Beantwoording technische vragen DSW - Voorstel Wet Inburgering
Tekst van het document
Beantwoording vragen Raadsvoorstel Wet Inburgering 2021 Onderstaande vragen moet ik beantwoorden voor morgen de raadsvergadering. Willen jullie met me meedenken en aanvullen inzake de antwoorden: 1. de opleidingsaanbieder verzorgt de eindtoets, hoe is dan de onafhankelijkheid en kwaliteit van het getoetste gewaarborgd? Onderwijsinstellingen dienen te voldoen aan BoW (Blik op Werk) keurmerk of een daarmee gelijk te stellen keurmerk. Om zowel de kwaliteit van het onderwijs als de aansluiting met het vervolgonderwijs zo goed mogelijk te waarborgen, worden taalschakeltrajecten in de onderwijsroute aangewezen als een opleiding educatie zoals bedoeld in artikel 7.3.1, eerste lid, onderdeel f, van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB). Toelichting bij ad.1. 2. De Wet Inburgering 2021 geldt voor Statushouders. Vallen onder de huidige omstandigheden Oekraïners ook onder deze groep. (Anders gezegd, zou het programma ook voor Oekraïners ingezet kunnen worden? Zo ja, is daar dan extra budget voor beschikbaar? Nee, de Oekraïners vallen niet in deze doelgroep. Ze vragen geen asiel aan. Het programma duurt 2 tot 3 jaar. Het is maar de vraag of de vluchtelingen uit Oekraïne zo lang hier zullen verblijven. Er is momenteel geen extra budget voor beschikbaar. 3. Er wordt in het voorstel gestreefd naar een maximaal haalbaar resultaat.
Kunnen we daaruit concluderen dat er geen sprake is van harde afspraken omtrent doelen en toetsingen. Er staat het streven naar B1 qua taalniveau. Maar als daar niet aan voldaan wordt is er dus geen nadelige consequentie. De leerbaarheidstoets bepaalt vooraf wel niveau haalbaar moet zijn. B1 of niet. Als het een kwestie is van niet willen dan staan er sancties op conform de participatiewet als men zich daarin niet aan de gemaakte afspraken houdt. Als het niet kunnen is zal er afgeschaald worden naar een lager taalniveau welke wel haalbaar is. Ad.1. Uit hoofdstuk II Artikelsgewijze toelichting op de wet Inburgering: § 2. Vaststellen en afleggen van het inburgeringsexamen : In artikel 7, vierde lid, van de wet is geregeld dat bij of krachtens amvb regels worden gesteld over: de inhoud en vormgeving van het inburgeringsexamen (onderdeel a); en het afnemen en beoordelen daarvan (onderdeel b). Artikel 3.5 is hier een uitwerking van. In het eerste lid van artikel 3.5 is geregeld dat de mondelinge (luisteren en spreken) en schriftelijke (lezen en schrijven) examens in de Nederlandse taal op het niveau B1 en B2 plaatsvinden overeenkomstig de regels van het Staatsexamenbesluit Nederlands als tweede taal (Staatsexamenbesluit Nt2). In artikel 4, tweede en derde lid, van het voornoemde besluit is geregeld uit welke onderdelen het Staatsexamen Nt2 bestaat.
Zowel programma I (niveau B1) als programma II (niveau B2) bestaan uit de examenonderdelen lezen, luisteren, schrijven en spreken. Dit zijn de examenonderdelen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden die moeten worden afgelegd in kader van het inburgeringsexamen (vgl. artikel 3.3). In het Staatsexamenbesluit Nt2 zijn voorts regels opgenomen over de toelating tot de examens, het examengeld en het afnemen en het beoordelen van de examens. Het Staatsexamen wordt vastgesteld door het CvTE (vgl. artikel 10, eerste lid, van het Staatsexamenbesluit Nt2).
1
Hoewel het streven is dat iedere inburgeringsplichtige de mondelinge en schriftelijke vaardigheden beheerst op B1-niveau, zal dit niet voor iedere inburgeringsplichtige haalbaar blijken. Wanneer na aanzienlijke inspanningen van een inburgeringsplichtige binnen de B1-route blijkt dat hij niet in staat is het niveau B1 te behalen binnen de inburgeringstermijn (de initiële, de verlengde of de vastgestelde nieuwe termijn), kan de gemeente ingevolge artikel 17, derde lid, van de wet bepalen dat de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal, in afwijking van artikel 7, eerste lid, onderdeel a van de wet, geheel of gedeeltelijk op het niveau A2 worden geëxamineerd. Het examen van de mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op het niveau A2 wordt vastgesteld door de Minister van SZW (artikel 3.5, tweede lid, onderdeel b). Dit examen komt dan in de plaats van het examen van mondelinge en schriftelijke vaardigheden op het niveau B1. Indien de inburgeringsplichtige het taalexamen (of bepaalde onderdelen daarvan) op niveau A2 behaalt (en het PIP daarop is aangepast) in plaats van niveau B1 én voldoet aan de andere onderdelen van de B1-route, heeft hij voldaan aan de B1-route. In het tweede lid, onderdeel a, van het onderhavige artikel is geregeld dat de Minister van SZW het examen KNM vaststelt.
In het derde lid is geregeld dat de Minister van SZW de examens op het niveau A2 en KNM afneemt. In de praktijk vindt de afname van deze examens plaats door DUO. De Staatsexamens Nt2 (de taalexamens op het niveau B1 en B2) worden in de praktijk ook afgenomen door DUO. Deze uitvoering vindt plaats overeenkomstig de regels van het Staatsexamenbesluit Nt2 onder de verantwoordelijkheid van het CvTE (vgl. artikel 9, eerste lid, van het Staatsexamenbesluit Nt2). Het vierde lid biedt een grondslag om bij ministeriële regeling nadere regels te stellen over onder meer de wijze van examineren en de beoordeling van de examens op niveau A2 en KNM. Door het op deze wijze te regelen zijn de bevoegdheden met betrekking tot de verschillende examenonderdelen van het inburgeringsexamen duidelijk afgebakend. Uit het eerste lid volgt dat in het Staatsexamenbesluit Nt2 (uitgevoerd door het CvTE) alle van belang zijnde onderwerpen voor de taalexamens op het niveau B1/B2 zijn geregeld. Uit het tweede en derde lid en de overige bepalingen in dit besluit volgt dat de Minister van SZW alle van belang zijnde onderwerpen voor de taalexamens op het niveau A2 en het examen KNM regelt.
Wel is in dit besluit geregeld dat de Minister van SZW voor groepen van inburgeringsplichtigen regels kan stellen over kosteloze examenpogingen van het inburgeringsexamen, hetgeen ook betrekking heeft op taalexamens op niveau B1/B2 (vgl. artikel 3.7, tweede lid). Dit is geen afwijking van de bepalingen in het Staatsexamenbesluit Nt2; de Minister van SZW voldoet in dat geval de door de betreffende inburgeringsplichtige ingevolge het Staatsexamenbesluit Nt2 verschuldigde examengelden aan het CvTE. Ook kan kosteloos een deskundigenverklaring worden aangevraagd, waarin een door de Minister van SZW aangewezen arts zich uitlaat over de noodzaak tot het treffen van aangepaste examenomstandigheden bij het afleggen van de taalexamens, hetgeen ook betrekking kan hebben op het niveau B1/B2 (artikel 3.9, tweede lid). Dit advies kan dan worden gebruikt bij een aanvraag tot aangepaste examenomstandigheden bij het CvTE; de beslissing of dit wordt toegestaan is aan het CvTE. Inburgeringsplichtigen die de onderwijsroute volgen, leggen in het kader van het taalschakeltraject ook de examenonderdelen mondelinge en schriftelijke vaardigheden in de Nederlandse taal op ten minste het niveau B1 en KNM af. Dit volgt uit artikel 8, vierde lid, van de wet, waarin is geregeld dat indien de inburgeringsplichtige de voornoemde examens heeft behaald, hij daarmede het inburgeringexamen heeft behaald.
Het taalschakeltraject zal op basis van de Wet educatie en beroepsonderwijs (WEB) worden ingevuld met eindtermen (bij ministeriële regeling vast te stellen) en een slaag-/zakbesluit (bij amvb vast te stellen in het Examen- en kwalificatiebesluit beroepsopleidingen WEB). 2. De Wet Inburgering 2021 geldt voor Statushouders. Vallen onder de huidige omstandigheden Oekraïners ook onder deze groep. (Anders gezegd, zou het programma ook voor Oekraïners ingezet kunnen worden? Zo ja, is daar dan extra budget voor beschikbaar?
2