CConstaterende datWesterveld
Koppel je AI →
Document · PDF

APV 2023 word 2.0 aangepast Omgevingswet 2023 versie voor ondertekening

Politieke avond Westerveld 30 januari 2024, gemeente WesterveldBij agendapunt: APV 2024 (wijzigingen ivm inwerking treden omgevingswet) (spreekrecht)17.645 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 1 van 2

Algemene Plaatselijke VerordeningGemeente Westerveld De raad van de gemeente Westerveld; gelezen het voorstel van het college; gelet op de artikelen 149, 149a, 151a, 151b, 151c, 151d, 154 en 154a van de Gemeentewet, de artikelen 3 en 4 van de Wet openbare manifestaties, de artikelen 4, 25a, 25b, 25c en 25d van de Alcoholwet, de

artikelen 2.18, eerste lid, onder f en g, en vijfde lid, 2.21 en 3.148, tweede lid, van het Activiteitenbesluit

milieubeheer juncto artikel 8.2.2 van de Invoeringswet Omgevingswet, artikel 30c, tweede lid, van de Wet

op de kansspelen, artikel 3 van de Winkeltijdenwet, artikel 64, tweede lid, van de Wet veiligheidsregio’s en artikel 2a van de Wegenverkeerswet 1994;

overwegende dat het aanbeveling verdient regels te stellen ter handhaving van de openbare orde; B E S L U I T: vast te stellen de volgende Algemene Plaatselijke Verordening

Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen Artikel 1.1 Begripsbepalingen In deze verordening wordt verstaan onder: bebouwde kom: het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994;

beperkingengebiedactiviteit: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet;

bevoegd gezag: bestuursorgaan dat bevoegd is tot het nemen van een besluit ten aanzien van een omgevingsvergunning als bedoeld in de Omgevingswet;

bouwwerk: hetgeen daaronder wordt verstaan in de bijlage, onder A, bij de Omgevingswet; college: het college van burgemeester en wethouders; gebouw: hetgeen daaronder wordt verstaan in bijlage I bij het Besluit bouwwerken leefomgeving; handelsreclame: iedere openbare aanprijzing van goederen of diensten, waarmee kennelijk beoogd wordt een commercieel belang te dienen;

omgevingsplan: het omgevingsplan dan wel het omgevingsplan tijdelijk deel; openbaar water: wateren die voor het publiek bevaarbaar of op andere wijze toegankelijk zijn; openbare plaats: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van de Wet openbare manifestaties;

parkeren: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

rechthebbende: degene die over een zaak zeggenschap heeft krachtens eigendom, bezit, beperkt recht of persoonlijk recht.

voertuig: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1 van het Reglement verkeersregels en

verkeerstekens 1990, met uitzondering van kleine wagens zoals kruiwagens, kinderwagens, rolstoelen; weg: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1, eerste lid, onder b, van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 1.2 Beslistermijn 1.

Het bevoegde bestuursorgaan beslist op een aanvraag voor een vergunning of ontheffing binnen

2.

Het bestuursorgaan kan de termijn voor ten hoogste acht weken verlengen.

3.

Dit artikel is niet van toepassing op een aanvraag om een omgevingsvergunning.

acht weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is.

Artikel 1.3 Indiening aanvraag [vervallen; opgenomen in art. 1.8]

Artikel 1.4 Voorschriften en beperkingen 1.

2. 3.

Aan een vergunning of ontheffing kunnen voorschriften en beperkingen worden verbonden. Deze voorschriften en beperkingen strekken slechts tot bescherming van het belang of de belangen in verband waarmee de vergunning of ontheffing is vereist.

Degene aan wie een vergunning of ontheffing is verleend, is verplicht de daaraan verbonden voorschriften en beperkingen na te komen.

Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1.5 Persoonlijk karakter van vergunning of ontheffing 1.

De vergunning of ontheffing is persoonsgebonden, tenzij bij of krachtens deze verordening anders is

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

bepaald.

Artikel 1.6 Intrekking of wijziging van vergunning of ontheffing 1.

De vergunning of ontheffing kan worden ingetrokken of gewijzigd als:

a.

ter verkrijging daarvan onjuiste of onvolledige gegevens zijn verstrekt;

b.

op grond van een verandering van de omstandigheden of inzichten opgetreden na het verlenen van

de ontheffing of vergunning, intrekking of wijziging noodzakelijk is vanwege het belang of de belangen ter bescherming waarvan de vergunning of ontheffing is vereist;

c.

de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften en beperkingen niet zijn of worden

d.

van de vergunning of ontheffing geen gebruik wordt gemaakt binnen of gedurende een daarin

e.

de houder dit verzoekt.

nagekomen;

gestelde termijn dan wel, bij het ontbreken van een gestelde termijn, binnen een redelijke termijn; of

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op een omgevingsvergunning.

Artikel 1.7 Termijnen De vergunning of ontheffing geldt voor onbepaalde tijd, tenzij bij de vergunning of ontheffing anders is bepaald of de aard van de vergunning of ontheffing zich daartegen verzet.

De aard van de vergunning of ontheffing verzet zich in elk geval tegen gelding voor onbepaalde tijd als het aantal vergunningen of ontheffingen beperkt is en het aantal beschikbare vergunningen of ontheffingen overtreft.

Artikel 1.8 Weigeringsgronden De vergunning of ontheffing kan door het daartoe bevoegde gezag worden geweigerd in het belang van: a.

de openbare orde;

b.

de openbare veiligheid;

c.

de volksgezondheid;

d.

de bescherming van het milieu.

Een vergunning of ontheffing kan ook worden geweigerd als de aanvraag minder dan 8 weken voor de

beoogde datum van de beoogde activiteit is ingediend en daardoor een behoorlijke behandeling van de aanvraag niet mogelijk is.

Hoofdstuk 2. Openbare orde en veiligheid, volksgezondheid en milieu

Afdeling 1. Voorkomen of bestrijden van ongeregeldheden Artikel 2.1 Samenscholing en ongeregeldheden 1.

Het is verboden op een openbare plaats deel te nemen aan een samenscholing, onnodig op te

2.

Degene die op een openbare plaats:

dringen of door uitdagend gedrag aanleiding te geven tot ongeregeldheden. a.

aanwezig is bij enig voorval waardoor er ongeregeldheden ontstaan of dreigen te

b.

aanwezig is bij een gebeurtenis die aanleiding geeft tot toeloop van publiek waardoor

c.

zich bevindt in of aanwezig is bij een samenscholing;

ontstaan;

ongeregeldheden ontstaan of dreigen te ontstaan;

is verplicht op bevel van een ambtenaar van politie zijn weg te vervolgen of zich in de door hem 3.

4. 5.

aangewezen richting te verwijderen.

Het is verboden zich te begeven naar of te bevinden op openbare plaatsen die door of vanwege het bevoegd gezag in het belang van de openbare veiligheid of ter voorkoming van ongeregeldheden zijn afgezet.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het derde lid gestelde verbod.

Dit artikel is niet van toepassing op betogingen, vergaderingen en godsdienstige en

levensbeschouwelijke samenkomsten als bedoeld in de Wet openbare manifestaties.

Artikel 2.2 Optochten [vervallen]

Artikel 2.3 Kennisgeving betogingen op openbare plaatsen 1.

Degene die het voornemen heeft op een openbare plaats een betoging te houden, geeft daarvan

voor de openbare aankondiging en ten minste 4 x 24 (96) uur voordat de betoging wordt gehouden, schriftelijk kennis aan de burgemeester. 2.

De kennisgeving bevat:

a.

naam en adres van degene die de betoging houdt;

b.

het doel van de betoging;

c.

de datum waarop de betoging wordt gehouden en het tijdstip van aanvang en van beëindiging;

d.

de plaats en, voor zover van toepassing, de route en de plaats van beëindiging;

e.

voor zover van toepassing, de wijze van samenstelling;

f.

maatregelen die degene die de betoging houdt zal treffen om een regelmatig verloop te bevorderen.

3.

Degene die de kennisgeving doet, ontvangt daarvan een bewijs waarin het tijdstip van de

4.

Indien het tijdstip van de schriftelijke kennisgeving valt op een vrijdag na 12.00 uur, een zaterdag,

kennisgeving is vermeld.

een zondag of een algemeen erkende feestdag, wordt de kennisgeving gedaan uiterlijk 12.00 uur op de aan de dag van dat tijdstip voorafgaande werkdag. 5.

De burgemeester kan in bijzondere omstandigheden de in het eerste lid, genoemde termijn

verkorten en een mondelinge kennisgeving in behandeling nemen.

Artikel 2.4 Afwijking termijn [vervallen; opgenomen in artikel 2.3]

Artikel 2.5 Te verstrekken gegevens [vervallen; opgenomen in artikel 2.3]

Artikel 2.6 Verspreiden geschreven of gedrukte stukken of afbeeldingen 1.

Het is verboden op door het college aangewezen plaatsen reclamebiljetten, promotiemateriaal of

andere geschriften aan te bieden, aan te bevelen of bekend te maken, leden, donateurs of klanten

te werven, producten of monsters van producten uit te delen dan wel personen staande te houden 2. 3. 4. 5.

ten behoeve van het uitvoeren van een enquête of een onderzoek. Het college kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren.

Het verbod is niet van toepassing op het huis-aan-huis verspreiden of het aan huis bezorgen van gedrukte of geschreven stukken en afbeeldingen.

Het college kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.7 Feest, muziek en wedstrijd e.d. [gereserveerd]

Artikel 2.8 Dienstverlening [gereserveerd]

Artikel 2.9 Vertoningen op openbare plaatsen 1.

2. 3. 4.

Het is verboden ten behoeve van publiek als straatartiest, straatfotograaf, tekenaar, filmoperateur of gids op te treden op door de burgemeester in het belang van de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu aangewezen openbare plaatsen. De burgemeester kan het verbod beperken tot bepaalde dagen en uren. De burgemeester kan ontheffing verlenen van het verbod.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Afdeling 2. Bruikbaarheid, uiterlijk aanzien en veilig gebruik van openbare plaatsen Artikel 2.10 Voorwerpen op of aan de weg of een openbare plaats 1.

Het is verboden de weg of een weggedeelte anders te gebruiken dan overeenkomstig de publieke functie daarvan, als dat gebruik: a.

schade toebrengt of kan toebrengen aan de weg, de bruikbaarheid van de weg belemmert of kan

b.

niet voldoet aan redelijke eisen van welstand.

belemmeren, dan wel een belemmering vormt of kan vormen voor het beheer of onderhoud van de weg; of

2.

3. 4. 5.

Van een belemmering voor de bruikbaarheid van de weg is in ieder geval sprake wanneer niet

tenminste een vrije doorgang van 1,0 m wordt gelaten op voetpaden en van 1,5 m op de rijbaan voor fietsers of gemotoriseerd verkeer.

Het college kan in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving nadere regels stellen ten aanzien van terrassen, uitstallingen, standplaatsen en reclameborden.

Het bevoegde bestuursorgaan kan ontheffing verlenen van het verbod in het eerste lid. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op: a.

b. c. 6.

evenementen als bedoeld in artikel 2.24;

standplaatsen als bedoeld in artikel 5.17;

overige gevallen waarin krachtens een wettelijke regeling een vergunning voor het gebruik van de weg is verleend.

Het verbod in het eerste lid is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de

Omgevingswet, de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe of de waterschapsverordening of op 7.

situaties waarin wordt voorzien in artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Op de ontheffing bedoeld in het vierde lid is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.11 (Omgevings)vergunning voor het aanleggen, beschadigen en veranderen van een weg 1.

Het is verboden zonder of in afwijking van een vergunning van het bevoegde bestuursorgaan een

weg aan te leggen, de verharding daarvan op te breken, in een weg te graven of te spitten, aard of

breedte van de wegverharding te veranderen of anderszins verandering te brengen in de wijze van 2. 3.

aanleg van een weg.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam werkzaamheden worden verricht.

Het verbod is voorts niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de

Provinciale Omgevingsverordening Drenthe voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht, de Wet beheer rijkswaterstaatwerken, de Provinciale omgevingsverordening Drenthe of de waterschapsverordening of op situaties waarin wordt

voorzien door artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994, de Wegenwet, het wetboek van Strafrecht of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.

Artikel 2.12 Maken, veranderen van een uitweg 1.

Het is verboden zonder omgevingsvergunning van het bevoegde bestuursorgaan een uitweg te

2.

In afwijking van het bepaalde in artikel 1.8 wordt de vergunning slechts geweigerd;

maken naar een weg of verandering te brengen in een bestaande uitweg naar de weg. a.

ter voorkoming van gevaar voor het verkeer op de weg;

b.

als de uitweg breder is dan 4 meter;

d.

als door de uitweg het openbaar groen op onaanvaardbare wijze wordt aangetast; of

c.

als de uitweg zonder noodzaak ten koste gaat van een openbare parkeerplaats;

e.

als er sprake is van een uitweg van een perceel dat al door een andere uitweg wordt ontsloten, en de aanleg van deze tweede uitweg ten koste gaat van een openbare parkeerplaats of openbaar groen.

3.

Het bevoegde bestuursorgaan kan in bijzondere omstandigheden afwijken van het gestelde in

4.

Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg

lid 2 onder b. en d. als er sprake is van noodzaak in het kader van bedrijfsvoering.

of waterstaatswerk waarvoor regels zin gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de waterschapsverordening of de Provinciale omgevingsverordening Drenthe.

Artikel 2.13 Veroorzaken van gladheid [vervallen]

Artikel 2.14 Winkelwagentjes [vervallen]

Artikel 2.15 Hinderlijke beplanting of voorwerpen Het is verboden beplanting of een voorwerp aan te brengen of te hebben op zodanige wijze dat aan het wegverkeer het vrije uitzicht wordt belemmerd of dat er op andere wijze voor het wegverkeer hinder of gevaar ontstaat.

Artikel 2.16 Openen straatkolken e.d. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een straatkolk, rioolput, brandkraan of een andere afsluiting die behoort tot een openbare nutsvoorziening, te openen, onzichtbaar te maken of af te dekken.

Artikel 2.17 Kelderingangen e.d. [vervallen]

Artikel 2.18 Rookverbod in bossen en natuurterreinen 1.

Het is verboden te roken in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen

2.

Het is verboden in bossen, op heide of veengronden dan wel in duingebieden of binnen een

3. 4.

een afstand van dertig meter daarvan gedurende een door het college aangewezen periode.

afstand van honderd meter daarvan, voor zover het de open lucht betreft, brandende of smeulende voorwerpen te laten vallen, weg te werpen of te laten liggen.

Het in het eerste en tweede lid gestelde verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde

onderwerp wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 3, van het Wetboek van Strafrecht. Het in het eerste lid gestelde verbod geldt voorts niet voor zover het roken plaatsvindt in gebouwen en aangrenzende erven.

Artikel 2.19 Gevaarlijk of hinderlijk voorwerp [vervallen, zie 2.15]

Artikel 2.20 Vallende voorwerpen [vervallen]

Artikel 2.21 Voorzieningen voor verkeer en verlichting 1.

2.

De rechthebbende op een bouwwerk is verplicht toe te laten dat op of aan dat bouwwerk

voorwerpen, borden of voorzieningen ten behoeve van het verkeer of de openbare verlichting worden aangebracht, onderhouden, gewijzigd of verwijderd.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door hoofdstuk 10 van de Omgevingswet.

Artikel 2.22 Objecten onder hoogspanningslijn [vervallen]

Artikel 2.23 Veiligheid op het ijs 1.

2.

Het is verboden: a.

voor het publiek toegankelijke ijsvlakten te beschadigen, te verontreinigen, te versperren

b.

bakens of andere voorwerpen ten behoeve van de veiligheid geplaatst op de onder a

of het verkeer daarop op enige andere wijze te belemmeren of in gevaar te brengen;

bedoelde ijsvlakten te verplaatsen, weg te nemen, te beschadigen of op enige andere wijze het gebruik daarvan te verijdelen of te belemmeren.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale omgevingsverordening Drenthe.

Afdeling 3. Evenementen Artikel 2.24 Begripsbepaling 1.

In deze afdeling wordt onder evenement verstaan elke voor publiek toegankelijke verrichting van

a.

bioscoop- en theatervoorstellingen in een daarvoor bestemde inrichting;

b.

markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet en artikel 5.22 van deze

c.

kansspelen als bedoeld in de Wet op de kansspelen;

vermaak, met uitzondering van:

verordening;

d.

het in een inrichting in de zin van de Alcoholwet gelegenheid geven tot dansen;

e.

betogingen, samenkomsten en vergaderingen als bedoeld in de Wet openbare manifestaties;

f.

activiteiten als bedoeld in artikel 2.9 en 2.39 van deze verordening.

2.

Onder evenement wordt mede verstaan:

een herdenkingsplechtigheid; een braderie, snuffel- of rommelmarkt op of aan de weg; een optocht op de weg, niet zijnde een betoging als bedoeld in artikel 2.3; een feest, muziekvoorstelling of wedstrijd op of aan de weg; een straatfeest of -barbecue op een dag (klein evenement); vechtsportwedstrijden of –gala’s.

Artikel 2.25 Evenement 1. 2.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een evenement te organiseren.

Bij de indiening van de vergunningaanvraag worden de gegevens, bedoeld in artikel 2.3 van het

Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen, aangeleverd voor zover voor

het evenement een gebruiksmelding zou moeten worden gedaan op grond van artikel 2:1, eerste 3.

lid, van het Besluit brandveilig gebruik en basishulpverlening overige plaatsen. Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een klein evenement indien: a.

het evenement tussen 09.00 en 00.30 uur plaats vindt;

d.

het evenement niet plaatsvindt op de rijbaan, (brom)fietspad of parkeerplaats tenzij dit

e.

slechts kleine objecten worden geplaatst met een oppervlakte van minder dan 10 m2 per

c.

f.

g. 4.

5. 6.

7.

8.

het aantal aanwezigen niet meer bedraagt dan 50 personen;

b.

geen muziek ten gehore wordt gebracht voor 07.00 uur of na 23.00 uur; geen belemmering vormt voor het verkeer en de hulpdiensten; object;

er een organisator is;

de organisator uiterlijk 10 werkdagen voorafgaand aan het evenement daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester.

Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een stille tocht of herdenkingstocht indien er een organisator is en deze binnen 10 werkdagen voorafgaand aan de tocht daarvan melding heeft gedaan aan de burgemeester. In bijzondere gevallen kan deze meldingstermijn korter zijn.

De burgemeester kan nadere regels stellen wanneer sprake is van een klein evenement waarvoor het verbod van het eerste lid niet van toepassing is, met inachtneming van lid 3, sub f. en g.

De burgemeester kan binnen 5 werkdagen na ontvangst van de melding besluiten het organiseren van een evenement als bedoeld in het derde of vierde lid te verbieden, indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.

Het verbod van het eerste lid geldt niet voor een wedstrijd op of aan de weg, voor zover in het

geregeld onderwerp wordt voorzien door artikel 10 juncto artikel 148 van de Wegenverkeerswet 1994.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.26 Ordeverstoring Het is verboden bij een evenement de orde te verstoren.

Afdeling 4. Toezicht op openbare inrichtingen Artikel 2.27 Begripsbepalingen 1.

In deze afdeling wordt verstaan onder: a.

openbare inrichting: een hotel, restaurant, pension, café, waterpijpcafé, cafetaria,

snackbar, discotheek, buurthuis of clubhuis of elke andere voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een omvang alsof zij bedrijfsmatig was logies wordt verstrekt of dranken worden geschonken of rookwaren of spijzen voor directe

b.

consumptie ter plaatse worden verstrekt of bereid;

terras: een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken

kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden 2.

bereid of verstrekt.

Onder openbare inrichting wordt mede verstaan een buiten de besloten ruimte van de openbare inrichting liggend deel daarvan waar sta- of zitgelegenheid kan worden geboden en waar tegen vergoeding dranken kunnen worden geschonken of spijzen voor directe consumptie ter plaatse kunnen worden bereid of verstrekt.

Artikel 2.28 Exploitatie openbare inrichting 1. Het is verboden een openbare inrichting te exploiteren zonder vergunning van de burgemeester. 2. De burgemeester weigert de vergunning als de exploitatie van de openbare inrichting in strijd is met een geldend omgevingsplan.

3. In afwijking van het bepaalde in artikel 1:8 kan de burgemeester de vergunning slechts geheel of gedeeltelijk weigeren als naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat:

de woon- of leefsituatie in de omgeving van de openbare inrichting of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig wordt beïnvloed; of

de exploitant of de leidinggevende in enig opzicht van slecht levensgedrag is. 4. Geen vergunning is vereist voor een openbare inrichting die zich bevindt in een: a. winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet voor zover de activiteiten van de openbare inrichting een nevenactiviteit vormen van de winkelactiviteit; b. zorginstelling; c. museum; of d. bedrijfskantine of -restaurant.

5. De burgemeester verleent op verzoek of ambtshalve vrijstelling van het verbod aan openbare inrichtingen die horecabedrijf zijn als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet, als:

a. zich in de zes maanden voorafgaand aan de inwerkingtreding van deze bepaling geen incidenten

gepaard gaande met geweld, overlast op straat of drugsgebruik en -handel hebben voorgedaan in of bij de inrichting; of

b. de inrichting zich nieuw in de gemeente vestigt en er zich geen weigeringsgronden voordoen als bedoeld in artikel 1:8 of 2:28, tweede of derde lid.

6. De vrijstelling wordt ingetrokken wanneer zich een incident heeft voorgedaan als bedoeld in het vijfde lid, onder a.

7. Op de aanvraag om een vergunning of vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.29 Sluitingstijd [vervallen]

Artikel 2.30 Tijdelijke sluitingstijd; tijdelijke sluiting 1.

2.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde, veiligheid, zedelijkheid of gezondheid of in geval van bijzondere omstandigheden voor een of meer openbare inrichtingen tijdelijk sluitingstijden vaststellen of tijdelijk sluiting bevelen.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 13b van de Opiumwet.

Artikel 2.31 Verboden gedragingen Het is verboden in een openbare inrichting: a.

de orde te verstoren;

b.

zich te bevinden na sluitingstijd of gedurende de tijd dat de inrichting gesloten dient te

c.

op het terras spijzen of dranken te verstrekken aan personen die geen gebruik maken van

zijn op grond van een besluit krachtens artikel 2.30, eerste lid; de zitplaatsen die aanwezig zijn op het terras.

Artikel 2.32 Handel binnen openbare inrichtingen 1.

2.

In dit artikel wordt onder handelaar verstaan: de handelaar als bedoeld in artikel 1 van de

algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

De exploitant van een openbare inrichting staat niet toe dat een handelaar of een voor hem handelend persoon in dat bedrijf enig voorwerp verwerft, verkoopt of op enig andere wijze overdraagt.

Artikel 2.33 Ordeverstoring [vervallen, zie 2.31]

Artikel 2.34 Het college als bevoegd bestuursorgaan Indien een openbare inrichting geen voor het publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf is in de zin

van artikel 174 van de Gemeentewet, treedt het college op als bevoegd bestuursorgaan voor de toepassing van artikel 2.28 tot en met 2.30.

Artikel 2.34a Proeverijen in slijtlokaliteiten 1.

Slijtersbedrijven zijn vrijgesteld van het in artikel 3, eerste lid, en het in artikel 14, eerste lid , van de

Alcoholwet vervatte verbod, ten behoeve van het tegen betaling organiseren van een proeverij in hun slijtlokaliteit. 2.

De vrijstelling geldt buiten de dagen en tijden dat de slijtlokaliteit bij of krachtens de

Winkeltijdenwet regulier is opengesteld.

Afdeling 5. Toezicht op inrichtingen tot het verschaffen van nachtverblijf Artikel 2:35 Definitie In deze afdeling wordt onder inrichting verstaan: elke al dan niet besloten ruimte waarin, in de uitoefening van beroep of bedrijf, aan personen de mogelijkheid van nachtverblijf of gelegenheid tot kamperen wordt verschaft.

Artikel 2:36 Kennisgeving exploitatie Degene die een inrichting opricht, overneemt, verplaatst of de exploitatie of feitelijke leiding van een inrichting staakt, is verplicht daarvan binnen drie dagen daarna schriftelijk kennis te geven aan de burgemeester.

Artikel 2.37 Nachtregister [vervallen]

Artikel 2.38 Verschaffing gegevens nachtregister Degene die in een inrichting nachtverblijf houdt of de kampeerder is verplicht de exploitant of feitelijk

leidinggevende van die inrichting volledig en naar waarheid naam, woonplaats, dag van aankomst en de dag van vertrek te verstrekken.

Afdeling 6. Toezicht op speelgelegenheden Artikel 2.38 Begripsbepalingen 1.

In deze afdeling wordt onder speelgelegenheid verstaan een voor het publiek toegankelijke

gelegenheid waar bedrijfsmatig of in een omvang alsof deze bedrijfsmatig is de mogelijkheid wordt geboden enig spel te beoefenen, waarbij geld of in geld inwisselbare voorwerpen kunnen worden gewonnen of verloren. 2.

In deze afdeling voorkomende begrippen die in de Wet op de kansspelen zijn omschreven, hebben

dezelfde betekenis als in die wet.

Artikel 2.39 Speelgelegenheden 1.

Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een speelgelegenheid te exploiteren of te

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet op de kansspelen.

doen exploiteren.

3. Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 weigert de burgemeester de vergunning als: a.

naar zijn oordeel moet worden aangenomen dat de woon- en leefsituatie in de omgeving van de

speelgelegenheid of de openbare orde op ontoelaatbare wijze nadelig worden beïnvloed door de exploitatie van de speelgelegenheid; of b.

de exploitatie van een speelgelegenheid in strijd is met een geldend omgevingsplan.

4. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.40 Speelautomaten 1.

In hoogdrempelige inrichtingen zijn vier speelautomaten toegestaan, waarvan maximaal twee

2.

In laagdrempelige inrichtingen zijn twee speelautomaten toegestaan, met dien verstande dat

kansspelautomaten.

kansspelautomaten in het geheel niet zijn toegestaan.

Afdeling 7. Maatregelen tegen overlast en baldadigheid Artikel 2.41 Betreden gesloten woning of lokaal 1.

Het is verboden een krachtens artikel 174a van de Gemeentewet gesloten woning, een niet voor

2.

Het is verboden een krachtens artikel 13b van de Opiumwet gesloten woning, een niet voor het

publiek toegankelijk lokaal of een bij die woning of dat lokaal behorend erf te betreden.

publiek toegankelijk lokaal, een bij die woning of dat lokaal behorend erf, een voor het publiek toegankelijk lokaal of bij dat lokaal behorend erf te betreden.

3.

Deze verboden gelden niet voor personen wier aanwezigheid in de woning of het lokaal wegens

dringende reden noodzakelijk is.

Artikel 2.42 Plakken en kladden 1.

Het is verboden een openbare plaats of dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats

2.

Het is verboden zonder schriftelijke toestemming van de rechthebbende op een openbare plaats of

a.

een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken, te doen aanplakken,

b.

met kalk, teer of een kleur of verfstof een afbeelding, letter, cijfer of teken aan te brengen of te

3.

Het in het tweede lid gestelde verbod is niet van toepassing indien gehandeld wordt krachtens

4.

De houder van de schriftelijke toestemming is verplicht die aan een opsporingsambtenaar op diens

5.

Het college kan nadere regels stellen voor het aanbrengen van meningsuitingen en

6.

Het is verboden de aanplakborden te gebruiken voor het aanbrengen van handelsreclame.

7.

Het college wijst aanplakborden aan voor het aanbrengen van meningsuitingen en bekendmakingen.

zichtbaar is te bekrassen of te bekladden.

dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf die plaats zichtbaar is: op andere wijze aan te brengen of te doen aanbrengen; doen aanbrengen.

wettelijk voorschrift.

eerste vordering terstond ter inzage af te geven.

bekendmakingen, die geen betrekking mogen hebben op de inhoud daarvan.

Artikel 2.43 Vervoer plakgereedschap e.d. 1.

Het is verboden op de weg of openbaar water een aanplakbiljet, aanplakdoek, kalk, teer, kleur of

2.

Dit verbod is niet van toepassing, indien de genoemde materialen of gereedschappen niet zijn

verfstof of verfgereedschap te vervoeren of bij zich te hebben.

gebruikt of niet zijn bestemd voor handelingen als verboden in artikel 2.42.

Artikel 2.44 Vervoer inbrekerswerktuigen 1.

Het is verboden op een openbare plaats inbrekerswerktuigen te vervoeren of bij zich te hebben.

2.

Het is verboden op een openbare plaats in de nabijheid van winkels voorwerpen om het plegen van

3.

Het verbod is niet van toepassing als de bedoelde werktuigen niet zijn gebruikt of niet zijn bestemd

winkeldiefstal gemakkelijker te maken, te vervoeren of bij zich te hebben.

om zich onrechtmatig de toegang tot een gebouw of erf te verschaffen, onrechtmatig sluitingen te openen of te verbreken, diefstal door middel van braak te vergemakkelijken of het maken van sporen te voorkomen.

Artikel 2.45 Betreden van plantsoenen 1.

Het is verboden zonder ontheffing van het college zich te bevinden in of op bij de gemeente in

onderhoud zijnde parken, wandelplaatsen, plantsoenen, groenstroken, grasperken of buiten de daarin gelegen wegen of paden. 2.

Het verbod is niet van toepassing voor zover in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar

lichaam werkzaamheden worden verricht.

Artikel 2.46 Rijden over bermen e.d. 1.

Het is verboden met voertuigen die niet voorzien zijn van rubberbanden te rijden over de berm, de

2.

Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg of

glooiing of de zijkant van een weg, tenzij dit door de omstandigheden redelijkerwijs wordt vereist. waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de waterschapsverordening of de Provinciale omgevingsverordening Drenthe.

Artikel 2.47 Hinderlijk gedrag op openbare plaatsen 1.

Het is verboden op een openbare plaats:

a.

te klimmen of zich te bevinden op een beeld, monument, overkapping, constructie, openbare

toiletgelegenheid, voertuig, hekheining of andere afsluiting, verkeersmeubilair of daarvoor niet bestemd straatmeubilair; b.

zich op te houden op een wijze die voor andere gebruikers of omwonenden overlast of hinder

c.

tot schijngevechten aan te zetten, dan wel te vechten;

d.

iemand uit te jouwen, na te schreeuwen, met aanstootgevende taal lastig te vallen, al dan niet met

2.

Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 424, 426bis of 431

veroorzaakt;

een voorwerp hinderlijk aan te raken, dan wel op andere wijze overlast aan te doen. van het Wetboek van Strafrecht of artikel 5 van de Wegenverkeerswet 1994.

Artikel 2.48 Verboden drankgebruik 1.

Het is verboden voor personen die de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt op een openbare plaats,

die deel uitmaakt van een door het college aangewezen gebied, alcoholhoudende drank te gebruiken of aangebroken flessen, blikjes en dergelijke met alcoholhoudende drank bij zich te hebben. 2.

Het bepaalde in het eerste lid geldt niet voor:

a.

een terras dat behoort bij een horecabedrijf, als bedoeld in artikel 1 van de Alcoholwet;

b.

een andere plaats dan een horecabedrijf, als bedoeld onder a, waarvoor een ontheffing geldt

krachtens artikel 35 van de Alcoholwet.

Artikel 2.49 Verboden gedrag bij of in gebouwen 1.

Het is verboden:

a.

zich zonder redelijk doel in een portiek of poort op te houden;

b.

zonder redelijk doel in, op of tegen een raamkozijn of een drempel van een gebouw te zitten of te

2.

Het is aan anderen dan bewoners of gebruikers van flatgebouwen, appartementsgebouwen en

liggen.

soortgelijke meergezinshuizen en van gebouwen die voor publiek toegankelijk zijn, verboden zich zonder redelijk doel te bevinden in een voor gemeenschappelijk gebruik bestemde ruimte van zo'n gebouw.

Artikel 2.50 Hinderlijk gedrag in voor het publiek toegankelijke ruimten Het is verboden zich zonder redelijk doel op een voor anderen hinderlijke wijze op te houden in of op een

voor het publiek toegankelijk ruimte, dan wel deze te verontreinigen of te bezigen voor een ander doel dan waarvoor de desbetreffende ruimte is bestemd. Onder deze ruimten worden in elk geval begrepen: portalen, wachtlokalen voor een openbaar vervoermiddel, parkeergarages en rijwielstallingen.

Artikel 2.50a Messen en andere voorwerpen als steekwapen 1.

2. 3.

Het is verboden op door het college aangewezen openbare plaatsen of in daaraan grenzende voor het publiek openstaande gebouwen of bij die gebouwen behorende erven messen of andere voorwerpen die als steekwapen kunnen worden gebruikt, bij zicht te hebben.

Het verbod geldt niet voor messen of voorwerpen die zodanig zijn ingepakt dat zij niet voor onmiddellijk gebruik gereed zijn.

Dit artikel is niet van toepassing voor zover het wapens betreft als bedoeld in artikel 2 van de Wet wapens en munitie.

Artikel 2.51 Neerzetten van fietsen en bromfietsen e.d. Het is verboden op een openbare plaats een fiets of een bromfiets te plaatsen of te laten staan tegen een raam, een raamkozijn, een deur, de gevel van een gebouw dan wel in de ingang van een portiek indien: a.

dit in strijd is met de uitdrukkelijk verklaarde wil van de gebruiker van dat gebouw of dat portiek; of

b.

daardoor die ingang versperd wordt.

Artikel 2.52 Overlast van fiets of bromfiets op markt en kermisterrein e.d. Het is verboden op de door het college of de burgemeester aangewezen uren en plaatsen zich met een

fiets of bromfiets te bevinden op een door het college of de burgemeester aangewezen terrein waar een

markt, kermis, uitvoering, bijeenkomst of plechtigheid gehouden wordt die publiek trekt, mits dit verbod kenbaar is aan de bezoekers van het terrein.

Artikel 2.53 Bespieden van personen [vervallen]

Artikel 2.54 Bewakingsapparatuur [gereserveerd]

Artikel 2.55 Nodeloos alarmeren [gereserveerd]

Artikel 2.56 Alarminstallaties [gereserveerd

Artikel 2.57 Loslopende honden 1.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond te laten verblijven of te laten lopen:

op een voor het publiek toegankelijke en kennelijk als zodanig ingerichte kinderspeelplaats, zandbak of speelweide of op een andere door het college aangewezen plaats;

binnen de bebouwde kom op de weg indien de hond niet is aangelijnd; buiten de bebouwde kom zonder dat de hond begeleid wordt; op de weg indien de hond niet is voorzien van een halsband of een ander identificatiemerk waaruit blijkt wie de eigenaar of houder van de hond is. 2.

Het is de eigenaar of houder van een hond verboden die hond onaangelijnd op een natuur- en

a.

indien de terreinbeheerder op bebording heeft aangegeven dat honden aangelijnd dienen te zijn;

b.

indien aanwijzingen van de beheerder of toezichthouder van het natuur- en recreatieterrein niet

3.

Het verbod in het eerste lid aanhef en onder b is niet van toepassing op door het college

4.

De verboden genoemd in het eerste lid onder a en c gelden niet voor zover de eigenaar of houder

a.

die zich vanwege zijn handicap door een geleidehond of hulphond laat begeleiden; of

b.

die deze hond aantoonbaar gekwalificeerd opleidt tot geleidehond of hulphond.

recreatieterrein te laten verblijven of te laten lopen:

worden opgevolgd en een hond overlast veroorzaakt. aangewezen plaatsen. van een hond:

Artikel 2.58 Verontreiniging door honden

1.

Degene die zich met een hond op een openbare plaats begeeft is verplicht ervoor te zorgen dat de

2.

Het eerste lid is niet van toepassing op de eigenaar of houder van een hond die zich vanwege zijn

3.

Het bepaalde in het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen.

uitwerpselen van die hond onmiddellijk worden verwijderd.

handicap door een geleidehond of hulphond laat begeleiden.

Artikel 2.59 Gevaarlijke honden 1.

Als de burgemeester een hond in verband met zijn gedrag gevaarlijk of hinderlijk acht, kan hij de

eigenaar of houder van die hond een aanlijngebod of een aanlijn- en muilkorfgebod opleggen en een

verplichte cursus gedrag voor zover die hond verblijft of loopt op een openbare plaats of op het terrein van een ander. 2.

De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijngebod is opgelegd, is verplicht de hond kort

aangelijnd te houden, met een lijn met een lengte, gemeten van hand tot halsband, van ten hoogste 1,50 meter. 3.

De eigenaar of houder van de hond aan wie een aanlijn- en muilkorfgebod is opgelegd, is naast de

a.

vervaardigd is van stevige kunststof, van stevig leer of van beide stoffen;

b.

door middel van een stevige leren riem zodanig rond de hals is aangebracht dat verwijdering zonder

c.

zodanig is gemaakt dat de hond niet kan bijten, dat de afgesloten ruimte binnen de korf een geringe

4

Onverminderd het bepaalde in artikel 2:57, eerste lid onder d, dient een hond als bedoeld in het

verplichting bedoeld in het tweede lid verplicht de hond te voorzien te houden van een muilkorf die:

toedoen van de mens niet mogelijk is; en

opening van de bek toelaat en dat geen scherpe delen binnen de korf aanwezig zijn.

eerste lid voorzien te zijn van een door de bevoegde minister op aanvraag verstrekt uniek identificatienummer door middel van een microchip die met een chipreader afleesbaar is.

Artikel 2.59a Gevaarlijke honden op eigen terrein Het is de eigenaar, houder of verzorger van een hond en hem die een hond onder zijn toezicht heeft,

verboden deze hond op zijn erf zonder muilkorf los te laten lopen als de burgemeester heeft meegedeeld

dat hij het dier gevaarlijk of hinderlijk acht, dan wel als de hond is opgeleid voor bewakings-, opsporingsen verdedigingswerk, tenzij: a.

op een vanaf de weg zichtbare plaats een –ter beoordeling van de burgemeester- duidelijke leesbaar

b.

de brievenbus bereikt kan worden en aangebeld kan worden zonder dat men het erf hoeft te

c.

het erf voorzien is van een zodanig hoge en deugdelijke afrastering dat de hond zonder menselijke

waarschuwingsbord is aangebracht; betreden;

tussenkomst niet buiten het erf kan komen.

Artikel 2.60 Houden van hinderlijke of schadelijke dieren

1.

Het is verboden op door het college ter voorkoming of beëindiging van overlast of schade aan de

openbare gezondheid aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, bij dat aanwijzingsbesluit aangeduide dieren: a.

aanwezig te hebben; of

b.

aanwezig te hebben anders dan met inachtneming van de door het college gestelde regels; of

c.

aanwezig te hebben tot een groter aantal dan in die aanwijzing is aangegeven; of

d.

te voeren.

2.

Het college kan de rechthebbende op een onroerende zaak gelegen binnen een krachtens het eerste

lid aangewezen plaats, ontheffing verlenen van een of meer in het eerste lid gestelde verboden.

Artikel 2.61 Wilde dieren [gereserveerd]

Artikel 2.62 Loslopend vee De rechthebbende op vee dat zich bevindt in een aan een weg liggend weiland of terrein dat niet van die weg is afgescheiden door een deugdelijke veekering, is verplicht ervoor te zorgen dat zodanige maatregelen getroffen worden dat dit vee die weg niet kan bereiken.

Artikel 2.63 Duiven 1.

De rechthebbende op duiven is verplicht ervoor te zorgen dat die duiven niet kunnen uitvliegen

2.

Het college kan ontheffing verlenen van het gebod in het eerste lid.

3.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt

4.

Op de aanvraag om een ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht

tussen 8.00 uur en 18.00 uur in een door het college te bepalen tijdvak dat ligt tussen 1 maart en 1 juni.

voorzien door de Provinciale Omgevingsverordening Drenthe.

(positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.64 Bijen 1.

Het is verboden bijen te houden:

a.

binnen een afstand van 50 meter van woningen of andere gebouwen waar overdag mensen

b.

binnen een afstand van 50 meter van de weg.

2.

Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder a, is niet van toepassing voor de bijenhouder die

verblijven;

rechthebbende is op de woningen of gebouwen bedoeld in dat lid.

3.

Het verbod in het eerste lid, aanhef en onder b, is niet van toepassing op

beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Provinciale omgevingsverordening Drenthe of de waterschapsverordening. 4.

Het college kan van het in het eerste lid gestelde verbod ontheffing verlenen.

5.

Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.65 Bedelarij Het is verboden op een openbare plaats te bedelen om geld of andere zaken in door het college ter voorkomen of beëindiging van overlast aangewezen gebieden.

AFDELING 8. BEPALINGEN TER BESTRIJDING VAN HELING VAN GOEDEREN Artikel 2.66 Definitie In deze afdeling wordt onder handelaar verstaan de handelaar aangewezen bij algemene maatregel van bestuur op grond van artikel 437, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.67 Verplichtingen met betrekking tot het verkoopregister 1. De handelaar is verplicht aantekening te houden van alle gebruikte of ongeregelde goederen die hij verkoopt of op andere wijze overdraagt, in een doorlopend en door de burgemeester gewaarmerkt register, en daarin onverwijld op te nemen:

a. het volgnummer van de aantekening met betrekking tot het goed; b. de datum van verkoop of overdracht van het goed; c. een omschrijving van het goed, voor zover van toepassing daaronder begrepen soort, merk en nummer van het goed;

d. de verkoopprijs of andere voorwaarden voor overdracht van het goed; en e. de naam en het adres van degene die het goed heeft verkregen. 2. De burgemeester kan vrijstelling verlenen van deze verplichtingen. 3. Op de aanvraag om een vrijstelling is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.

Artikel 2.68 Voorschriften als bedoeld in artikel 437 van het Wetboek van Strafrecht De handelaar of een voor hem handelend persoon is verplicht: d.

de burgemeester binnen drie dagen schriftelijk in kennis te stellen:

1o. dat hij het beroep van handelaar uitoefent met vermelding van zijn woonadres en het adres van de bij zijn onderneming behorende vestiging;

2o. van een verandering van de onder 1o bedoelde adressen; 3o. dat hij het beroep van handelaar niet langer uitoefent; 4o. dat hij enig goed kan verkrijgen dat redelijkerwijs van een misdrijf afkomstig is of voor de rechthebbende verloren is gegaan.

b. de burgemeester op eerste aanvraag zijn administratie of register ter inzage te geven; c. aan de hoofdingang van elke vestiging een kenteken te hebben waarop zijn naam en de aard van de onderneming duidelijk zichtbaar zijn;

d. een door opkoop verkregen goed gedurende de eerste drie dagen in bewaring te houden in de staat waarin het goed verkregen is.

Artikel 2.69 Vervreemding van door opkoop verkregen goederen [ondergebracht onder artikel 2.68, sub d]

Artikel 2.70 Handel in horecabedrijven [ondergebracht onder artikel 2.32]

Afdeling 9. Vuurwerk Artikel 2.71 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt onder consumentenvuurwerk verstaan vuurwerk dat op grond van artikel 2.1.1 van het Vuurwerkbesluit is aangewezen als vuurwerk dat ter beschikking mag worden gesteld voor particulier gebruik.

Artikel 2.72 Ter beschikking stellen van consumentenvuurwerk tijdens de verkoopdagen 1.

Het is verboden in de uitoefening van een bedrijf of nevenbedrijf consumentenvuurwerk ter

beschikking te stellen dan wel voor het ter beschikking stellen aanwezig te houden, zonder een vergunning van het college. 2.

Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Artikel 2.73 Gebruik van consumentenvuurwerk tijdens de jaarwisseling 1.

Het is verboden consumentenvuurwerk te gebruiken op een door het college in het belang van de

voorkoming van gevaar, schade of overlast aangewezen plaats.

2.

Het is verboden consumentenvuurwerk op een openbare plaats te gebruiken als dat gevaar, schade

3.

De verboden bedoeld in het eerste en tweede lid zijn niet van toepassing op situaties waarin wordt

of overlast kan veroorzaken.

voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1, van het Wetboek van Strafrecht.

Artikel 2.73a Het schieten van carbid 1.

Het is verboden acetyleengas afkomstig van reactie tussen calciumacetylide (carbid) en water of

2.

Het in het eerste lid genoemde verbod geldt niet op 31 december van 10.00 uur tot

gasmengsels met vergelijkbare eigenschappen op explosieve wijze te verbranden.

1 januari 02.00 uur en: 1.

voor zover gebruik gemaakt wordt van melkbussen en/of dergelijke voorwerpen met

een maximale inhoud van zestig liter en deze afgesloten wordt met zacht materiaal; 2.

er naast carbid geen gebruik gemaakt wordt van een andere brandbare en/of explosieve stoffen;

3.

indien geschoten wordt:

a.

op een afstand van tenminste vijftig meter van de woonbebouwing;

b.

op een afstand van tenminste tweehonderd meter van inrichtingen voor de intramurale zorg;

c.

op een afstand van tenminste tweehonderd meter van in gebruik zijnde voorzieningen voor het houden van dieren;

d.

in de tegengestelde richting van de dichtsbij gelegen woonbebouwing;

e.

met minimaal een vrijschootsveld van vijftig meter waarin tevens geen verharde openbare wegen en/of paden liggen; en

4.

degene die carbid schiet 16 jaar of ouder is;

5.

er op de locatie waar carbid geschoten wordt geen alcohol en/of drugs aanwezig is;

6.

de toeschouwers op veilige afstand worden gehouden bijvoorbeeld door het afzetten van de locatie

7.

er geen handelingen worden verricht of nagelaten waarvan men weet of redelijkerwijs had kunnen

8.

indien aanwijzingen van politie en toezichthouders worden opgevolgd;

9.

indien tenminste tien werkdagen voorafgaand aan 31 december 10.00 uur het voornemen tot het

3.

De burgemeester kan ter voorkoming van gevaar, schade of overlast, of in het belang van de

waar carbid geschoten wordt met linten;

vermoeden dat daardoor gevaar, schade en/of hinder kan optreden voor mens, dier en milieu;

schieten van carbid aan de burgemeester is gemeld.

natuurbescherming, plaatsen in de gemeente aanwijzen waar het gestelde in het tweede lid niet van toepassing is. 4.

De burgemeester kan ontheffing verlenen van het in het eerste lid gestelde verbod.

5.

Het in het eerste lid bepaalde geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt

voorzien door de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van

de Omgevingswet, de Wet wapens en munitie, de Wet milieugevaarlijke stoffen, de Wet vervoer gevaarlijke stoffen of het Wetboek van Strafrecht. 6.

Op de ontheffing van lid 4 is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve

beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Afdeling 10. Drugsoverlast Artikel 2.74 Drugshandel op straat Onverminderd het bepaalde in de Opiumwet is het verboden zich op een openbare plaats op te houden,

met het kennelijke doel om middelen als bedoeld in artikel 2 en 3 van de Opiumwet, of daarop gelijkende

waar, al dan niet tegen betaling af te leveren, aan te bieden of te verwerven, daarbij behulpzaam te zijn of daarin te bemiddelen.

Artikel 2.74a Openlijk drugsgebruik Het is verboden op of aan de weg, op een andere openbare plaats of in een voor publiek toegankelijk gebouw middelen als bedoeld in de artikelen 2 of 3 van de Opiumwet of daarop gelijkende waar te

gebruiken, toe te dienen, dan wel voorbereidingen daartoe te verrichten of ten behoeve van dat gebruik voorwerpen of stoffen voorhanden te hebben.

Afdeling 11. Bestuurlijke ophouding, veiligheidsrisicogebieden en cameratoezicht op openbare plaatsen Artikel 2.75 Bestuurlijke ophouding De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 154a van de Gemeentewet te besluiten tot het tijdelijk doen ophouden van door hem aangewezen groepen van personen op een door hem aangewezen plaats indien deze personen het bepaalde in artikel 2.1, 2.10, 2.11, 2.16, 2.18, 2.19, 2.47, 2.48, 2.49, 2.50, 2.73, 2.73a en/of 5.34 van deze verordening groepsgewijs niet naleven.

Artikel 2.76 Veiligheidsrisicogebieden De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151b van de Gemeentewet bij verstoring van de

openbare orde door de aanwezigheid van wapens, dan wel bij ernstige vrees voor het ontstaan daarvan, een gebied, met inbegrip van de daarin gelegen voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven, aan te wijzen als veiligheidsrisicogebied.

Artikel 2.77 Cameratoezicht op openbare plaatsen

1.

De burgemeester is bevoegd overeenkomstig artikel 151c van de Gemeentewet te besluiten tot

2.

De burgemeester heeft die bevoegdheid eveneens ten aanzien van andere openbare plaatsen indien

plaatsing van camera’s voor een bepaalde duur ten behoeve van het toezicht op een openbare plaats.

deze door de gemeenteraad zijn aangewezen en indien dit naar zijn oordeel noodzakelijk is met het oog op de handhaving van de openbare plaatsen.

Artikel 2.78 Gebiedsontzeggingen [gereserveerd]

Artikel 2.79 Woonoverlast als bedoeld in artikel 151d Gemeentewet 1. Degene die een woning of een bij die woning behorend erf gebruikt of tegen betaling in gebruik geeft, draagt er zorg voor dat door gedragingen in of vanuit die woning of dat erf of in de onmiddellijke

nabijheid van die woning of dat erf geen ernstige en herhaaldelijke hinder voor omwonenden wordt veroorzaakt.

2. Als de burgemeester een last onder dwangsom of onder bestuursdwang oplegt naar aanleiding van een schending van deze zorgplicht kan hij daarbij aanwijzingen geven over wat de overtreder dient te doen of

na te laten om verdere schending te voorkomen. De burgemeester stelt beleidsregels vast over het gebruik van deze bevoegdheid.

3. De last kan in ieder geval worden opgelegd bij ernstige en herhaaldelijke: a. geluid- of geurhinder; b. hinder van dieren; c. hinder van bezoekers of personen die tijdelijk in een woning of op een erf aanwezig zijn; d. overlast door vervuiling of verwaarlozing van een woning of een erf; e. intimidatie van derden vanuit een woning of een erf.

Artikel 2.80 Sluiting voor publiek openstaand gebouw of bijbehorend erf 1.

2. 3. 4. 5.

De burgemeester kan in het belang van de openbare orde of ter voorkoming of beperking van overlast of nadelige beïnvloeding van het woon- of leefklimaat besluiten tot de gehele of gedeeltelijke sluiting van een voor het publiek openstaand gebouw of een bij dat gebouw behorend erf.

Het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin artikel 2.30, eerste lid, of artikel 13b van de Opiumwet voorziet.

De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of het bij dat gebouw behorende erf.

Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft. Zolang de sluiting van kracht is.

Het is verboden een gesloten gebouw of erf te bezoeken, als bezoeker daarin of daarop te verblijven of een bezoeker daarin of daarop te laten verblijven zonder toestemming van de burgemeester.

6.

De burgemeester kan een sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden

hiertoe aanleiding geven en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid, zal plaatsvinden.

Artikel 2.81 Tegengaan onveilig, niet leefbaar en malafide ondernemersklimaat 1.

In dit artikel wordt verstaan onder:

a. bedrijfsmatige activiteit: activiteit in de uitoefening van een beroep of bedrijf, die niet valt onder de vergunningplicht bedoeld in artikel 3 van de Alcoholwet of de artikelen 2.28 of 3.4;

b. beheerder: natuurlijk persoon die door de exploitant is aangesteld voor de feitelijke leiding over de bedrijfsmatige activiteit;

c. exploitant: natuurlijk persoon of bestuurder van een rechtspersoon of vertegenwoordiging van die

rechtspersoon bevoegde natuurlijk persoon, voor wiens rekening en risico de bedrijfsmatige activiteit 2.

wordt uitgeoefend.

De burgemeester kan in het belang van de leefbaarheid, de openbare orde en veiligheid of ter

voorkoming van een nadelige beïnvloeding daarvan bedrijfsmatige activiteiten en gebouwen of bij die

gebouwen behorende erven of gebieden aanwijzen waarop het verbod uit het derde lid van toepassing 3.

4.

is.

Het is verboden om zonder vergunning van de burgemeester een door hem aangewezen

bedrijfsmatige activiteit uit te oefenen in een door hem aangewezen gebouw, of een bij dat gebouw behorend erf of in een door hem aangewezen gebied.

De exploitant vraagt de vergunning aan door gebruik te maken van een door de burgemeester vastgesteld formulier, waarbij in elk geval de volgende gegevens worden verstrekt: a. voor welke bedrijfsmatige activiteit de vergunning wordt gevraagd;

b. de persoonsgegevens en een geldig identiteitsbewijs van de exploitant en beheerder;

c. het adres en telefoonnummer van de locatie waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend; d. het nummer van inschrijving in het Handelsregister;

e. voor zover van toepassing, de verblijfstitel van de exploitant en beheerder;

f. voor zover van toepassing, een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant en beheerder gerechtigd zijn om in Nederland arbeid te verrichten;

g. een document waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is over het gebouw of erf te beschikken 5.

waar de bedrijfsmatige activiteit wort uitgeoefend.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de burgemeester een vergunning als bedoeld in het derde lid weigeren:

a. als de leefbaarheid in het gebied door de wijze van exploitatie nadelig wordt beïnvloed of dreigt te worden beïnvloedt;

b. als de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

c. als redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de aanvraag vermelde in overeenstemming zal zijn;

d. als niet voldaan is aan de bij of krachtens het vierde lid gestelde eisen voor de aanvraag;

e. als er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit personen werkzaam

zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

f. als het uitoefenen van de bedrijfsmatige activiteiten in strijd is met het omgevingsplan of de Wet milieubeheer.

6.

De exploitant is verplicht elke verandering in de uitoefening van zijn bedrijfsmatige activiteit waardoor deze niet langer in overeenstemming is met de in de vergunning opgenomen gegevens zo spoedig

mogelijk aan de burgemeester te melden. De burgemeester verleent een gewijzigde vergunning, als de 7. 8. 9.

bedrijfsmatige activiteit aan de vereisten voldoet.

Het is verboden het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend voor bezoekers geopend te hebben zonder dat de exploitant of beheerder aanwezig is.

De exploitant of de beheerder ziet er op toe dat in of vanuit het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend geen strafbare feiten plaatvinden.

Onverminderd het bepaalde in artikel 1.6 kan de burgemeester een vergunning intrekken of wijzigen als de omstandigheden sinds de vergunningverlening zijn gewijzigd, doordat: a. de exploitant of beheerder in enig opzicht van slecht levensgedrag is;

b. de exploitant of beheerder betrokken is of ernstige nalatigheid kan worden verweten bij activiteiten of strafbare feiten die verband houden met de bedrijfsmatige activiteit of toestaat of gedoogt dat

strafbare feiten of activiteiten worden gepleegd waarmee de openbare orde nadelig wordt beïnvloed; c. er in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteit strafbare feiten hebben plaatsgevonden of plaatsvinden;

d. er aanwijzingen zijn dat in de uitoefening van de bedrijfsmatige activiteiten personen werkzaam zijn of zullen zijn in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of Vreemdelingenwet 2000 bepaalde;

e. de exploitant de bedrijfsmatige activiteit heeft beëindigd of gewijzigd; of

f. redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de feitelijke toestand niet met het in de vergunning vermelde in overeenstemming is.

10. Als de bedrijfsmatige activiteit in strijd met de vergunning en het verbod wordt uitgeoefend of als een

van de situaties bedoeld in het negende lid van toepassing is, kan de burgemeester, onverminderd het

bepaalde in artikel 2.80, een besluit tot sluiting van het gebouw of erf waar de bedrijfsmatige activiteit wordt uitgeoefend.

11. De burgemeester brengt een afschrift van zijn besluit tot sluiting aan op of nabij de toegang van het voor het publiek openstaande gebouw of erf.

12. Eenieder is verplicht toe te laten dat het afschrift wordt aangebracht en aangebracht blijft, zolang de sluiting van kracht is.

13. Het is eenieder verboden een overeenkomstig het tiende lid gesloten gebouw of erf te bereden of daarin te verblijven.

14. De burgemeester kan de sluiting opheffen als later bekend geworden feiten en omstandigheden

hiertoe aanleiding even en voldoende garanties aanwezig zijn dat geen herhaling van de feiten of gedragingen die tot sluiting hebben geleid zal plaatsvinden.

15. In afwijking van het derde lid geldt het verbod voor de exploitant die op het moment van

inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit al een onder het aanwijzingsbesluit vallende

bedrijfsmatige activiteit verricht, voor de bestaande activiteit op bestaande locaties eerst drie maanden na inwerkingtreding van het aanwijzingsbesluit of, als dat eerder is, met ingang van de

inwerkingtreding van het besluit tot weigering van een door hem aangevraagde of intrekking van een aan hem verleende vergunning.

16. Op de aanvraag om een vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.

Hoofdstuk 3 Seksinrichtingen, sekswinkels, straatprostitutie e.d.

Afdeling 1. Begripsbepalingen Artikel 3.1 Begripsbepalingen In dit hoofdstuk wordt verstaan onder: a.

prostitutie: het zich beschikbaar stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een ander

b.

prostituee: degene die zich beschikbaar stelt tot het verrichten van seksuele handelingen met een

c.

seksinrichting: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin bedrijfsmatig of in een

tegen vergoeding;

ander tegen vergoeding;

omvang alsof zij bedrijfsmatig was seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotischpornografische aard plaatsvinden. Onder een seksinrichting worden in elk geval verstaan: een

seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater, een parenclub of een prostitutiebedrijf waaronder tevens begrepen een erotische-massagesalon, al dan niet in combinatie met elkaar; d.

escortbedrijf: de natuurlijke persoon, groep van personen of rechtspersoon die bedrijfsmatig of in

een omvang alsof zij bedrijfsmatig was prostitutie aanbiedt die op een andere plaats dan in de bedrijfsruimte wordt uitgeoefend; e.

sekswinkel: de voor het publiek toegankelijke, besloten ruimte waarin hoofdzakelijk goederen van

f.

exploitant: de natuurlijke persoon of personen of rechtspersoon of rechtspersonen die een

erotisch-pornografische aard aan particulieren plegen te worden verkocht of verhuurd;

seksinrichting of escortbedrijf exploiteert en de tot vertegenwoordiging van die rechtspersoon of rechtspersonen bevoegde natuurlijke persoon of personen; g.

beheerder: de natuurlijke persoon of personen die de onmiddellijke feitelijke leiding uitoefent in een

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api1.ibabs.eu/publicdownload.aspx?site=Westerveld&id=4755cede-7493-4ba7-9824-0d0a2ba34180