Bestemmingsplan Wapserauwen 9 Wapse - Toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan Wapserauwen 9 Overheid: Gemeente Westerveld Plantype: bestemmingsplan Document: Toelichting Planstatus: concept Datum: 26 januari 2022 Plan identificatie: NL.IMRO.1701.Wapserauwen9-0001
Inhoudsopgave Inhoudsopgave ........................................................................................................................................................ 2 Hoofdstuk 1 Inleiding .............................................................................................................................................. 4 1.1 Aanleiding ..................................................................................................................................................... 4 1.2 Ligging plangebied......................................................................................................................................... 4 1.3 Geldend bestemmingsplan ........................................................................................................................... 6 1.4 Opzet bestemmingsplan ............................................................................................................................... 8 1.5 Leeswijzer ...................................................................................................................................................... 8 Hoofdstuk 2 Planbeschrijving..................................................................................................................................
9 2.1 Landschappelijke context .............................................................................................................................. 9 2.2 Bestaande situatie ......................................................................................................................................... 9 2.3 Toekomstige situatie ................................................................................................................................... 11 Hoofdstuk 3 Beleidskaders.................................................................................................................................... 13 3.1 Rijksbeleid ................................................................................................................................................... 13 3.2 Provinciaal beleid ........................................................................................................................................ 16 3.3 Gemeentelijk beleid .................................................................................................................................... 20 Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten .........................................................................................................
24 4.1 Milieuzonering ............................................................................................................................................ 24 4.2 Geluid .......................................................................................................................................................... 26 4.3 Bodem ......................................................................................................................................................... 28 4.4 Luchtkwaliteit .............................................................................................................................................. 29 4.5 Externe veiligheid ........................................................................................................................................ 31 4.6 Water .......................................................................................................................................................... 33 4.7 Ecologie ....................................................................................................................................................... 34 4.8 Archeologie en cultuurhistorie ....................................................................................................................
36 4.9 Verkeer en parkeren ................................................................................................................................... 37 4.10 Besluit milieueffectrapportage ................................................................................................................. 38 4.11 Kabels en leidingen ................................................................................................................................... 39 Hoofdstuk 5 Juridische planopzet ......................................................................................................................... 40 5.1 Opzet van het plan ...................................................................................................................................... 40 Hoofdstuk 6 Economische uitvoerbaarheid .......................................................................................................... 44 6.1 Kostenverhaal ............................................................................................................................................. 44 6.2 Financiële haalbaarheid ..............................................................................................................................
44 Hoofdstuk 7 Procedure ......................................................................................................................................... 45 7.1 Vooroverleg ................................................................................................................................................. 45 7.2 Inspraak ....................................................................................................................................................... 45 7.3 Vaststellingsprocedure ................................................................................................................................ 45 7.4 Beroep ......................................................................................................................................................... 45 Bijlagen bij de toelichting ...................................................................................................................................... 47 Bijlage 1 Watertoets.......................................................................................................................................... 47 Bijlage 2 Quickscan Natuur ............................................................................................................................... 47
2
3
Hoofdstuk 1 Inleiding 1.1 Aanleiding Initiatiefnemer is eigenaar van het perceel Wapserauwen 9 te Wapse. Op dit perceel was een agrarisch bedrijf gevestigd, de agrarische bedrijfsvoering is per 1 september 2020 gestaakt. Initiatiefnemer heeft het voornemen om de bestemming 'agrarisch' te veranderen in de bestemming “wonen" en de woonboerderij te splitsen in twee wooneenheden. De gemeente Westerveld heeft in de brief van 20 mei 2021 laten weten in principe medewerking te willen verlenen aan het verzoek. Eén van de voorwaarden is dat bij splitsing van de woonboerderij in twee wooneenheden aangesloten moet worden bij de regels van artikel 57 van het bestemmingsplan 'Buitengebied 2018'. Concreet betekent dit dat er een bestemmingsplanprocedure gevolgd moet worden om de aanpassing te realiseren. Het voorliggende bestemmingsplan is de juridisch-planologische regeling die de voorgenomen ontwikkeling mogelijk maakt. 1.2 Ligging plangebied Het plangebied, gelegen aan de Wapserauwen , bevindt zich ten zuidwesten van het dorp Wapse en ten zuidoosten van het dorp Vledder. Ten zuiden van het plangebied ligt de Wapserveensche Aa. Het plangebied wordt aan de noordzijde begrenst door de Wapserauwen en aan de oostzijde, zuidzijde en westzijde door agrarische weidegronden. Het plangebied bestaat uit de kadastrale percelen 1480, 1481 en 1308 (gedeeltelijk).
Het plangebied heeft een oppervlakte van circa 5680 m2.
4
Ligging plangebied
Begrenzing plangebied
5
1.3 Geldend bestemmingsplan Voor het plangebied aan Wapserauwen 9 is het bestemmingsplan ‘Buitengebied', vastgesteld op 5 juli 2012, van toepassing. Het plangebied is in het bestemmingsplan bestemd als ‘Agrarisch - 2’ met de nadere aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch - agrarische bedrijfskavel grondgebonden bedrijf'. De gronden binnen de bestemming 'Agrarisch – 2’ hebben als hoofdfunctie de uitoefening van de agrarische functie. Het belangrijkste onderscheid tussen de agrarische gebiedsbestemmingen wordt bepaald door het landschap. De beschrijving van de landschappen is in paragraaf 3.1 gegeven. Het 'Agrarisch - 2' gebied kan omschreven worden als meer besloten en komt overeen met de POP-zones 3 en 4. In dit gebied worden mogelijkheden geboden voor de voortzetting van de landbouwfunctie op bedrijfseconomische grondslag. Binnen de bestemming is een regeling opgenomen voor de agrarische bedrijven. Voor alle agrarische bedrijfskavels geldt dat het bouwvlak volledig mag worden benut voor bebouwing en alle bijbehorende activiteiten die gerelateerd zijn aan het agrarisch bedrijf, zoals de stalling van voertuigen en kuilen mestopslag. De bedrijfsgebouwen respectievelijk de totale oppervlakte van de bedrijfsgebouwen mag echter niet groter zijn dan 500 m2 respectievelijk 10.000 m2 behalve als de bestaande oppervlakte groter is.
Per bedrijf is een bedrijfswoning toegestaan met een oppervlakte van maximaal 150 m2. Wijzigingsbevoegdheid In artikel 4.8 van het geldend bestemmingsplan is een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de functiewijziging van agrarische bedrijfskavel naar wonen. Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in dié zin dat de bestemming 'Agrarisch - 2', uitsluitend voorzover ter plaatse voorzien van een agrarische bedrijfskavel, wordt gewijzigd in de bestemming 'Wonen' of 'Wonen - Voormalige boerderijpanden' ten behoeve van een functieverandering van een agrarische bedrijfskavel, mits: a. b. c. d. e. f. g. h.
na toepassing van deze wijzigingsbevoegdheid de regels van artikel 53 of 55 van overeenkomstige toepassing zijn; de agrarische bedrijfskavel ter plaatse wordt verwijderd; er geen sprake is van onevenredige schade voor de aangrenzende (agrarische) bedrijven, in die zin dat de bedrijven in hun ontwikkelingsmogelijkheden worden beperkt; de voormalige bedrijfsgebouwen, die landschapsontsierend zijn, worden gesaneerd ten behoeve van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; de woonfunctie ondergebracht wordt in de voormalige bedrijfswoning; het voormalige boerderijpand of andere beeldbepalende bouwvormen als landschappelijk waardevolle verschijningsvorm worden gehandhaafd; de omvang van het bestemmingsvlak ten behoeve van het wonen ten hoogste 2.000 m² zal bedragen; geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan de milieusituatie, de woonsituatie en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden;
6
Uitsnede geldend bestemmingsplan met plangebied in oranje (bron: www.ruimtelijkeplannen.nl) Toets aan geldend bestemmingsplan Initiatiefnemer heeft het voornemen om het perceel Wapserauwen 9 te gebruiken voor woondoeleinden en de woonboerderij te splitsen in twee wooneenheden. Op basis van het geldend bestemmingsplan is dit niet bij recht toegestaan. In artikel 4.8 van het geldend bestemmingsplan is wel een wijzigingsbevoegdheid opgenomen voor de functiewijziging van agrarische bedrijfskavel naar wonen. Het splitsen van de woonboerderij past echter niet binnen de wijzigingsvoorwaarden. Conclusie Om de gewenste situatie planologisch mogelijk te maken zal een partiële herziening (artikel 3.1 Wet ruimtelijke ordening) moeten worden doorlopen. Bij een dergelijke procedure wordt de bestemming van een het perceel planologisch veranderd, waarbij dat specifieke perceel een eigen ‘bestemmingsplan’ krijgt. In voorliggend geval zal de bestemming ‘Agrarisch - 2’ moeten worden herzien naar ‘Wonen-voormalige boerderijpanden’ met de aanduiding ‘specifieke vorm van wonen - twee woningen’.
7
1.4 Opzet bestemmingsplan Het bestemmingsplan "Wapserauwen 9" bestaat uit de volgende stukken: • • •
verbeelding, plan idn. NL.IMRO.1701.Wapserauwen9-0001 regels; toelichting.
De verbeelding en de regels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan en moeten in samenhang 'gelezen' worden. Op de verbeelding zijn de bestemmingen van de in de plangebieden begrepen gronden aangegeven. Aan deze bestemmingen zijn regels gekoppeld teneinde de uitgangspunten van het plan zeker te stellen. Het plan gaat vergezeld van een toelichting. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij uitleg van verbeelding en planregels. 1.5 Leeswijzer De bestaande en toekomstige situatie wordt in hoofdstuk 2 beschreven. In hoofdstuk 3 wordt het beleid beschreven dat relevant is voor deze ontwikkeling. In hoofdstuk 4 worden de omgevingsaspecten beschreven, waarbij aandacht wordt gegeven aan de milieutechnische randvoorwaarden. Daarna wordt in hoofdstuk 5 een toelichting gegeven op de regels en in hoofdstuk 6 op de financiële haalbaarheid van het plan. Tot slot wordt in hoofdstuk 7 nader ingegaan op de maatschappelijke uitvoerbaarheid en de procedure.
8
Hoofdstuk 2 Planbeschrijving 2.1 Landschappelijke context In de gemeente Westerveld komen drie grote landschappelijke eenheden voor: het esdorpenlandschap; het wegdorpenlandschap en het ontginningskolonielandschap. Verreweg het grootste deel van het gemeentelijk grondgebied maakt deel uit van het esdorpenlandschap. De dorpen liggen in het algemeen langs de rand van de essen, in de nabijheid van de beekdalen. De structuur van de dorpen is echter sterk verschillend. De meeste dorpen worden gekenmerkt door de aanwezigheid van één of meer brinken; dit zijn gemeenschappelijke, met bomen beplante, ruimten. Oorspronkelijk lagen deze brinken aan de rand van het dorp, waarbij de brink aan de beekdalzijde niet bebouwd was. Later is in de meeste gevallen ook deze open zijde bebouwd. Door hun opbouw rond de brink en door het vele zware geboomte, kenden deze dorpen een bijzonder groen en besloten karakter. De dorpen waren als markante groene plekken al van ver in het vrij groene landschap te herkennen. Binnen dit landschapstype komt een aantal verschillende deelgebieden voor, eveneens elk met haar eigen ontstaansgeschiedenis en kenmerken. Binnen het esdorpenlandschap wordt nader onderscheid gemaakt in: de essen, de veldgronden (heide en bos), de beekdalen en de veldontginningen (landbouwgronden). Het plangebied is gelegen binnen het deelgebied beekdalen.
Beekdalen De beekdalen werden gebruikt als hooi- en weilanden. Kenmerkend voor de oudste ontginningen in de bredere beekdalen is het onregelmatige verkavelingspatroon. De opstrekkende verkaveling van de beekdalranden is van latere datum. De beekdalen werden gescheiden van het veld door grenswallen. Bij de latere individuele ingebruikname werden loodrecht op de stroomrichting van de beek dwarswallen aangelegd. In de nattere delen, waar men kon volstaan met het graven van veekerende sloten, werden geen wallen opgeworpen. Door de wallen verkregen de beekdalen een heel karakteristieke ruimtelijke opbouw. In de beekdalen binnen de gemeente Westerveld is deze karakteristieke ruimtelijke bouw nog gedeeltelijk aanwezig. In de Veldhuizerlanden en de Zuid Wapserlanden zijn op verschillende plaatsen grenswallen en dwarswallen aanwezig. Het fijnmazige patroon is nog goed te zien ten oosten van Park Midzomer. Daar waar de aangrenzende heide bij het beekdal werd gevoegd om zo over voldoende hoge en droge grond voor het vee te kunnen beschikken, werd achter de oude grenswal een tweede, nieuwe grenswal aangebracht. De kernkwaliteiten van het beekdallandschap zijn: openheid, verdichting door houtwallen evenwijdig aan en dwars op de beekdalranden, voornamelijk in gebruik als grasland, opstrekkende verkaveling, reliëf en nauwelijks bebouwing.
2.2 Bestaande situatie Op het perceel Wapserauwen 9 was een agrarisch bedrijf gevestigd, de agrarische bedrijfsvoering is per 1 september 2020 gestaakt. Op het perceel staat een boerderij, een bakhuisje en enkele opstallen. De boerderij bestaat uit een voorhuis met daaraan vast het achterhuis/stal. In de zuidoost hoek van het perceel staat een mantelzorgwoning. De boerderij heeft een oppervlakte van circa 260 m2, de agrarische opstallen hebben een gezamenlijke oppervlakte van circa 180 m2. Het perceel heeft een ontsluiting op de Wapserauwen, het parkeren vindt plaats op eigen terrein.
9
Plangebied met bestaande bebouwing
Streetview boerderij met opstallen
10
2.3 Toekomstige situatie In de toekomstige situatie wordt het perceel Wapserauwen 9 gebruikt voor woondoeleinden, de boerderij wordt gesplitst in twee wooneenheden: • •
• • • •
het bestaande voorhuis zal een op zich zelf staande wooneenheid blijven; het achterhuis zal omgebouwd worden tot een zelfstandig woongedeelte. Aan de westzijde zal er een uitbreiding van het bebouwd oppervlak plaatsvinden van 1,5 meter over gehele lengte van het achterhuis. Het achterhuis wordt daarmee wat breder en hoger dat het bestaande achterhuis; bestaande schuur wordt op termijn gesloopt en weer herbouwd in de lijn van het ontwerp van de woning; de bestaande silo’s zijn reeds verwijderd; ontsluiting van beide percelen vindt plaats via de bestaande in- en uitrit op de Wapserauwen; het parkeren vindt plaats op eigen terrein.
Toekomstige situatie plangebied
11
3D impressie achterhuis
12
Hoofdstuk 3 Beleidskaders 3.1 Rijksbeleid 3. 1.1 Nat ion a l e O m g ev i n gs v is i e (N OV I) De Nationale Omgevingsvisie (NOVI) is op 11 september 2020 vastgesteld. De NOVI vervangt de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (2012). De NOVI is een instrument van de nieuwe Omgevingswet en loopt vooruit op de inwerkingtreding van die wet. Vanwege het uitstel van de inwerkingtreding van de Omgevingswet komt de NOVI als structuurvisie uit onder de Wet ruimtelijke ordening (Wro). Zodra de Omgevingswet in werking is getreden, zal deze structuurvisie gelden als de Nationale Omgevingsvisie, zoals in de nieuwe wet bedoeld. In de NOVI geeft het Rijk een langetermijnvisie op de toekomstige ontwikkeling van de leefomgeving in Nederland. De NOVI bestaat uit een visie, toelichting en uitvoeringsagenda. De combinatie van deze drie documenten zorgt voor een toetsing die leidt tot nationale strategische keuzes en gebiedsgericht maatwerk. De NOVI geeft weer voor welke uitdagingen Nederland staat, wat daarbij de nationale belangen zijn, welke prioriteiten de Rijksoverheid stelt bij de inrichting van Nederland en hoe het Rijk keuzes maakt in de uitvoering daarvan. Keuzes die samenhangen met toekomstbeelden over de fysieke leefomgeving, maatschappelijke opgaven en bijbehorende economische perspectieven.
Steeds duidelijker wordt dat de opgaven alleen goed aangepakt kunnen worden als dat in samenhang gebeurt, het ontwikkelpotentieel van heel Nederland optimaal wordt benut en gezorgd wordt voor een duurzame verbinding van alle delen van Nederland en met de landen om ons heen. Het beleid in de leefomgeving is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de betrokken overheden. De NOVI geeft aan waar het Rijk zich op nationale schaal aan bindt, waar het regie voert richting medeoverheden of waar het juist aan de medeoverheden is om keuzes te maken. Provincies en (samenwerkende) gemeenten zullen in hun omgevingsvisies uiting geven aan hun eigen verantwoordelijkheid en keuzes in de fysieke leefomgeving. Met de NOVI wordt in beeld gebracht waar kansen liggen. Kansen om de kwaliteit van onze leefomgeving te verbeteren. Kansen om sociale samenhang, gezondheid en economisch herstel te bevorderen en kansen om schone, veilige en duurzame technieken, die bijdragen aan de beoogde transitie naar een circulaire samenleving – stevig te verankeren in onze manier van leven en werken. Daartoe zijn 21 nationale belangen in de fysieke leefomgeving en de daaruit voortkomende opgaven beschreven. Die opgaven zijn in feite het verschil tussen de ambitie en de huidige situatie en verwachte ontwikkelingen. Deze nationale belangen komen samen in vier prioriteiten: 1. 2. 3. 4.
Ruimte voor klimaatadaptatie en energietransitie Een duurzaam en (circulair) economisch groeipotentieel Sterke en gezonde steden en regio's Toekomstbestendige ontwikkeling van het landelijk gebied
13
Voor de vier NOVI-prioriteiten geldt steeds dat zowel voor de lange als de korte termijn maatregelen nodig zijn. Deze maatregelen dienen in de praktijk voortdurend op elkaar in te spelen. Bij de afweging van de belangen staat een evenwichtig gebruik van de fysieke leefomgeving centraal voor zowel de boven- als de ondergrond. Ten behoeve van die afweging gebruikt de NOVI drie afwegingsprincipes: •
•
•
combinaties van functies gaan voor enkelvoudige functies: In het verleden is scheiding van functies vaak te rigide gehanteerd. Met de NOVI wordt gezocht naar maximale combinatiemogelijkheden tussen functies, gericht op een efficiënt en zorgvuldig gebruik van de ruimte; kenmerken en identiteit van een gebied staan centraal: wat de optimale balans is tussen bescherming en ontwikkeling, tussen concurrentiekracht en leefbaarheid, verschilt van gebied tot gebied. Sommige opgaven en belangen wegen in het ene gebied zwaarder dan in het andere; afwentelen wordt voorkomen: het is van belang dat de leefomgeving zoveel mogelijk voorziet in mogelijkheden en behoeften van de huidige generatie van inwoners zonder dat dit ten koste gaat van die van toekomstige generaties.
Toetsing aan de Nationale Omgevingsvisie (NOVI) In het voorgenomen plan is er sprake van een kleinschalige lokale ontwikkeling waarmee geen rijksbelangen zijn gemoeid. Er is dan ook geen sprake van strijd met het rijksbeleid zoals verwoord in de Nationale Omgevingsvisie. 3. 1.2 B es l u it al g em en e r eg e ls ru i mt el ijk e o rd en i n g Het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro) geeft richtlijnen voor de inhoud van bestemmingsplannen voor zover het gaat om ruimtelijke ontwikkelingen van nationaal belang. Deze vorm van normstelling sluit aan op de vroegere pkb's met concrete beleidsbeslissingen en beslissingen van wezenlijk belang die ook van betekenis waren voor de lagere overheden. In de SVIR is vastgesteld dat voor een beperkt aantal onderwerpen de bevoegdheid om algemene regels te stellen zou moeten worden ingezet door de Rijksoverheid. Het gaat onder meer om de volgende nationale belangen: 'Rijksvaarwegen, Project Mainportontwikkeling Rotterdam, Kustfundament, Grote Rivieren, Waddenzee en waddengebied, Defensie, Nederlands Natuurnetwerk, Erfgoederen van uitzonderlijke universele waarde, Hoofdwegen en hoofdspoorwegen, elektriciteitsvoorziening, Buisleidingen van nationaal belang voor vervoer van gevaarlijke stoffen, Primaire waterkeringen buiten het kustfundament en IJsselmeergebied'.
In het SVIR wordt bepaald welke kaderstellende uitspraken zodanig zijn geformuleerd dat deze bedoeld zijn om beperkingen te stellen aan de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau. Het Barro bevestigt in juridische zin die kaderstellende uitspraken. De normering uit het Barro werkt zoveel mogelijk direct door op het niveau van de lokale besluitvorming. Bij besluitvorming over bestemmingsplannen moeten de regels worden gerespecteerd. Het merendeel van de regels legt beperkingen op, daarin is een gradatie te onderkennen. Deze zijn geformuleerd als een 'ja-mits', een 'ja, voor zover', een 'nee-tenzij', een 'nee-als' of een stringente 'nee' bepaling. Toetsing aan Besluit algemene regels ruimtelijke ordening Dit bestemmingsplan maakt geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk die juridisch zijn verankerd in het Barro. Het Barro heeft dan ook geen invloed op dit bestemmingsplan.
14
3. 1.3 Lad d e r v oo r d u u rz am e v ers t ed e l ij kin g De ladder is per 1 oktober 2012 als motiveringseis in het Besluit ruimtelijke ordening opgenomen. Doel van de ladder voor duurzame verstedelijking is het bij een nieuwe stedelijke ontwikkeling borgen van een zorgvuldige ruimtelijke afweging en een goede ruimtelijke ordening door een optimale benutting van de ruimte in stedelijke gebieden. Op 1 juli 2017 is een wijziging van de Ladder voor duurzame verstedelijking doorgevoerd (artikel 3.1.6 lid 2 - 4 Bro). Voorheen bestond de ladder uit drie treden, dat is nu niet meer het geval. Wel moet de behoefte van de ontwikkeling nog worden beschreven indien er sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Als de ontwikkeling is voorzien buiten het bestaand stedelijk gebied, dan moet ook gemotiveerd worden waarom de ontwikkeling niet binnen het bestaand gebied kan worden gerealiseerd. Toetsing aan Ladder voor duurzame verstedelijking Voorliggend plan betreft de planologische wijziging van het perceel Wapserauwen 9. De bestemming ‘Agrarisch - 2’ wordt herzien naar “Wonen-voormalige boerderijpanden” met de aanduiding “specifieke vorm van wonen twee woningen”. Er wordt een tweede wooneenheid toegevoegd op het perceel. In het Bro is geen ondergrens voor de minimale omvang vastgelegd.
Of er sprake is van een stedelijke ontwikkeling wordt bepaald door de aard en omvang van de ontwikkeling in relatie tot de omgeving. Voor woningbouwlocaties geldt volgens de overzichtsuitspraak dat 'in beginsel' sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling als er meer dan 11 woningen gerealiseerd worden. Voor wonen is daarmee de lijn, dat er vanaf 12 woningen sprake is van een stedelijke ontwikkeling Het betreft hier een kleinschalige ontwikkeling van één extra wooneenheid die in het kader van het Bro niet als zijnde een stedelijke ontwikkeling aangemerkt wordt, omdat het om minder dan 12 woningen gaat. De ladder voor duurzame verstedelijking is niet van toepassing. 3. 1.4 C on c lu s i e • • •
De ontwikkeling raakt geen nationale belangen, om die reden is de Nationale Omgevingsvisie niet van belang. De regels die zijn opgenomen in het Barro zijn niet van toepassing op onderhavig plangebied. Het Barro vormt derhalve geen belemmering voor de beoogde ontwikkeling in het plangebied. Het plan is ten slotte getoetst aan de Ladder en is niet strijdig met de Ladder voor duurzame verstedelijking.
Concluderend wordt gesteld dat, gelet op de aard en omvang van de voorgenomen ontwikkeling, het plan niet in strijd is met het rijksbeleid.
15
3.2 Provinciaal beleid 3. 2.1 O m gev in gs v is i e Dr en th e Op 2 juni 2010 hebben Provinciale Staten de Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld. Op 26 september 2018 is de actualisatie Omgevingsvisie Drenthe vastgesteld, die op 3 oktober 2018 in werking is getreden. De provincie ziet vijf belangrijke ontwikkelingen: • • • • •
de demografische ontwikkeling; de klimaatverandering; de afname van de biodiversiteit; de transitie naar een kennis- en netwerkeconomie; de transitie naar een duurzame energievoorziening.
De belangrijkste opdracht tot 2030 is het vinden van een antwoord op de vraag hoe met deze ontwikkelingen moet worden omgegaan. Daarnaast heeft de provincie diverse ambities en daarmee ook belangen. Het doel van de Omgevingsvisie is het koesteren van kwaliteiten en het ontwikkelen van een bruisend Drenthe, passend bij die kwaliteiten. Het is een streven naar ruimtelijke kwaliteit door nieuwe ontwikkelingen en behoud van bestaande kwaliteiten. De ontwikkelingen moeten passen bij de kernkwaliteiten die de provincie rijk is. De provincie Drenthe wil ontwikkelen met ruimtelijke kwaliteit. De visie biedt ruimte voor het toevoegen van een incidentele woning buiten bestaand stedelijk gebied mits: • • • •
de bebouwing is gelegen in een bebouwingslint of een cluster van bebouwing; er sprake is van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; er sprake is van een landschappelijke inpassing, passend bij de gebiedskenmerken die zijn vastgelegd in een landschappelijk inpassingsplan; het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie en leidt niet tot leegstand elders.
Verder streeft de provincie Drenthe naar een aantrekkelijke, gevarieerde en leefbare woonmilieus die voorzien in de woonvraag. Het maken van bovenlokale afspraken hierover is van provinciaal belang. Gemeenten werken hun aandeel in het woonaanbod en de woonmilieus uit in de gemeentelijke structuurvisies of woonplannen. Zij houden daarbij rekening met de huidige kernenstructuur in de gemeente en de behoefte aan verschillende woonmilieus. De provincie geeft prioriteit aan herstructurering (inclusief verduurzaming) van de woningvoorraad en aan het herontwikkelen en herbestemmen van gronden en panden. Hiermee wordt verpaupering en leegstand van monumentale en karakteristieke panden voorkomen. De kernkwaliteiten zijn opgenomen op een kernkwaliteitenkaart. Op het gebied van ontwikkelingen zijn onder meer het regionale economische vestigingsklimaat, de landbouw, het toerisme, de demografische ontwikkeling, de mobiliteit en de ontwikkeling van natuur en landschap (natuurnetwerk, diversiteit in landschapstypen) als provinciaal belang benoemt. De kernkwaliteiten vormen de belangrijkste basis voor het begrip 'ruimtelijke kwaliteit'. Daarnaast is zorgvuldig ruimtegebruik en milieu- en leefomgevingskwaliteit van belang.
16
Doorwerking plangebied De kernkwaliteiten zijn inhoudelijk uitgewerkt in de visie, waarbij per kernkwaliteit algemeen en specifiek beleid is opgenomen. Voor het plangebied zijn de volgende kernkwaliteiten van toepassing: •
•
•
•
•
Kernkwaliteit Landschap - Esdorpenlandschap. Het Drents plateau bestaat voornamelijk uit esdorpenlandschap. Dit landschapstype bevat enkele telkens terugkerende onderdelen, namelijk het dorp, de es, het beekdal en de velden/bossen/heide. Het esdorpenlandschap is een agrarisch cultuurlandschap ten voeten uit. Elk onderdeel van het landschap komt voort uit het agrarisch gebruik en is gerelateerd aan het functioneren van de lokale agrarische dorpsgemeenschap, met de boermarken als het oorspronkelijke gezag. De esdorpen vormen vanouds de ontginningsbasis van het landschap. Ze liggen veelal op landschappelijke overgangen van nat (beekdal) naar droog (es/heide/bos). Het provinciaal beleid is gericht op het behoud van de open ruimte en het versterken van esrandbeplanting en het behoud van het onbebouwde karakter en het versterken van karakteristieke beekdal(rand)beplanting. Kernkwaliteit Cultuurhistorie - Drentse Hoofdvaartvormend land (de mens vormt het land, het land vormt de mens). Het beleidsuitgangspunt is cultuurhistorie 'respecteren': Dit geldt voor de gehele cultuurhistorische hoofdstructuur. Bij ontwikkelingen wordt ingezet op het waarborgen van de cultuurhistorische samenhang voor de toekomst.
Kernkwaliteit Archeologie - Beschermingsniveau 1: generiek: Het beschermingsniveau Generiek richt zich op het algemene uitgangspunt dat alle behoudenswaardig archeologische vindplaatsen (waarden) die op de Archeologische Monumentenkaart (AMK) van Drenthe staan en de nieuw ontdekte behoudenswaardige vindplaatsen niet ongezien kunnen verdwijnen. Kernkwaliteit Aardkundige waarde - Middel beschermingsniveau. In deze gebieden vormen de aardkundige waarden een randvoorwaarde voor ontwikkelingen. Aardkundige waarden geven de richting aan, door het behoud van karakteristieken na te streven, zodat de kenmerken van het aardkundig hoofdlandschap worden behouden. Initiatiefnemers hebben de verantwoordelijkheid om vroegtijdig in het planproces inzichtelijk te maken hoe zij de aardkundige kwaliteiten als (ruimtelijke) onderlegger voor nieuwe plannen benutten. Kernkwaliteit Robuust en klimaatbestendig watersysteem. De ambitie van de provincie Drenthe is streven naar schoon grond- en oppervlaktewater voor mens, natuur, landbouw en drinkwatervoorziening.
Toets aan de Omgevingsvisie Drenthe Voorliggend plan betreft de planologische wijziging van het perceel Wapserauwen 9. De bestemming ‘Agrarisch - 2’ wordt herzien naar “Wonen-voormalige boerderijpanden” met de aanduiding “specifieke vorm van wonen twee woningen”. Er wordt een tweede wooneenheid toegevoegd op het perceel, binnen de bestaande bebouwing. De bestaande agrarische opstallen worden op termijn gesloopt, een nieuw bijgebouw zal gebouwd worden in de lijn van het ontwerp van de woning. De silo’s op het perceel zijn reeds verwijderd. Het bebouwingsoppervlak neemt daarbij af. Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit van buitengebied verbeterd. Er vindt geen uitbreiding plaats van het bestaande erf, de landschappelijke kwaliteiten van het perceel en zijn omgeving blijven intact. De toevoeging van een extra woning is passend binnen het woningbouwprogramma van de gemeente Westerveld. De ontwikkeling van het plangebied past daarmee binnen de ambities van de Omgevingsvisie en de kernkwaliteiten landschap, cultuurhistorie, archeologie en het watersysteem.
17
3. 2.2 Pr ov i n ci al e o m g ev in gs v er ord en i n g Dr en t h e Provinciale Staten van Drenthe hebben op 3 oktober 2018 de Verordening Ruimtelijk Omgevingsbeleid vastgesteld. Deze Omgevingsverordening wordt elk jaar geactualiseerd. De laatste actualisatie is van juni 2019. De Provinciale omgevingsverordening Drenthe geeft de randvoorwaarden voor het opstellen van ruimtelijke plannen. De verordening heeft onder meer als doel om de kernkwaliteiten van Drenthe te behouden en te versterken. Als bij een ruimtelijk plan kernkwaliteiten betrokken zijn, moet in het ruimtelijk plan uiteengezet worden dat met het desbetreffende plan wordt bijgedragen aan behoud en ontwikkeling van de bij het plan betrokken kernkwaliteiten conform de provinciale ontwikkelingsvisie. Een ruimtelijk plan mag geen nieuwe activiteiten dan wel wijziging van bestaande activiteiten mogelijk maken die de kernkwaliteiten significant aantasten. Een ruimtelijk plan kan slechts in ruimtevragende ontwikkelingen voorzien op het gebied van woonwerklocaties, verblijfsrecreatie, detailhandel en infrastructuur indien uit het desbetreffende ruimtelijk plan blijkt dat dit op basis van de Ladder voor duurzame verstedelijking gerechtvaardigd is. Doorwerking plangebied De verordening is gericht tot de gemeenten en bevat voorschriften waar ruimtelijke plannen aan dienen te voldoen.
De volgende voorschriften hebben betrekking op de ontwikkelingen in het plangebied: Artikel 2.17 Woningbouw a.
b.
c.
Een ruimtelijk plan kan voorzien in nieuwe woningbouw mits de behoefte op basis van de gemeentelijke woonvisie kan worden aangetoond en aansluit bij bestaand stedelijk gebied. De gemeentelijke woonvisie ten aanzien van de woningvoorraad: 1. draagt bij aan balans tussen vraag en aanbod in de gehele Drentse woningvoorraad op de lange termijn en is hiertoe afgestemd binnen de woningmarktregio's; 2. benoemt tenminste de kwaliteit, kwantiteit, doelgroepen, duurzaamheid en kernenstructuur. 3. schetst de opgaven in de bestaande woningvoorraad; 4. geeft aan op welke wijze balans op lange termijn wordt gerealiseerd; 5. geeft een lange termijn beeld.
Een ruimtelijk plan kan voorzien in incidentele bouwmogelijkheden buiten het bestaand stedelijk gebied in de gevallen: o bedrijfswoningen, een tweede woning bij een agrarisch bedrijf, het splitsen van boerderijen in twee of meer woningen, en nieuwbouw die past binnen de kaders van de ruimte-voorruimte-regeling; o incidentele nieuwbouw van een enkele woning buiten bestaand stedelijk gebied is mogelijk, mits: o de bebouwing is gelegen in een bebouwingslint of een cluster van bebouwing; o er sprake is van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit; o er sprake is van een landschappelijke inpassing passend bij de gebiedskenmerken die zijn vastgelegd in een landschappelijk inpassingsplan, en; o het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie. In uitzonderlijke gevallen kan een ruimtelijk plan buiten het bestaand stedelijk gebied voorzien in de realisatie van bijzondere woonmilieus, mits 0. deze kleinschalig zijn;
18
1. 2. 3.
deze gericht zijn op woonwensen en leefstijlen van kleine specifieke doelgroepen; het uitgangspunt bij de ontwikkeling van deze woonmilieus een landschappelijk kader is dat aansluit bij de kernkwaliteiten van het gebied, en; het woonmilieu alleen kan worden ontwikkeld samen met het verbeteren van andere functies, zoals het verhogen van de ruimtelijke kwaliteit, het vergroten van het cultuurhistorische karakter, het verbeteren van voorzieningen, het realiseren van de wateren natuuropgave en het versterken van de recreatie.
Toets aan de Omgevingsverordening Drenthe Dit plan voorziet in het splitsen van een bestaande woonboerderij tot twee wooneenheden. Met dit bestemmingsplan wordt aangesloten bij de prioriteit van de provincie Drenthe ten aanzien van het herbestemmen van gronden en panden teneinde verpaupering en leegstand te voorkomen. Gezien de aard en omvang van de ontwikkeling waarin dit plan voorziet, worden zoals aangegeven in paragraaf 3.2.1 de voornoemde kernkwaliteiten niet aangetast en is er sprake van een significante verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Zoals aangegeven in paragraaf 3.1 wordt voldaan aan de Ladder voor duurzame verstedelijking en past de de toevoeging van 1 wooneenheid binnen de gemeentelijke woningbouwprogrammering. De ontwikkeling van het plangebied past daarmee binnen de Omgevingsverordening Drenthe. 3. 2.3 C on c lu s i e Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan past binnen de Omgevingsvisie Drenthe en de Provinciale omgevingsverordening Drenthe.
19
3.3 Gemeentelijk beleid 3. 3.1 S tru ctu u rv is i e g e m e en t e W es t e rv e l d De gemeenteraad heeft op 26 november 2013 de ruimtelijke structuurvisie van Westerveld vastgesteld. De structuurvisie is het instrument om de visie en de hoofdlijnen van het ruimtelijk beleid voor het hele grondgebied van de gemeente vast te leggen. Hierbij wordt de ruimtelijke invloed van allerlei verschillende beleidsterreinen bekeken zoals milieu, infrastructuur, wonen, cultuurhistorie, landschap, economie en welzijn. Met een structuurvisie maakt de gemeenteraad duidelijk wat zij de komende tien jaren wil versterken, ontwikkelen, herstructureren of juist wil behouden of beschermen. Daarmee bepaalt de structuurvisie ook de richting van de bestemmingsplannen die in de toekomst worden opgesteld. Toetsingskader voor uitbreiding woonfunctie buitengebied De gemeente is van mening dat de bestaande woonfunctie in het buitengebied een positieve bijdrage levert aan de leefbaarheid en vitaliteit op het platteland. Tegelijkertijd legt de woonfunctie beperkingen op ten aanzien van de basisfuncties van het platteland. Er wordt onder voorwaarden ontwikkelingsruimte geboden aan de woonfunctie, waarbij zoveel mogelijke aansluiting wordt gezocht bij de bestaande situatie ter voorkomen van verrommeling, versnippering en verpaupering (van bestaande locaties).
Bij vervanging van bestaande woningen wordt gestreefd naar herbouw die qua maat en schaal past bij de aanwezige bebouwing. In beperkte mate is het mogelijk om te wonen in voormalige agrarische boerderijen. Een dergelijk bedrijf kan worden omgezet naar een woonfunctie voor ten hoogste twee of drie woningen. Indien een initiatief zich voordoet om in het buitengebied een woonhoeve/buurtschap op te richten wordt deze bij voorkeur gerealiseerd op de locatie van een vrijkomend agrarisch bedrijf op de plaats van de bestaande gebouwen. Een woonhoeve/buurtschap bevat meerdere wooneenheden. Het volledige toetsingskader voor wonen in het buitengebied is verwoord in het bestemmingsplan Buitengebied en het beeldkwaliteitsplan Buitengebied.
20
Uitsnede structuurvisiekaart Doorwerking plangebied Het plangebied ligt in een gebied dat is aangeduid als 'landbouw en recreatie'. In dit ontwikkelingsgebied wordt gestreefd naar een ontwikkeling waarbij de grondgebonden landbouw de nodige schaalvergroting kan doormaken. Het gebied ‘ontwikkeling landbouw en recreatie' behoort tot de agrarische hoofdstructuur en blijft of wordt hiervoor zo optimaal mogelijk ingericht. Nieuwe functies zijn mogelijk, mits de agrarische hoofdstructuur in hoofdzaak in stand blijft. Dit betekent dat ontwikkeling van niet agrarische functies die ruimtebeslag vragen, bij voorkeur langs de randen van het gebied plaatsvinden. Toets aan de Structuurvisie gemeente Westerveld In voorliggend geval is sprake van een functieverandering, waarbij landschapsontsierende bebouwing wordt gesloopt en een tweede wooneenheid binnen de bestaande boerderij wordt gerealiseerd. De ontwikkeling vindt plaats op een bestaand erf, waar al bebouwing aanwezig is. In de omgeving van het plangebied zijn geen (agrarische) bedrijven die belemmerd kunnen worden in de bedrijfsvoering. De ontwikkeling van het plangebied past daarmee binnen de ambities van de Structuurvisie. 3.
3.2 B e eld k wal it ei ts p l a n Bu it en g eb ie d W es t erv eld Het beeldkwaliteitsplan (september 2010) van de gemeente Westerveld bevat de spelregels waaraan de nieuwe of vernieuwde bebouwing van particulieren en ondernemers zal moeten voldoen. Het dient in de eerste plaats als toetsingskader, maar tevens als inspiratiebron. Dit beeldkwaliteitsplan is geen keurslijf, maar een hulpmiddel om met elkaar te streven om een gemeenschappelijk doel te verwezenlijken, namelijk het vergroten van de ruimtelijke kwaliteit in de gemeente Westerveld. Het is altijd mogelijk om af te wijken van de
21
beschreven kenmerken, mits goed onderbouwd en passend in de omgeving. Het beeldkwaliteitsplan gaat over zowel de kenmerken en essenties van de 6 verschillende landschapstypen als de verschillen in bebouwingstypologieën binnen de gemeente Westerveld. Doorwerking plangebied Het plangebied is gelegen binnen het gebied aangeduid als 'Beekdalen landschap'. De kernkwaliteiten van het 'Beekdalen landschap' zijn: • • • • • •
openheid; verdichting door houtwallen evenwijdig aan en dwars op de beekdalranden; voornamelijk in gebruik als grasland; opstrekkende verkaveling; reliëf; nauwelijks bebouwing.
Toetsing aan het beeldkwaliteitsplan In voorliggend geval is sprake van een functieverandering van 'agrarisch' naar 'wonen', de bestaande boerderij wordt gesplitst in twee wooneenheden. De bestaande agrarische opstallen worden op termijn gesloopt, een nieuw bijgebouw zal gebouwd worden in de lijn van het ontwerp van de woning. De silo’s op het perceel zijn reeds verwijderd. Het bebouwingsoppervlak neemt daarbij af. Hiermee wordt de ruimtelijke kwaliteit van buitengebied verbeterd. Er vindt geen uitbreiding plaats van het bestaande erf, de landschappelijke kwaliteiten van het perceel en het omliggende landschap blijven intact. De bestaande boerderij blijft in de hoofdvorm grotendeels intact. Het ontwerp van de nieuwe woning is voorgelegd aan de welstandscommissie. De welstandscommissie is akkoord met het ontwerp. 3. 3.3 Wo on v is ie 2 01 9 - 20 25 De gemeenteraad heeft de Woonvisie Westerveld op 17 december 2019 vastgesteld. De Woonvisie is een actualisering van het woonbeleid zoals is opgenomen in de Structuurvisie en de Visie op Wonen. Met deze Woonvisie wordt vooruit gekeken naar 2025. Hoe is en blijft het prettig wonen in Westerveld anno 2020? De Woonvisie biedt handvatten om de woonkwaliteit te behouden en eventueel waar mogelijk te versterken.
Daarbij wordt niet alleen gekeken naar nieuwbouw maar ook naar mogelijke inbreiding en waar mogelijk het aanjagen van verbetering van de huidige woningvoorraad. Een belangrijke graadmeter voor de toekomstige woningbehoefte is de verwachte bevolkings- en huishoudensontwikkeling. Op dit moment is de bevolkingsomvang vrij stabiel in de gemeente Westerveld, en de afgelopen jaren licht stijgend. Zonder instroom van nieuwe huishoudens zal de bevolking van de gemeente Westerveld gestaag dalen: met ongeveer 550 personen tot 2025. Hierdoor is de lokale woningbehoefte beperkt tot enkele tientallen woningen. Verwachting is dat deze behoefte zich met name in de grotere voorzieningendorpen manifesteert. Daar zien we dan ook de grootste woningbouwopgave in de voorzieningenkernen; met name in Diever en Havelte.
22
De gemeente vindt het onwenselijk om een woningbehoefteraming één-op-één door te vertalen naar de woningprogrammering. In de eerste plaats trekt de woningmarkt sinds een aantal jaren stevig aan. In de tweede plaats zijn er ook veel woningzoekenden die in de bestaande woningvoorraad niet een woning vinden die aansluit bij hun wensen of (bestedings)mogelijkheden. De gemeente Westerveld wil de ruimte bieden aan initiatieven en de ontwikkeling van de kwalitatieve woningvoorraad stimuleren en niet alle mogelijkheden kwantitatief vastleggen. De gemeente zet ook vooral in op het mogelijk maken dat de oudere inwoners zo lang mogelijk zelfstandig thuis kunnen wonen. Een groot deel van de oudere inwoners heeft hier inderdaad voor gekozen. Voor veel ouderen is zo lang mogelijk wonen in de vertrouwde woonomgeving een gekoesterde wens. Toetsing aan de Woonvisie 2019 - 2025 In voorliggend geval is sprake van een functieverandering van 'agrarisch' naar 'wonen', de bestaande boerderij wordt gesplitst in twee wooneenheden. Het aantal woningen neemt per saldo met één woning toe. De ontwikkeling die met dit plan mogelijk wordt gemaakt, voorziet in een kwalitatieve bestaande woonvraag voor wonen in het landelijke gebied. De voormalige agrariër (de oudere inwoner) blijft ter plaatse wonen, de tweede woning wordt bewoond door één van de kinderen.
Op basis van bovenstaande kan worden geconcludeerd dat het plan past binnen de gemeentelijke woonvisie. 3. 3.4 C on c lu s i e Geconcludeerd kan worden dat voorliggend bestemmingsplan past binnen het gemeentelijk beleid. De voorgenomen ontwikkeling voldoet aan de uitgangspunten zoals verwoord in de structuurvisie gemeente Westerveld, het beeldkwaliteitsplan Buitengebied Westerveld en de Woonvisie 2019 - 2025.
23
Hoofdstuk 4 Milieu- en omgevingsaspecten Ingevolge artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening wordt in dit hoofdstuk een beschrijving opgenomen van de wijze waarop de milieu- en omgevingsaspecten bij het plan zijn betrokken. Daarbij moet rekening gehouden worden met de geldende wet- en regelgeving en met de vastgestelde (boven)gemeentelijke beleidskaders. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de in dit kader van belang zijnde milieu- en omgevingsaspecten. 4.1 Milieuzonering 4. 1.1 A lg e m e en In het kader van een goede ruimtelijke ordening dient in ruimtelijke plannen rekening te worden gehouden met afstemming tussen milieugevoelige functies en milieubelastende functies. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe en bestaande bedrijven niet in hun bedrijfsvoering worden beperkt en dat ter plaatse van milieugevoelige functies sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat. Voor de afstemming tussen functies onderling kunnen de richtlijnen in de VNG-handreiking 'Bedrijven en milieuzonering' (2009) gehanteerd worden. Deze uitgave bevat een lijst waarin per bedrijfssoort richtafstanden zijn gegeven ten opzichte van milieugevoelige functies. Deze lijst beperkt zich tot de volgende milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie: geur, stof, geluid en gevaar.
De grootste van de vier richtafstanden is bepalend voor de indeling van een milieubelastende activiteit in een milieucategorie. Richtafstanden De richtafstandenlijst gaat uit van gemiddeld moderne bedrijven. Indien bekend is welke activiteiten concreet (zullen) worden uitgeoefend, kan gemotiveerd worden uitgegaan van de daadwerkelijk te verwachten milieubelasting, in plaats van de richtafstanden. De afstanden worden gemeten tussen enerzijds de grens van de bestemming die de milieubelastende functie(s) toelaat en anderzijds de uiterste situering van de gevel van een milieugevoelige functie die op grond van het bestemmingsplan mogelijk is. Omgevingstype Hoe gevoelig een gebied is voor milieubelastende activiteiten, is onder meer afhankelijk van het omgevingstype. De richtafstanden van de richtafstandenlijst gelden ten opzichte van het omgevingstype rustige woonwijk. Een rustige woonwijk is ingericht volgens het principe van de functiescheiding: afgezien van wijkgebonden voorzieningen komen vrijwel geen andere functies voor; langs de randen is weinig verstoring door verkeer. Wanneer sprake is van het omgevingstype gemengd gebied kunnen de richtafstanden tussen milieubelastende functies en richtafstanden met één afstandsstap verlaagd worden, zonder dat dit ten koste gaat van het woon- en leefklimaat.
Milieucategorie Richtafstand tot omgevingstype rustige woonwijk en rustig Richtafstand tot omgevingstype buitengebied (m) gemengd gebied (m) 1
10
0
2
30
10
24
3.1
50
30
3.2
100
50
4.1
200
100
4.2
300
200
Het uitgangspunt van de VNG handreiking is dat de gemeente deze gemotiveerd toepast. Het is een hulpmiddel, maar het legt niet vast wat wel en wat niet is toegestaan. Een gemeente dient zelf zorgvuldig af te wegen, te bepalen en te motiveren welke functies en activiteiten zij in een bepaald gebied toelaatbaar acht en welke Staat van Bedrijfsactiviteiten zal worden toegepast, zodat maatwerk en flexibiliteit voor een plangebied ontstaat. 4. 1.2 B e o ord el in g In het voorliggend plan is er sprake van een functieverandering van 'agrarisch' naar 'wonen', waarbij de bestaande boerderij wordt gesplitst in twee wooneenheden. Op het perceel zijn jarenlang agrarische bedrijfsactiviteiten uitgevoerd, de agrarische bedrijfsvoering is per 1 september 2020 gestaakt. Het plan voegt geen milieubelastende activiteiten toe, er verdwijnen milieubelastende activiteiten. In de omgeving van het plangebied bevinden zich geen milieubelastende activiteiten die een belemmering vormen voor de ontwikkeling van het plan. De afstand tussen het dichtstbijzijnde agrarische bedrijf (Heuringsweg 6) en het perceel Wapserauwen 9 bedraagt circa 250 meter. Het agrarisch bedrijf op het perceel Heuringsweg 6 wordt dan ook niet belemmerd in de bedrijfsvoering en op het perceel Wapserauwen 9 is er sprake van een goed woon- en leefklimaat. 4.
1.3 C on c lu s i e Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bedrijven en milieuzonering, nader onderzoek op het gebied van bedrijven en milieuzonering is daarom ook niet nodig.
25
4.2 Geluid 4. 2.1 A lg e m e en De Wet geluidhinder (Wgh) stelt eisen ten aanzien van de geluidsbelasting van geluidsgevoelige functies. Er wordt onderscheidt gemaakt tussen wegverkeerslawaai en industrielawaai. Op basis van artikel 77 van de Wet geluidhinder (Wgh) dient bij vaststelling of herziening van een bestemmingsplan waarbij een nieuwe geluidsgevoelige functie wordt toegevoegd een akoestisch onderzoek te worden ingesteld. Wegverkeerslawaai: Geluidgevoelige bestemmingen nabij bestaande wegen Artikel 76 Wgh verplicht ertoe om bij de vaststelling van een bestemmingsplan dat betrekking heeft op gronden binnen een geluidzone terzake van de geluidsbelasting van de gevel van geprojecteerde geluidsgevoelige bestemmingen (zoals woningen) de grenswaarden uit de Wgh in acht te nemen. Bij het voorbereiden van de vaststelling van zo’n bestemmingsplan moet akoestisch onderzoek worden gedaan naar die geluidsbelasting. Op grond van artikel 74 Wgh heeft iedere weg van rechtswege een geluidzone, met uitzondering van: • •
wegen die liggen binnen een tot woonerf bestemd gebied; wegen waarop een wettelijke snelheid geldt van ten hoogste 30 kilometer per uur
De breedte van de zone is afhankelijk van het aantal rijstroken en van de ligging van de weg in binnen- of buitenstedelijk gebied. In binnen stedelijk gebied worden twee typen wegen onderscheiden, met aan weerszijden van de weg de volgende zonebreedtes: • •
wegen met een of twee rijstroken: 200 meter; wegen met drie of meer rijstroken: 350 meter.
Voor een weg buiten de bebouwde kom én voor een auto(snel)weg: • • •
voor een weg, bestaande uit vijf of meer rijstroken: 600 meter voor een weg, bestaande uit drie of vier rijstroken of drie of meer sporen: 400 meter voor een weg, bestaande uit een of twee rijstroken of een of twee sporen: 250 meter
Wanneer woningen worden geprojecteerd binnen een geluidzone moet akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48dB. Bij een hogere geluidsbelasting moet worden gekeken of er maatregelen getroffen kunnen worden om de geluidbelasting te reduceren. Indien maatregelen onvoldoende effect geven en/of onmogelijk zijn en de geluidsbelasting niet hoger is dan de maximale grenswaarde van 53dB (Lden, inclusief aftrek ex artikel 110g Wgh) kunnen burgemeester en wethouders een hogere waarde vaststellen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening moeten in een akoestisch onderzoek ook de wegen zonder geluidzone worden beschouwd. Hierbij wordt aansluiting gezocht bij de kaders van de Wgh.
26
4. 2.2 B eo ord el in g In het voorliggend plan is er sprake van een functieverandering van 'agrarisch' naar 'wonen', waarbij de bestaande boerderij wordt gesplitst in twee wooneenheden. Er wordt hiermee een geluidsgevoelig object (wooneenheid) toegevoegd in het plangebied. De Wapserauwen heeft een geluidzone van 250 meter. De woningen zijn geprojecteerd binnen deze geluidzone, er moet dan ook akoestisch onderzoek worden uitgevoerd naar de geluidsbelasting op de gevels van die woningen. De voorkeursgrenswaarde bedraagt 48dB. Gezien de afstand van de weg tot aan de woning (40 meter), het profiel van de weg, de materialisering en de verkeersintensiteit is de verwachting dat het geluidsniveau op de gevel van de woning ruim onder de maximaal toegestane waardes blijft. Op 9 juni 2021 is er contact geweest tussen de akoestisch adviseur en de gemeente Westerveld, geconcludeerd is dat nader onderzoek niet noodzakelijk is. 4. 2.3 C on c lu s i e Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect geluid, nader onderzoek op het gebied van geluid is daarom ook niet nodig.
27
4.3 Bodem 4. 3.1 A lg e m e en Volgens artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening dient in verband met de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Er dient bepaald te worden of de aanwezige bodemkwaliteit past bij het toekomstige gebruik van die bodem en of deze aspecten optimaal op elkaar kunnen worden afgestemd. Onderzocht moet worden of de bodem verontreinigd is en wat voor gevolgen een eventuele bodemverontreiniging heeft voor de uitvoerbaarheid van het plan. Een nieuwe bestemming mag pas worden opgenomen als is aangetoond dat de bodem geschikt (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Wanneer (een deel van) de bodem in het plangebied verontreinigd is, moet worden aangetoond dat het bestemmingsplan, rekening houdend met de kosten van sanering, financieel uitvoerbaar is. Bodemonderzoeken mogen in de regel niet ouder dan 5 jaar zijn. Uitzondering hierop zijn plannen waar de bodem niet verdacht is op bodemverontreiniging en/of bodemonderzoeken de bodemkwaliteit voldoende weergeven en er geen onoverkomelijke problemen te verwachten zijn bij de bestemmingsplanwijziging. Indien er sprake is van bouwactiviteiten, is ook in het kader van de omgevingsvergunning onderzoek naar de kwaliteit van de bodem nodig. Deze bodemonderzoeken mogen wettelijk niet ouder zijn dan 5 jaar. 4.
3.2 B eo ord el in g In het voorliggend plan is er sprake van een functieverandering van 'agrarisch' naar 'wonen', waarbij de bestaande boerderij wordt gesplitst in twee wooneenheden. Is een verkennend bodemonderzoek noodzakelijk? PM wachten op reactie gemeente 4. 3.3 C on c lu s i e Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect bodem, nader onderzoek op het gebied van bodem is daarom ook niet nodig
28
4.4 Luchtkwaliteit 4. 4.1 A lg e m e en Op 15 november 2010 is de wijziging van de Wet milieubeheer op het gebied van luchtkwaliteitseisen (Hoofdstuk 5 titel 2 Wm, Stb. 2007, 414) in werking getreden. De overheid wil een verbetering van de luchtkwaliteit bewerkstelligen en ontwikkelingen in ruimtelijke ordening doorgang laten vinden. De kern van de 'Wet luchtkwaliteit' bestaat uit de (Europese) luchtkwaliteitseisen. Verder bevat zij basisverplichtingen voor plannen, maatregelen, het beoordelen van luchtkwaliteit, verslaglegging en rapportage. Op grond van artikel 5.16 Wm moeten bestuursorganen nagaan of besluiten op grond van de Wro gevolgen kunnen hebben voor de luchtkwaliteit. Besluit NIBM In de Algemene maatregel van Bestuur 'Niet in betekenende mate' (Besluit NIBM) en de ministeriële regeling NIBM (Regeling NIBM) zijn de uitvoeringsregels vastgelegd die betrekking hebben op het begrip NIBM. In de Regeling NIBM is een lijst met categorieën van gevallen opgenomen die niet in betekenende mate bijdragen aan de luchtverontreiniging. Enkele projecten zijn: • • •
woningen: 1.500 met een enkele ontsluitingsweg; woningen: 3.000 met twee ontsluitingswegen; kantoren: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak met een enkele ontsluitingsweg.
Als een ruimtelijke ontwikkeling niet genoemd staat in de Regeling NIBM kan deze nog steeds niet in betekenende mate bijdragen. De bijdrage aan NO2 en PM10 moet dan minder zijn dan 3% van de grenswaarden. Voor NO2 en PM10 betekent dit dat aannemelijk moet worden gemaakt dat het project tot maximaal 1,2 µg/m³ verslechtering leidt. Besluit gevoelige bestemmingen Naast het besluit en regeling NIBM dient getoetst te worden aan het 'Besluit gevoelige bestemmingen'. Dit besluit is opgesteld om mensen die extra gevoelig zijn voor een matige luchtkwaliteit aanvullend te beschermen. Deze 'gevoelige bestemmingen' zijn scholen, kinderdagverblijven en verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen. Woningen en ziekenhuizen/ klinieken zijn geen gevoelige bestemmingen. 4. 4.2 B eo ord el in g In het voorliggend plan is er sprake van een functieverandering van 'agrarisch' naar 'wonen', waarbij de bestaande boerderij wordt gesplitst in twee wooneenheden. De verkeersaantrekkende werking in het plangebied zal iets toenemen. Volgens de CROW publicatie ‘Kencijfers en verkeersgeneratie’ heeft een twee-onder-één-kapwoning een verkeersgeneratie van 8,2 motorvoertuigbewegingen per etmaal. De NIBM-tool is een rekentool waarmee de bijdrage van kleinere ruimtelijke plannen aan de luchtkwaliteit vastgesteld kan worden.
De bijdrage van het extra verkeer is bij het voorliggend plan in niet betekende mate en is het niet nodig luchtkwaliteitsonderzoek uit te voeren. Wat betreft de toets ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening worden bij woningen, op grond van de regeling Beoordeling luchtkwaliteit 2007, mensen blootgesteld aan luchtverontreiniging gedurende een significante periode ten opzichte van een etmaal. De Atlas Leefomgeving geeft een goede indicatie van de
29
achtergrondconcentraties ter plekke. Uit de kaarten blijkt dat de achtergrondconcentraties luchtvervuilende stoffen ter plaatse van het plangebied relatief laag te zijn. Ook liggen ze ver onder de grenswaarden. De cijfers zijn van 2019. Een algemene trend is evenwel dat de emissiefactoren van wegverkeer en de concentratie fijn stof al jaren afnemen. Het RIVM verwacht dat dit ook in de komende jaren het geval zal zijn. De blootstelling aan luchtverontreiniging in het plangebied is hierdoor beperkt en leidt niet tot onaanvaardbare gezondheidsrisico's. Op grond van de Wet Luchtkwaliteit worden er binnen het plangebied geen grenswaarden overschreden ook zijn er geen dreigende grenswaardenoverschrijdingen. In het kader van dit bestemmingsplan worden er geen nieuwe ontwikkelingen of uitbreidingen mogelijk gemaakt, die in betekenende mate leiden tot een verbetering of verslechtering van de luchtkwaliteit. Zowel vanuit de Wet milieubeheer als vanuit een goede ruimtelijke ordening vormt de luchtkwaliteit geen belemmering voor het bestemmingsplan. 4. 4.3 C on c lu s i e Het plan wordt niet belemmerd vanuit het aspect luchtkwaliteit, nader onderzoek op het gebied van luchtkwaliteit is daarom ook niet nodig
30
4.5 Externe veiligheid 4. 5.1 A lg e m e en Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als lpg-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Daartoe wordt binnen het werkveld van de externe veiligheid veelal het plaatsgebonden risico en het groepsrisico gehanteerd.