Beantwoording technische vragen VVD inzake BrinQ evaluatie
Tekst van het document
BrinQ evaluatie Technische vragen VVD-Westerveld fractie
1. Hoe komt het dat de afgelopen jaren, zo geeft ook het evaluatierapport aan, er sprake was van achterstallig onderhoud? Hoe wordt het noodzakelijke onderhoud zodanig in kaart gebracht en gepland dat er t.o.v. de gestelde onderhoudsdoelen geen achterstalligheid kan optreden?
Het rapport bevestigt dat sprake was van achterstallig onderhoud, met name bij bomen, speeltoestellen en plantvakken. Dit komt deels doordat BrinQ bij aanvang (2020) al startte met een technische achterstand (zie pagina 13). Sinds 2023 wordt structureel een beperkt areaal gerenoveerd. Het onderhoud wordt geborgd via een Dienstverleningsovereenkomst (DVO) met ROVA. Daarnaast is op onderdelen beleid geactualiseerd, bijvoorbeeld via het Bomenplan 2023 (pagina 13–14) en de inzet op ecologisch groenbeheer.
2. Kunnen we een overzicht krijgen van de areaaluitbreiding die in het evaluatierapport wordt genoemd als een van de redenen voor de budgettekorten? De evaluatie vermeldt dat het areaal binnen meerdere vakgebieden is toegenomen zonder structurele budgetverhoging, wat invloed heeft op de uitvoeringskwaliteit (pagina 12–13). Specifieke uitbreidingen zijn o.a. Kalterbroeken, Vledder Noord, Dingspelhuus, industrieterrein Nijensleek, Industrieterein Nijverheidsweg, Lindenerven Uffelte, uitbreiding Vledderveen.
3. We lezen dat specifiek het areaal wegen sinds de start van BrinQ (2020) met 441.000m2 is uitgebreid. Bij een wegbreedte van gemiddeld 6 meter zou dit betekenen dat er ruim 73 km weg is bijgekomen. Kunt u ons een overzicht van de uitbreiding van het areaal geven? Welke wegen betreft dit? Kunt u aangeven waar waarom dit niet eerder is geconstateerd cq daarop financieel is gepland? Klopt het dat de controle niet op orde is en er verrassingen optreden? Wat betekent dit voor de begroting? In het evaluatierapport is helaas een typefout geslopen: de uitbreiding van het wegenareaal sinds 2020 bedraagt niet 441.000 m², maar circa 41.000 m². Bij een gemiddelde breedte van 6 meter komt dit neer op een groei van ongeveer 7 kilometer. Onze excuses voor deze onjuistheid. Deze beperkte toename is vastgesteld tijdens de inspectie in 2025 en kan binnen de huidige begroting worden opgevangen. De evaluatie wijst wel op het risico van “verrassingen” door onvoldoende monitoring en onderstreept het belang van een betere registratie van areaaldata (pagina 17–18 van het rapport). Om de kwaliteit van onze areaalgegevens te waarborgen, is in 2023 een gegevensbeheerder aangesteld. Deze functionaris ziet erop toe dat het areaal zorgvuldig en actueel wordt vastgelegd
in GBI (het gegevens beheersysteem). Hiermee geven we invulling aan het principe ‘de basis op orde’ en wordt structureel gewerkt aan betrouwbare registratie en beheer van areaaldata.
4. We lezen in het evaluatierapport in paragraaf 3.3 dat bij een aantal domeinen het beleid opgenomen in BrinQ (en daarmee ook de ahv draaiknoppen gemaakte keuzes voor kwaliteitsniveaus) niet als basis wordt gebruikt voor het planning en uitvoering van het werk. Hoe is gebruik van BrinQ als basis voor onderhoud intern de ambtelijke organisatie geborgd? U geeft aan dat het beleid niet gevolgd wordt. Het wordt hierdoor lastig om de resultaten door beleid te meten en te beoordelen. Wat gaat u doen om beleid leidend te laten zijn? Medewerkers werken wel degelijk in de geest van BrinQ, maar vullen dit aan met technische standaarden en ervaringskennis. Specifieke taakgebieden behoeven concretere normen, zoals CROW-richtlijnen of inspectierapporten. Denk daarbij aan bijvoorbeeld riolen/gemalen (schoon, heel en veilig is hier te subjectief). De evaluatie adviseert daarom om BrinQ beter te verankeren in werkprocessen, de doelen te vertalen naar concrete normen per vakgebied en de bekendheid binnen de organisatie te vergroten (pagina 18). Zo ontstaat meer samenhang tussen beleid en praktijk, en wordt het eenvoudiger om het effect van keuzes te monitoren en te verantwoorden. 5.
Met welke percentages zijn de kosten van onderhoud tussen 2019 en 2025 jaarlijks gestegen? Is hier een overzicht van te geven? De uitgaven voor beheer en onderhoud zijn gestegen van circa €3 miljoen in 2020 naar circa €5,4 miljoen in 2024 (pagina 14). Deze stijging komt o.a. door: • • • •
verhoging van de dotatie voor groot onderhoud (met name wegen), toevoeging van extra vakgebieden zoals sportparken en openbare verlichting, prijsindexaties. Jaarcijfers en percentageverschillen zijn te vinden in tabel 4.3 op pagina 17 en in de bijlage. De procentuele mutaties in de onderhoudskosten/budgetten zijn als volgt: 2020 – 2021
-/- 4%
2021 – 2022
4%
2022 – 2023
54%
2023 – 2024
6%
2024 – 2025
0%
2025 – 2026
9%
(hogere dotatie voorziening groot onderhoud wegen)
(op basis van gewenste bedragen, volgens overzicht)
6. BrinQ is o.i. bedoeld om structureel onderhoud te plannen met voldoende budget om zo het gekozen kwaliteitsniveau te kunnen handhaven. In paragraaf 4.4. wordt echter (samenvattend) aangegeven dat er vooral risicogericht is gewerkt sinds 2020. En dat daardoor vaak incidenteel extra geld nodig. Kunt u aangeven hoe dat zich verhoudt met het doel van BrinQ? Hoewel BrinQ bedoeld is als structureel beleidskader, is sinds 2020 op onderdelen risico gestuurd gewerkt, met name bij bomen, plantsoenen en speeltoestellen (pagina 17). Dit houdt in dat er vooral is ingegrepen bij knelpunten of risico’s, in plaats van op basis van een geplande, integrale
onderhoudsstrategie. Daardoor was vaker incidenteel extra budget nodig om acute problemen op te lossen. De evaluatie stelt dat met een structureel hoger onderhoudsbudget veel van deze extra kosten mogelijk voorkómen hadden kunnen worden (pagina 18). Het idee dat investeren aan de voorkant leidt tot lagere lange termijnkosten wordt daarmee bevestigd, maar een exacte doorrekening van deze aanname is in deze evaluatie nog niet opgenomen. Voor een dergelijke onderbouwing is een aanvullende (raads)opdracht nodig, bijvoorbeeld in de vorm van een verdiepende financiële analyse of als onderdeel van een nieuwe knoppennotitie 2.0. De evaluatie biedt hiervoor het uitgangspunt, maar verdere besluitvorming is nodig om dit traject te starten. 7. 1.1 De wijze van financiering wordt gefragmenteerd voorgesteld. Waarom wordt er niet een integraal financieel overzicht aangeboden? Nu is het niet inzichtelijk wat we nog aan tegenvallers kunnen verwachten. De evaluatie biedt per vakgebied een overzicht van begrote en gerealiseerde uitgaven (hoofdstuk 4), maar bevat geen integraal financieel totaalbeeld waarin de samenhang en risico’s voor de hele openbare ruimte in één oogopslag zichtbaar zijn. Dit is een bewuste keuze geweest binnen de afbakening van deze evaluatie. De gemeentelijke financiële systematiek is ingericht per vakgebied. Budgetten zijn gelabeld voor specifieke taakvelden, zoals o.a.
onderhoud van groen, wegen, verlichting of riool, en zijn niet zonder meer onderling uitwisselbaar. Tegelijkertijd wordt binnen de organisatie zoveel mogelijk integraal gewerkt. Bij de uitvoering wordt waar mogelijk werk met werk gecombineerd, om efficiëntievoordelen te behalen en een win-winsituatie te creëren voor zowel planning als kostenbeheersing. De evaluatie noemt als aanbeveling (pagina 18) dat bij een eventuele Knoppennotitie 2.0 alsnog gewerkt kan worden aan een overkoepelend financieel overzicht, waarin ook de risico’s op tegenvallers en de integrale budgetbehoefte voor de openbare ruimte zichtbaar worden gemaakt. Dat is op dit moment nog niet uitgewerkt, maar zou onderdeel kunnen zijn van een mogelijke vervolgopdracht. 8. 2.1 de respons is relatief laag. Wat is er gedaan om de respons te vergroten of wat zijn de ideeën voor een volgende keer? Is er een vergelijk met eerder uitvragen aan de bewoners? De evaluatie erkent dat de respons van 128 inwoners relatief laag is (pagina 9–10). Binnen de beperkte middelen is echter maximaal ingezet op bereik via sociale media, dorpsbelangen, supermarkten en flyers. Voor deze evaluatie waren geen extra middelen beschikbaar gesteld, dus ook niet voor een bredere of huis-aan-huis enquête.
In de aanbevelingen (pagina 18) wordt geadviseerd om bij een volgende uitvraag meer representatief onderzoek te doen, mits hiervoor extra budget beschikbaar komt. Zie rapport. 9. 4.1 de kosten voor plantsoenen is in 4 jaar bijna verdubbeld door duurdere ROVA. Is hier voldoende controle op? Door onderbesteding is niet gedaan wat er is afgesproken en toch zijn de kosten verdubbeld. Kunt u dit nader duiden? Tevens lijkt het erop dat er vooraf betaald wordt met een nacalculatie. Is het niet beter dit om te draaien en alleen te betalen wat er daadwerkelijk gebeurt?
Het budget voor plantsoenen is gestegen van €776.100 in 2020 naar €1.300.255 in 2024 (pagina 15). De stijging is grotendeels toe te schrijven aan hogere tarieven van ROVA. De uitvoering gebeurt op basis van vooraf vastgestelde begrotingen met nacalculatie, en er wordt afgerekend op basis van daadwerkelijk uitgevoerde werkzaamheden. In jaren met onderbesteding zijn bedragen teruggevloeid. De evaluatie wijst wel op een onjuiste toerekening van overgangskosten, die volledig bij "groen" zijn geboekt in plaats van over meerdere vakgebieden (pagina 15).
10. 4.3 de bedragen in de tabel budget en uitgaven zijn dit gerealiseerde uitgaven of begrote uitgaven? Wordt het begrote geld uitgegeven of is er sprake van onderbesteding? De cijfers in tabel 4.3 (pagina 17) tonen zowel de begrote als gerealiseerde uitgaven per jaar. In de meeste jaren wordt het beschikbare budget vrijwel volledig benut, met percentages tussen de 96% en 102%. Eventuele onderbestedingen worden verklaard en verwerkt in de jaarrekening en bestuursrapportages. 11. 5.1 het rapport geeft aan dat als we meer budget beschikbaar stellen er op langere termijn lagere kosten zijn. Kunt u deze aanname met een doorberekening onderbouwen? Deze vraag sluit nauw aan bij vraag 6, waarin dit onderwerp al is besproken. In het evaluatierapport wordt gesignaleerd dat met een structureel hoger onderhoudsbudget mogelijk extra kosten op termijn voorkomen hadden kunnen worden (zie ook pagina 18). Dit ondersteunt het principe dat investeren aan de voorkant leidt tot lagere kosten op de lange termijn. Een exacte doorrekening van deze aanname is echter niet in de evaluatie opgenomen. Hiervoor zou een aanvullende (raads)opdracht nodig zijn, bijvoorbeeld in de vorm van een verdiepende financiële analyse of als onderdeel van een mogelijke vervolgnotitie, zoals een knoppennotitie 2.0.
De evaluatie vormt hiervoor een goed startpunt, maar nadere besluitvorming is vereist om dit traject in gang te zetten.