Bijlage 1 Toelichting aanvraag 2 transportverdeelstations en 2 transformatorcellen Westerveld Vledder
Tekst van het document
ID0131 [ O p m e r k i n g e n ]
TOELICHTING AANVRAAG TWEE TRANSPORTVERDEELSTATIONS EN TWEE TRANSFORMATORCELLEN MET ONDERBOUWING EVENWICHTIGE TOEDELING VAN FUNCTIES AAN LOCATIES (ETFAL) BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEIT (BOPA)
Enexis Netbeheer B.V.
P
1
Documenttitel
Toelichting aanvraag twee Transportverdeelstations en twee transformatorcellen met onderbouwing Evenwichtige Toedeling van Functies Aan Locaties (ETFAL) BUITENPLANSE OMGEVINGSPLANACTIVITEIT (BOPA)
Soort document
Onderbouwing
Datum
3 april 2025
Projectnaam
Westerveld Vledder
Projectnummer
ID0131
Opdrachtgever
Enexis Netbeheer B.V.
Auteur
Erik Verbeet
Vrijgave
Joost Versteegh
2
Inhoud 1.
Toelichting op de aanvraag
2
1.1 Aanleiding en doel
2
1.2 Projectgebied
2
1.3 Het omgevingsplan
5
2.
6
Voorgenomen ontwikkeling
2.1 Projectbeschrijving
6
2.3 Procedures en bevoegd gezag
7
3.
8
Toelichting BOPA
3.1 Beoordelingskader
8
3.2 Beleid en regelgeving
8
3.2.1 Rijksbeleid en Rijksregels
8
3.2.2 Provinciaal beleid en provinciale (instructie)regels
9
3.2.3 Gemeentelijk beleid
10
4.
11
Specifieke onderdelen fysieke leefomgeving
4.1 Waarborgen van de veiligheid/externe veiligheid
11
4.2 Beschermen van waterbelangen
12
4.3 Gezondheid en milieu
13
4.3.1 Luchtkwaliteit
13
4.3.2 Geluid
13
4.3.3 Trillingen
14
4.3.4 Bodemkwaliteit
15
4.3.4.5 Geur
15
4.3.4.6 Elektromagnetische velden (EMV)
16
4.4 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed
16
4.4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking
17
4.4.2 Cultureel erfgoed en werelderfgoed
17
4.4.3 Omgevingskwaliteit
17
5.
Uitvoerbaarheid
18
5.1 m.e.r.- (beoordelings-)plicht
18
5.2 Natuur
19
5.3 Ontplofbare oorlogsresten
21
0
5.4 Participatie
21
6.
Belangenafweging en conclusie
21
7.
bijlagen
22
7.1 Bijlagen bij het aanvraagformulier
22
7.2 Later indienen van gegevens en bescheiden
22
Bijlagen 22
1
1.
TOELICHTING OP DE AANVRAAG
1.1 Aanleiding en doel Als gevolg van de energietransitie is er een sterke toename van duurzame initiatieven, in het bijzonder de toename van decentrale opwek van elektriciteit. Deze toename heeft als gevolg dat de infrastructuur van Enexis Netbeheer in heel haar verzorgingsgebied en dus ook in Vledder opgewaardeerd moet worden. In het projectgebied worden een 10 kV 19velds transportverdeelstation, een 20 kV 19velds transportverdeelstation, twee transformatorcellen voor twee 20MVA transformatoren en een rondom gelegen hekwerk gebouwd c.q. geplaatst en een toegangsweg aangelegd (hierna ook te noemen: het project). Het project is noodzakelijk om aan de elektriciteitsvraag in de gemeente te kunnen voldoen en om de druk op het elektriciteitsnet te verlichten. Het project maakt onderdeel uit van de huidige transitie van het gebruik van fossiele brandstoffen naar het gebruik van elektriciteit. 1.2 Projectgebied Twee eerdere projectgebieden zijn om verschillende redenen afgevallen. Dit wordt het derde projectgebied. Enexis Netbeheer is voornemens om het project te realiseren op een deel van het terrein van de voormalige gemeentewerf (stortplaats) tussen Vledderlanden en de Kerkhoflaan op een gedeelte van een perceel kadastraal bekend gemeente Westerveld sectie H, perceelnummer 1037 (kadastrale grootte 38.630 m2). Het perceel is in eigendom van de gemeente Westerveld.
De gronden die nodig zijn voor het project worden aangekocht door Enexis. Dit betreft zowel de gronden voor de toegangsweg als de gronden voor de twee nieuwe transportverdeelstations inclusief twee trafocellen met omringend hekwerk. Met de gemeente Westerveld is overeengekomen om de gronden te verkopen. Ter visualisering van het project volgt hierna een aantal afbeeldingen met onderschrift.
Afbeelding 1, huidige situatie met de bestaande ontsluiting waarvan gebruik zal worden gemaakt.
2
Afbeelding 2, indicatie van de projectlocatie inclusief toegangsweg Afbeelding 3 geeft een impressie van de uiteindelijke opstelling. Hierop zijn de 2 transformatorcellen en de 2 transportverdeelstations goed te zien zijn. De transformatoren worden ondergebracht in 2 aan elkaar geschakelde transformatorcellen. De transportverdeelstations en transformatorcellen staan los van elkaar. Het terrein wordt omsloten met een hekwerk en deels verhard.
Afbeelding 3, impressie uiteindelijke opstelling
3
Afbeelding 4 betreft een voorbeeld van een transportverdeelstation in groen. Een uitvoering in een andere kleur of met steenstrips is mogelijk. Gegeven de locatie denken wij dat de groene uitvoering het meest passend is.
Afbeelding 4 voorbeeld transportverdeelstation in groen
4
Afbeelding 5 geeft een indicatie van de transformatorcel. Op deze afbeelding is de cel in opbouw.
Afbeelding 6, transformatorcel in opbouw, het gebouw daarachter is een transportverdeelstation.
1.3 Het omgevingsplan De vigerende planologische regeling is het bestemmingsplan “Buitengebied”. Dit bestemmingsplan maakt per 1 januari 2024 van rechtswege onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor de gemeente Westerveld. Daarnaast zijn ook de regels van de Bruidsschat van belang. Deze maakt ook onderdeel uit van het tijdelijk deel van het omgevingsplan voor de gemeente Westerveld. 1.4 Leeswijzer Na dit inleidende hoofdstuk vormen de daaropvolgende hoofdstukken de verantwoording van de activiteit die deze motivering mogelijk maakt. In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de gewenste situatie, de voorgenomen ontwikkeling. In hoofdstuk 3 wordt het Rijks- provinciaal- regionaal- en gemeentelijk beleid beschreven. In hoofdstuk 4 wordt ingegaan op de diverse specifieke relevante onderdelen van de fysieke leefomgeving.
5
2.
VOORGENOMEN ONTWIKKELING
2.1 Projectbeschrijving Op de projectlocatie worden twee transportverdeelstations, twee transformatorcellen en een hekwerk gebouwd. Ook wordt een toegangsweg van stelconplaten aangelegd. Als Bijlage 2 wordt de situatietekening/grondaankooptekening bijgevoegd die betrekking heeft op de twee transportverdeelstations en twee transformatorcellen. Bijlage 3 betreft de situatietekening/grondaankooptekening die betrekking heeft op de toegangsweg met stelconplaten. Een transportverdeelstation is een prefab modulair gebouw. Het bevat schakelaars om de stroom in en uit te schakelen en zorgt voor de ontsluiting van elektriciteitskabels. Prefab impliceert dat de stations al zijn gebouwd en enkel op locatie hoeven te worden geïnstalleerd. Deze transportverdeelstations zijn aan de lange zijde voorzien van een deur. Ze zijn ook onderkelderd voor de kabels. De bouwkundige tekening van een transportverdeelstation is als Bijlage 4 bijgevoegd. In de twee transformatorcellen staan elk twee transformatoren. Onder de transformator liggen twee olieopvangbakken. Daarnaast staan om iedere transformator vier scherfwanden die aansluiten op de randen van de olieopvangbakken. Beide transformatorcellen zijn elk voorzien van een deur op de kopse kant. Zie Bijlage 5 voor een nadere verduidelijking.
Daarnaast zal op de grenzen van het projectgebied een hekwerk worden geplaatst van 2 meter met een poort bestaande uit twee openslaande delen van 7 meter. Zie Bijlage 6 met daarin nadere informatie over het hekwerk en de poort. De terreinweergave komt in die bijlage niet overeen met die van het project. De afmetingen bedragen: Transportverdeelstation 13,56 x 3,66 x 3,67 (m) Bruto Oppervlakte: 49,63 m2 Bruto inhoud: 182,14 m3 Kelder 13,52 x 3,62 x 2,35 (m) Bruto oppervlakte: 48,94 m2 Bruto inhoud: 115,01 m3 Tranformatorcel (bij benadering) 9 x 7 x 5 (m) Bruto-oppervlakte: 63 m2 Bruto inhoud: 315 m3 De oppervlakte van de projectlocatie bedraagt inclusief toegangsweg bedraagt 1558 m2 + 216 m2 (1774 m2). De totale oppervlakte van de twee transportverdeelstations en de twee transformatorcellen bedragen bij elkaar opgeteld 224 m2. De totale oppervlakte van de twee transportverdeelstations en de twee transformatorcellen inclusief tussenliggende gangen bedraagt: 345 m2. Verkeer en parkeren De ontwikkeling heeft geen verkeersaantrekkende werking. Een paar keer per jaar verrichten monteurs
6
onderhoud aan de transportverdeelstations en transformatorcellen. De onderhoudsbusjes kunnen op het terrein zelf parkeren. De monteurs hebben toegang tot de locatie via de bestaande ontsluiting aan de Kerkhoflaan en de toegangsweg. 2.2 Toetsing aan het omgevingsplan Op de projectlocatie is het bestemmingsplan “Buitengebied” van toepassing, zoals vastgesteld op 7 mei 2012. Op de projectlocatie rust de enkelbestemming “Bedrijf”, de dubbelbestemming ‘Waarde Archeologie 3’, de dubbelbestemming ‘Waarde – Landschap 2’ en de aanduiding ‘specifieke bouwaanduiding uitgesloten – gebouwen’. De bouw en het gebruik van 2 transportverdeelstations en 2 transformatorcellen inclusief hekwerk van 2 meter, voor zover aangebracht voor de voorgevel, en de aanleg van een toegangsweg passen niet binnen de bestemming “Bedrijf”.
Afbeelding 7 Uitsnede verbeelding
2.3 Procedures en bevoegd gezag De voorliggende aanvraag betreft een aanvraag van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (art. 5.1. lid 1 sub a van de Omgevingswet), hierna ‘bopa’. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd gezag voor het verlenen van deze omgevingsvergunning (art. 5.8 Ow). Op de aanvraag is de reguliere voorbereidingsprocedure met een beslistermijn van 8 weken (art. 16.64 Ow) van toepassing. Op grond van artikel 6.2, van de “Aanwijzing lijst met gevallen als bedoeld in artikel 16.15 A, lid b onder 1 van de Omgevingswet gemeente Westerveld” brengt de gemeenteraad van Westerveld bindend advies uit over deze aanvraag voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit. Het bebouwingsoppervlak is namelijk groter dan 100 m2.
7
3.
TOELICHTING BOPA
3.1 Beoordelingskader BOPA In art. 8.0a-2 en art. 8.0b-1 van het Besluit kwaliteit leefomgeving (hierna: Bkl) zijn de beoordelingsregels opgenomen voor de aanvraag van de bopa. Er moet sprake zijn van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties (ETFAL). Dit houdt in dat het beoogde initiatief in elk geval niet in strijd mag zijn met instructie(regels) afkomstig van het Rijk en de provincie Drenthe en de beoogde ontwikkeling in lijn moet zijn met het vigerende beleid. Daarbij mag de beoogde ontwikkeling geen betrekking hebben op een voorbeschermingsregel in het omgevingsplan of een belemmering vormen voor het uitvoeren van een project waarvoor een rijks of provinciaal projectbesluit is vastgesteld. 3.2 Beleid en regelgeving 3.2.1 Rijksbeleid en Rijksregels 3.2.1 Nationale omgevingsvisie Met de Nationale omgevingsvisie (NOVI) geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomst en de ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. Uitgangspunt in de nieuwe aanpak is dat ingrepen in de leefomgeving niet los van elkaar plaatsvinden, maar in samenhang. Om dit te kunnen bewerkstelligen laat het Rijk de inrichting van de fysieke leefomgeving meer over aan de decentrale overheden en komt de gebruiker centraal te staan. Het Rijk blijft verantwoordelijk voor het systeem van de fysieke leefomgeving.
3.1.2 Klimaatakkoord Om de doelen te halen die in het Klimaatakkoord van Parijs zijn afgesproken werkt Nederland aan een nationaal Klimaatakkoord. In het Klimaatakkoord, onder regie van het kabinet, maken bedrijven, maatschappelijke organisaties en overheden concrete afspraken over de maatregelen waarmee de CO2-uitstoot in Nederland gehalveerd kan worden. Eind 2018 is het ontwerp van het Klimaatakkoord gepresenteerd. Het centrale doel is het terugdringen van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland met ten minste 49% ten opzichte van 1990. Het vergroten van de opwek van hernieuwbare energie levert hier een belangrijke bijdrage aan. Waterschappen zien een relatie tussen de energieopgave van waterschappen en hun watertaken. Er wordt benadrukt dat de beschikbare ruimte zo efficiënt mogelijk benut moet worden door meervoudig ruimtegebruik. Vraag en aanbod dienen zoveel mogelijk bij elkaar worden gebracht. Ten slotte staat in het Klimaatakkoord dat het belangrijk is om te zoeken naar functiecombinaties en om aan te sluiten bij specifieke kwaliteiten van het gebied. Om alle doelen op basis van het klimaatakkoord te kunnen behalen is uitbreiding van voorzieningen door de netbeheerder ten behoeve van netaansluitingen noodzakelijk.
3.1.3 Energieakkoord voor duurzame energie De energiesector in Nederland is verantwoordelijk voor meer dan twintig procent van de uitstoot van broeikasgassen. De uitstoot van broeikasgassen als gevolg van de energiebehoefte kan worden beperkt door energiebesparing en door grootschalige inzet van duurzame energiebronnen. Een dergelijke omschakeling in de Nederlandse energievoorziening betekent een forse inspanning. Deze ambities sluiten aan bij in Europees verband geformuleerde doelstellingen waaraan de lidstaten zich gecommitteerd hebben. In 2013 hebben ruim veertig organisaties, waaronder de overheid, werkgevers, vakbeweging, natuur- en milieuorganisaties, andere maatschappelijke organisaties en financiële instellingen zich verbonden aan het Energieakkoord voor duurzame groei (hierna: Energieakkoord).
8
Met het Energieakkoord komt een duurzame energievoorziening een stap dichterbij. Er dient wel voldoende capaciteit te zijn om duurzame energieprojecten aan te sluiten op het net. Uitbreiding van deze capaciteit is noodzakelijk. De Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR) is opgegaan in de NOVI. Het geeft het integrale ruimtelijke beleidskader van het Rijk weer. In dit beleidsstuk worden ruimtelijke nationale opgaves, doelen en belangen voor de komende tientallen jaren geschetst. Ruimte voor het hoofdnetwerk voor (duurzame) energievoorziening en energietransitie wordt in het NOVI aangemerkt als een nationaal belang. Het Rijk stelt op het gebied van energie dat voor de opwekking en het transport van energie (ook over onze grenzen heen) voldoende ruimte gereserveerd moet worden. Het aandeel van duurzame energiebronnen zoals wind, zon, biomassa en bodemenergie in de totale energievoorziening moet omhoog en deze hebben relatief veel ruimte nodig. De ambitie is dat Nederland in 2040 een robuust internationaal energienetwerk kent en dat de energietransitie ver gevorderd is.
Conclusie Het beoogde project past binnen het beleid van het Rijk.
3.2.2 Provinciaal beleid en provinciale (instructie)regels Omgevingsvisie Drenthe1 Met de Omgevingsvisie Drenthe 2022 wordt invulling gegeven aan de verplichte strategische visie voor de lange termijn voor de gehele fysieke leefomgeving. De Omgevingsvisie gaat in op de samenhang tussen landbouw, natuur, water, wonen, werklocaties, verkeer en vervoer, landschap en cultureel, aardkundig en archeologisch erfgoed. De visie beschrijft de provinciale belangen, ambities, rollen, verantwoordelijkheden en sturing en het beleid. Het schetst de gewenste ruimtelijke ontwikkeling van Drenthe richting 2030. Over energie-infrastructuur staat hierin het volgende. Bij energie-infrastructuur gaat het om boven- en ondergrondse elektriciteitskabels, leidingen voor aardgas, waterstof en andere duurzame gassen, alsmede warmte in de vorm van warm water of stoom. Ook de bijbehorende laag-, midden- en hoogspanningsstations van elektriciteit zijn onderdeel van de infrastructuur. De provinciale ambitie is een robuust en toekomstbestendig energiesysteem in Drenthe dat kan voorzien in de sterke groei van hernieuwbare energie en de transitie van fossiel naar elektrificatie, hernieuwbare gassen en warmtenetten.
Samen met het bedrijfsleven, de Drentse gemeenten en de netbeheerders voert de provincie Drenthe de regie op ontwikkelingen van het energiesysteem, zodat Drenthe voorbereid is op de uitdagingen van de toekomst. De provincie Drenthe werkt samen met de IndustrieTafel Noord-Nederland aan de Cluster Energie Strategie (CES). Deze strategie omvat de verduurzaming van de noordelijke industrie en de programmering van de daarvoor benodigde energieinfrastructuur. Omgevingsverordening Drenthe2
1
Actualisatie Omgevingsvisie Drenthe 2022, zoals vastgesteld op 28 september 2022.
2
Omgevingsverordening Drenthe 2023, geldend vanaf 15-02-2024
9
Hoofdstuk 3 van de Omgevingsverordening provincie Drenthe (Omgevingsverordening) bevat voor verschillende aspecten van de fysieke leefomgeving zoals landschap een omschrijving van de kernkwaliteiten die op het project van toepassing zijn. Op grond van de Omgevingsverordening is artikel 3.1 (Kernkwaliteit Landschap, lid 1 onder a Esdorpenlandschap), artikel 3.2 (Kernkwaliteit Cultuurhistorie, lid 1 Esdorpenlandschap Vledder en Wapserveense Aa) artikel 3.4 (Kernkwaliteit Aardkundige Waarden, lid 1 Aardkundige waarden Beschermingsniveau Hoog) van toepassing. Dit zijn de zogeheten relevante kernkwaliteiten. Gezien het beperkte ruimtebeslag door het project en gegeven het grote nationale belang van de energietransitie en het grote provinciale belang bij een robuust en toekomstbestendig energiesysteem in Drenthe zoals uiteengezet in de Omgevingsvisie wordt geen afbreuk gedaan aan deze kernkwaliteiten en staat de Omgevingsverordening het project in zoverre toe. Verder is het project voorzien in Landelijk Gebied (artikel 3.18 en 3.19 Omgevingsverordening) en niet op een lokaal bedrijventerrein. Het project kan echter niet worden gerealiseerd op een lokaal bedrijventerrein, omdat daarmee onevenredig afbreuk zou worden gedaan aan de functie van deze transportverdeelstations om de elektriciteit optimaal te verdelen tussen de aansluitingen.
Bovendien is deze locatie gekozen in overleg en afstemming met het gemeentebestuur. Dit betekent dat de Omgevingsverordening de vestiging op deze locatie toestaat. Ook is het project voorzien in Landbouwgebied (artikel 3.10), hetgeen evenmin in strijd is met de Omgevingsverordening. Het project veroorzaakt namelijk geen structureel negatief effect op het functioneren van de agrarische sector van het gebied, reeds omdat de gronden nu al niet in agrarisch gebruik zijn en ook niet als zodanig zijn bestemd. Conclusie Met onderhavig initiatief levert Enexis een wezenlijke bijdrage aan het provinciaal beleid. Het beoogde project is in overeenstemming met de relevante bepalingen uit de Omgevingsverordening.
3.2.3 Gemeentelijk beleid Deze paragraaf gaat in op het gemeentelijk beleid op het gebied van gezondheid, veiligheid, goede omgevingskwaliteit en duurzaamheid als centrale thema’s gekoppeld aan de maatschappelijke doelen uit artikel 1.3 van de Omgevingswet. 3.2.4 Omgevingsvisie Westerveld3 Vledder maakt onderdeel uit van de gemeente Westerveld. De Omgevingsvisie Westerveld bevat het toekomstbeeld van en voor de gemeente Westerveld en bevat de integrale langetermijnvisie op de ontwikkeling van de gemeente Westerveld en gaat over de hele fysieke leefomgeving. De visie geeft richting aan wat de gemeente in 2040 wil hebben bereikt. 3.2.5 “Samenwerken aan duurzaamheid” – Duurzaamheidsnota Gemeente Westerveld De gemeente Westerveld investeert vanuit verschillende invalshoeken in duurzaamheid. Er worden 6 duurzaamheidsthema’s onderscheiden: ▪ Energiebesparing ▪ Energie uit hernieuwbare bronnen
3
Omgevingsvisie Westerveld, oktober 2021
10
▪ Natuur inclusief ▪ Circulariteit ▪ Mobiliteit ▪ Klimaatadaptatie Deze duurzaamheidsnota benadrukt het grote belang dat de gemeente hecht aan het opwekken van duurzame energie. Daarvoor is wel voldoende capaciteit nodig om aan te kunnen sluiten op het openbaar net. Het project voorziet in het leveren van deze capaciteit.
Conclusie De gemeente Westerveld zet zich in voor verduurzaming binnen de gemeente. Onderhavig project past binnen het gemeentelijk beleid en draagt bij aan het bereiken van gemeentelijke ambities voor de verduurzaming.
4.
SPECIFIEKE ONDERDELEN FYSIEKE LEEFOMGEVING
4.1 Waarborgen van de veiligheid/externe veiligheid Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de veiligheid van de omgeving (externe veiligheid). Als algemeen uitgangspunt geldt dat een brand, ramp of crisis dient te worden voorkomen, beperkt en te worden bestreden. Personen moeten zich in veiligheid kunnen brengen en de toegankelijkheid voor hulpdiensten moet zijn gewaarborgd (art 5.1 Bkl). De rijksinstructieregels bevatten daarbij specifieke regels over het waarborgen van de veiligheid (§ 5.1.2 Bkl). Het gaat daarbij - kort gezegd - om de bescherming van personen in gebouwen en op locaties in de omgeving van een risicovolle activiteit. Als er sprake is van een risicovolle activiteit is er in de regel een onderzoek naar externe veiligheid nodig. Als risicovolle activiteiten zijn in het Bkl aangewezen: •
Opslag, productie gebruik en vervoer gevaarlijke stoffen en windturbines (§ 5.1.2.2 Bkl en bijlage VII). Hierbij gaat het om o.a. aardgas (tanken LPG), opslaan van brandstoffen, & ammoniak (schaatsbanen) en opwekken van elektriciteit door drie windturbines of meer met een rotordiameter van meer dan 2 m.
•
Buisleidingen gevaarlijke stoffen (§ 5.1.2.3 Bkl jo. 3.101 Bal) Hierbij gaat het – kort gezegd - om brandbare, explosieve of giftige stoffen of warmte, als onderdeel van het warmtenet.
•
Veiligheid rond opslaan, herverpakken en bewerken van vuurwerk en pyrotechnische artikelen voor theatergebruik (§ 5.1.2.4 Bkl)
•
Veiligheid rond luchthavens (§ 5.1.2.5 Bkl)
•
Veiligheid van infrastructuur rond Seveso-inrichtingen (§ 5.1.2. Bkl)
De beoogde activiteit is niet aangewezen als risicovolle activiteit in de zin van het Bkl.
Conclusie Het aspect ‘waarborgen van de veiligheid’ vormt geen belemmering voor de conclusie dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
11
4.2 Beschermen van waterbelangen Deze paragraaf ziet op de vraag of met de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het beheer van watersystemen. Voor een duiding van de gevolgen wordt de opvatting van het bestuursorgaan dat is belast met het beheer van het betreffende watersysteem betrokken (art. 5.37 Bkl). In Nederland zijn er verschillende bestuursorganen betrokken bij het waterbeheer. Waterbeheerders zijn: Rijkswaterschap (voor o.a. primaire waterkeringen), gedeputeerde staten (voor o.a. regionale vaarwegen en de kwaliteit van het grondwater in grondwaterbeschermingsgebieden), de waterschappen (o.a. regionale wateren en zuivering stedelijk afvalwater) en gemeente (o.a. afvloeiend hemelwater, grondwaterstand en stedelijk afvalwater). Hieronder wordt kort toegelicht dat er voldoende rekening wordt gehouden met de waterbelangen van elke waterbeheerder. Rijkswaterstaat (RWS) In het Bkl zijn voor een aantal onderdelen specifieke regels vastgesteld. Dit gaat over primaire waterkeringen, de kust, de grote rivieren en het IJsselmeergebied. De projectlocatie ligt niet binnen een beperkingengebied van een oppervlaktewaterlichaam dat in beheer is van het Rijk en de voorgenomen ontwikkeling heeft geen invloed op de belangen van RWS.
Waterschap Drents Overijsselse Delta De beperkingengebieden in beheer bij het waterschap staan in de Waterschapsverordening van het betreffende waterschap. Dit kan gaan om zowel oppervlaktewater als waterkeringen. Daarnaast gelden er algemene regels voor het aanbrengen van verharding, het onttrekken van grondwater en het lozen op het oppervlaktewater. In dit geval gaat het om het Waterschap Drents Overijsselse Delta. De projectlocatie ligt niet binnen een beperkingengebied dat in beheer is bij het Waterschap Drents Overijsselse Delta. Als in het kader van de uitvoering grondwater wordt onttrokken voor bouwputbemaling dan worden de hiervoor geldende maatregelen nageleefd. Provincie Drenthe De provincie beheert vaarwegen. Daarnaast heeft de provincie de taak om de kwaliteit van het grondwater te beschermen (artikel 2.18, lid 1 onder c, Ow) in grondwaterbeschermingsgebieden. Elke provincie stelt eigen regels over activiteiten binnen deze grondwaterbeschermingsgebieden. Tevens staan in de Omgevingsverordening regels over grondwatersanering en de ontgrondingsactiviteit. De beoogde ontwikkeling ligt niet een beperkingengebied en daarbij is er geen sprake van grondwatersanering of een ontgrondingsactiviteit. De belangen van de provincie als waterbeheerder worden niet geschaad. Gemeente Gemeenten zijn verantwoordelijk voor een goed grondwaterpeil.
Gemeenten kunnen regels opnemen in een Hemelwaterverordening of het omgevingsplan. De Hemelwaterverordening maakt van rechtswege onderdeel uit van het omgevingsplan (art. 22.2, onder a Ow en art. 4.6 Iow). In dit geval zijn geen regels opgenomen in de Hemelwaterverordening en het omgevingsplan. Wel kent de gemeente Westerveld het Riolering en Waterprogramma 2023-2028 (RWP), waarin de gemeente aangeeft hoe zij invulling geeft aan de wettelijke gemeentelijke watertaken op het gebied van afvalwater, hemelwater en grondwater. Hieraan zal, voor zover van toepassing, bij de uitvoering van het project uitvoering worden gegeven. Conclusie
12
Het aspect water vormt geen belemmering voor de conclusie dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3 Gezondheid en milieu Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de gezondheid en het milieu. De rijksinstructieregels voor ETFAL zien toe op: -
Kwaliteit van de buitenlucht (§ 5.1.4.1)
-
Geluid door activiteiten (§ 5.1.4.2), waaronder: o Geluid door industrieterreinen o Geluid door wegen, spoorwegen, industrieterreinen o Geluid door industrieterreinen met geluidproductieplafonds als omgevingswaarden
-
Trillingen (§ 5.1.4.4)
-
Bodemkwaliteit (§ 5.1.4.5)
-
Geur (§ 5.1.4.6)
Volledigheidshalve wordt tot slot ingegaan op het onderwerp elektromagnetische velden (EMV). 4.3.1 Luchtkwaliteit Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de luchtkwaliteit. In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.4.1 Bkl instructieregels opgenomen voor luchtkwaliteit in verband met de aanleg of wijziging van wegtunnels en auto(snel)wegen (art. 5.50 Bkl) en op de aanleg of wijziging van wegen, vaarwegen en spoorwegen of activiteiten die zorgen voor een toename van de verkeersintensiteit op wegen, vaarwegen en spoorwegen (art. 5.51 Bkl). De beoogde activiteit behoort niet tot de activiteiten waarvoor in het kader van de luchtkwaliteit instructieregels zijn opgenomen. Gelet hierop bestaat er geen belemmering op grond van de luchtkwaliteit.
Conclusie Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de conclusie dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3.2 Geluid Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het geluid. In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.4.2 Bkl instructieregels opgenomen voor geluid. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met het geluid door activiteiten op geluidsgevoelige gebouwen (art. 5.59 Bkl). Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (01-01-2024) zijn via de bruidsschat in paragraaf 22.3.4 van rechtswege geluidsnormen opgenomen in het tijdelijk deel van het omgevingsplan. In tabel 22.3.1 zijn de volgende waarden vastgesteld voor geluid op een geluidgevoelig gebouw:
13
Er worden twee transformatoren geplaats in twee transformatorcellen. De gemiddelde geluidssterkte op 1 meter afstand van een transformator is 28 dB(A). De maximale geluidswaarde is 38 dB(A). De dichtstbijzijnde woning/boerderij (Vledderlanden 2) bevindt zich op ruim 200 meter afstand. De beoogde ontwikkeling past ruimschoots binnen de geluidsnormen.
Conclusie Het aspect geluid vormt geen belemmering voor de conclusie dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3.3 Trillingen Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor trillingen. In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.4.4 Bkl instructieregels opgenomen voor trillingen. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met trillingen door activiteiten in trilling gevoelige ruimten van trilling gevoelige gebouwen (art. 5.83 Bkl). Een trilling gevoelig gebouw is een gebouw met een woonfunctie; onderwijsfunctie, gezondheidszorgfunctie of bijeenkomstfunctie voor kinderopvang met bedgebied (5.80 Bkl). Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (01-01-2024) staan van rechtswege trillingsnormen in het omgevingsplan, deze zijn standaard opgenomen in paragraaf 22.3.5. van de planregels. Er gelden maximale waarden voor continue trillingen en voor herhaald voorkomende trillingen. In art. 5.87a van het Bkl zijn standaardwaarden voor herhaald voorkomende trillingen opgenomen. In onderhavig project worden geen activiteiten verricht die herhaalde of continue trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw.
Conclusie
14
Het initiatief behelst geen activiteiten die continue trillingen veroorzaken in een trilling gevoelige ruimte van een trilling gevoelig gebouw. Het aspect trilling vormt geen belemmering voor de conclusie dat sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3.4 Bodemkwaliteit Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de bodem. Op verschillende plekken in de Omgevingswet zijn regels te vinden over de bodem. Er gelden instructieregels over bodemkwaliteit, regels op grond van het omgevingsplan, en algemene regels over milieubelastende activiteiten met betrekking tot graven die zijn opgenomen in het Besluit activiteiten leefomgeving (Bal). Daarnaast gelden er, zoals eerder bij het onderdeel Water besproken, algemene regels op grond van Omgevingsverordening en Waterschapsverordening. Instructieregels De rijksinstructieregels over bodemkwaliteit staan in § 5.1.4.5 Bkl, onder meer over het toelaten van een bouwactiviteit op een bodemgevoelige locatie (§ 5.1.4.5.1). De instructieregels uit § 5.1.4.5.1 Bkl zijn alleen van toepassing op bodemgevoelige gebouwen. Van een bodemgevoelig gebouw is alleen sprake voor zover het aannemelijk is dat personen meer dan twee uur per dag aaneengesloten in het gebouw aanwezig zullen zijn. De beoogde ontwikkeling bevat geen gebouwen waar mensen meer dan 2 uur per dag aaneengesloten aanwezig zullen zijn. De instructieregels zijn daarmee niet van toepassing. Omgevingsplan Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (01-01-2024) staan van rechtswege regels over bodembeheer in het omgevingsplan in paragraaf 22.3.7.
Deze regels gaan over nazorg na saneren van de bodem, kleinschalig graven boven de interventiewaarde bodemkwaliteit en activiteiten op een locatie met historische bodemverontreiniging zonder onaanvaardbaar risico. Het omgevingsplan beschikt niet over een bodemkwaliteitskaart. Bodem- en asbestonderzoek Uit het door Antea Group opgestelde rapport “Verkennend bodemonderzoek, voormalige Gemeentewerf (locatie 2) te Vledder” (Bijlage 7), blijkt dat voor grond en grondwater de gehalten respectievelijk de concentraties van de onderzochte stoffen de interventiewaarden niet overschrijden. Vanuit het oogpunt van milieuhygiënische bodemkwaliteit zijn er geen bezwaren tegen het project.
Conclusie Het aspect ‘bodem’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3.4.5 Geur Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor het onderdeel geur. In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.4.6 instructieregels
15
opgenomen voor geur. Het uitgangspunt is dat in een omgevingsplan rekening wordt gehouden met geur door activiteiten op geurgevoelige gebouwen (art. 5.92 Bkl). Bij de inwerkingtreding van de Omgevingswet (01-01-2024) staan van rechtswege geurregels in het omgevingsplan, deze zijn standaard opgenomen in paragraaf 22.3.6. De regels gelden voor activiteiten die geur veroorzaken door landbouwhuisdieren en paarden en pony’s te berijden in een dierenverblijf, geur als gevolg van overige agrarische activiteiten en geur door het exploiteren van zuiveringstechnische werken. De beoogde activiteit valt hier niet onder, nog daargelaten dat de transportverdeelstations en transformatoren geen enkele geur verspreiden.
Conclusie Het aspect ‘geur’ vormt geen belemmering voor een evenwichtige toedeling van functies aan locaties.
4.3.4.6 Elektromagnetische velden (EMV) In beginsel is sprake van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties als aan de instructieregels van hoofdstuk 5 Bkl is voldaan. Volledigheidshalve besteden we in onderstaande paragraaf aandacht aan het onderwerp Elektromagnetische velden. EMV komen overal voor. EMV ontstaan bij het opwekken, transporteren en gebruiken van elektriciteit. Deze ontstaan bij hoogspanningslijnen, kabels en elektriciteitsstations, maar ook bij het gebruik van huishoudelijke apparaten zoals een stofzuiger, scheerapparaat of een waterkoker etc. Een elektromagnetisch veld is aanwezig in een gebied rondom apparaten, kabels en elektriciteitsstations. In dat gebied is elektromagnetische straling meetbaar. Deze mag niet hoger zijn dan een Europees vastgestelde limiet. Deze limiet is 100 microtesla. Enexis zorgt ervoor dat de sterkte van de elektromagnetische velden EM-velden buiten de projectlocatie altijd beneden deze waarde blijft. Op 18 juli 2023 is er tussen Netbeheer Nederland en de minister voor Klimaat en Energie een convenant gesloten over het nemen van proportionele bronmaatregelen die zien op het realiseren van nieuwe netcomponenten, waaronder op hoog- en middenspanningstations. Enexis past de genoemde bronmaatregelen uit dit convenant toe ter beperking van magneetvelden.
Conclusie Het aspect ‘EMV’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4 Landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met de gevolgen hiervan voor de landschappelijke of stedenbouwkundige waarden en cultureel erfgoed. De rijksinstructieregels voor ETFAL zien – voor zover van belang – toe op: -
Ladder voor duurzame verstedelijking (§ 5.1.5.4 Bkl)
-
Cultureel en werelderfgoed (§ 5.1.5.5 Bkl)
16
4.4.1 Ladder voor duurzame verstedelijking De ladder voor duurzame verstedelijking is een instructieregel voor zorgvuldig ruimtegebruik en tegengaan van leegstand (§ 5.1.5.4). De ladder voor duurzame verstedelijking is van toepassing op een stedelijke ontwikkeling die bestaat uit de ontwikkeling of uitbreiding van een bedrijventerrein, een zeehaventerrein, een woningbouwlocatie, kantoren, een detailhandelvoorziening of een andere stedelijke voorziening en die voldoende substantieel is. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft reeds overwogen dat de realisatie van een transformatorstation, gelet op de Nota van Toelichting bij het Besluit ruimtelijke ordening en de strekking van de regeling die mede gericht is op het tegengaan van leegstand, niet kan worden aangemerkt als een stedelijke ontwikkeling.4 Er is geen aanleiding te veronderstellen dat deze jurisprudentielijn onder de Omgevingswet zal worden verlaten.
Conclusie Het aspect ‘Ladder voor duurzame verstedelijking’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4.2 Cultureel erfgoed en werelderfgoed Deze paragraaf ziet op de vraag of bij de voorgenomen activiteit voldoende rekening is gehouden met het behoud van cultureel erfgoed. In het Bkl zijn in paragraaf 5.1.5.5 instructieregels opgenomen voor cultureel erfgoed. Het gaat daarbij – onder andere – om het voorkomen van aantasting van: -
Rijksmonumenten;
-
beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen;
-
archeologische monumenten;
-
verrichten van archeologisch onderzoek (bij oppervlakte van 100m2 niet van toepassing, tenzij anders is bepaald);
-
behoud van werelderfgoed.
Uit het omgevingsplan volgt dat de locatie geen rijksmonument is, niet ligt in beschermde stads- of dorpsgezichten of beschermde cultuurlandschappen, geen archeologisch monument is en niet behoort tot het werelderfgoed. In het omgevingsplan is voor het plangebied een archeologische dubbelbestemming opgenomen: “Waarde – Archeologie 3”. De Antea Group heeft op 19 augustus 2024, revisie 01 het rapport “PM (Bijlage 8). Hieruit volgt dat PM
Conclusie Het aspect ‘Cultureel erfgoed en werelderfgoed’ vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
4.4.3
Omgevingskwaliteit
De 2 transportverdeelstations en 2 transformatorcellen zijn voorzien op de voormalige gemeentewerf aan Vledderlanden en de Kerkhoflaan. Er zal gebruik worden gemaakt van de bestaande ontsluiting aan de Kerkhoflaan. In het gebied staan twee ijzeren/metalen constructies van circa 2,5 meter hoog met een eenlaags stenen muurtje er tussenin. De ijzeren constructies zijn open. Deze zullen worden 4 AbRvS 26 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1123 en ECLI:NL:RVS:2017:1724
17
afgebroken. Ook liggen er meerdere stenenhopen in de directe omgeving van het plangebied, welke uit stenen van verschillende omvang bestaan. Het deel van het plangebied rond de bebouwing is verhard, de rest van het plangebied is onverhard. Het verharde deel van het plangebied bestaat uit klinkers, het onverharde deel uit gras en opkomende vegetatie. In het plangebied staan ook drie individuele bomen, deze maken geen deel uit van bomenrijen/opstanden met meer dan 20 bomen. In deze bomen zijn ook geen nesten/holtes waargenomen. Verder bevat het plangebied ook begroeide hopen, mogelijk betreffen dit begraven stenen of grondstortingen waar later begroeiing op is gekomen. Het perceel is omringd door groen en zal vanuit de Vledderlanden en de Kerkhoflaan niet of nauwelijks zichtbaar zijn. In overleg met de gemeente kan een wijze van uitvoering worden gekozen (bv groen) die zoveel mogelijk aansluit bij de omgeving. Op deze wijze wordt ook geen afbreuk gedaan aan de landschappelijke en waterhuishoudkundige waarden van de beekdalgronden (artikel 65 Bestemmingsplan Buitengebied).
Conclusie Het aspect omgevingskwaliteit vormt geen belemmering voor de voorgenomen ontwikkeling.
5.
UITVOERBAARHEID
Onder de wetgeving vóór de Omgevingswet gold op grond van art. 5.20 Bor jo, 3.1.6 Bro en de jurisprudentie dat in de toelichting/onderbouwing van een plan c.q. omgevingsvergunning (2.12, eerste lid, onder a, onder 3° Wabo) moet worden ingegaan op de inzichten over de uitvoerbaarheid van een plan/project. Onder de Omgevingswet zijn deze bepalingen niet teruggekomen. Uit de toelichting van de wetgever valt op te maken dat er geen sprake zou zijn van ETFAL indien op voorhand aannemelijk is dat een activiteit niet kan worden uitgevoerd. Dat is hier niet het geval. Hierna worden in deze paragraaf op enkele aspecten die samenhangen met de uitvoerbaarheid ingegaan. 5.1 m.e.r.- (beoordelings-)plicht De wetgeving over de milieueffectrapportage (m.e.r.) is opgenomen in afdeling 16.4 Ow en in hoofdstuk 11 en bijlage V bij het Omgevingsbesluit (Ob). Het aanwijzen van m.e.r.-(beoordelings-) plichtige projecten vindt plaats op basis van artikel art. 16.43 Ow en art. 11.6 Omgevingsbesluit en Bijlage V van het Omgevingsbesluit. Een van de in bijlage V genoemde categorieën betreft de energieindustrie (categorie C). Hieronder vallen onder andere: -
thermische centrales en andere verbrandingsinstallaties voor de productie van elektriciteit, stoom of warm water;
-
Windparken;
-
Kerncentrales en andere kernreactoren;
Installaties voor de productie of verrijking van splijtstoffen. Enexis is een netbeheerder en produceert geen elektriciteit. De beoogde ontwikkeling valt niet onder één van de onder C aangewezen categorieën. De beoogde ontwikkeling valt evenmin onder categorie J10 – Industrieterrein. Dat zou wel het geval zijn als de ontwikkeling zou inhouden dat er sprake zou zijn van een vermogen van meer dan 200MVA (artikel 2.11a Ow in combinatie met artikel 5.78b, lid 1 onder c Bkl). Een dergelijke ontwikkeling kan alleen worden mogelijk gemaakt door wijziging van het omgevingsplan. Er zou dan sprake zijn van een
18
m.e.r.-beoordelingsplicht (kolom 3), waarvoor een mededeling/aanmeldnotitie moet worden gedaan (zie artikel 16.45 jo 11.10 Ob). In voorliggende ontwikkeling is dit niet aan de orde. De beoogde ontwikkeling valt tot slot ook niet onder categorie J11- stedelijk ontwikkelingsproject, en mocht dat wel het geval zijn dan zou alleen een m.e.r. beoordelingsplicht gelden, als het besluit dat nodig is om de ontwikkeling mogelijk te maken, een besluit tot wijziging van het omgevingsplan is (artikel 11.6, derde lid, onder c Ob) en dat is niet het geval.
Conclusie Van een m.e.r.(-beoordelings-) plicht is geen sprake.
5.2 Natuur Per 1 januari 2024 is de Wet natuurbescherming opgegaan in de Omgevingswet. Het onderdeel natuur maakt geen onderdeel uit van de (rijks)instructieregels. Er gelden op grond van het Bal wel verbodsbepalingen voor het onderdeel natuur. Het gaat om activiteiten die mogelijk gevolgen hebben voor Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden (afdeling 11.1 Bal), activiteiten met betrekking tot dieren en planten in het wild (afdeling 11.2 Bal) en activiteiten die houtopstanden, hout en houtproducten betreffen (afdeling 11.3 Bal). Onder de wetgeving van vóór de Omgevingswet gold de zogenaamde aanhaakplicht voor soorten en gebiedsbescherming.5 De aanhaakplicht is onder de Omgevingswet komen te vervallen. In beginsel kunnen alle aanvragen los worden ingediend (art. 5.7 Ow). Dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest. Het betreft een vereenvoudiging maar betekent niet dat een activiteit mag worden uitgevoerd zolang er een verbodsbepaling geldt.
Daarbij heeft het college op grond van artikel 3:19 Awb een inspanningsverplichting om initiatiefnemer te wijzen op een benodigde andere omgevingsvergunning.6 Daarnaast geldt 5.2.1 Natura 2000-gebieden of bijzondere nationale natuurgebieden De aanwijzing van natuurgebieden zoals Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale gebieden, nationale parken, Natuurnetwerk Nederland en bijzondere provinciale natuurgebieden en bijzondere provinciale landschappen is geregeld in paragraaf 2.6.3 van de Omgevingswet (Ow). Het is verboden om zonder omgevingsvergunning een Natura 2000-activiteit uit te voeren (art. 5.1, eerste lid onder e, Ow). Een Natura 2000-activiteit is gedefinieerd als een activiteit inhoudende het realiseren van een project als bedoeld in artikel 6, derde lid, van de Habitatrichtlijn dat niet direct verband houdt met of nodig is voor het beheer van een Natura 2000-gebied, maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000gebied. Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is het Nederlands netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het Natuurnetwerk is de kern van het Nederlandse natuurbeleid. De provincies zijn verantwoordelijk voor de begrenzing en de ontwikkeling van dit natuurnetwerk. In of in de directe nabijheid van het NNN geldt het ‘nee, tenzij’- principe.
In principe zijn er geen ontwikkelingen 5
AbRvS, ECLI:NL:RVS:2024:1295. MvT Tweede Kamer der Staten-Generaal vergaderjaar 2013-2014 33962 nr. 3 p. 160-163 Toelichting Aanvullingswet natuur Omgevingswet, Tweede Kamer, vergaderjaar 2018-2019, 24 985, p. 7 en 8 6
19
toegestaan als zij de wezenlijke kenmerken of waarden van het gebied aantasten. Wanneer bij een ontwikkeling mogelijke effecten op het NNN denkbaar zijn, is het noodzakelijk een NNN-toetsing uit te voeren.
Natura 2000-gebieden De realisatie van dit project is niet voorzien in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied Mantingerzand ligt op een afstand van ongeveer 15 km ten noordwesten van het plangebied. De aard van de voorgenomen werkzaamheden en ontwikkeling maakt dat de effecten uitsluitend tot het plangebied of in de zeer directe zone eromheen beperkt blijven. In zoverre worden op voorhand geen directe negatieve gevolgen verwacht van de plannen. Er hoeft dan ook geen nadere toetsing uitgevoerd te worden. Stikstof-gerelateerde effecten Met behulp van de meest actuele versie van de AERIUS-Calculator is de stikstofdepositie berekend als gevolg van de aanlegfase van het project. Uit de berekening volgt dat er geen sprake zal zijn van significante gevolgen voor Natura 2000-gebieden op een afstand van maximaal 25 kilometer. Gelet hierop wordt geen omgevingsvergunning voor een Natura 2000activiteit aangevraagd. Het project is uitvoerbaar. Volledigheidshalve zij vermeld dat in de gebruiksfase geen sprake is van stikstofemissie. Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het projectgebied ligt niet in een NNN-gebied. Gelet hierop heeft dit gebied geen gevolgen voor de projectlocatie. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 400 meter ten zuiden van het plangebied.
Op grond van de provinciale verordening in de provincie Drenthe hoeft niet getoetst te worden op externe werking en zijn vervolgstappen niet aan de orde (Natuurtoets Vledder (Gem. Westerveld, Drenthe) Update, toetsing Ow (Bal)” (Bijlage 9) 5.2.2 Flora- en Fauna-activiteit. Het is, voor zover aangewezen in het Bal, verboden om een flora- en fauna- activiteit te verrichten zonder omgevingsvergunning (art. 5.1, tweede lid onder g, Ow). Een flora- en fauna-activiteit is gedefinieerd als een activiteit met mogelijke gevolgen voor van nature in het wild levende dieren of planten. In §11.2.2 van het Bal zijn de gevallen aangewezen die op grond van de Vogelrichtlijn vergunningplichtig zijn, in § 11.2.3 gevallen die op grond van de Habitatrichtlijn (§ 11.2.3) vergunningplichtig zijn en in § 11.2.4. zijn de vergunningplichtige gevallen voor andere soorten aangewezen. Uit het door Antea Group opgestelde rapport “Natuurtoets Vledder (Gem. Westerveld, Drenthe) Update, toetsing Ow (Bal)” (Bijlage 9) volgt voor soortenbescherming dat door het treffen van nader beschreven maatregelen overtreding van de Omgevingswet wordt voorkomen. Overeenkomstig dit rapport wordt er nog een Habitatbeoordeling gedaan of het project plaatsvindt in het leefgebied van de bunzing.
Voor zover de Habitatbeoordeling daartoe aanleiding geeft worden eventuele vervolgstappen in samenspraak met GS van Drenthe als bevoegd gezag besproken.
20
5.2.3 Bomen In het plangebied staan ook drie individuele bomen. Verder bevat het plangebied ook begroeide hopen, mogelijk betreffen dit begraven stenen of grondstortingen waar later begroeiing op is gekomen. De Bomenverordening gemeente Westerveld is van toepassing. Op grond van deze verordening is het (doen) vellen van waardevolle bomen, waardevolle houtopstanden en bomen en houtopstanden binnen het licht regime vergunningplichtig. Blijkens de bij de Bomenverordening gemeente Westerveld behorende “Kaart vergunningsplicht bomen bomenlijst” is het vellen van deze drie individuele bomen niet vergunningplichtig.
Conclusie Vanuit het onderdeel natuur is geen sprake van een belemmering voor dit project. 5.3 Ontplofbare oorlogsresten Bijlage 10 betreft een door Antea Group uitgevoerd onderzoek naar de aanwezigheid van ontplofbare oorlogsresten in het plangebied.7 Conclusie is dat geen rekening hoeft te worden gehouden met het aantreffen van ontplofbare oorlogsresten. 5.4 Participatie In deze paragraaf komt aan de orde op welke wijze uitvoering wordt gegeven aan participatie met het oog op de voorgenomen ontwikkeling. Op grond van artikel 16.55 lid 7 van de Omgevingswet kan de gemeenteraad gevallen aanwijzen waarin participatie een verplicht aanvraagvereiste is. Dit kan alleen bij een omgevingsvergunning voor een BOPA waarvoor het college van burgemeester en wethouders bevoegd gezag is. Enexis heeft zich actief beziggehouden met participatie voor deze locatie. Enexis heeft telefonisch contact gehad met de bewoners aan de Vledderlanden 2 en hun tevens een informatiebrief verstuurd over het project. Gezien de liggen buiten de bebouwde kom en het nagenoeg ontbreken van omwonenden in de nabije omgeving is Enexis van mening dat de bovenvermelde participatie-inspanning van Enexis absoluut in verhouding staat tot de voorgenomen ontwikkeling(en) op de projectlocatie.
6.
BELANGENAFWEGING EN CONCLUSIE
Uit het voorgaande, waarin alle voor de fysieke leefomgeving relevante aspecten – voor zover betrekking hebbend op de beoogde activiteit – nader zijn onderzocht en afgewogen, volgt dat het initiatief leidt tot een situatie waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Gezien nut en noodzaak van de beoogde activiteit op de beoogde locatie, gelet op het Rijksprovinciaal en gemeentelijk beleid ten aanzien van het faciliteren van de energietransitie en gezien het ontbreken van (significante) negatieve effecten op de fysieke leefomgeving, wordt geconcludeerd dat het initiatief leidt tot een situatie waarbij er sprake is van een evenwichtige toedeling van functies aan
7
Onderzoek ontplofbare oorlogsresten conflictperiode Westerveld Vledder, Antea Group, 2 maart 2024.
21
locaties. 7.
BIJLAGEN
7.1 Bijlagen bij het aanvraagformulier Voor de aanvraag is gebruik gemaakt van het aanvraagformulier omgevingsvergunning in het DSO. Het aanvraagformulier zelf is het document waarop de aanvraag gebaseerd is. Voor zover in dit formulier wordt verwezen naar bijlage 1 dan betreft dit de toelichting op de aanvraag, het onderhavige document. Aan de aanvraag zijn tevens andere bijlagen gevoegd. Ten behoeve van het overzicht worden de bijlagen bij de aanvraag onderstaand opgesomd. Bijlage 1 (toelichting op de aanvraag, dit document) en de daarbij behorende bijlagen worden in een keer via het Omgevingsloket geüpload. 7.2 Later indienen van gegevens en bescheiden Alle aanwezige gegevens en bescheiden om de vergunningaanvraag te kunnen toetsen zijn als bijlagen bij de aanvraag toegevoegd. Mochten er desondanks nog gegevens en/of bescheiden ontbreken dan verzoekt Enexis aan het bevoegd gezag om een voorschrift in de omgevingsvergunning op te nemen dat desbetreffende gegevens uiterlijk binnen een termijn van drie weken voor start van de uitvoering van de werkzaamheden worden overgelegd. In de volgende tabel is aangegeven welke bescheiden en gegevens in ieder geval later, doch voor de start van de bouw zullen worden aangeboden aan het bevoegd gezag, conform artikel 16.55 lid twee Omgevingswet jo artikel 8.3c (voorschriften over uitgestelde aanvraagvereisten) van het Bkl.
Tabel 1 | In te leveren bescheiden en gegevens in de periode voorafgaand aan start bouw (16.55 Ow jo 8.3c Bkl)
Gegevens/bescheiden
Aanlevertermijn uiterlijk
Verkeers- en vervoersplan aanlegfase
3 weken voor start bouw
Bijlagen 1. Toelichting op de aanvraag (onderhavig document) 2. Grondaankooptekening 3. Aankooptekening toegangsweg 4. Bouwkundige tekening transportverdeelstation 5. Transformatorcel 6. Informatie Hekwerk en Poort 7. Verkennend bodemonderzoek 8. Archeologie PM 9. Ecologisch onderzoek 10. Onderzoek ontplofbare
22