vleermuizen. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Er zijn tijdens het veldbezoek geen amfibieën waargenomen, maar gelet op de inrichting en het gevoerde beheer, wordt het plangebied als een weinig geschikt leefgebied voor amfibieën beschouwd. Mogelijk duikt er incidenteel een ‘verdwaalde’ kikker of salamander op in het plangebied, maar amfibieën bezetten er geen (winter)rust- of voortplantingsplaats.
Het plangebied heeft geen functie als foerageergebied. Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen amfibieën verwond of gedood en worden geen (winter)rust- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield. Te beoordelen activiteit in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Er zijn geen andere beschermde soorten aangetroffen. Het gevoerde beheer en de inrichting maken het onderzoeksgebied tot een ongeschikt functioneel leefgebied voor deze soorten.
17
5.4 Toetsingskader Sinds 1 januari 2017 is de Wet natuurbescherming van kracht. Het is verboden om alle soorten die beschermd zijn volgens de Vogelrichtlijn, Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn, evenals de in paragraaf 3.2 en 3.3 van de Wet natuurbescherming genoemde soorten te doden en te verwonden, evenals het beschadigen en vernielen van voortplantingsplaatsen of rustplaatsen. Verder is het verboden om plantensoorten in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor sommige in de Wet natuurbescherming genoemde soorten geldt een ontheffing voor het opzettelijk doden en vangen en het opzettelijk beschadigen of vernielen van de vaste rust- en voortplantingsplaats, als gevolg van werkzaamheden die uitgevoerd worden in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling. In voorliggend geval is de vrijstellingsregeling van de Provincie Drenthe van kracht. Ook gelden er bepaalde vrijstellingen voor het verbod op verwonden en doden mits er gewerkt wordt volgens een door de Minister goedgekeurde Gedragscode. Op het moment van schrijven van dit rapport is er geen goedgekeurde gedragscode van kracht voor de voorgenoemde activiteiten.
Zorgplicht Artikel 1.11 van de Wet natuurbescherming voorziet in een algemene verplichting voor een ieder om voldoende zorg te dragen voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De zorgplicht is als een open norm geformuleerd in het eerste lid van artikel 1.11. In het tweede lid wordt de zorgplicht iets geconcretiseerd door te bepalen dat de zorgplicht in elk geval inhoudt dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor in het wild levende dieren en planten: 1. dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel, 2. indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of 3. voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. Wettelijk kader Voorgenomen activiteit wordt gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet natuurbescherming is het toegestaan om sommige soorten opzettelijk te doden en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat.
In het kader moet zorgplicht is de initiatiefnemer verplicht om schadelijke gevolgen voor in het wild levende dieren en planten zo veel mogelijk te voorkomen. Dit betreft maatwerk. Indien het mogelijk is om zinvolle concrete maatregelen m.b.t. de zorgplicht te benoemen, zijn deze opgenomen in dit rapport.
18
5.5 Wettelijke consequenties van de beoogde ingreep Vogels Door het slopen van bebouwing tijdens de voortplantingsperiode, worden mogelijk bezette vogelnesten beschadigd en vernield. Van de in het plangebied nestelende soorten is uitsluitend het bezette nest beschermd, niet het oude nest2 of de nestplaats. Voor het verstoren/vernielen van bezette nesten (eieren) of het verwonden/doden van vogels kan geen ontheffing van de verbodsbepalingen verkregen worden omdat de voorgenomen activiteit niet als een in de wet genoemd belang wordt beschouwd. De gebouwen dienen buiten de voortplantingsperiode van vogels gesloopt te worden. De meest geschikte periode om de voorgenomen activiteiten uit te voeren is november3-februari. De functie van het plangebied als foerageergebied is niet beschermd. Mits uit een broedvogelscan blijkt dat er geen bezette vogelnesten aanwezig zijn in de te slopen bebouwing, mag de bebouwing ook tijdens het broedseizoen gesloopt worden. Ook mag initiatiefnemer maatregelen treffen die vogels weerhouden te gaan nestelen in de te slopen gebouwen. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - gebouwen slopen buiten de voortplantingsperiode (tenzij er geen vogels in nestelen); Vleermuizen Verblijfplaatsen Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen vleermuizen verwond of gedood en worden geen verblijfplaatsen beschadigd of vernield.
Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties in het kader van dit aspect van het functionele leefgebied van vleermuizen. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Foerageergebied Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten wordt geen essentieel foerageergebied van vleermuizen aangetast. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen
2 3
Nesten van de boerenzwaluw zijn niet jaarrond beschermd, tenzij zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Houtduiven kunnen tot eind oktober een bezet nesten hebben. 19
Vliegroute Het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten heeft geen negatief effect op mogelijke (essentiële) vliegroutes4 van vleermuizen in het plangebied. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen Grondgebonden zoogdieren Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden mogelijk beschermde grondgebonden zoogdieren verwond en gedood en worden mogelijk rust- en voortplantingsplaats beschadigd en vernield. Voor de in het plangebied aanwezige beschermde grondgebonden zoogdieren geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van een rust- en voortplantingsplaats’. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende soorten niet beschermd. Uitvoering van de voorgenomen activiteiten leidt niet tot wettelijke consequenties. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing van de verbodsbepalingen aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te mogen voeren in het kader van de Wnb.
Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Amfibieën Door het uitvoeren van de voorgenomen activiteiten worden geen amfibieën verwond of gedood en worden geen (winter)rust- of voortplantingsplaatsen beschadigd of vernield. Ook wordt het foerageergebied van amfibieën niet aangetast. Wettelijke consequenties in het kader van de Wnb: - Geen; Overige soorten Het onderzoeksgebied behoort niet tot functioneel leefgebied van andere beschermde flora- of faunasoorten. Vanwege de lokale invloedsfeer heeft de voorgenomen activiteit geen negatief effect op andere beschermde soorten. Nader onderzoek of het aanvragen van een ontheffing is niet noodzakelijk.
4
Vliegroutes van vleermuizen zijn beschermd wanneer deze essentieel zijn voor het kunnen functioneren van de verblijfplaats van een vleermuis. Niet ieder lijnvormig element waar langs vleermuizen vliegen is een essentiële vliegroute. 20
In onderstaande tabel worden de wettelijke consequenties samengevat weergegeven. Soortgroep
Functie
Beschermde soorten planlocatie
Verbodsbepalingen (Wet natuurbescherming)
Aandachtspunt
Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Grondgebonden zoogdieren Vogels
Foerageergebied
Diverse soorten
Geen
Vaste rust- en voortplantingsplaats s Doden en verwonden van dieren Foerageergebied
Diverse soorten
Vogels
Bezette nesten (niet jaarrond beschermd) Jaarrond beschermde nest- en rustplaats Doden en verwonden van dieren Verblijfplaats Foerageergebied
Mogelijk diverse soorten Niet aanwezig
Niet van toepassing, functie is niet beschermd Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling. Niet van toepassing, vrijstelling i.v.m. ruimtelijke ontwikkeling. Niet van toepassing, functie is niet beschermd Art. 3.1 lid 1, 3.1 lid 2
Vliegroute Doden en verwonden van dieren Foerageergebied (winter)rustplaatsen Voortplantingsbiotoop Doden en verwonden van dieren Dieren en overige functies
Niet aanwezig Niet aanwezig
Niet van toepassing Niet van toepassing; plangebied vormt geen essentieel foerageergebied Niet van toepassing Niet van toepassing
Niet aanwezig Niet aanwezig Niet aanwezig Niet aanwezig
Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing Niet van toepassing
Geen Geen Geen Geen
Niet aanwezig
Niet van toepassing
Geen
Vogels Vogels Vleermuizen Vleermuizen
Vleermuizen Vleermuizen Amfibieën Amfibieën Amfibieën Amfibieën Overige soorten
Diverse soorten Diverse soorten
Mogelijk diverse soorten Niet aanwezig Diverse soorten
Niet van toepassing Art. 3.1
Geen Geen Geen Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode5 Geen Bebouwing slopen buiten de voortplantingsperiode6 Geen Geen
Geen Geen
Samenvatting van de wettelijke consequenties.
5.6 Historische gegevens en overige bronnen Er zijn geen historische gegevens van het plangebied bekend. 5.7 Volledigheid van het onderzoek Het onderzoek is volledig uitgevoerd met geschikte weersomstandigheden.
5 6
Tenzij vogels geen nest bezetten in de te slopen bebouwing en te vellen beplanting. Tenzij vogels geen nest bezetten in de te slopen bebouwing en te vellen beplanting. 21
6 Conclusies De voorgenomen activiteiten worden gezien als ‘ruimtelijke ontwikkeling’. Voor een aantal algemeen voorkomende en talrijke faunasoorten7 geldt in Drenthe een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden, verwonden en het opzettelijk beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingsplaats’, als gevolg van werkzaamheden die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Voor beschermde soorten die niet op deze vrijstellingslijst staan, is een ontheffing vereist om ze te mogen verwonden en doden of om opzettelijk rust- en voortplantingsplaats s te mogen beschadigen en te vernielen. In het kader van de zorgplicht moet rekening worden gehouden met alle in het plangebied aanwezige planten en dieren en moet er gekozen worden voor een werkmethode en/of planning in de tijd, waardoor planten en dieren zo min mogelijk schade ondervinden als gevolg van de voorgenomen activiteiten. Het plangebied behoort vermoedelijk tot functioneel leefgebied van verschillende vogel-, vleermuis- en grondgebonden zoogdiersoorten. Voorgenoemde soorten benutten het plangebied als foerageergebied en mogelijk bezetten sommige grondgebonden zoogdiersoorten er een rust- en/of voortplantingsplaats en nestelen er vogels in de bebouwing. Vleermuizen bezetten geen verblijfplaats in het plangebied.
In het plangebied nestelen alleen vogelsoorten waarvan uitsluitend het bezette nest beschermd is, niet het oude nest of de nestplaats. Bezette vogelnesten zijn beschermd en mogen niet beschadigd of vernield worden. Gelet op de aard van de werkzaamheden kan geen ontheffing verkregen worden voor het beschadigen of vernielen van bezette vogelnesten. Bebouwing dient gesloopt te worden buiten de voortplantingsperiode van vogels. Voor de beschermde grondgebonden zoogdiersoorten, die een (winter)rust- en/of voortplantingslocatie in het plangebied bezetten, geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen ‘doden en verwonden’ en het ‘beschadigen en vernielen van rust- en voortplantingslocaties’. Deze vrijstelling is van toepassing omdat er sprake is van een ruimtelijke ontwikkeling. De functie van het plangebied als foerageergebied is voor de in het plangebied voorkomende vogel- en grondgebonden zoogdiersoorten niet beschermd. Door uitvoering van de voorgenomen activiteiten neemt de betekenis van het plangebied als foerageergebied voor vleermuizen vermoedelijk af, maar het plangebied vormt geen essentieel foerageergebied voor vleermuizen. Het aantasten van de betekenis van het plangebied als foerageergebied leidt niet tot wettelijke consequenties. Het plangebied ligt op enige afstand van gronden die tot het Natuurnetwerk Drenthe of Natura2000 behoren.
Vanwege de ligging buiten beschermd (natuur)gebied en de lokale invloedsfeer van de voorgenomen activiteiten, hebben de voorgenomen activiteiten geen negatief effect op (beschermd) natuurgebied. De voorgenomen activiteiten leiden niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Conclusie (algemeen): Mits bezette vogelnesten beschermd worden, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van soortbescherming. Vanwege de ligging buiten beschermd natuurgebied en de lokale invloedsfeer, leiden de voorgenomen activiteiten niet tot wettelijke consequenties in het kader van gebiedsbescherming. Er hoeft geen nader onderzoek uitgevoerd te worden en er hoeft geen ontheffing of vergunning aangevraagd te worden om de voorgenomen activiteiten uit te kunnen voeren in overeenstemming met wet- en regelgeving voor beschermde soorten en gebieden. De Wet natuurbescherming en de Provinciale omgevingsverordening Drenthe vormen geen belemmering voor uitvoering van de voorgenomen activiteiten.
7
Zie bijlage 2 van dit rapport 22
Bijlage Bijlage 1. De natuurkalender (indicatie voor het uitvoeren van werkzaamheden het kader van de zorgplicht) Bijlage 2. Toelichting Wet natuurbescherming Bijlage 3. Fotobijlage Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen:
23
Bijlage 2 Toelichting Wet Natuurbescherming Drie beschermingsregimes De Wet natuurbescherming kent een apart beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn, een apart beschermingsregime voor soorten van de Habitatrichtlijn (het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn) en een apart beschermingsregime voor andere soorten, die vanuit nationaal oogpunt beschermd worden. Elk van deze beschermingsregimes kent zijn eigen verbodsbepalingen en vereisten voor vrijstelling of ontheffing van de verboden. Alle vogels (ruim 700 soorten), zijn beschermd. Daarnaast worden ongeveer 230 overige Europese en nationale soorten beschermd. Om af te mogen wijken van de verbodsbepalingen via een ontheffing of vrijstelling moet aan drie criteria zijn voldaan: -
-
Ten eerste mag alleen van de verbodsbepaling afgeweken worden als er geen andere bevredigende oplossing voor de handeling mogelijk is. Ten tweede moet tegenover de afwijking van het verbod een in de wet genoemd belang staan. De wet geeft voor de verschillende beschermingsregimes aan wat die belangen zijn zoals volksgezondheid of openbare veiligheid. Tenslotte mag de ingreep geen afbreuk doen aan de staat van instandhouding van de soort.
Als aan deze drie vereisten voldaan is, kan een ontheffing worden verleend. Voor een aantal handelingen zijn bovendien vrijstellingen mogelijk, bijvoorbeeld in de vorm van een provinciale verordening of een gedragscode. Soortenbescherming en het ‘nee, tenzij principe’ De verbodsbepalingen voor vogels en Habitatrichtlijnsoorten in de Wet natuurbescherming sluiten vrijwel één op één aan bij de bepalingen uit de Vogelrichtlijn en de Habitatrichtlijn. De verbodsbepalingen zijn gericht op de bescherming van individuen van soorten. Ook voor de andere soorten, die niet op grond van de Vogel- of Habitatrichtlijn maar vanuit nationaal oogpunt beschermd worden, geldt dat de verbodsbepalingen zien op het individu, maar of ontheffing verleend kan worden, wordt afgewogen tegen het effect van de ingreep op het populatieniveau van de soort. Zorgplicht voor dieren en planten Of dier- en plantensoorten nu wettelijk beschermd zijn of niet, iedereen moet voldoende rekening houden met in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. De wet erkent daarmee de intrinsieke waarde van in het wild levende soorten. De Memorie van Toelichting zegt het zo: “De zorgplicht houdt in dat een ieder voldoende zorg in acht moet nemen voor de in het wild levende dieren en planten, alsmede voor hun directe leefomgeving.
Overtreding van de zorgplicht is niet strafbaar gesteld; de zorgplicht kan wel door toepassing van bestuursdwang worden gehandhaafd”. Vrijstelling regelgeving Onder de Wet natuurbescherming is niet altijd een ontheffing nodig bij handelingen met gevolgen voor beschermde plant- en diersoorten. In (veel) gevallen kunt u gebruik maken van een vrijstelling. Een vrijstelling is een uitzondering op een wettelijk verbod, die wordt vastgesteld voor een van te voren bepaalde categorie van gevallen. Er zijn verschillende vrijstellingen van de verboden voor beschermde soorten mogelijk. Een bekende en reeds in de praktijk toegepaste vorm van vrijstelling is die van de gedragscode. In de Wet natuurbescherming zijn voor beschermde soorten ook andere vormen van vrijstelling geïntroduceerd, zoals door middel van een Programmatische Aanpak of via een provinciale verordening. Overigens is ook een vrijstelling in de vorm van een ministeriële regeling mogelijk.
24
Provinciale staten kunnen vrijstelling van de verbodsbepalingen verlenen. Dit moet worden geregeld in een provinciale verordening. Gedragscodes die zijn opgesteld onder de Flora- en faunawet kunnen worden uitgebreid ten aanzien van soorten die op grond van de Wet natuurbescherming beschermd worden maar dat op grond van de Floraen faunawet nog niet waren. Goedkeuring van een gedragscode op grond van de Flora- en faunawet blijft ook onder de Wet natuurbescherming geldig, voor de duur van de goedkeuring. Daarna dient de gedragscode voor goedkeuring getoetst te worden aan de Wet natuurbescherming.
Welke soorten zijn beschermd? De Wet natuurbescherming kent drie categorieën beschermde soorten: 1. Ten eerste worden alle van nature in Nederland in het wild levende vogels beschermd volgens het beschermingsregime van de Vogelrichtlijn. 2. Ten tweede worden soorten beschermd op grond van de Habitatrichtlijn, het Verdrag van Bern en het Verdrag van Bonn. 3. Tenslotte is er een beschermingsregime voor ‘andere soorten’ waaronder soorten vallen die vanuit nationaal oogpunt bescherming behoeven.
Verbodsbepalingen Wet natuurbescherming
25
Vrijgestelde soorten In afwijking van de verboden in artikel 3.10, eerste lid, van de Wet is het toegestaan de onderstaande soorten opzettelijk te doden, en te vangen en de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van deze soorten opzettelijk te beschadigen of te vernielen wanneer er geen andere bevredigende oplossing bestaat. De vrijstelling is van kracht wanneer de handeling verband houdt met de volgende activiteiten: -
de ruimtelijke inrichting of ontwikkeling van gebieden, daaronder begrepen het daarop volgende gebruik van het ingerichte of ontwikkelde gebied; het bestendig beheer of onderhoud aan vaarwegen, watergangen, waterkeringen, waterstaatswerken, oevers, vliegvelden, wegen, spoorwegen of bermen, of in het kader van natuurbeheer.
26
Lijst met soorten waarvoor een vrijstelling van de verbodsbepalingen geldt als gevolg van handelingen die in het kader van een ruimtelijke ontwikkeling worden uitgevoerd. Op basis van door PS vastgestelde verordeningen d.d. 4 maart 2019.
27
Bijlage 3. Fotobijlage. Impressie van het plangebied en de directe omgeving. Deelgebied Bosweg 1
28
29
30
Deelgebied P.W. Janssenlaan
31
Bijlage 4. Geraadpleegde bronnen: Internet: https://www.verspreidingsatlas.nl https://www.synbiosys.alterra.nl/natura2000/ https://www.regelink.net/kenniscentrum/beschermde-soorten-wet-natuurbescherming/ http://www.netwerkgroenebureaus.nl/werken-aan-kwaliteit/vleermuisprotocol (vleermuisprotocol) https://calculator.aerius.nl http://www.ruimtelijkeplannen.nl
32