CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 3 Concept wijziging omgevingsplan Pels Rijcken

Politieke avond Westerveld 3 februari 2026, gemeente WesterveldBij agendapunt: Raadsvoorstel en -besluit uitwerking motie sierteelt (spreekrecht)7.693 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

CONCEPT

Notitie

voor

Gemeente Westerveld

cc van

Kantoor Landsadvocaat

datum

2 januari 2026

inzake

Concept-wijziging omgevingsplan sierteelt Westerveld

zaaknr

11024559

1

Omgevingsplanwijziging Artikel 1 – voorrangsbepaling 1.

Het bepaalde in [dit hoofdstuk/afdeling/etc] geldt in aanvulling op de regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet.

2.

Voor zover op basis van de regels in het tijdelijke deel van dit omgevingsplan, bedoeld in artikel 22.1, onder a, van de Omgevingswet de activiteiten als bedoeld in artikel [x] zijn toegestaan, geldt het verbod als bedoeld in artikel [x] in afwijking van die regels uit het tijdelijk deel van het omgevingsplan.

Artikel 2 – meldingsplicht 1.

Ten minste één maand voor aanvang van een sierteeltactiviteit doet degene die één of meer van die activiteit(en) voornemens is te verrichten hiervan melding bij het college van burgemeester en wethouders.

2.

Bij de melding voegt degene die voornemens is een sierteeltactiviteit te verrichten: 2.1.de naam en contactgegevens van degene die de sierteeltactiviteit zal verrichten; 2.2.een aanduiding van het kadastrale perceel of gedeelte daarvan waarop de sierteeltactiviteit plaatsvindt; 2.3.welk(e) soort(en) bloemgewas daar bewerkt zullen worden als onderdeel van de sierteeltactiviteit; 2.4.of enkel gebruik wordt gemaakt van biologische gewasbeschermingsmiddelen zoals genoemd in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165.

3.

11024559 - -

Indien de sierteeltactiviteit waarop de melding ziet:

CONCEPT a.

2/19

wordt beëindigd, waarvan sprake is als degene die bestaande sierteeltactiviteiten heeft verricht voornemens is het komende jaar geen sierteeltactiviteiten te verrichten en derhalve geen bedrijfsactiviteiten (inclusief voorbereidingshandelingen) meer verricht die gericht zijn op de sierteeltactiviteit, of

b.

wordt gewijzigd ten opzichte van de eerder ingediende melding, waarvan in ieder geval sprake is als degene die sierteeltactiviteiten voor een bepaald bloemgewas of bepaalde bloemgewassen verricht, overstapt naar een of meerdere andere bloemgewas(sen) bedoeld in de definitiebepaling van sierteeltactiviteit of gebruik maakt van een ander type gewasbeschermingsmiddel dan waarop de melding ziet, dient degene die de sierteeltactiviteit verricht daarvoor een nieuwe melding in.

4.

De melding als bedoeld in het eerste lid heeft een geldigheidsduur tot het moment waarop een perceel anders dan ten behoeve van een sierteeltactiviteit wordt gebruikt.

5.

Het is niet toegestaan een sierteeltactiviteit te verrichten zonder of in afwijking van de melding, als bedoeld in het eerste tot en met het vierde lid.

Artikel 3 – verbodsbepaling 1.

Het is verboden om een sierteeltactiviteit te verrichten binnen 50 meter van sierteeltgevoelige locaties.

2.

Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is niet van toepassing op bloembollen dan wel bloemgewassen die worden geteeld met gebruikmaking van uitsluitend biologische gewasbeschermingsmiddelen zoals genoemd in Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165.

3.

Het verbod, als bedoeld in het eerste lid, is tot [1 januari 2028] niet van toepassing op sierteelt die reeds was aangevangen op het moment van inwerkingtreding van dit artikel. Hieronder wordt verstaan sierteelt die feitelijk is aangevangen door het zaaien, planten of anderszins in de grond brengen van het gewas, of waarvoor reeds voorbereidingshandelingen zijn verricht die maken dat een agrarisch perceel het eerstvolgende plantseizoen na inwerkingtreding van dit artikel niet anders dan voor niet-biologische sierteelt kan worden gebruikt. De in dit lid opgenomen uitzondering is niet van toepassing op de intensivering van reeds aangevangen sierteelt, waaronder ook uitbreiding valt.

Definities: 1.

Bedrijfswoning: woning in of bij een gebouw of op of bij een terrein, slechts bestemd voor het huishouden van een persoon wiens huisvesting daar, gelet op de functie van het gebouw of terrein, noodzakelijk is.

CONCEPT

2.

3/19

Sierteeltgevoelige locaties: locaties waaraan in het omgevingsplan of bij een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit één of meer van de volgende functies zijn toebedeeld: 2.1.een woonfunctie, niet zijnde gronden waarop uitsluitend een bedrijfswoning is toegestaan, en nevengebruiksfuncties daarvan; 2.2.een onderwijsfunctie en nevengebruiksfuncties daarvan; 2.3.een gezondheidszorgfunctie met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan; 2.4.een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied en nevengebruiksfuncties daarvan. Tot een sierteeltgevoelige locatie, zoals hiervoor omschreven, behoren ook de daarbij behorende terreinen, zoals – doch niet uitsluitend – tuinen, erven en (toegangs)wegen

3.

Sierteeltactiviteit: de teelt van bloembollen dan wel bloemgewassen, bedoeld als snijbloem, als plantgoed of voor de droge verkoop van in ieder geval tulpen, lelies, hyacinten, narcissen, dahlia's, irissen, gladiolen en pioenrozen. Hieronder valt niet de teelt van bloembollen dan wel bloemgewassen die niet bedoeld zijn als siergewas maar geteeld worden voor groenbemesting, bodemverbetering, plaagbestrijding of de productie van voedsel, olie of biobrandstof.

CONCEPT 2

4/19

Algemene toelichting wijziging omgevingsplan Gemeente Westerveld in verband met beperking sierteelt

2.1

Algemeen Op 16 december 2025 heeft het college van burgemeester en wethouders1 van Westerveld een voorbereidingsbesluit genomen, inhoudende dat er per 19 december 2025 geen sierteelt mag plaatsvinden op percelen waar dat op dat moment nog niet plaatsvond (Voorbereidingsbesluit sierteelt Omgevingsplan gemeente Westerveld). Het college heeft bij besluit van [datum] dit voorbereidingsbesluit aangepast,2 om de voorbereidingsbescherming alvast met het ontwerp-omgevingsplan in overeenstemming te brengen met de regels in de voorliggende wijziging van het omgevingsplan. De onderhavige wijziging van het omgevingsplan bevat een beperking gericht op het verbieden van nieuwvestiging van sierteelt en op het verbieden van uitbreiding van bestaande sierteelt binnen 50 meter van sierteeltgevoelige locaties (hierna: de afstandsnorm). Hiermee is beoogd sierteelt in beginsel te verbieden binnen 50 meter van sierteeltgevoelige locaties vanwege met name de mogelijke risico’s voor in het bijzonder de volksgezondheid. Het staat immers vast dat sierteelt vaak gepaard gaat met een meer dan gemiddeld intensief gebruik van gewasbeschermingsmiddelen (zie ook paragraaf 1.3 hierna). De afgelopen jaren is sierteelt in toenemende mate onderwerp van een publieke en politieke discussie.

Het gaat daarbij met name om zorgen over de mogelijke impact van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op de volksgezondheid, vanwege de hoge frequentie en grote hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen die bij sierteelt worden gebruikt. Daarnaast zijn er gevolgen voor dier en milieu. Ook in Westerveld zorgt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt al enige tijd voor maatschappelijke onrust. Verschillende betrokken partijen hebben bij de gemeente zorgen geuit. Zo maken inwoners en belangenorganisaties zich zorgen over de risico’s voor volksgezondheid, en ervaren telers onzekerheid over de continuïteit van hun bedrijf. Op 27 mei 2025 heeft de gemeenteraad unaniem een motie aangenomen om te onderzoeken of er juridische mogelijkheden zijn om in de gemeente Westerveld de impact van sierteelt tijdelijk (tot ten minste 2030) te beperken.3 Daarom komt de gemeente Westerveld tot een specifieke regeling waarmee een eerste balans wordt getroffen tussen enerzijds de gezondheidsbelangen van omwonenden en anderzijds de bedrijfsbelangen van telers van sierteelt.

1

2

3

Op basis van artikel 1 lid 10 van Delegatiebesluit Omgevingswet gemeente Westerveld is de bevoegdheid voor het nemen van een voorbereidingsbesluit gedelegeerd aan het college. Kamerstukken II 2017/18, 34 986, nr. 3, p. 69: “een voorbereidingsbesluit kan tussentijds worden gewijzigd, maar de werkingsduur wordt hierdoor niet verlengd.” Zoals genoemd in de toelichting bij Voorbereidingsbesluit sierteelt Omgevingsplan gemeente Westerveld.

CONCEPT

5/19

De hier bepaalde afstandsnorm voor sierteelt ten opzichte van sierteeltgevoelige locaties wordt in het Omgevingsplan opgenomen tot in ieder geval 2030. In 2030 wordt dit opnieuw beschouwd en zal de raad bezien of de stand van de wetenschap of de ontwikkelingen in de sierteelt aanleiding geven hiervan terug te komen of een andere afstandsnorm te stellen. 2.2

Bevoegdheid gemeenteraad Op grond van artikel 2.4 van de Omgevingswet moet de gemeenteraad een omgevingsplan vaststellen met daarin regels over de fysieke leefomgeving, met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Daarbij betrekt de gemeenteraad ook het belang van een veilige en gezonde fysieke leefomgeving (art. 1.3 aanhef en onder a Omgevingswet). In het omgevingsplan staan regels die nodig zijn met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (artikel 4.2 lid 1 Omgevingswet). Bij het stellen van regels met het oog op een evenwichtige toedeling van functies aan locaties moet de gemeenteraad in ieder geval rekening houden met het belang van het beschermen van de gezondheid (artikel 2.1 lid 4 Omgevingswet). De grondslag voor het stellen van regels over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het omgevingsplan door de gemeenteraad volgt dan ook uit de Omgevingswet. Dit zou slechts anders zijn als de Omgevingswet niet van toepassing zou zijn, bijvoorbeeld omdat onderwerpen met betrekking tot (onderdelen van) de fysieke leefomgeving al bij of krachtens een andere wet uitputtend zouden zijn geregeld. Op grond van artikel 12 lid 1, onder a van de Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden (2009/128/EG) zijn landen verplicht om kwetsbare groepen te beschermen tegen schade door gewasbeschermingsmiddelen.

Het beschermen van kwetsbare groepen tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen is echter nog niet uitputtend geregeld in de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Wgb). De Wgb bevat weliswaar regels over de toelating van gewasbeschermingsmiddelen en gebruiksvoorschriften en beoogt voor het op de markt brengen van die middelen een uitputtend juridisch kader te bieden,4 maar stelt geen concrete regels aan het gebruik ervan. Evenmin heeft de Wbg tot doel om kwetsbare groepen te beschermen tegen de blootstelling aan (een te hoge concentratie van) gewasbeschermingsmiddelen. Dat is een taak die het Rijk bij de gemeenten heeft belegd. Volgens het Rijk kunnen gemeenten, aanvullend op de risicobeoordeling van middelen: “in nieuw op te stellen bestemmingsplannen (Ruimtelijke Ordening) regels opstellen die bijdragen aan het verminderen van het risico op blootstelling”.5 Bovendien wordt in jurisprudentie over “spuitvrije zones” standaard aangenomen dat het aanwijzen van een spuitvrije zone binnen de bevoegdheid van een gemeenteraad

4 5

Kamerstukken II, 2005-2006, 30 474, p. 33. Geactualiseerd Nederlands actieplan duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen 2022 t/m 2025, p. 19.

CONCEPT

6/19

valt.6 In de tot nu toe hierover gewezen zaken was het oude recht nog van toepassing, maar er is geen aanleiding om te menen dat dit onder de Omgevingswet anders is. De gemeenteraad kan dus onverminderd in het omgevingsplan regels stellen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Gezien de mogelijke risico’s voor mens, dier en milieu kiest de gemeenteraad er in dit geval voor om, het voorzorgsbeginsel in acht nemend, van deze bevoegdheid gebruik te maken. Voorzorgsbeginsel De Wgb implementeert Europese Verordeningen over gewasbescherming (Verordening (EG) 1107/2009 en (EG) 528/212). In Verordening (EG) 1107/2009 staat onder andere dat een gewasbeschermingsmiddel, rekening houdend met realistische gebruiksomstandigheden en met bekende cumulatieve en synergistische effecten, geen onmiddellijk of uitgesteld schadelijk effect op de gezondheid van mens of dier mag hebben, rechtstreeks of via drinkwater, levensmiddelen, dierenvoeding of lucht, noch andere indirecte effecten (artikel 4 lid 3, aanhef en onder b) en dat lidstaten op basis van het voorzorgsbeginsel maatregelen kunnen treffen als er onzekerheid bestaat over de risico's voor mens, dier of milieu (artikel 1 lid 4). Het voorzorgsbeginsel is een beginsel gericht op risicobeheer.

Wanneer wetenschappelijk bewijsmateriaal ontoereikend is, geen uitsluitsel geeft of onzekerheden bevat, en er op grond van een voorlopige maar objectieve risicoevaluatie aanwijzingen zijn voor potentieel gevaarlijke gevolgen voor het milieu of de gezondheid van mensen, dieren en planten– is het mogelijk om maatregelen te nemen zonder af te wachten tot alle vereiste wetenschappelijke gegevens ter beschikking staan.7 Vice versa kan het voorzorgsbeginsel ook vereisen dat een overheid maatregelen neemt in reactie op onzekere risico’s, ondanks een gebrek aan wetenschappelijk uitsluitsel over die risico’s. De keuze van de maatregelen hangt dan af van (onder meer) de ernst van het risico en de mate van wetenschappelijke onzekerheid. Het is aan de overheid om hierin een balans te vinden. Het toepassen van het voorzorgsbeginsel wordt in Verordening (EG) 1107/2009 ook als belangrijke waarborg aangemerkt om schadelijke effecten op de gezondheid van mens of dier en onaanvaardbare effecten voor het milieu te voorkomen.8 Ook in de rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling bestuursrechtspraak) wordt het voorzorgsbeginsel erkend als grondslag voor regelgeving voor de gemeente.

In een zaak over de geitenhouderijstop overwoog de Afdeling bestuursrechtspraak dat het voorzorgsbeginsel een grond kan zijn voor het stellen van regels die het grondgebruik beperken. Hoewel de exacte

6 7 8

Zie bijvoorbeeld ABRvS 21 april 2021, ECLI:NL:RVS:2021:851. Mededeling van de Commissie over het voorzorgsbeginsel (COM 2000 1 definitief), p. 10. Verordening (EG) 1107/2009, considerans 8: ‘Het voorzorgsbeginsel dient te worden toegepast en deze verordening dient te waarborgen dat de industrie aantoont dat de stoffen of producten die worden geproduceerd of op de markt worden gebracht geen enkel schadelijk effect op de gezondheid van mens of dier hebben, noch enig onaanvaardbaar effect voor het milieu.’

CONCEPT

7/19

oorzaak van de verhoogde kans op longontsteking voor omwonenden binnen een straal van 2 km rondom een geitenhouderij nog nader onderzocht moest worden en het causaal verband niet vaststond, vormden de mogelijke gezondheidsrisico’s voldoende grond voor een gemeente om maatregelen te treffen.9 Dit strookt eveneens met de positieve verplichtingen die staten (en afgeleid daarvan decentrale overheden) hebben uit hoofde van artikel 2 en artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Deze artikelen brengen een positieve verplichting voor de Staat mee om, waar nodig, passende maatregelen te treffen met het oog op de bescherming van het leven en de persoonlijke levenssfeer van mensen. Hieronder kan ook vallen het nemen van maatregelen tegen gevaar waarvan niet zeker is of het zich zal verwezenlijken.10 Het voorzorgsbeginsel brengt volgens de Raad van Europa dan ook mee dat als er een sterke verdenking is dat een bepaalde activiteit nadelige effecten voor de fysieke leefomgeving kan hebben, het beter is die activiteit nu te beperken dan af te wachten tot er onomstotelijk wetenschappelijk bewijs voorhanden is.11 Gewasbeschermingsmiddelen worden in toenemende mate in verband gebracht met verschillende serieuze nadelige gezondheids- en milieueffecten (zie ook paragraaf 1.3).

Niet alle effecten zijn tot nu toe even diepgaand of sluitend onderzocht. Toch zijn de verbanden die tot nu toe zijn gebleken volgens de gemeenteraad zodanig dat hij in het kader van zijn belangenafweging vanuit het voorzorgsbeginsel aanleiding ziet om maatregelen te nemen ter regulering van de sierteelt. Hierbij wordt specifiek sierteelt gereguleerd vanwege de gezondheidsrisico’s verbonden aan de daar gangbare hogere gebruiksfrequenties en hoeveelheden van gewasbeschermingsmiddelen in vergelijking met andere gewastypen. Om blootstelling van mensen aan gewasbeschermingsmiddelen zoveel mogelijk te beperken, is het reguleren van sierteelt daarom een effectieve oplossing. Gemeenten hebben bovendien nadrukkelijk een taak bij het beschermen van kwetsbare groepen tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen. De Richtlijn duurzaam gebruik pesticiden (2009/128/EG) verplicht landen om kwetsbare groepen te beschermen tegen schade door pesticiden (art. 12 lid 1, onder a). Kwetsbare groepen zijn onder andere: zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven, ongeboren kinderen, zuigelingen, kinderen en ouderen, alsmede bewoners die gedurende langere tijd blootstaan aan hoge doses pesticiden (art. 3, punt 14 van Verordening (EG) 1107/2009). De verantwoordelijkheid voor de uitvoering van de Richtlijnbepaling heeft het Rijk bij gemeenten belegd. Volgens het Rijk kunnen

9 10

11

ABRvS 19 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2791, r.o. 4.3 en 5.1. Zie bijvoorbeeld HvJ EG 5 mei 1998, C‐157/96 (National Farmers Union e.a.), r.o. 63 en HvJ EG 5 mei 1998, C‐180/96 (BSE), r.o. 99. Zie voor toepassing hiervan door de Nederlandse rechter HR 20 december 2019, ECLI:NL:HR:2019:2006. Manual on Human Rights and the Environment, Council of Europe Publishing (2012) p. 139.

CONCEPT

8/19

gemeenten dit regelen in hun omgevingsplan, aanvullend op de risicobeoordeling van middelen.12 Zowel de Europese autoriteit die gewasbeschermingsmiddelen heeft goedgekeurd (European Food Safety Authority (EFSA)) als de Nederlandse autoriteit die de middelen heeft toegelaten op de Nederlandse markt (het Ctgb) erkent dat er sprake is van een lacune ten aanzien van een aantal gewasbeschermingsmiddelen en – kort gezegd – het effect dat zij mogelijk hebben op mensen, met name ten aanzien van neurologische aandoeningen op de langere termijn.13 Ook is door de voorzieningenrechter van het Gerechtshof ’s-Hertogenbosch geconstateerd dat de Nederlandse wetgever artikel 12 van Richtlijn 2009/128 EG niet volledig geïmplementeerd heeft.14 Dit artikel draagt lidstaten op ervoor te zorgen dat het gebruik van pesticiden in bepaalde gebieden wordt geminimaliseerd of verboden, specifiek voor gebieden die door het brede publiek of door kwetsbare groepen worden gebruikt. De wetgever heeft deze bepaling omgezet door in artikel 27 Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden een algeheel verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in te voeren, maar de landbouw is van dat verbod uitgezonderd.

Dit maakt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de landbouw (waaronder ook sierteelt) in de onmiddellijke nabijheid van woningen en omliggende tuinen, waar personen verblijven uit de voorgeschreven kwetsbare groepen, niet onder dit verbod valt. Onder de niet-limitatieve opsomming van kwetsbare groepen vallen onder andere zwangere vrouwen, vrouwen die borstvoeding geven, ongeboren kinderen, zuigelingen, kinderen en ouderen, maar ook omwonenden die gedurende langere tijd blootgesteld worden aan hoge doses pesticiden (artikel 3, lid 14 Verordening 1107/2009). Ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State constateerde ”dat er geen wettelijke voorschriften zijn over de minimaal aan te houden afstanden tussen gronden waarop bomen en andere gewassen in de open lucht worden gekweekt en nabijgelegen gevoelige objecten, zoals woningen”.15 De hoogste bestuursrechter concludeerde dat hierbij bestemmingsplannen van gemeenten kunnen worden betrokken die het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de nabijheid van woningen in hun gemeenten reguleren of verbieden.

16 De Afdeling bestuursrechtspraak neemt in inmiddels vaste rechtspraak aan dat in het algemeen een afstand van 50 meter tussen gevoelige functies en agrarische bedrijvigheid waarbij gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt, niet onredelijk is.17 Een kleinere afstand kan aanvaardbaar zijn, mits locatiespecifiek onderzoek deze aanvaardbaarheid kan onderbouwen.18 Deze jurisprudentie is in gelijke zin van toepassing op omgevingsplannen. 12 13

14 15 16 17 18

Geactualiseerd Nederlands actieplan duurzaam gebruik gewasbeschermingsmiddelen 2022 t/m 2025, p. 19. EFSA Europe, Glyphosate: no critical areas of concern; data gaps identified, 6 juli 2023. Rb. NoordNederland, 12 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2333. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2043. ABRvS 18 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1154, r.o. 23.5. Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 22 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2043. Zie bijvoorbeeld ABRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523. ABRvS, 4 mei 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1179, r.o. 5.2.

CONCEPT

9/19

Ook in andere gemeenten is al gekozen voor een (uitbreidings)verbod op of beperking van sierteelt, zoals in de gemeente De Fryske Marren, de gemeente Haaksbergen en gemeente Opsterland. 2.3

Risico’s van gewasbeschermingsmiddelen in sierteelt voor mens, dier en milieu Gewasbeschermingsmiddelen worden in toenemende mate in verband gebracht met verschillende serieuze nadelige gezondheids- en milieueffecten. Deze effecten heeft de gemeenteraad betrokken in haar belangenafweging om te komen tot het verbod op sierteelt binnen 50 meter van sierteeltgevoelige locaties. Om deze afweging inzichtelijk te maken volgt hieronder een korte bespreking van de tot nu toe bekende mogelijke effecten voor mens, dier en natuur die deze keuze hebben ingegeven. Hierbij verdient opmerking dat de gemeenteraad zich in het kader van deze afweging heeft vergewist van de effecten van chemische gewasbeschermingsmiddelen op de fysieke leefomgeving in haar geheel, waaronder zowel mens als ook dier en natuur vallen, maar met het oog op volksgezondheid deze regeling treft. Ten aanzien van effecten voor de gezondheid van de mens: -

Blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen is in de buurt van bloembollenvelden aanzienlijk hoger dan op een grotere afstand daarvan. Concentraties pesticiden in de buitenlucht zijn bij omwonenden gemiddeld hoger naarmate ze dichter bij een locatie wonen waar met gewasbeschermingsmiddelen wordt gespoten.19 Gewasbeschermingsmiddelen worden tot ver in de omgeving van bollenteelt aangetroffen: bijvoorbeeld op 500 meter afstand van de bollenteelt werden nog gewasbeschermingsmiddelen aangetroffen in de urine van omwonenden, in de luiers van kinderen en in huisstof. 20 Ook bleek dat in woningen op 250 meter van de bollenvelden de lucht gemiddeld tien keer hogere concentraties gewasbeschermingsmiddelen bevat dan de lucht bij verder weg gelegen woningen. 21 Huisstof bevatte in die woningen gemiddeld vijf keer hogere concentraties.22 Hoewel de hier aangetroffen concentraties nog wel binnen de toegestane marges vielen, acht de gemeenteraad het in het kader van de afstandsnorm wel relevant dat nabijgelegen locaties aan aanzienlijk hogere concentraties blootgesteld worden.

-

Blootstelling aan een ‘cocktail’ van gewasbeschermingsmiddelen kan schadelijker zijn dan blootstelling aan individuele middelen, maar bij de toelating van een gewasbeschermingsmiddel wordt niet gekeken naar de

19

20

21

22

Montforts e.a., Bestrijdingsmiddelen en omwonenden: Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten, RIVM-rapport 2019, p. 23. Montforts e.a., Bestrijdingsmiddelen en omwonenden: Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten, RIVM-rapport 2019. Montforts e.a., Bestrijdingsmiddelen en omwonenden: Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten, RIVM-rapport 2019. Ten opzichte van de controlegroep van verder weg wonende deelnemers van het onderzoek. Montforts e.a., Bestrijdingsmiddelen en omwonenden: Samenvattend rapport over blootstelling en mogelijke gezondheidseffecten, RIVM-rapport 2019.

CONCEPT

10/19

cumulatieve effecten. Dit betekent dat hoewel de aangetroffen concentraties in het Onderzoek Bestrijdingsmiddelen en Omwonenden onder toxicologische grenswaarden bleven, onbekend is wat de effecten zijn van chronische blootstelling aan een cocktail van stoffen. Hiervoor waarschuwen de Gezondheidsraad23 en het RIVM.24 Het gaat in dit kader ook over blootstelling via verschillende routes (bijvoorbeeld vanuit de omgeving en via voedsel).25 -

Het RIVM constateert dat in de toelatingsprocedure van gewasbeschermingsmiddelen de gevolgen op neurotoxiciteit en neurodegeneratieve ziekten zoals Parkinson, Alzheimer en ALS niet goed onderzocht worden, terwijl de relatie hiertussen volgens het RIVM wel plausibel is.26 Ook het College van toelating van gewasbeschermingsmiddelen en biociden (Ctgb) heeft gewaarschuwd voor de mogelijke link met Parkinson en het hiaat in de risicobeoordeling.27 Ook de Gezondheidsraad wijst hierop, evenals de risico’s voor ongeboren en jonge kinderen.28

-

Uit EU-breed onderzoek bleek dat onvoldoende wordt gekeken naar de langetermijneffecten op de ontwikkeling van kwetsbare groepen zoals kinderen, en naar de effecten van chronische blootstelling aan een cocktail van middelen.29

-

Autisme en ADHD worden in verband gebracht met chronische blootstelling van kinderen aan lage hoeveelheden bestrijdingsmiddelen.30

-

Er zijn steeds meer aanwijzingen voor een relatie tussen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen en verschillende kankersoorten, longaandoeningen, voortplantingsproblemen en immuniteitsproblemen, zo stelt het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten.31

-

Het European Environment Agency, een agentschap van de EU gericht op kennis en inzicht over milieu-effecten, signaleert verschillende gezondheidseffecten van pesticiden op de mens, waarbij sterk bewijs is voor gedragsstoornissen en verstoring van hersenontwikkeling bij jonge kinderen, en een vermoeden van een verband met leukemie bij kinderen. Bij volwassenen constateert de EEA vermoedens van een verband met verstoring van het endocriene systeem, het immuunsysteem, het reproductiesysteem, en vormen van kanker.32

26

27

28 29

30

31 32

Heusinkveld e.a., Gewasbeschermingsmiddelen en neurodegeneratieve ziekten: mogelijkheden om de toelatingsvereisten te verbeteren, RIVM-rapport 2021. Brief van Ctgb aan EFSA, 9 maart 2021, kenmerk 202103090024, te raadplegen op de website van het Ctgb. Gezondheidsraad, Vervolgadvies gewasbescherming en omwonenden, publicatie nr. 2020/10. Sustainable Plant Protection Transition (SPRINT), Sprint project results June 2025, p. 7. Zie specifiek Silva e.a., ‘Pesticide residues with hazard classifications relevant to non-target species including humans are omnipresent in the environment and farmer residences’, Environment International. Nov 1;181:108280 (2023), https://doi.org/10.1016/j.envint.2023.108280. Roberts, Dawley & Reigart, ‘Children's low-level pesticide exposure and associations with autism and ADHD: A review’, Pediatric research 2019, 85(2), p. 234-24. Zie ook Ehrenstein e.a., ‘Prenatal and infant exposure to ambient pesticides and autism spectrum disorder in children: population based case-control study’, The BMJ 2019. Nederlands Centrum voor Beroepsziekten 2018, Factsheet bestrijdingsmiddelen/pesticiden. European Environment Agency: how pesticides impact human health (briefing), 26 april 2023.

CONCEPT -

11/19

De Gezondheidsraad concludeert dat internationale epidemiologische literatuur aanwijzingen biedt dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen tot gezondheidsschade bij mensen kan leiden en wijst hierbij in het bijzonder op ontwikkelingsstoornissen bij kinderen en Parkinson. Hierbij merkt de Gezondheidsraad op dat de bepaling van specifieke blootstelling (exacte omvang van het risico en de specifieke verantwoordelijke gewasbeschermingsmiddelen) in onderzoek vaak onduidelijk is. Proefdieronderzoek en onderzoek naar werkingsmechanismen laten echter zien dat de genoemde verbanden plausibel zijn. Nederlands onderzoek geeft geen duidelijke aanwijzingen hiervoor, maar is te beperkt in omvang. De zwakke effecten die wel blijken uit Nederlands onderzoek, sluiten aan bij de sterkere bevindingen uit het buitenland. De onderzoekscommissie van de Gezondheidsraad acht de conclusie gerechtvaardigd dat blootstelling aan chemische gewasbeschermingsmiddelen een risico vormt voor de gezondheid. Tegelijkertijd verwacht de onderzoekscommissie niet dat méér onderzoek op korte termijn tot duidelijkheid zal leiden, zeker niet over langetermijneffecten. Daarom pleit zij voor toepassing van het voorzorgsbeginsel.33

In de sierteelt is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bovendien intensiever dan het gemiddelde gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Dat laat onverlet dat telers zich de afgelopen jaren hebben ingespannen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te verminderen (zoals via het programma Duurzame Bollenteelt Drenthe)34 – en met succes: bij veel sierteeltgewassen, waaronder tulpen, narcissen, hyacinten, en gladiolen, worden ten opzichte van 2020 significant minder gewasbeschermingsmiddelen gebruikt.35 Vooral in de lelieteelt is het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen sterk teruggedrongen: van 113 kg/ha/jaar naar 46 kg/ha/jaar.36 Ondanks deze reductie blijft de sierteelt bovenaan staan in de lijst met hoogste gewasbeschermingsmiddelen per hectare.37 Dit blijkt uit onderzoek van het CBS, dat het gebruik in bepaalde vormen van sierteelt eens per vier jaar in kaart brengt door middel van enquêtes onder telers. De meest recente data zien op het jaar 2024.38 Het gemiddelde gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in gewassen (totaal) was in 2024 5,5 kg/ha/jaar.39 Het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen per hectare is in sierteelt aanzienlijk hoger dan dit gemiddelde: 46,5 kg/ha/jaar voor lelies; 14,5 kg/ha/jaar bij tulpen, 8,2 kg/ ha/jaar bij gladiolen, 10,9 kg/ha/jaar bij hyacinten, 36,6 kg/ha/jaar bij gerbera’s, 49,5 kg/ha/jaar bij chrysanten en 75,4 kg/ha/jaar bij rozen.

40

33 34

35 36

37 38 39 40

Gezondheidsraad, Vervolgadvies gewasbescherming en omwonenden, nr. 2020/10, 29 juni 2020. Zie het bericht op de website van Waterschap Drents Overijsselse Delta, ‘Lelieteelt met minder gewasbestrijdingsmiddelen? In Drenthe lukt het!’, 26 juli 2025. CBS, ‘Landbouw gebruikt een vijfde minder gewasbeschermingsmiddelen, 13 november 2025. Zie tabel ‘gewassen met hoogste gebruik gewasbeschermingsmiddelen per hectare’ in CBS, ‘Landbouw gebruikt een vijfde minder gewasbeschermingsmiddelen’, 13 november 2025. CBS, ‘Landbouw gebruikt een vijfde minder gewasbeschermingsmiddelen’, 13 november 2025. CBS, 'landbouw gebruikt een vijfde minder gewasbeschermingsmiddelen', 13 november 2025. CBS, ‘Landbouw gebruikt een vijfde minder gewasbeschermingsmiddelen’, 13 november 2025. CBS, ‘Landbouw gebruikt een vijfde minder gewasbeschermingsmiddelen’, 13 november 2025.

CONCEPT

12/19

Gezien de verhoogdeconcentraties gewasbeschermingsmiddelen in de omgeving van de sierteeltvelden, de hiaten in de risicobeoordeling voor toelating van gewasbeschermingsmiddelen, de verschillende gezondheidsrisico’s en het ondanks reducties nog steeds bovengemiddeld intensieve gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen in de sierteelt – acht de gemeenteraad het haar taak om met deze beperking in lijn met het voorzorgsbeginsel te voorkomen dat risico’s voor mens, milieu en dier toenemen door sierteelt. Hoewel de gemeenteraad beperkingen stelt aan het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de sierteelt met het oog op volksgezondheid, is als onderdeel van de bredere context relevant te benoemen dat de nadelige risico’s zich niet beperken tot de gezondheid van de mens. Het intensieve gebruik van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt kan namelijk ook schadelijke gevolgen hebben voor de natuur (dier en milieu): gewasbeschermingsmiddelen worden bijvoorbeeld in verband gebracht met de afname van insectenpopulaties41 en biodiversiteit, 42 overschrijdingen van oppervlaktewater, 43 grond- en drinkwatervervuiling, 44 en aantasting van de leefbaarheid van Natura-2000-gebieden.45 Rechtspraak Dat het om deze redenen reguleren van sierteelt een aanvaardbare keuze is, blijkt ook uit rechtspraak over bescherming van omwonenden tegen gewasbeschermingsmiddelen.

Zo is meermaals een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in het kader van sierteelt in de directe nabijheid van omwonenden toegewezen, zelfs als het ging om toegestane gewasbeschermingsmiddelen.46 De rechtbank Noord-Nederland overwoog in dit verband: ”[h]et enkele feit dat gewasbeschermingsmiddelen zijn toegelaten, geeft in ieder geval geen garantie op het ontbreken van met name een uitgesteld schadelijk effect op de gezondheid”.47

41

42

43

44

45 46

47

Kleijn e.a., ‘Achteruitgang insectenpopulaties in Nederland: trends, oorzaken en kennislacunes’, Wageningen Environmental Research 2018; Geiger e.a., 'Persistent negative effects of pesticides on biodiversity and biological control potential on European farmland', Basic and Applied Ecology 2010, afl. 11. Möhring e.a., 'Successful implementation of global targets to reduce nutrient and pesticide pollution requires suitable indicators', Nature Ecology & Evolution 2023, afl. 7. Bestrijdingsmiddelenatlas, onder ‘landgebruik’, ‘tabel top overschrijdende landgebruiken per jaar’, voor piekbelasting: ‘MAC-MKN’; voor chronische blootstelling: ‘JG MKN/MTR’. Voor vervuiling van grondwater, zie toelichting bij art. Provinciaal blad van Gelderland 2024, 9506 bij art. 4.20 lid 1, sub f en lid 3 van de Omgevingsverordening Gelderland. Voor vervuiling van oppervlaktewaterlichamen voor drinkwater, zie Van Driezum e.a., Staat Drinkwaterbronnen, RIVM-rapport 2020-0179, ABRvS 2 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1428, r.o. 5.3. Rb. Limburg, 8 mei 2024, ECLI:NL:RBLIM:2024:2330; Rb. Noord-Nederland, 12 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2333; Rb. Oost-Brabant 19 jun i 2024, ECLI:NL:RBOBR:2024:3440; Hof ArnhemLeeuwarden 10 juli 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:6083; Hof 's Hertogenbosch 22 juli 2025, ECLI:NL:GHSHE:2025:2043. Zie Rb. Noord-Nederland, 12 juni 2023, ECLI:NL:RBNNE:2023:2333, r.o. 4.7.

CONCEPT 2.4

13/19

Belangenafweging Het bevoegd gezag moet bij de vaststelling van een omgevingsplan functies aanwijzen en regels stellen die het uit het oogpunt van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties nodig acht. Daarbij heeft het bevoegd gezag de beleidsruimte om de betrokken belangen af te wegen. Dit biedt ruimte om onder andere vanwege (potentiële) gezondheidsrisico’s van een activiteit uit voorzorg die activiteit planologisch niet toe te laten, dan wel om een minimale afstand voor te schrijven tussen de (potentieel) risicovolle activiteit en plaatsen waar mensen – en kwetsbare groepen in het bijzonder – langdurig verblijven. Met het oog op het voorzorgsbeginsel dienen de eerdergenoemde risico’s voor volksgezondheid te worden afgewogen tegen het belang van sierteelt. In het kader van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties heeft de gemeenteraad daarin ruimte om prioriteiten te stellen. In dit geval overweegt de gemeenteraad dat aan het potentiële gezondheidsrisico van gewasbeschermingsmiddelen bij sierteelt extra gewicht toekomt , nu sierteelt – anders dan de teelt van voedsel – niet bijdraagt aan doelstellingen op het gebied van voedselzekerheid. De telers hebben een commercieel belang bij de sierteelt. Voor telers resteert na de regulering nog voldoende van dit commerciële belang, om verschillende redenen.

Daarbij staat voorop dat er geen algeheel verbod op sierteelt zal gelden, maar slechts een verbod op het telen hiervan binnen een afstand van 50 meter van sierteeltgevoelige functies. Deze afstand wordt in het ruimtelijk bestuursrecht als uitgangspunt aanvaardbaar geacht als minimale afstand van een agrarisch perceel waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt tot aan een gevoelige locatie.48 Ten tweede kunnen telers hun bedrijfsactiviteiten met betrekking tot sierteelt voortzetten indien zij overgaan op andere gewasbeschermingsmiddelen, namelijk de biologische variant. Biologische gewasbeschermingsmiddelen zijn immers van het verbod uitgezonderd. Daarnaast kunnen telers het perceel blijven gebruiken voor andere, minder belastende teelt(en), voor zover zij dat niet al deden (sierteelt betreft vaak wisselteelt). In het licht van de te dienen belangen (gezondheid van de mens voorop) meent de gemeenteraad dat de commerciële belangen van telers niet onevenredig worden geraakt door dit besluit. Bovengenoemde potentiële gezondheidsrisico’s gelden voor chemische gewasbeschermingsmiddelen. Van dergelijke risico’s is met betrekking tot biologische gewasbeschermingsmiddelen niet in vergelijkbare mate gebleken. Daarom is sierteelt die behandeld wordt met biologische gewasbeschermingsmiddelen, uitgezonderd van het verbod. Voor een specifieke toelichting op wat geldt als biologisch

48

Deze afstandsmaatstaf vloeit voort uit jurisprudentie van de ABRvS en wordt ook toegepast bij vaststelling/wijziging van omgevingsplannen. Zie bijvoorbeeld ABRvS 17 april 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1599 en ABRvS 6 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4523.

CONCEPT

14/19

gewasbeschermingsmiddel wordt verwezen naar Uitvoeringsverordening (EU) 2021/1165. Activiteiten met betrekking tot bloembollen of -gewassen die niet als luxeproduct worden aangemerkt, zoals bloembollen of bloemgewassen bedoeld voor groenbemesting, bodemverbetering, plaagbestrijding of de productie van voedsel, olie of biobrandstof, vallen niet onder de definitie van sierteeltactiviteit als opgenomen in de definitiebepaling. Dit valt daarom ook niet onder het verbod.. 3

Toelichting op de bepalingen Algemeen Zoals reeds in het voorgaande toegelicht, ziet de raad in de potentiële risico’s die gepaard gaan met het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in specifiek de sierteelt aanleiding om aan sierteelt beperkingen te stellen. Met het voorbereidingsbesluit van 16 december 2025 is alle nieuwe sierteelt of uitbreiding daarvan in de gemeente Westerveld verboden, in aanloop naar een wijziging van het omgevingsplan waarin de beperkingen aan sierteelt zouden worden neergelegd. Inmiddels heeft de raad duidelijk in beeld welke beperkingen in haar ogen evenredig zijn. Uit de stand van de wetenschap blijkt dat er mogelijk een verhoogd risico op gezondheidsproblemen, zoals neurodegeneratieve ziekten (zoals ALS) bestaat door het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Het is op dit moment echter niet duidelijk hoe sterk dit verband is, en op welke afstand tot het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen dit risico verwaarloosbaar wordt. In het licht van die nu bestaande onzekerheden, meent de raad het niet evenredig om een totaalverbod op sierteelt in de gemeente in te voeren.

In plaats daarvan kiest de gemeenteraad ervoor om aansluiting te zoeken bij de inmiddels vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, waaruit blijkt dat een afstand van 50 meter tussen agrarische bedrijvigheid waar gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt en gevoelige functies als redelijk wordt beschouwd.49 Naar het oordeel van de raad wordt op deze manier een aanvaardbaar evenwicht gevonden tussen enerzijds de bescherming van primair gezondheidsbelangen en anderzijds de commerciële belangen van siertelers. Toelichting op art. 1, voorrangsbepaling Artikel 1 regelt de voorrangssystematiek van de regels in [hoofdstuk/afdeling/etc] van het omgevingsplan tot het tijdelijk deel van het omgevingsplan. De regels in deze omgevingsplanwijziging gelden in ieder geval in aanvulling op de regels in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. Voor zover sprake is van strijdigheid tussen de regels in 49

Zie bijv. ABRvS 18 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:804, r.ov. 6.2.

CONCEPT

15/19

het tijdelijk deel van het omgevingsplan en de in deze omgevingsplanwijziging opgenomen regels, geldt dat de regels in deze omgevingsplanwijziging voor dienen te gaan op de regels uit het tijdelijk deel. Gelet daarop is met artikel 1 geborgd dat – voor zover in het tijdelijk deel van het omgevingsplan geen verbodsbepaling met betrekking tot sierteelt is opgenomen – de verbodsbepaling van artikel 3 geldt in afwijking van die regels in het tijdelijk deel. Het verbod van artikel 3 geldt dus, behoudens de in dat artikel opgenomen uitzonderingen, in alle gevallen. Toelichting op art. 2, meldingsplicht In de wijziging van het omgevingsplan is een meldingsplicht opgenomen. Deze meldingsplicht houdt in dat iemand die voornemens is een sierteeltactiviteit te verrichten, dit één maand voor aanvang van die activiteiten meldt bij het college van burgemeester en wethouders. Deze melding heeft hoofdzakelijk een signaleringsfunctie. Doel hiervan is dat het college op de hoogte is van welke en hoeveel van de bedoelde activiteiten in haar gemeente verricht worden. Op de melding volgt géén inhoudelijke beoordeling (acceptatie of weigering) door het college. Een maand nadat de melding is gedaan, mag de activiteit plaatsvinden. Het college zal vervolgens toezicht houden en in voorkomend geval handhavend kunnen optreden wanneer de afstandseis niet in acht wordt genomen.

Er is nadrukkelijk niet gekozen voor een binnenplanse vergunningsystematiek. Vergunningen zijn namelijk bedoeld voor gevallen waarin een voorafgaande individuele beoordeling en een belangenafweging moet plaatsvinden die is toegespitst op een concreet geval of gebied, omdat een algemene regel niet volstaat.50 In dit geval is de gestelde norm van 50 meter gebaseerd op vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak. De gemeenteraad ziet op voorhand geen redenen om hiervan af te wijken en ziet dus ook geen noodzaak om zelf in afwijking hiervan te voorzien door middel van een individuele beoordeling in de vorm van een vergunningstelsel. Het tweede lid schrijft voor welke gegevens de melding moet bevatten. Dit betreft enkel gegevens die nodig zijn voor het doel van deze regeling. Het gaat hierbij om de naam en contactgegevens van degene die voornemens is de activiteiten te verrichten, het (gedeelte van het) kadastrale perceel waarop deze activiteiten betrekking hebben, de soort bloemgewas(sen) waarop de activiteiten betrekking hebben en of de te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen biologisch zijn of niet-biologisch (chemisch). Het opvragen van deze gegevens is noodzakelijk en proportioneel in verhouding met het doel van deze regeling, te weten: het beperken van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in sierteelt ten behoeve van met name de volksgezondheid.

Omdat chemische gewasbeschermingsmiddelen mogelijk nadelige gevolgen voor de gezondheid opleveren en dit van biologische 50

Zie ook de Nota van toelichting bij het Besluit activiteiten leefomgeving, par. 3.5: Keuze voor meldingsplicht en vergunningplicht.

CONCEPT

16/19

gewasbeschermingsmiddelen niet is gebleken, hoeft enkel gemeld te worden of de te gebruiken gewasbeschermingsmiddelen biologisch zijn of niet en is niet nodig om te melden welk type gewasbeschermingsmiddel er gebruikt wordt. De grootste factor voor potentiële schadelijkheid van niet-biologische gewasbeschermingsmiddelen in sierteelt zit hem namelijk niet in de specifieke niet-biologische gewasbeschermingsmiddelen die gebruikt worden, maar in de hoge frequentie en de grote hoeveelheid waarin niet-biologische middelen bij sierteelt worden gebruikt. Omdat wenselijk is dat het college een actueel en accuraat beeld heeft van de bedoelde activiteiten op het gebied van sierteelt, is een melding geldig totdat de sierteeltactiviteit beëindigd of gewijzigd wordt. Van beëindiging van de sierteeltactiviteit is sprake als degene die bestaande sierteeltactiviteiten heeft verricht voornemens is het komende jaar geen sierteeltactiviteiten te verrichten en derhalve geen bedrijfsactiviteiten (waaronder ook voorbereidingshandelingen) meer verricht die gericht zijn op de sierteeltactiviteit. Van wijziging van de sierteeltactiviteit is sprake als degene die sierteeltactiviteiten voor een bepaald bloemgewas of bepaalde bloemgewassen verricht, overstapt naar een of meerdere andere bloemgewas(sen) bedoeld in de definitiebepaling van sierteeltactiviteit.

Als een teler bijvoorbeeld eerst lelies teelt voor sierteelt maar daarna overstapt op tulpen, dient deze hiervan een melding te maken. Ook als gebruik wordt gemaakt van een ander type gewasbeschermingsmiddelen (wel/niet biologisch), moet hiervan melding worden gemaakt. In het vijfde lid is vastgelegd dat het niet is toegestaan om zonder melding als bedoeld in het tweede lid, de in het eerste lid genoemde activiteiten aan te vangen. Artikel 4.4 Omgevingswet biedt de mogelijkheid om in algemene regels zoals in een omgevingsplan een verbod op te nemen voor het verrichten van een activiteit zonder voorafgaande melding. Toelichting op art. 3 en definitiebepaling Met de wijziging van het omgevingsplan stelt de gemeenteraad beperkingen aan (de uitbreiding van) sierteeltactiviteiten. Deze activiteiten zijn niet langer toegestaan op een afstand tot 50 meter van sierteeltgevoelige locaties. Wat onder een sierteeltactiviteit en sierteeltgevoelige locaties wordt verstaan, is nader uitgewerkt in de definitiebepaling. Met een sierteeltactiviteit wordt bedoeld de teelt van alle bloemen die als snijbloem, plantgoed of voor de droge verkoop zijn bedoeld.

Het gaat hier dus om bloemen (zowel bollen als koppen) die voor geen ander doel worden geteeld dan voor de sier of voor de verdere productie van sierbloemen – ook de teelt van bollen die pas elders tot bloem worden gekweekt, valt binnen de reikwijdte van de sierteeltactiviteit. Onder een sierteeltactiviteit valt nadrukkelijk niet de teelt van bloembollen of -gewassen voor

CONCEPT

17/19

groenbemesting, bodemverbetering, plaagbestrijding of de productie van voedsel, olie of biobrandstof. In het tweede lid is een uitzondering opgenomen voor sierteeltactiviteiten waarbij uitsluitend gebruik wordt gemaakt van biologische gewasbeschermingsmiddelen. Van het gebruik van die gewasbeschermingsmiddelen is niet gebleken van dezelfde potentiële gezondheidsrisico’s als bij het gebruik van niet-biologische middelen, zodat naar het oordeel van de raad geen aanleiding bestaat om ook aan de biologische sierteelt beperkingen te stellen. De afstand van 50 meter geldt ten opzichte van sierteeltgevoelige locaties. Sierteeltgevoelige locaties zijn door de raad als volgt ingekaderd: een woonfunctie, niet zijnde een bedrijfswoning; een onderwijsfunctie; een gezondheidszorgfunctie met bedgebied; en een bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied – alle ook met inbegrip van de nevengebruiksfuncties daarvan. Hierbij is van belang dat de nadelige gezondheidseffecten van gewasbeschermingsmiddelen niet beperkt zijn tot verblijf in de buitenlucht, zodat ook de daarbij behorende terreinen, zoals – doch niet uitsluitend – tuinen, erven en (toegangs)wegen zijn aangewezen.

Deze sierteeltgevoelige locaties zijn in de kern vergelijkbaar met gevoelige functies in wet- en regelgeving die ten aanzien van andere thema’s zijn ingekaderd, zoals aangewezen gevoelige gebouwen/bestemmingen in het kader van luchtverontreiniging als bedoeld in het Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen)51 dat tot de inwerkingtreding van de Omgevingswet gold, en de aanwijzing van geluidgevoelige gebouwen in het Besluit kwaliteit leefomgeving.52 De opname van de woonfunctie als sierteeltgevoelige functie is ingegeven door de wens om omwonenden te beschermen en sluit bovendien aan op hetgeen in het kader van gewasbeschermingsmiddelen nadrukkelijk is bepaald in Verordening EG 1107/2009, namelijk dat naast mensen die vanwege leeftijd of gezondheid als kwetsbaar gelden (kinderen, ouderen, zwangere vrouwen, etc.), ook mensen die gedurende langere tijd blootstaan aan hoge doses pesticiden vanwege hun hoedanigheid als bijvoorbeeld bewoner (art. 3, punt 14 van Verordening (EG) 1107/2009) beschermd dienen te worden. De onderwijsfunctie en de bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied zijn gericht op het beschermen van kinderen. De gezondheidszorgfunctie met bedgebied is gericht op de gezondheid van kwetsbare groepen of ouderen.

De woonfunctie is zoals eerder vermeld gericht op het beschermen van omwonenden die door het feit dat zij in de omgeving van een sierteeltlocatie wonen, langdurig worden blootgesteld aan

51

52

In de daar geregelde gevoelige functies of bestemmingen in het kader van luchtverontreiniging werden personen met verhoogde gevoeligheid voor de relevante stoffen beschermd, zoals kinderen en ouderen. Art. 3 Besluit gevoelige bestemmingen (luchtkwaliteitseisen) respectievelijk art 3.21 Besluit kwaliteit leefomgeving.

CONCEPT

18/19

gewasbeschermingsmiddelen. Van de woonfunctie als sierteeltgevoelige functie is de bedrijfswoning uitgezonderd. Dit ziet zowel op de woonfunctie van de sierteler dan wel de agrariër die zijn perceel in gebruik geeft aan een sierteler zelf, als op de bedrijfswoningen van derden. Zouden bedrijfswoningen van derden niet uitgezonderd worden, dan zou dit tot gevolg hebben dat de nabijheid van een andere bedrijfswoning, de uitoefening van het eigen bedrijf beperkt. Dat acht de raad onwenselijk. Hierom, en omdat is gangbaar dat bedrijfswoningen minder beschermd worden tegen externe waarden of risico’s, 53 zijn alle bedrijfswoningen van de sierteeltgevoelige functie uitgezonderd. Voor alle opgenomen sierteeltgevoelige locaties geldt dat ook nevengebruiksfuncties van de genoemde functie onder de definitie van sierteeltgevoelige locatie vallen. Het gaat hier om een nevengebruiksfunctie in de zin van het Besluit bouwwerken leefomgeving. Hierin wordt onder een nevengebruiksfunctie verstaan: ‘een gebruiksfunctie die ten dienste staat van een andere gebruiksfunctie’. In het geval van een woonfunctie zou een nevengebruiksfunctie bijvoorbeeld een kantoor aan huis zijn. Nevengebruiksfuncties vallen ook onder de sierteeltgevoelige locatie omdat met het oog op de ruimtelijke ordening locaties worden aangewezen.

Hierbij is het onwenselijk om een bepaalde locatie in de ene hoedanigheid wél en in de andere hoedanigheid niét als sierteeltgevoelige functie aan te wijzen. Een sierteeltgevoelige locatie is iedere locatie waar ten minste één van de opgesomde functies planologisch kan worden uitgevoerd. Niet relevant is of de functie daadwerkelijk wordt uitgevoerd, nu de eigenaar of gebruiker op die locaties steeds bevoegd is om het gebruik te wijzigen naar één van die functies. Vervolgens is van belang dat de afstand van 50 meter in acht moet worden genomen tot aan een locatie waarin één van die functies is toegekend. De afstand geldt dus tot wat onder oud recht nog het bestemmingsvlak heette. Dit betekent bijvoorbeeld dat de afstand van 50 meter niet geldt tot aan de gevel van een woning, maar tot aan de perceelgrens. Zo is verzekerd dat ook terreinen rondom gebouwen – zoals tuinen – eveneens de beoogde mate van bescherming genieten. De raad heeft voorts in het derde lid voorzien in overgangsrecht. Wijzigingen van het omgevingsplan kennen immers geen verplicht en gestandaardiseerd overgangsrecht. Voor locaties waar op het moment van inwerkingtreding van de afstandsnorm geen sprake is van sierteeltactiviteit, geldt het verbod per direct. Op locaties waar wel concreet sierteelt plaatsvindt, treedt de afstandsnorm op [datum] in werking.

Om echter onder de reikwijdte van het overgangsrecht te vallen, is wel vereist dat op het moment van inwerkingtreding van de afstandsnorm sierteelt of een voorbereidingshandeling met het oog daarop is aangevangen – niet dat sprake is van 53

Bijvoorbeeld in het Besluit burgerluchthavens is bepaald dat bedrijfswoningen minder bescherming genieten in het kader van het externeveiligheidsrisico (art. 10) en tegen geluidshinder (art. 12).

CONCEPT

19/19

andere agrarische activiteiten. Van reeds plaatsvindende sierteelt is sprake als op het moment van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit ofwel al siergewassen zijn geplant of ingezaaid, ofwel dusdanige voorbereidingshandelingen hiertoe zijn getroffen dat het niet meer mogelijk is om een ánder gewas dan siergewassen te planten tijdens het eerstkomende plantseizoen. Dit laatste zou – bijvoorbeeld – aan de orde kunnen zijn als een akker op specifieke wijze is geprepareerd voor sierplanten, terwijl het niet meer mogelijk is om de akker tijdig geschikt te maken voor een ander gewas. Het voorgaande betekent ook dat géén sprake is van reeds plaatsvindende sierteelt, als een sierplant in een voorgaand jaar als wisselgewas is gebruikt maar niet op het moment van inwerkingtreding van het voorbereidingsbesluit wordt geteeld. Zoals ook in het algemene gedeelte van de toelichting uiteengezet, overweegt de gemeenteraad in dit verband dat de overgangstermijn weliswaar relatief kort is, maar de afstandsnorm ook een relatief geringe beperking behelst. Op veel plekken (namelijk: waar teelt niet in de nabijheid van sierteeltgevoelige locaties plaatsvindt) heeft de afstandsnorm geen impact op bestaande bedrijfsvoering.

En ook waar de afstandsnorm wel tot beperkingen leidt, zijn vaak tussen agrarische percelen en sierteeltgevoelige locaties wegen of andere niet-sierteeltgevoelige locaties aanwezig. In die gevallen “verliest” de teler ook niet de volle 50 meter aan bruikbare ruimte. Telers die wel de volledige 50 meter van hun gronden niet voor sierteelt mogen aanwenden, hebben daarnaast in de regel nog steeds voldoende perceeldiepte om de gronden betekenisvol aan te wenden. Bovendien maakt de afstandsnorm niet dat agrarische gronden die binnen de afstandsnorm liggen, onbruikbaar zijn. Sierteelt als zodanig kan blijven plaatsvinden, mits in ieder geval binnen de afstandsnorm gebruik wordt gemaakt van biologische gewasbeschermingsmiddelen. Ook zijn de gronden onverminderd bruikbaar voor andere gewassen. Eén en ander rechtvaardigt in de ogen van de raad een relatief korte overgangstermijn.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=0c7da18a-def2-46e7-ae54-2db2e83b074e