bestemmingsplan leggeloo 49 dwingeloo_bijlagen bij toelichting
Tekst van het document
Bestemmingsplan
Buitengebied Bestemmingsplan Leggeloo 49 Dwingeloo
Bestemmingsplan Buitengebied Bestemmingsplan Leggeloo 49 Dwingeloo
Projectnummer Revisie 02 Datum 4 december 2023
Auteur(s) V. de Vegt
Opdrachtgever Fam. Boonstra Leggeloo 49 Leggeloo
datum vrijgave
beschrijving revisie ontwerp
goedkeuring M. Brienissen Sterkenburg
vrijgave
Copyright © Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Bestemmingsplan Leggeloo 49 Dwingeloo
Gemeente Westerveld Projectnummer
Inhoudsopgave Bijlagen bij toelichting
3
Bijlage 1
5
natuurtoets
Bijlagen bij toelichting
blad 3 van 38
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Bestemmingsplan Leggeloo 49 Dwingeloo
Gemeente Westerveld Projectnummer
blad 4 van 38
Ruimte - Antea Nederland B.V.
ontwerp bestemmingsplan Buitengebied Bestemmingsplan Leggeloo 49 Dwingeloo
Gemeente Westerveld Projectnummer
Bijlage 1
blad 5 van 38
natuurtoets
Ruimte - Antea Nederland B.V.
Natuurtoets
Realisatie appartementen te Leggeloo 49
projectnummer 0482983.100 concept revisie 00 1 augustus 2023
www.anteagroup.nl
Natuurtoets Realisatie appartementen te Leggeloo 49 projectnummer 0482983.100 documentnummer 1 concept revisie 00 1 augustus 2023
Auteurs A.R. Bruinenberg, BSc
Opdrachtgever De heer en mevrouw Boonstra Leggeloo 49 7991 PZ Dwingeloo
Gecontroleerd P. Teuben, BSc. S. Rinzema, MSc.
Antea Group is aangesloten bij het Netwerk Groene Bureaus
datum 1 augustus 2023
beschrijving Definitief
vrijgave Dhr. V. de Vegt
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Inhoudsopgave 1.
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding & planvoornemen Doel Leeswijzer
4 5 5
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling
6
2.1 2.2 2.3 2.3.1 2.3.2 2.3.3 2.3.4 2.3.5 2.3.6 2.3.7 2.3.8 2.3.9 2.3.10 2.3.11 2.3.12 2.4 2.5 2.6 2.7 2.8
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Effectbepaling voornemen Soortbescherming Afbakening relevante soortgroepen Vogels Zoogdieren – vleermuizen Zoogdieren – overige zoogdieren Amfibieën Reptielen Vissen Insecten Kreeftachtigen en weekdieren Zaadplanten, varens en bladmossen Zorgplicht Invasieve soorten Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden Wnb Kansen voor natuurwaarden in het plangebied
3.
Conclusie & advies
3.1 3.1.1 3.1.2 3.2 3.2.1 3.2.2 3.2.3 3.3 3.4
Soortbescherming Zorgplicht Invasieve soorten Gebiedsbescherming Natura 2000 NNN Overig provinciaal beleid Beschermde houtopstanden Wnb Kansen voor natuurwaarden in het plangebied
Literatuurlijst
7 8 8 9 9 11 13 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 13 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 13 15 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 15 16
17 17 18 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 18 18 18 Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd. 19 19
Fout! Bladwijzer niet gedefinieerd.
Bijlage 1 Wettelijk kader
22
Bijlage 2 Methodiek natuurtoets
31
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
1.
Inleiding
1.1
Aanleiding & planvoornemen De familie Boonstra is voornemens om twee woningen te realiseren op een voormalige boerderij. Het plangebied is gelegen aan het adres Leggeloo 49 te buurtschap Leggeloo (gemeente Westerveld, Provincie Drenthe). Het oude schuurgedeelte achter het woonhuis wordt verbouwd tot twee woningen. Daarbij wordt de huidige rieten dakconstructie vervangen door een nieuwe dakconstructie. Het schuurgedeelte wordt gesplitst in twee woonruimten. Bij de werkzaamheden worden geen bomen gekapt of watergangen aangetast. Het is nog niet duidelijk wanneer de werkzaamheden worden uitgevoerd en hoe lang deze zullen gaan duren. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet rekening worden gehouden met beschermde planten- en diersoorten en met beschermde gebieden. Er dient onderzocht te worden of het voornemen effect heeft op beschermde soorten, beschermde gebieden of beschermde houtopstanden (Wet natuurbescherming (Wnb), Natuurnetwerk Nederland (NNN) en overig (provinciaal) beleid). Ontwikkelingen mogen niet zonder meer plaatsvinden indien deze negatieve gevolgen hebben op beschermde natuurwaarden (soorten, gebieden en/of houtopstanden). Er is daarom inzicht gewenst in de aanwezige beschermde natuurwaarden en de mogelijke effecten die op deze beschermde natuurwaarden kunnen optreden door de ontwikkeling. Dit wordt verkend in deze natuurtoets.
Daarnaast worden kansen voor het verbeteren van natuurwaarden genoemd. In de figuren 1.1 en 1.2 is de ligging van het plangebied weergegeven.
Figuur 1.1. Globale ligging van de woonkavel (wit omkaderd) en het plangebied (rode stip) ten opzichte van de omgeving. Bron: Street Smart, kaart 2022.
blad 4 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Figuur 1.2. Gedetailleerde ligging van het plangebied (rood omkaderd). Bron: Street Smart, kaart 2022.
1.2
Doel Het doel van de natuurtoets is om een goed eerste beeld te krijgen van de (beschermde) natuurwaarden die in het plangebied en de (directe) omgeving aanwezig (kunnen) zijn. Dit gebeurt door het uitvoeren van een bureaustudie en oriënterend terreinbezoek. Op basis hiervan wordt getoetst of in het kader van de Wnb als gevolg van de voorgenomen ontwikkeling negatieve effecten kunnen optreden. Daarnaast wordt ingegaan op de eventuele vervolgstappen die noodzakelijk zijn.
1.3
Leeswijzer De natuurtoets is als volgt opgebouwd: Hoofdstuk 1 beschrijft de aanleiding van de natuurtoets en voorgenomen ontwikkeling; Hoofdstuk 2 beschrijft het gebied en toetst de (in de omgeving) aanwezige beschermde soorten, beschermde gebieden en beschermde houtopstanden aan de natuurwetgeving en overige beleidskaders. Tevens wordt hier kort aandacht besteed aan kansen voor de natuur; Hoofdstuk 3 bevat de conclusies en advies over de te nemen vervolgstappen. In bijlage 1 wordt het wettelijk kader beschreven. In bijlage 2 wordt de methodiek van voorliggende natuurtoets beschreven.
blad 5 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
2.
Effectbeschrijving en -beoordeling In paragraaf 2.1 wordt allereerst een gebiedsbeschrijving van het plangebied gegeven. Vervolgens wordt in paragraaf 2.2 de effectbepaling van het plan gegeven. In paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 wordt respectievelijk ingegaan op de aanwezigheid van en toetsing aan de Wnb van beschermde soorten, Natura 2000-gebieden, NNN, overig provinciaal beleid van de provincie Drenthe en beschermde houtopstanden. In paragraaf 2.8 worden kansen voor het verhogen van de natuurwaarden in het plangebied uiteengezet. Indien blijkt dat een onderdeel van paragraaf 2.3 t/m paragraaf 2.7 niet relevant is voor voorliggend planvoornemen, vindt er geen toetsing van het voornemen aan de Wnb (of ander relevant beleidskader) van dat onderdeel plaats.
blad 6 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
2.1
Gebiedsbeschrijving: resultaat terreinbezoek Op 6 juni 2023 is vanaf circa 08:00 uur een oriënterend terreinbezoek uitgevoerd door een deskundig ecoloog van Antea Group bij bewolkt weer met een temperatuur van circa 16°C. Tijdens het terreinbezoek is het plangebied te voet geïnspecteerd. Hierbij zijn het woonhuis, de schuur en de bomen met een verrekijker geïnspecteerd op de aanwezigheid van holtes, scheuren, kieren en nesten. In figuur 2.1 is een impressie gegeven van het plangebied.
Het huidige woonhuis en het schuurgedeelte
Het schuurgedeelte gezien vanaf het noorden
Het schuurgedeelte gezien vanaf het zuiden
Het woonhuis gezien vanaf de straat Leggeloo
De binnenkant van het schuurgedeelte
De noordzijde van de omgeving van het plangebied
blad 7 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
De zuidzijde van de omgeving van het plangebied
De straat Leggeloo
Bosschage op het erf van het plangebied
De omgeving van het plangebied
Figuur 2.1. Impressie van het plangebied.
2.2
Effectbepaling voornemen De volgende activiteiten vinden plaats als gevolg van het planvoornemen die een effect kunnen hebben op (het leefgebied van) (beschermde) soorten en beschermde gebieden: Deel van de aanwezige bebouwing (het dak) wordt vervangen; Er wordt (tijdelijke) verlichting geplaatst; Er is sprake van geluidsverstoring verstoring gedurende de werkzaamheden.
2.3
Soortbescherming In de onderstaande paragrafen worden per soortgroep de resultaten van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek beschreven. Indien soortgroepen op basis van het oriënterend terreinbezoek op voorhand kunnen worden uitgesloten vanwege het ontbreken van geschikt biotoop, zijn deze soortgroepen vermeld in paragraaf 2.3.1. Op basis van het bureauonderzoek en het oriënterend terreinbezoek wordt ingegaan op de mogelijk effecten die als gevolg van het planvoornemen op mogelijk aanwezige beschermde soorten kunnen optreden. Indien negatieve effecten op beschermde soorten niet zijn uit te sluiten, wordt geadviseerd over de te nemen vervolgstappen.
blad 8 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
2.3.1
Afbakening relevante soortgroepen Op basis van de bureaustudie en het verkennend terreinbezoek kan de aanwezigheid van meerdere soortgroepen worden uitgesloten. Gezien de afwezigheid van (geschikt) open (voortplantings)water, geschikt habitat (open tot half open leefgebieden) in (de directe omgeving van) het plangebied én het bekende verspreidingsgebied kan de aanwezigheid van beschermde amfibieën, beschermde vissen, beschermde vaatplanten, beschermde insectensoorten, beschermde weekdieren en beschermde reptielen in het plangebied worden uitgesloten. Aanwezigheid van de overige soortgroepen kan niet op voorhand worden uitgesloten. Deze soortgroepen worden in de hiernavolgende paragrafen nader beschouwd.
2.3.2
Vogels Soorten met een jaarrond beschermd nest (categorie 1 t/m 4) Provincie Drenthe In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.1. Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km)(NDFF, 2018-2023). Soort Categorie Huismus 2 Sperwer 4
Zoals blijkt uit de bureaustudie zijn een aantal vogelsoorten waargenomen in de omgeving van het plangebied waarvan de broedplaatsen jaarrond beschermd zijn en waar bij verwijdering of aantasting van de vaste rust- en verblijfplaats, alsook bij wezenlijke aantasting van de functionele leefomgeving, altijd ontheffing moet worden aangevraagd. Dit zijn boombroedende soorten (sperwer) en gebouwbroedende soorten (huismus). Tijdens het terreinbezoek zijn in (de directe omgeving van) het plangebied geen grote nesten in bomen aangetroffen die kunnen toebehoren aan boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest. De aanwezigheid van nestplaatsen van boombroedende soorten met een jaarrond beschermd nest kan in (de directe omgeving van) het plangebied worden uitgesloten. Het plangebied kan wel onderdeel uitmaken van de functionele leefomgeving van boombroedende vogelsoorten met een jaarrond beschermd nesten die in de wijde(re) omgeving broeden, zoals sperwer. Voor deze en overige vogelsoorten met een jaarrond beschermd nest maakt het plangebied gezien de zeer beperkte (mogelijkheid aan) aanwezige voedselbronnen geen essentieel onderdeel uit van de functionele leefomgeving. In het plangebied (en de directe omgeving) is bebouwing aanwezig. De daken van deze bebouwing zijn bedekt met dakpannen en riet.
Het dak van het woonhuis is bedekt met dakpannen, terwijl het dak van het schuurgedeelte deels bedekt is met dakpannen en deels bedekt met riet. Dergelijke bebouwing is geschikt voor gebouwbroedende soorten, zoals de huismus waardoor nestlocaties van de huismus in (de directe omgeving van) het plangebied niet kunnen worden uitgesloten. Tevens bevinden zich essentiële onderdelen van de functionele leefomgeving voor huismus binnen het plangebied, waaronder ook bosschages die kunnen dienen als schuilplaats/overnachtings- en winterverblijfplaats. Tijdens het veldbezoek zijn er in het woonhuis drie nestlocaties aangetroffen in het woonhuis aangrenzend aan de voorkant van het schuurgedeelte (zie figuren 2.2 en 2.3). Het woonhuis valt buiten de geplande werkzaamheden. In het schuurgedeelte waren op enkele plekken openingen aanwezig. Deze openingen zijn vrij groot en een aantal van deze openingen zijn vanaf de bovenkant open. Door de grootte en de open bovenkant zijn deze openingen gevoelig voor inregenen of te tochtig en daardoor ongeschikt voor huismus of andere gebouwbroedende soorten. Daarnaast zijn er in het woonhuisgedeelte en in de directe omgeving van het plangebied voldoende uitwijkmogelijkheden voor de huismus om als alternatieve nestlocatie of als schuilplaats (bosschages en landbouwschuur aan de overkant en in de omgeving van het plangebied) te gebruiken.
Ook zijn huismussen weinig storingsgevoelig. De voorgenomen werkzaamheden bevinden zich voornamelijk aan het dak van het schuurgedeelte. De werkzaamheden hebben naar verwachting dan ook geen negatieve effecten op de huismus en diens nestlocaties in het dak van het woonhuis en hebben geen negatieve effecten op de instandhouding van deze
blad 9 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
soort in de omgeving. Wel dienen de voorgenomen werkzaamheden buiten het broedseizoen (vanaf 15 september t/m 1 maart) van start te gaan om te voorkomen dat het dak van het schuurgedeelte alsnog wordt gebruikt als mogelijke broedlocatie voor huismus. Mocht dit niet mogelijk zijn, dient een deskundig ecoloog voorafgaand aan de werkzaamheden een controle te hebben uitgevoerd op mogelijke nestplaatsindicerende huismussen (BIj12, 2023).
Figuur 2.2 & 2.3: Links: Locatie van de aangetroffen huismusnesten onder de dakpannen bij het woonhuis. Rechts: een van de aangetroffen nesten onder een dakpan. Bron: Antea Group, 2023. Tabel 2.2: De te nemen vervolgstappen om overtreding van de Wnb te voorkomen.
Vervolgstappen Bij voorkeur werken buiten het broedseizoen (1 maart t/m 15 september) Indien dit niet mogelijk is: Minimaal twee bezoeken aan het plangebied in de periode 10 maart - 20 juni door een ter zake deskundig ecoloog om potentieel broedbiotoop aan te tonen of uit te sluiten (BIj12, 2023) Soorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest (categorie 5) Provincie Drenthe In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van vogels met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.3.: Overzicht van waargenomen vogelsoorten met een mogelijk jaarrond beschermd nest in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1km) die in het NDFF door derden zijn ingevoerd (NDFF, 2018-2023). Soort Categorie Boerenzwaluw 5 Boomklever 5 Buizerd 5 Gekraagde roodstaart 5 Torenvalk 5
Tijdens het terreinbezoek is er een categorie 5-soort waargenomen (torenvalk). Nesten van de categorie 5 vogelsoorten zijn alleen jaarrond beschermd als zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. Dit laatste is op het plangebied niet van toepassing. Er zijn geen categorie 5 soorten te verwachten die zeldzaam zijn in de omgeving of onvoldoende nestgelegenheid hebben in de omgeving. Derhalve zijn er geen zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden die jaarronde bescherming rechtvaardigen. De categorie 5-soorten vallen daarmee onder de bescherming van algemene broedvogels. Algemene broedvogels Tijdens de terreinbezoeken zijn enkele algemene broedvogels waargenomen (holenduif en roodborst). De bosschages en overige vegetatie in en rondom het plangebied bieden nestgelegenheid aan deze algemene soorten.
blad 10 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Alle in gebruik zijnde nesten van vogelsoorten in Nederland zijn beschermd onder de Wnb (artikel 3.1). Indien nesten aanwezig zijn, mogen deze tijdens de broedperiode (en wanneer deze in gebruik zijn) niet verwijderd of verstoord worden. Met de meeste broedvogels kan echter in het algemeen relatief eenvoudig rekening worden gehouden door eventuele kap- en sloopwerkzaamheden niet uit te voeren in het broedseizoen (circa maart tot en met juli1) en ook niet uitvoeren wanneer er concrete broedgevallen aanwezig zijn en/of wanneer vogelsoorten nestindicerend gedrag vertonen binnen het plangebied. Op deze wijze zijn geen belemmeringen vanuit de Wnb aan de orde. Indien het niet mogelijk is om buiten het broedseizoen om te werken dan dient het plangebied (waar de werkzaamheden plaatsvinden) vóór het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden voor (broed)vogels. Mocht dit niet mogelijk zijn dan dient voorafgaand aan de werkzaamheden het plangebied gecontroleerd te worden op de aanwezigheid van broedvogels door een deskundig ecoloog. Indien vastgesteld wordt dat sprake is van actuele broedgevallen binnen het plangebied, kunnen locatie specifieke maatregelen worden voorgesteld en/of wordt het plangebied niet vrijgegeven en dienen de werkzaamheden uitgesteld te worden totdat het nest niet meer in gebruik is. Tabel 2.4.: De te nemenmaatregelen om overtreding van de Wnb te voorkomen.
Soort(groep) Maatregelen Algemene broedvogels Bij voorkeur werken buiten het broedseizoen (circa maart t/m juli). Indien niet mogelijk: Voorafgaand aan de werkzaamheden een controle van het plangebied op broedvogels door een ter zake deskundig ecoloog.
2.3.3
Zoogdieren – vleermuizen Binnen de NDFF zijn in de afgelopen 10 jaar geen waarnemingen bekend van vleermuizen in en in een straal van 10 km rondom het plangebied. Dit heeft hoogstwaarschijnlijk te maken met de lage onderzoeksdruk naar deze soortgroep in het plangebied en omgeving. Voor vleermuizen zijn drie functies van het leefgebied te onderscheiden die van groot belang zijn. Dit zijn verblijfplaatsen, vliegroutes en foerageergebied. Foerageergebieden en vliegroutes zijn alleen beschermd als deze van essentieel belang zijn voor het functioneren van de verblijfplaats, zogenaamde essentiële foerageergebieden en essentiële vliegroutes. Deze drie onderdelen (verblijfplaatsen, essentiële vliegroutes en essentieel foerageergebied) worden hieronder nader beschouwd. Verblijfplaatsen Vleermuizen kunnen hun verblijfplaats in gebouwen of bomen (of beide) hebben. Gebouwbewonende vleermuizen verblijven met name in spouwmuren, onder dakbetimmering, achter boeiborden of op zolders. Boombewonende vleermuizen verblijven in gaten, holen of scheuren van voornamelijk grote bomen. De openingen in het dak van het schuurgedeelte zijn groot en van boven open. Deze openingen zijn hierdoor gevoelig voor tocht en voor inregenen. Echter, de houten gebinten en het rieten dak kunnen mogelijk dienen als verblijfplaats voor de gewone grootoorvleermuis.
Deze soort gebruikt met name zolders, houten constructies en rieten daken als verblijfplaats. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van grootoorvleermuis kan niet worden uitgesloten. Om mogelijke verblijfplaatsen uit sluiten is onderzoek nodig. Er dient nader onderzoek naar de gewone grootoorvleermuis uitgevoerd te worden. Mogelijk kan, in overleg met de Provincie Drenthe, afgeweken worden van het reguliere vleermuisprotocol om de onderzoeksperiode te verkorten, en de trefkans te vergroten. In het plangebied zijn geen bomen met holtes, scheuren of loszittend schors aanwezig, waardoor de aanwezigheid van verblijfplaatsen van boombewonende soorten kan worden uitgesloten. 1
Voor het broedseizoen wordt in het kader van de wet geen standaardperiode gehanteerd. Het broedseizoen is afhankelijk van klimatologische omstandigheden; dit houdt in dat het seizoen eerder dan wel later van start kan gaan en eerder dan wel later kan eindigen. Van belang is of er broedgevallen aanwezig zijn.
blad 11 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
De woningen en bomen in de omgeving in het plangebied kunnen wel dienen als mogelijke verblijfplaats voor gebouw-/boombewonende vleermuizen. Indien bouwverlichting wordt gebruikt kan wel verstoring plaatsvinden van vleermuizen. Daarom dient de bouwverlichting in het plangebied gedurende de actieve periode van vleermuizen (circa april t/m oktober) uitsluitend te worden gericht op het werkterrein (plangebied). Er mag geen lichtuitstraling naar richting bebouwing of bosschages c.q. bomen. De genoemde periode kan langer dan wel korter duren, afhankelijk van de weersomstandigheden (zoals temperatuur). Tabel 2.5.: De te nemen maatregelen om overtreding van de Wnb te voorkomen.
Maatregelen Alle vleermuissoorten: Voorkomen van lichtuitstraling in de richting van eventueel in de omgeving aanwezige verblijfplaatsen: Lichtuitstraling voorkomen gedurende actieve periode (circa april t/m oktober) door (werk)verlichting. Deze uitsluitend richten op werkterrein. Grootoorvleermuis: Vleermuisonderzoek in afstemming met bevoegd gezag. o Mogelijk 2 najaarsrondes in combinatie met het ophangen van een batlogger. Indien geen afwijking mogelijk, onderzoek conform Vleermuisprotocol 2021: o 5 bezoeken in de periode 15 mei – 15 oktober
Essentiële vliegroutes Vliegroutes van vleermuizen betreffen (vaak) lijnvormige elementen in het landschap die als verbinding tussen verblijfplaatsen en foerageergebied fungeren. In het plangebied zijn geen lijnvormige elementen aanwezig die kunnen dienen als (essentiële) vliegroute. De aanwezigheid van (essentiële) vliegroutes kan worden uitgesloten. Wel kunnen de bomenrijen aan de weg Leggeloo dienen als (essentiële) vliegroute. Om verstoring van de vliegroutes te voorkomen, dient werkverlichting uitsluitend te worden gericht op het plangebied. Tabel 2.6: De te nemen maatregelen om overtreding van de Wnb te voorkomen.
Maatregelen Voorkomen van lichtuitstraling in de richting van eventueel in de omgeving aanwezige vliegroutes: Lichtuitstraling voorkomen gedurende actieve periode (circa april t/m oktober) door (werk)verlichting. Deze uitsluitend richten op werkterrein. Essentieel foerageergebied Foerageergebied van vleermuizen betreft locaties waar vleermuizen hun voedsel verzamelen. Dit kunnen uiteenlopende gebieden zijn. In het plangebied is marginaal geschikt foerageergebied aanwezig voor vleermuizen, vanwege het zeer geringe oppervlak aan (en grotendeels afwezigheid van) opgaande beplanting. Daarbij is geen sprake van unieke beplanting en/of structuren die enkel in het plangebied aanwezig zijn. In de omgeving van het plangebied is vergelijkbaar alternatief foerageergebied aanwezig. De aanwezigheid van essentieel foerageergebied kan worden uitgesloten.
blad 12 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
2.3.4
Zoogdieren – overige zoogdieren In de onderstaande tabel zijn de waarnemingen van overige soorten zoogdieren in de directe omgeving van het plangebied weergegeven. Tabel 2.7 Overzicht van waargenomen zoogdieren in de omgeving van het plangebied (met een straal van 1 km) (NDFF, 2018-2023). Soort Beschermingsregime HR (artikel 3.5 Wnb) Art. 3.10 Wnb Art. 3.10 Wnb Vrijgestelde zoogdieren Eekhoorn X Egel X Haas X Ree X
Op basis van het terreinbezoek worden beschermde zoogdieren niet verwacht door het ontbreken van geschikt biotoop. Vrijgestelde soorten zoogdieren in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen Er is binnen het plangebied geen biotoop aanwezig voor de algemeen voorkomende (vrijgestelde) soorten als eekhoorn (bomenrijen en bosschages), egel (bosschages en greppels), haas (graslanden en bouwland), ree (bosschages en graslanden). Door de voorgenomen werkzaamheden hebben negatieve effecten op deze soorten optreden. Binnen de provincie Drenthe geldt een vrijstelling voor deze algemene soorten bij ruimtelijke ontwikkelingen. Wel is voor deze soorten de zorgplicht van toepassing. Dit houdt in de negatieve effecten zo veel als mogelijk dienen te worden voorkomen dan wel beperkt. In paragraaf 2.3.5 wordt nader ingegaan op maatregelen die in het kader van de zorgplicht genomen kunnen worden.
2.3.5
Zorgplicht In het plangebied kunnen muisachtigen, egel of amfibieën aanwezig zijn. Deze soorten zijn vrijgesteld van de ontheffingsplicht voor de Wnb in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Wel geldt voor deze soorten, net als alle overige in het wild levende dieren en planten, de zorgplicht (zie bijlage 1). Dit houdt in dat tijdens de werkzaamheden zo veel mogelijk negatieve effecten op aanwezige natuurwaarden dienen te worden voorkomen dan wel te worden beperkt. De initiatiefnemer/uitvoerder is verantwoordelijk voor een adequate naleving van de algemene zorgplicht tijdens de uitvoering van de werkzaamheden. Door het uitvoeren van een aantal zorgplicht gerelateerde maatregelen, wordt voldaan aan de zorgplicht en kan de gunstige staat van instandhouding van de betreffende soorten worden gegarandeerd. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 2.8. Tabel 2.8.: Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Maatregel Alle soorten Bij aantreffen van de soort binnen het plangebied: Deze zover mogelijk verplaatsen van de werkzaamheden naar vergelijkbaar gebied. Grondgebonden zoogdieren (alle Werken in de richting van een vluchtmogelijkheid (richting de aangrenzende soorten) en amfibieën agrarische percelen) bij de werkzaamheden.
2.4
Natura 2000 Het plangebied ligt niet in een Natura 2000-gebied. Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is het Leggelderveld & Drents-Friese Wold en ligt op circa 1,0 kilometer afstand ten noorden van het plangebied (zie figuur 2.4). Dit gebied is aangewezen op basis van de Habitatrichtlijn. Binnen een straal van 25 km liggen nog acht andere
blad 13 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Natura 2000-gebieden. Het betreft het Dwingelderveld, de Weerribben, de Wieden, het Holtingerveld, de Elperstroom, het Mantingerzand, het Witterveld en het Drentsche Aa-gebied (zie figuur 2.4).
Figuur 2.4.: Ligging Natura 2000-gebieden in de omgeving van het plangebied (rode stip). Bron: AERIUS-calculator, versie 2022.
Bij voorliggend planvoornemen is er zowel sprake van een realisatiefase als gebruiksfase. Er kan daardoor sprake zijn van zowel tijdelijke als permanente effecten. De Natura 2000-gebieden liggen buiten het invloedsgebied van alle storingsfactoren, zoals bijvoorbeeld verdroging of geluid- en lichtverstoring, met uitzondering van verzuring en vermesting. Gezien de afstand tot stikstofgevoelige habitattypen in de Natura 2000-gebieden en de voorgenomen werkzaamheden zijn effecten als gevolg van vermesting en verzuring door stikstofdepositie tijdens (enkel) de realisatiefase en/of de gebruiksfase niet op voorhand uit te sluiten. De enige manier om inzicht te krijgen in de aard en omvang van het effect van stikstofdepositie, is het uitvoeren van een stikstofberekening met behulp van AERIUS Calculator. Geadviseerd wordt dan ook om een dergelijke berekening uit te voeren. Indien uit de AERIUS-berekening volgt dat er als gevolg van het voornemen een verhoogde stikstofdepositie plaatsvindt op stikstofgevoelige habitattypen en/of leefgebieden van enig Natura 2000-gebied, dient dit nader ecologisch beoordeeld te worden. Tabel 2.9: De te nemen vervolgstappen
Vervolgstappen Er dient een AERIUS-berekening te worden opgesteld.
blad 14 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
2.5
NNN In het plangebied is geen NNN-gebied aanwezig. Het dichtstbijzijnde NNN-gebied bevindt zich op circa 800 meter ten oosten van het plangebied (zie 2.5.). Aangezien er geen sprake is van externe werking in de provincie Drenthe zijn vervolgstappen niet aan de orde.
Figuur 2.5.: ligging van het plangebied ten opzichte van het NNN. Bron: Provincie Drenthe, Kaartportaal.drenthe.nl, 2023).
2.6
Beschermde houtopstanden Wnb In (de directe omgeving van) het plangebied zijn geen bomen aanwezig. Beschermde houtopstanden Wnb zijn daarom niet relevant voor voorliggend planvoornemen.
blad 15 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
2.7
Kansen voor natuurwaarden in het plangebied Het behouden van de aanwezige natuurwaarden of het vergroten, verbeteren en verbinden ervan, kan op diverse punten een meerwaarde creëren voor voorliggend planvoornemen. Door bestaande en nieuwe natuurwaarden in het planvoornemen te integreren blijven de huidige natuurwaarden behouden. Op basis van het terreinbezoek zijn de huidige natuurwaarden in het plangebied vastgesteld (zie ook paragraaf 2.1). De aanwezige natuurwaarden en mogelijkheden voor het realiseren/behouden van deze natuurwaarden zijn weergeven in respectievelijk tabel 2.10. Deze tabellen vormen een aanknopingspunt voor het behoud en de ontwikkeling van de natuurwaarden bij de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling. Tabel 2.10.: Kansen voor bestaande natuurwaarden in het voorgenomen plan. Aanwezige Belangrijkste functies voor flora en fauna natuurwaarde Nesten in dak Habitat voor huismus schuurgedeelte Vleermuizen Verblijfplaats voor vleermuizen
Mogelijkheden voor vergroten, verbeteren en verbinden. Plaatsen van huismusdakpannen en/of huismusnestkasten Realiseren van vliegopeningen onder het dak
Figuur 2.6: Voorbeelden van mogelijk aan te brengen nestmogelijkheden voor huismus. Links: Huismussendakpan (Bron: bmigroup.com). Rechts: Huismussennestkast (Bron: vivarapro.nl).
blad 16 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
3.
Conclusie & advies In dit hoofdstuk is per onderdeel de conclusie en het advies gegeven dat voortkomt uit de uitgevoerde natuurtoets.
3.1
Soortbescherming Binnen het plangebied is geschikt biotoop aangetroffen voor beschermde soorten (Wnb) waarvoor geen algemene vrijstelling geldt. Het gaat om soorten uit de volgende soortgroepen: algemene broedvogels en vleermuizen. In tabel 3.1 zijn de conclusies ten aanzien van deze beschermde soorten opgenomen. De onderbouwing van de conclusies zijn beschreven in paragraaf 2.3 van voorliggende natuurtoets. Voor de overige soort(groep)en is beoordeeld dat vervolgstappen niet aan de orde zijn. Voor deze soorten en vrijgestelde soorten geldt wel de zorgplicht. Tabel 3.1 Overzicht conclusies en vervolgstappen soortbescherming. Soort(groep) Essentieel leefgebied Nader in (directe omgeving onderzoek van) plangebied? nodig? Vogels met een Ja, nestgelegenheid Indien het niet jaarrond beschermd woning mogelijk is om nest (huismus) buiten broedseizoen te werken, zie tabel 4.2 Zoogdieren (diverse Mogelijke Ja soorten vleermuizen) verblijfplaatsen in - verblijfplaatsen rieten dak van gebouw en in gebouwen in de omgeving Zoogdieren (diverse Mogelijke vliegroutes Ja, zie tabel 4.2 soorten vleermuizen) langs bomenrijen – essentiële Leggeloo (straat) vliegroutes Zoogdieren (diverse N.v.t. Ja, zie tabel 4.2 soorten vleermuizen) – essentieel foerageergebied Vrijgestelde soorten Zie tabel 4.4
Maatregelen?
Ontheffing Wnb aan de orde?
Ja, zie tabel 4.3
Ja, indien maatregelen niet mogelijk zijn
Ja, zie tabel 4.3
Ja, indien verblijfplaatsen aanwezig
Ja, zie tabel 4.3
Nee
Ja, zie tabel 4.3
Nee
In tabel 3.1 is aangegeven dat er nader onderzoek nodig is naar de huismus. De beschrijving van dit nader onderzoek wordt in tabel 3.2 uiteengezet. Tabel 3.2. Beschrijving nader onderzoek. Soort Onderzoeksmethode Huismus Indien het niet mogelijk is om werkzaamheden uit te voeren buiten broedseizoen:
Vleermuizen (Grootoorvleermuis)
Minimaal twee inventarisatiemomenten tussen 10 maart en 20 juni, met een tussenliggende periode van minimaal 10 dagen. In overleg met de Provincie Drenthe
In tabel 3.3 is aangegeven dat een overtreding van de Wnb voor een aantal soorten op voorhand kan worden voorkomen door het treffen van maatregelen. Deze maatregelen zijn in tabel 3.3 uiteengezet. Door het nemen van deze maatregelen worden negatieve effecten voorkomen en zijn geen vervolgstappen noodzakelijk.
blad 17 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Tabel 3.3. Beschrijving maatregelen om overtreding van de Wnb te voorkomen. Soort(groep) Maatregelen Algemene broedvogels Werken buiten het broedseizoen Vleermuizen Geen verlichting schijnen op bomen met holtes, huizen en schuren in de omgeving.
3.1.1
Zorgplicht Uit paragraaf 2.3.5 blijkt dat er in het plangebied soort(groep)en aanwezig (kunnen) zijn waarmee rekening dient te worden gehouden in het kader van de zorgplicht voor soorten. Maatregelen waaraan gedacht kan worden bij de invulling van de zorgplicht bij voorliggend planvoornemen zijn weergegeven in tabel 3.4. Tabel 3.4.: Voorbeelden van zorgplicht gerelateerde maatregelen voor soorten. Soort(groep) Maatregel Alle soorten Bij aantreffen van de soort binnen het plangebied: Deze zover mogelijk verplaatsen van de werkzaamheden naar vergelijkbaar gebied. Grondgebonden zoogdieren Werken in de richting van een vluchtmogelijkheid (richting de aangrenzende (alle soorten) en amfibieën agrarische percelen) bij de werkzaamheden.
3.2
Gebiedsbescherming
3.2.1
Natura 2000 In tabel 3.5 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde Natura 2000-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.4 van voorliggende natuurtoets. Tabel 3.5.: Conclusies Natura 2000-gebieden. Zijn er Natura 2000-gebieden aanwezig waarop effecten kunnen optreden? Treden er negatieve effecten op of zijn deze te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Wnb-vergunning of akkoord van de provincie noodzakelijk?
3.2.2
Natura 2000 Ja, Leggelderveld & Drents-Friese Wold (op circa 1 kilometer afstand). Ja, er kan sprake zijn van verzuring en vermesting door stikstofdepositie. Ja, er dient een AERIUS-berekening te worden uitgevoerd. Nog onbekend, dient uit de AERIUS-berekening naar voren te komen
NNN In tabel 3.6 zijn de conclusies ten aanzien van beschermde NNN-gebieden opgenomen. De onderbouwing van de conclusie is beschreven in paragraaf 2.5 van voorliggende natuurtoets. Tabel 3.6.: Conclusies NNN-gebieden. Op welke afstand van het plangebied ligt het dichtstbijzijnde NNN-gebied? Is er sprake van toetsing van externe werking in de betreffende provincie? Is er sprake van aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden of is dit te verwachten? Zijn er vervolgstappen aan de orde? Afstemming met het bevoegd gezag aan de orde?
NNN Op circa 800 m afstand Nee Nee Nee Nee
blad 18 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
3.3
Beschermde houtopstanden Wnb Er is bij voorliggend planvoornemen geen sprake van aantasting van onder de Wnb beschermde houtopstanden. Er zijn voor wat de Wnb betreft geen vervolgstappen aan de orde.
3.4
Kansen voor natuurwaarden in het plangebied In tabel 3.7 zijn de kansen voor het behoud en/of vergroten/verbeteren/verbinden van de natuurwaarden bij voorliggende planvoornemen uiteengezet. Tabel 3.7.: Kansen voor bestaande natuurwaarden in het voorgenomen plan. Aanwezige Belangrijkste functies voor flora Mogelijkheden voor vergroten, verbeteren en natuurwaarde en fauna verbinden. Nesten in dak schuurgedeelte Vleermuizen
Habitat voor huismus Verblijfplaats voor vleermuizen
Plaatsen van huismusdakpannen en/of huismusnestkasten Realiseren van vliegopeningen onder het dak
blad 19 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Literatuurlijst BIj12. (2023). Kennisdocument Huismus Versie 2.1. Utrecht: Bij12. Netwerk Groene Bureaus, 2017. Soortinventarisatieprotocollen in het kader van de Wet natuurbescherming (versie juli 2017). Netwerk Groene Bureaus (NGB), 2021. Vleermuisprotocol 2021. Overig NDFF Street Smart AERIUS-calculator, versie 2022. www.bmigroup.com www.joostdevree.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vivarapro.nl www.zoogdiervereniging.nl
blad 20 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Bijlage 1 Wettelijk kader blad 21 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Bijlage 1 Wettelijk kader In deze bijlage staat een beschrijving van de relevante wet- en regelgeving en het beleidskader. Het betreft de Wet natuurbescherming (Wnb). Naast bescherming vanuit de Wnb, zijn er ook gebieden die planologisch beschermd zijn. Het betreft het ‘Natuurnetwerk Nederland’ (hierna NNN). De bescherming van het NNN verloopt via het ruimtelijke ordeningsrecht (Barro, bestemmingsplannen). Wnb - Algemeen De Wnb is op 1 januari 2017 in werking getreden. De Wnb beschermt: De Natura 2000-gebieden die aangewezen zijn in het kader van het Europees natuurbeleid (gebiedsbescherming) De planten- en diersoorten (onderdeel soortbescherming) Bos en houtopstanden (onderdeel houtopstanden). Veel verantwoordelijkheden en bevoegdheden liggen bij de provincies. Er zijn hierop wel uitzonderingen waarvoor het ministerie van LNV bevoegd gezag is. Dit betreft onder andere de aanleg en uitbreiding van hoofdwegen, landelijke spoorwegen, hoofdvaarwegen, primaire waterkeringen, militaire terreinen en oefengebieden, militaire luchthavens, Schiphol en overige burgerluchthavens, het landelijke gastransportnet, hoogspanningsverbindingen van tenminste 220 kV, activiteiten van buitenlandse mogendheden en activiteiten namens een lid van het Koninklijk Huis.
LNV is ook bevoegd gezag voor ruimtelijke ingrepen in de Exclusieve Economische Zone (EEZ) en voor Windenergie op zee (kavelbesluiten). Gemeenten hebben een loketfunctie. Het is mogelijk om een natuurvergunning ‘aan te haken’ bij de omgevingsvergunning, maar dit hoeft niet. De Wnb richt zicht op bescherming van gebieden, soorten en houtopstanden. Wnb - Soortbescherming In de Wnb is soortbescherming opgedeeld in drie categorieën. Voor elke categorie gelden verschillende verbodsbepalingen die zijn vermeld in artikel 3.1, 3.5 en 3.10 van de Wnb. Het gaat om de volgende drie categorieën: 1) soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb); 2) soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en Verdrag van Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb); 3) ‘andere soorten’(onderdeel A ‘fauna’ en onderdeel B ‘flora’) (artikel 3.10 e.v. Wnb).
blad 22 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Soorten van de Vogelrichtlijn (artikel 3.1 e.v. Wnb) Het beschermingsregime voor soorten van de Vogelrichtlijn is vastgelegd in artikel 3.1 e.v. 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen. Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen. Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben. Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen. Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
Het is mogelijk om ontheffing aan te vragen voor de overtreding van de verbodsbepalingen. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Vogelrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 1: ‘in het belang van de volksgezondheid of openbare veiligheid’ (dit is dus strenger dan voor soorten van de Habitatrichtlijn en de andere soorten); - Er is geen verslechtering van de staat van instandhouding van de desbetreffende soort. Soorten van de Habitatrichtlijn, Verdrag van Bern en/of Bonn (artikel 3.5 e.v. Wnb) Deze categorie bestaat uit Europees beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.5 e.v.: 1. 2. 3. 4. 5.
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen. Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren. Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen. Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen. Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Onder de Wnb is het mogelijk om voor streng beschermde soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 bij ruimtelijke ontwikkelingen te werken volgens een door de Minister goedgekeurde gedragscode. Hierbij geldt een vrijstelling van de verbodsbepalingen uit artikel 3.5. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten zoals opgenomen in artikel 3.5 van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang conform Habitatrichtlijn. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang 3: ‘in het belang van de volksgezondheid, de openbare veiligheid of andere dwingende redenen van groot openbaar belang, met inbegrip van redenen van sociale of economische aard en met inbegrip van voor het milieu wezenlijke gunstige effecten’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
blad 23 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Andere soorten (artikel 3.10 e.v. Wnb) De categorie ‘andere soorten’ bestaat uit soorten zoals opgenomen in bijlage A en B van de wettekst. Dit zijn nationaal beschermde soorten. De verbodsbepalingen zijn vastgelegd in artikel 3.10 e.v.. Het is verboden: a. in het wild levende zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders, libellen en kevers van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel A, bij deze wet, opzettelijk te doden of te vangen; b. de vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in onderdeel a opzettelijk te beschadigen of te vernielen, of c. vaatplanten van de soorten, genoemd in de bijlage, onderdeel B, bij deze wet, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen. Voor deze soorten geldt een vrijstelling wanneer aantoonbaar gewerkt wordt volgens een door de Minister van LNV goedgekeurde gedragscode. Daarnaast geldt ook vrijstelling bij ruimtelijke projecten voor soorten die staan op besluit vrijgestelde soorten. Het hangt per provincie af welke soort is vrijgesteld van de verbodsbepalingen in artikel 3.10, ook de grond waarvoor een vrijstelling geldt kan ook variëren tussen provincies. Wel dient rekening te worden gehouden met de zorgplicht (artikel 1.11 Wnb). Deze zorgplicht is verder in deze bijlage nog toegelicht.
Indien de ‘andere soorten’ niet zijn vrijgesteld en daarmee het voornemen de gestelde verboden in artikel 3.10 overtreedt, dient een ontheffing aangevraagd te worden bij de provincie waarin het voornemen plaatsvindt. Naast het werken volgens een goedgekeurde gedragscode kan voor soorten uit de categorie ‘andere soorten’ van de Wnb bij overtreding van de verbodsbepalingen een ontheffing worden aangevraagd. De ontheffing kan worden verleend indien voldaan wordt aan de volgende criteria: - Er is geen andere bevredigende oplossing (alternatievenafweging); - Aanwezigheid geldig wettelijk belang. Een geldig wettelijk belang voor deze categorie soorten is o.a. belang h ‘in het algemeen belang’; - Er wordt geen afbreuk gedaan aan het streven de populaties van de betrokken soort in hun natuurlijke verspreidingsgebied in een gunstige staat van instandhouding te laten voortbestaan.
blad 24 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Samenvatting gronden waarop een ontheffing verleend mag worden per categorie beschermde soorten (artikel 3.1, 3.5 en 3.10). Ontheffingsgronden Artikel 3.1 Artikel 3.5 Artikel 3.10 Soorten van de Vogelrichtlijn 1 2 3
Er bestaat geen andere bevredigende oplossing Leiden niet tot verslechtering van de staat van instandhouding volksgezondheid en openbare veiligheid veiligheid van luchtverkeer ter voorkoming van schade aan gewassen, vee, bossen, visserij ter bescherming van Flora en Fauna voor onderzoek, onderwijs, uitzetten en herinvoeren van soorten / teelt dwingende reden van groot openbaar belang, met inbegrip van sociale of economische aard en met inbegrip van voor milieuwezenlijke gunstige effecten ruimtelijke inrichting of ontwikkeling schade en overlast, ter beperking omvang populatie, ter bestrijding van lijden en ziekte, bestendig beheer en onderhoud (ook natuurbeheer), algemeen belang, bestendig gebruik
Andere soorten
Ja
Soorten van de Habitatrichtlijn, Bonn & Bern Ja
Ja
Ja
Ja
Ja Ja Ja
Ja Nee Ja
Ja Ja Ja
Ja Ja
Ja Ja
Ja Ja
Nee
Ja
Ja
Nee Nee
Nee Nee
Ja Ja
Ja
Zorgplicht Er dient te allen tijde rekening te worden gehouden met de zorgplicht zoals vastgelegd in artikel 1.11 van de Wnb. Deze zorgplicht houdt o.a. in dat als een activiteit wordt ondernomen waarvan kan worden vermoed dat deze nadelig kan zijn voor in het wild levende dieren en planten, deze activiteit niet plaats mag vinden. Ook moeten alle maatregelen worden genomen om nadelige gevolgen te voorkomen, te beperken of ongedaan te maken. Deze zorgplicht heeft betrekking op de gebieds- en op de soortbescherming. In het tekstkader hieronder staat het wetsartikel uitgeschreven. Artikel 1.11 1. Een ieder neemt voldoende zorg in acht voor Natura 2000-gebieden, bijzondere nationale natuurgebieden en voor in het wild levende dieren en planten en hun directe leefomgeving. 2. De zorg, bedoeld in het eerste lid, houdt in elk geval in dat een ieder die weet of redelijkerwijs kan vermoeden dat door zijn handelen of nalaten nadelige gevolgen kunnen worden veroorzaakt voor een Natura 2000-gebied, een bijzonder nationaal natuurgebied of voor in het wild levende dieren en planten: a) dergelijke handelingen achterwege laat, dan wel b) indien dat achterwege laten redelijkerwijs niet kan worden gevergd, de noodzakelijke maatregelen treft om die gevolgen te voorkomen, of c) voor zover die gevolgen niet kunnen worden voorkomen, deze zoveel mogelijk beperkt of ongedaan maakt. 1.
Het eerste lid is niet van toepassing op handelen of nalaten in overeenstemming met het bij of krachtens deze wet of de Visserijwet 1963 bepaalde. Er dient bijvoorbeeld zo gewerkt te worden dat dieren kunnen ontsnappen en het kan nodig zijn om soorten te verplaatsen (bijvoorbeeld planten en amfibieën). Deze algemene zorgplicht geldt voor elke soort en elk individu in Nederland.
blad 25 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
Wnb - Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming is vastgelegd in artikel 2.1 tot en met 2.11 van de Wnb. Hierin wordt de aanwijzing en bescherming van Natura 2000-gebieden geregeld. Hiermee zijn de verplichtingen uit de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn, voor zover die betrekking hebben op gebiedsbescherming, geïmplementeerd in het Nederlands recht. De begrenzing van de Natura 2000-gebieden en de instandhoudingdoelstellingen voor die gebieden zijn vastgelegd in de aanwijzingsbesluiten voor de betreffende gebieden. De instandhoudingdoelstellingen beschrijven voor de voor het gebied aangewezen habitattypen en soorten of een bepaalde ontwikkeling ervan gewenst is of dat het behoud ervan op het aanwezige niveau moet worden nagestreefd. Voor activiteiten of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de beschermde natuur geldt een vergunningplicht. Deze vergunningen worden verleend door de provincies of door de Minister van LNV. Voortoets en Passende beoordeling De Wnb regelt de bescherming van Natura 2000-gebieden, ten aanzien van plannen en projecten en die mogelijke effecten hebben op de natuurlijke kenmerken van de gebieden, gelet op de instandhoudingsdoelen die in de Natura 2000-gebieden van kracht zijn. De Wnb maakt daarbij onderscheid in enerzijds plannen (plantoets) en anderzijds projecten (projecttoets).
Bij plannen en projecten in, of in de nabijheid (externe werking) van, een Natura 2000-gebied dienen de initiatiefnemers in een oriënterende fase (voortoets) te onderzoeken of het plan een significant negatief effect op de instandhoudingdoelstellingen van het betreffende Natura 2000-gebied kan hebben. Met externe werking wordt bedoeld dat ook activiteiten buiten het gebied de natuurwaarden in het gebied kunnen beïnvloeden. Indien na dit onderzoek niet kan worden uitgesloten dat de activiteit een significant negatief effect heeft, dient de initiatiefnemer meer gedetailleerd dan in de oriënterende fase in kaart te brengen wat de effecten van de activiteit kunnen zijn. Daarbij dienen ook, indien noodzakelijk, de mitigerende maatregelen te worden betrokken. Deze analyse heet een ´passende beoordeling´. Het bevoegd gezag toetst de passende beoordeling. Wanneer uit de passende beoordeling alsnog de zekerheid wordt verkregen dat de activiteit niet leidt tot significant negatieve effecten, kan de activiteit doorgang vinden. Wanneer uit de voortoets blijkt dat er wel kans is op een negatief effect, maar dit als niet significant kan worden gezien, kan eveneens, op basis van een verslechteringstoets toestemming voor het uitvoeren van de activiteit worden verleend.
Wanneer uit de passende beoordeling blijkt dat significante negatieve effecten niet kunnen worden uitgesloten, kan het project alleen doorgang vinden op grond van de “ADC-criteria”. Dit betekent dat: - A – alternatieve oplossingen voor het plan ontbreken; - D – er dwingende redenen van groot openbaar belang zijn, en - C – de initiatiefnemer compenserende maatregelen vooraf en tijdig treft. Stikstofdepositie Stikstofdepositie vormt veelal een knelpunt bij de besluitvorming over plannen en projecten, omdat in veel Natura 2000-gebieden overbelasting van stikstof een probleem is voor de realisatie van de instandhoudingsdoelstellingen voor de voor het gebied aangewezen soorten en habitattypen. Om een oplossing te bieden voor dit probleem was destijds (1 juli 2015) het Programma Aanpak Stikstof (PAS) opgericht. Op 29 mei 2019 oordeelde de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) echter dat het PAS niet als onderbouwing kan worden gebruikt voor toestemmingsverlening op grond van de Wnb. Vanaf 1 juli 2021 is de Wet stikstofreductie en natuurverbetering in werking getreden. De hierin opgenomen vrijstelling van Wnb-vergunningplicht voor bouwwerkzaamheden in de realisatiefase voor wat betreft stikstofdepositie (art. 2.9a Wnb) vervalt met de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (RvS) van 2 november 2022 in de Porthos-zaak.
Natuurnetwerk Nederland (NNN) Het Natuurnetwerk Nederland (NNN) is een netwerk van bestaande en nieuw aan te leggen natuurgebieden. Het nationaal beleid met betrekking tot de gebiedsbescherming van het Natuurnetwerk Nederland is opgenomen in de Nationale Omgevingsvisie (NOVI). De bescherming van het NNN staat nader uitgewerkt in het Besluit Kwaliteit Leefomgeving (BKL). Hierin staan instructieregels voor de omgevingsverordening van de
blad 26 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
provincies. De bescherming werkt vervolgens door in de bestemmingsplannen van de gemeenten. De instructieregels uit het BKL verplichten de provincies tot: het aanwijzen van Natuurnetwerk Nederland gebieden (artikel 7.6 Bkl ) het vastleggen van de wezenlijke kenmerken en waarden van NNN- gebieden (artikel 7.7 Bkl) het stellen van regels in het belang van de bescherming, instandhouding, verbetering en ontwikkeling van de kenmerken en waarden van NNN-gebieden (artikel 7.8 Bkl, eerste lid) De regels die in de omgevingsverordening komen verzekeren in ieder geval dat (artikel 7.8 Bkl, tweede lid): o de kwaliteit en oppervlakte van het NNN-gebied niet achteruitgaan o de samenhang tussen de gebieden van het NNN wordt geborgd o tijdige compensatie van een bepaalde activiteit die negatieve gevolgen heeft Wezenlijke waarden en kenmerken Dit betreft de actuele en potentiële natuurwaarden, gebaseerd op de natuurdoelen voor het gebied, met inbegrip van de omvang en de beoogde natuurkwaliteit alsmede de samenhang met andere natuurgebieden. ‘Nee, tenzij’-principe Voor het NNN geldt het 'nee, tenzij'-principe. Dit betekent dat nieuwe plannen of projecten niet zijn toegestaan als ze de wezenlijke (potentiële) waarden en kenmerken van het NNN significant aantasten. Uitzonderingen hierop zijn wanneer sprake is van redenen van groot openbaar belang en er geen reële alternatieven zijn.
De schade dient in dat geval door mitigerende maatregelen zoveel mogelijk beperkt te worden. De restschade dient te worden gecompenseerd. De Rijkslijn zoals verwoord in het SVIR en Barro is dat er bij het NNN geen sprake is van externe werking. Het NNN is planologisch beschermd in de Provinciale Structuurvisies en Verordeningen. In de Verordening staat aangegeven aan welke voorwaarden bij ruimtelijke ingrepen in en langs het NNN moet worden voldaan. Ook is het compensatiebeleid bij aantastingen van het Natuurnetwerk Nederland hierin opgenomen. Overige provinciale beschermde gebieden Naast het NNN kunnen ook andere gebieden beschermd zijn op provinciaal niveau. Dit verschilt per provincie. Beschermde gebieden kunnen als volgt omschreven zijn: ecologische verbindingszones, weidevogelgebieden, ganzenfoerageergebieden, leefgebied weide- en akkervogels of rust- en foerageergebied ganzen en smienten, groene ontwikkelingszone of groenblauwe mantel of groene contour natuur/ bos- en natuurgebieden buiten NNN. Ook deze gebieden kennen een vorm van een beschermingsregime, in sommige gevallen gelijk aan het NNN, soms in een lichtere vorm. Provincies kunnen ook provinciale landschappen aanwijzen. De aanwijzing van de Bijzonder Provinciale Landschappen is verleend op grond van Artikel 1.12 lid 3 van de Wnb (zie tekstkader).
Ook deze gebieden kunnen een beschermingsregime hebben vastgelegd in de provinciale verordening. Art. 1.12 lid 3 Wnb Gedeputeerde Staten kunnen gebieden gelegen buiten het Natuurnetwerk Nederland aanwijzen die van provinciaal belang zijn vanwege hun natuurwaarden of landschappelijke waarden, met inachtneming van hun cultuurhistorische kenmerken. Deze gebieden worden aangeduid als «bijzondere provinciale natuurgebieden», onderscheidenlijk «bijzondere provinciale landschappen». Wnb - Beschermde houtopstanden De bescherming van houtopstanden is vastgelegd in artikel 4.1 tot en met 4.9 van de Wnb. De Wnb heeft tot doel de oppervlakte bos in Nederland in stand te houden. Begin 20e eeuw kwam dit doel vooral voort uit de
blad 27 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
belangen van de houtproductie, maar gaandeweg is meer oog gekomen voor de andere functies die bossen en houtopstanden hebben, zoals klimatologische, landschappelijke en recreatieve functies. Binnen de Wnb worden houtopstanden beschermd die aan bepaalde voorwaarden voldoen (Wnb artikel 4.1). Voornaamste onderscheid wordt gemaakt op basis van de locatie. Houtopstanden welke binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom Wnb vallen, zijn namelijk uitgezonderd (artikel 4.1) en worden niet onder de Wnb beschermd. De begrenzing van de bebouwde kom in de zin van de Wnb komt niet altijd overeen met de begrenzing van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Als een gemeente geen bebouwde kom in de zin van de Wnb heeft vastgesteld, is de Wnb overal van toepassing in die betreffende gemeente. Een houtopstand onder de Wnb wordt gezien als een zelfstandige eenheid van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, die: 1) een oppervlakte grond beslaat van tien are of meer, of; 2) bestaat uit een rijbeplanting die meer dan twintig bomen omvat, gerekend over het totaal aantal rijen. De Wnb is van toepassing op houtopstanden die buiten de bebouwde kom liggen. De gemeenteraad dient de grens van de bebouwde kom Wnb vast te leggen. Veel gemeentes hebben dit ook gedaan.
De grens van de bebouwde kom Wnb is niet hetzelfde als de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. De bebouwde kom grens in de Wegenverkeerswet wordt met een ander oogmerk bepaald en vastgesteld. Volgens een uitspraak van de rechtbank is het niet mogelijk om het hele grondgebied van de gemeente aan te wijzen als bebouwde kom. De aard van het gebied is bepalend voor de vraag of het gebied kan aangewezen worden als bebouwde kom. De vaststelling van de grens van de bebouwde kom is van feitelijke aard: waar houdt de bebouwing op. De provincies zijn op grond van de gemeentewet bevoegd om in het kader van interbestuurlijk toezicht zo nodig maatregelen te treffen als een gemeente heeft verzuimd om de begrenzing van de bebouwde kom vast te stellen, of deze heeft vastgesteld op een wijze die in strijd komt met het recht of het algemeen belang. Een begrenzing die is vastgesteld op grond van artikel 1 vijfde lid van de Boswet geldt ingevolge van het overgangsrecht overigens tevens als begrenzing van de bebouwde kom voor de Wnb. De begrenzing van de bebouwde kom in de zin van de Wnb dus niet altijd overeen met de begrenzing van de bebouwde kom op grond van de Wegenverkeerswet. Als een gemeente geen bebouwde kom in de zin van de Wnb heeft vastgesteld, is de Wnb overal van toepassing in die betreffende gemeente.
Door het zogenoemde regelverbod van artikel 4.6 Wnb kunnen gemeente ook buiten de bebouwde kom regulerend optreden. Hierdoor kunnen gemeente ook een kapverbod opstellen voor houtopstanden die ze willen beschermen buiten de bebouwde kom. Er zijn veel gemeentes die dat ook daadwerkelijk hebben gedaan. Er zijn ook gemeentes die houtopstanden buiten de bebouwde kom beschermen via een monumentenverordening. Voor deze houtopstanden is dus (ook) een omgevingsvergunning van de gemeente noodzakelijk. In voorliggende rapportage is niet getoetst aan gemeentelijk beleid omtrent de kap van bomen en/of bosschages (bijv. APV, bestemmingsplannen, etc.). Meld- en herplantplicht De Wnb stelt dat wanneer houtopstanden worden gekapt, er voorafgaand aan de kap een meldingsplicht bij de provincie is. De provincie bepaalt welke informatie omtrent de te kappen opstand aangeleverd dient te worden, op welke termijn dit aangeleverd dient te worden en welke voorwaarden voor de uitvoering van de kap gelden. Daarnaast geldt dat binnen drie jaar na de kap een herbeplantingsplicht geldt (door aanplant, bezaaiing of natuurlijke verjonging dan wel op andere wijze realiseren van een nieuwe houtopstand). Wanneer dat niet op dezelfde plaats kan, dan kan een provincie ontheffing verlenen de herbeplanting op andere gronden toe te staan indien de herbeplanting voldoet aan bij provinciale verordening gestelde regels.
Verder kunnen provincies ontheffing of vrijstelling verlenen voor bepaalde verbodsbepalingen en/of voorwaarden omtrent herbeplanting. In de volgende gevallen geldt op grond van de Wnb geen verplichting tot het melden en herbeplanten voor het vellen:
blad 28 van 33
datum 1 augustus 2023 projectnummer 0482983.100 betreft Natuurtoets
periodiek vellen van griend- of hakhout; houtopstanden die een zelfstandige eenheid vormen van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, én hetzij geen groter oppervlakte beslaan dan 10 are, hetzij ingeval van rijbeplanting, gerekend over het totaal aantal rijen, niet meer bomen omvatten dan 20; - houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom in de zin van de Wnb; - houtopstanden op erven of in tuinen; - fruitbomen en windschermen om boomgaarden; - naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; - kweekgoed; - uit populieren of wilgen bestaande: o wegbeplantingen; o beplantingen langs waterwegen, en o eenrijige beplantingen langs landbouwgronden; - het dunnen van een houtopstand; - uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: - ten minste eens per tien jaar worden geoogst; - bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en - zijn aangelegd na 1 januari 2013; - vellen ter uitvoering van een instandhoudingsmaatregel of een passende maatregel ten behoeve van Natura 2000; - vellen ter uitvoering van een mitigerende of compenserende