APV 2023 aangepast Omgevingswet 2023
Tekst van het document
h.
bezoeker: degene die aanwezig is in een seksinrichting, met uitzondering van:
1.
de exploitant;
2.
de beheerder;
3.
de prostituee;
4.
het personeel dat in de seksinrichting werkzaam is;
5.
toezichthouders die zijn aangewezen op grond van artikel 6.2;
6.
andere personen wier aanwezigheid in de seksinrichting wegens dringende redenen noodzakelijk is.
seksinrichting of escortbedrijf;
Artikel 3.2 Bevoegd bestuursorgaan In dit hoofdstuk wordt verstaan onder bevoegd bestuursorgaan: het college of, voor zover het betreft voor het publiek openstaande gebouwen en daarbij behorende erven als bedoeld in artikel 174 van de Gemeentewet, de burgemeester.
Artikel 3.3 Nadere regels
Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3.13. tweede lid, kan het college nadere regels stellen met betrekking tot de uitoefening de bevoegdheden bedoeld in dit hoofdstuk.
Afdeling 2. Seksinrichtingen, straatprostitutie, sekswinkels e.d. Artikel 3.4 Seksinrichtingen 1.
Het is verboden een seksinrichting of escortbedrijf te exploiteren of te wijzigen zonder vergunning
2.
Het aantal seksinrichtingen en/of escortbedrijven gevestigd in de gemeente Westerveld mag niet
1.
De vergunning wordt verleend voor een periode van vier jaar; na 44 maanden zal opnieuw
4.
In de aanvraag om vergunning en in de vergunning wordt in ieder geval vermeld:
a.
de persoonsgegevens van de exploitant;
b.
de persoonsgegevens van de beheerder;
c.
de aard van de seksinrichting of het escortbedrijf;
d.
een bewijs waaruit blijkt dat de exploitant gerechtigd is tot het gebruik van de ruimte
van het college.
hoger zijn dan één.
vergunning voor een volgende periode moeten worden aangevraagd.
bestemd voor de seksinrichting.
Artikel 3.5 Gedragseisen exploitant en beheerder 1.
De exploitant en de beheerder:
a.
staat niet onder curatele en is niet ontzet uit de ouderlijke macht of de voogdij;
b.
is niet onherroepelijk veroordeeld voor een gewelds- of zedendelict of voor mensenhandel, of in
c.
heeft de leeftijd van 21 jaar bereikt.
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid, zijn de exploitant en de beheerder niet:
a.
met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht in een psychiatrisch ziekenhuis
b.
binnen de laatste vijf jaar onherroepelijk veroordeeld tot een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf van
enig opzicht van slecht levensgedrag; en
geplaatst of met toepassing van artikel 37a van het Wetboek van Strafrecht ter beschikking gesteld;
zes maanden of meer door de rechter in Nederland, inclusief de drie openbare lichamen Bonaire, Saba en Sint-Eustatius, Aruba, Curaçao en Sint Maarten, dan wel door een andere rechter wegens een misdrijf
waarvoor naar Nederlands recht een bevel tot voorlopige hechtenis ingevolge artikel 67, eerste lid van het Wetboek van Strafvordering is toegelaten; c.
binnen de laatste vijf jaar bij tenminste twee rechterlijke uitspraken onherroepelijk veroordeeld tot
een onvoorwaardelijke geldboete van 500 euro of meer of tot een andere hoofdstraf als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder a van het Wetboek van Strafrecht, wegens, dan wel mede wegens overtreding van:
bepalingen gesteld bij of krachtens de Alcoholwet, de Opiumwet, de Vreemdelingenwet en de Wet arbeid vreemdelingen;
de artikelen 137c tot en met 137g, 140, 240b, 242 tot en met 249, 252, 250a (oud), 273a, 300 tot en met 303, 416, 417, 417bis, 426, 429quater en 453 van het Wetboek van Strafrecht;
de artikelen 8 en 162, derde lid, alsmede artikel 6 juncto artikel 8 of juncto artikel 163 van de Wegenverkeerswet 1994;
de artikelen 1, onder a, b en d, 13, 14, 27 en 30b van de Wet op de kansspelen; de artikelen 2 en 3 van de Wet op de weerkorpsen; de artikelen 54 en 55 van de Wet wapens en munitie. 3.
Met een veroordeling als bedoeld in het tweede lid wordt gelijk gesteld:
a.
vrijwillige betaling van een geldsom als bedoeld in artikel 74, tweede lid onder a van het Wetboek
van Strafrecht of artikel 76, derde lid onder a van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, tenzij de geldsom minder dan 375 euro bedraagt; b.
een bevel tot tenuitvoerlegging van een voorwaardelijke straf.
4.
De periode van vijf jaar, genoemd in het tweede lid, wordt:
a.
bij de weigering van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van beslissing op de aanvraag
b.
bij de intrekking van een vergunning teruggerekend vanaf de datum van de intrekking van deze
5.
De exploitant of de beheerder is binnen de laatste vijf jaar geen exploitant of beheerder geweest van
van de vergunning; vergunning.
een seksinrichting of escortbedrijf die voor ten minste een maand door het bevoegde bestuursorgaan is
gesloten, of waarvan de vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, is ingetrokken, tenzij aannemelijk is dat hem terzake geen verwijt treft.
Artikel 3.6 Sluitingstijden 1.
Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben en daarin bezoekers toe te
2.
Het is bezoekers van een seksinrichting verboden zich daarin te bevinden gedurende de tijd dat die
3.
Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet voor zover in de daarin geregelde onderwerpen
laten of te laten verblijven tussen 03.00 en 07.00 uur;
seksinrichting krachtens het eerste lid, dan wel krachtens artikel 3.7, eerste lid, gesloten dient te zijn. wordt voorzien bij of krachtens de Omgevingswet gebaseerde voorschriften.
Artikel 3.7 Tijdelijke afwijking sluitingstijden; (tijdelijke) sluiting 1.
Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3.13. tweede lid, of in geval
a.
tijdelijk andere dan de krachtens artikel 3.6, eerste of tweede lid, geldende sluitingsuren vaststellen;
b.
van een seksinrichting al dan niet tijdelijk de gedeeltelijke of algehele sluiting bevelen.
van strijdigheid met de bepalingen in dit hoofdstuk kan het bevoegd bestuursorgaan:
2.
Onverminderd het bepaalde in artikel 3:41 van de Algemene wet bestuursrecht, maakt het bevoegd
bestuursorgaan het in het eerste lid bedoelde besluit openbaar bekend overeenkomstig artikel 3:42 Algemene wet bestuursrecht.
Artikel 3.8 Aanwezigheid van en toezicht door exploitant en beheerder 1.
Het is verboden een seksinrichting voor bezoekers geopend te hebben, zonder dat de exploitant of
2.
De exploitant en de beheerder zien er voortdurend op toe dat in de seksinrichting:
a.
geen strafbare feiten plaatsvinden, waaronder in ieder geval de feiten genoemd in de titels XIV
beheerder bedoeld in artikel 3.4, vierde lid onder a. en b. in de seksinrichting aanwezig is.
(misdrijven tegen de zeden), XVIII (misdrijven tegen de persoonlijke vrijheid), XX (mishandeling), XXII
(diefstal) en XXX (heling) van het Tweede Boek van het Wetboek van Strafrecht, in de Opiumwet en in de Wet wapens en munitie; en b.
geen prostitutie wordt uitgeoefend door personen in strijd met het bij of krachtens de Wet arbeid
vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde.
Artikel 3.9 Straatprostitutie 1.
Het is verboden, door handelingen, houding, woord, gebaar of op andere wijze, passanten tot
a.
op of aan andere dan door het college aangewezen wegen of gebieden;
b.
gedurende andere dan door het college vastgestelde tijden.
2.
Met het oog op de naleving van het in het eerste lid gestelde verbod, kan door politieambtenaren
3.
Met het oog op de openbare orde en de belangen genoemd in artikel 3.13. tweede lid, kan door
prostitutie te bewegen, uit te nodigen dan wel aan te lokken:
het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen.
politieambtenaren aan personen die zich bevinden op de wegen en tijden bedoeld in het eerste lid, het bevel worden gegeven zich onmiddellijk in een bepaalde richting te verwijderen. 4.
De burgemeester kan met het oog op de in artikel 3.13, tweede lid, genoemde belangen personen
aan wie ten minste eenmaal een bevel is gegeven als bedoeld in het derde lid bij besluit verbieden zich
gedurende bepaalde termijn, anders dan in een openbaar middel van vervoer, te bevinden op of aan de wegen en op de tijden bedoeld in het eerste lid. 5.
De burgemeester beperkt het in het vierde lid genoemde verbod indien dat in verband met de
persoonlijke omstandigheden van betrokkene noodzakelijk is.
Artikel 3.10 Sekswinkels Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin een sekswinkel te exploiteren in door het college in het belang van de openbare orde of de woon- en leefomgeving aangewezen gebieden of delen van de gemeente.
Artikel 3.11 Tentoonstellen, aanbieden en aanbrengen van erotisch-pornografische goederen, afbeeldingen e.d. 1.
Het is de rechthebbende op een onroerende zaak verboden daarin of daarop goederen, opschriften,
aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel afbeeldingen van erotisch-pornografische aard openlijk ten toon te stellen, aan te bieden of aan te brengen: a.
indien het bevoegd bestuursorgaan aan de rechthebbende heeft bekendgemaakt dat de wijze van
tentoonstellen, aanbieden of aanbrengen daarvan, de openbare orde of de woon- en leefomgeving in gevaar brengt; b.
anders dan overeenkomstig de door het bevoegd bestuursorgaan in het belang van de openbare
2.
Het in het eerste lid gestelde verbod is niet van toepassing op het tentoonstellen, aanbieden of
orde of de woon- en leefomgeving gestelde regels.
aanbrengen van goederen, opschriften, aankondigingen, gedrukte of geschreven stukken dan wel
afbeeldingen, die dienen tot het openbaren van gedachten en gevoelens als bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Grondwet.
Afdeling 3. Beslissingstermijn; weigeringsgronden Artikel 3.12 Beslissingstermijn 1.
In afwijking van het bepaalde in artikel 1.2, eerste lid beslist het bevoegd bestuursorgaan op de
aanvraag om vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, binnen twaalf weken na de dag waarop de aanvraag ontvangen is. 2.
Het bevoegd bestuursorgaan kan zijn besluit voor ten hoogste twaalf weken verdagen.
Artikel 3.13 Weigeringsgronden 1.
De vergunning bedoeld in artikel 3.4, eerste lid, wordt geweigerd als:
a.
de exploitant of de beheerder niet voldoet aan de in artikel 3.5 gestelde eisen;
b.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de
c.
redelijkerwijs moet worden aangenomen dat de aanvrager in strijd zal handelen met aan de
d.
er aanwijzingen zijn dat voor of bij het seksbedrijf personen tewerkgesteld zijn of zullen zijn die, als
vergunning verbonden beperkingen of voorschriften; vergunning verbonden beperkingen of voorschriften;
het prostituees betreft, nog niet de leeftijd van 21 jaar hebben bereikt, als het overige personen betreft,
nog niet de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt, slachtoffer zijn van mensenhandel of verblijven of werken in strijd met het bepaalde in de Vreemdelingenwet 2000; e.
de vestiging of de exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf in strijd is met een geldend
omgevingsplan of een bekendgemaakte ontwerpwijziging daarvan; of
f.
er aanwijzingen zijn dat in de seksinrichting of het escortbedrijf personen werkzaam zijn of zullen
zijn in strijd met artikel 273f van het Wetboek van Strafrecht of met het bij of krachtens de Wet arbeid vreemdelingen of de Vreemdelingenwet bepaalde. 2.
Voor seksinrichtingen en in Nederland gevestigde escortbedrijven kan, onverminderd het bepaalde
in artikel 1:8, de vergunning bedoeld in artikel 3:4, eerste lid, worden geweigerd dan wel de aanwijzing of vaststelling bedoeld in artikel 3:9, eerste lid, achterwege gelaten, in het belang van: a.
het voorkomen of beperken van overlast;
b.
het voorkomen of beperken van aantasting van het woon- en leefklimaat;
c.
de veiligheid van personen of goederen;
d.
de verkeersvrijheid of -veiligheid;
e.
de gezondheid of zedelijkheid; of
f.
de arbeidsomstandigheden van de prostituee.
Afdeling 4. Beëindiging exploitatie; wijziging beheer Artikel 3.14 Beëindiging exploitatie 1.
De vergunning vervalt zodra de ingevolge artikel 3.4 op de vergunning vermelde exploitant, de
2.
Binnen een week na de feitelijke beëindiging van de exploitatie, geeft de exploitant daarvan
exploitatie van de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd. schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
Artikel 3.15 Wijziging beheer 1.
Indien een beheerder het beheer in de seksinrichting of het escortbedrijf feitelijk heeft beëindigd,
2.
Het beheer kan worden uitgeoefend door een nieuwe beheerder, indien het bevoegd bestuursorgaan
geeft de exploitant daarvan binnen een week schriftelijk kennis aan het bevoegd bestuursorgaan.
op aanvraag van de exploitant heeft besloten de verleende vergunning overeenkomstig de wijziging in het beheer te wijzigen. Het bepaalde in artikel 3.13, eerste lid, aanhef en onder a, is van overeenkomstige toepassing. 3.
In afwachting van het besluit bedoeld in het tweede lid, kan het beheer worden uitgeoefend door
een nieuwe beheerder zodra de exploitant een aanvraag als bedoeld in het tweede lid heeft ingediend, totdat over de aanvraag is besloten.
Hoofdstuk 4. Bescherming van het milieu en het natuurschoon en zorg voor het uiterlijk aanzien van de gemeente Afdeling 1. Geluidhinder en verlichting
Artikel 4.1 Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: -
Activiteitenbesluit milieubeheer: Activiteitenbesluit milieubeheer, zoals dat besluit luidde direct
-
collectieve festiviteit: festiviteit die niet specifiek aan één of een klein aantal inrichtingen is
-
gevoelige gebouwen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit
-
gevoelige terreinen: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1. van het Activiteitenbesluit
-
houder van een inrichting: degene die als eigenaar, bedrijfsleider, beheerder of anderszins een
-
incidentele festiviteit: festiviteit of activiteit die gebonden is aan één of een klein aantal inrichtingen;
-
inrichting: hetgeen daaronder wordt verstaan in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer, zoals die wet
voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; verbonden;
milieubeheer; milieubeheer;
inrichting drijft;
luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, met dien verstande dat de
artikelen 4:2 tot en met 4:5 uitsluitend van toepassing zijn op inrichtingen type A of type B als bedoeld in het Activiteitenbesluit milieubeheer; -
onversterkte muziek: muziek die niet elektronisch is versterkt.
Artikel 4.2 Aanwijzing collectieve festiviteiten 1.
De geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het
Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 van deze verordening gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten en de in lid 4 aangewezen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 2.
De voorwaarden met betrekking tot de verlichting ten behoeve van sportbeoefening in de
buitenlucht als bedoeld in artikel 3.148, eerste lid, van het Activiteitenbesluit gelden niet voor door het college per kalenderjaar aan te wijzen collectieve festiviteiten en de in lid 4 aangewezen collectieve festiviteiten gedurende de daarbij aan te wijzen dagen of dagdelen. 3.
In een aanwijzing als bedoeld in het eerste en tweede lid, kan het college bepalen dat de aanwijzing
4.
In elk geval gelden als collectieve dagen als bedoeld in lid 1:
slechts geldt in een of meer kernen van de gemeente Westerveld.
5.
a.
Koningsdag (27 april vanaf 10.00 uur en 28 april van 00.00 tot 02.00 uur);
b.
Bevrijdingsdag (5 mei vanaf 10.00 uur en 6 mei van 00.00 tot 02.00 uur);
c.
Oud en nieuw (31 december vanaf 22.00 uur en 1 januari van 00.00 tot 04.00 uur).
Het college maakt de aanwijzing ten minste vier weken voor het begin van een nieuw kalenderjaar
bekend.
6.
Het college kan wanneer een collectieve festiviteit redelijkerwijs niet te voorzien was, een festiviteit
7.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid dient het ten gehore brengen van extra muziek - hoger
terstond als collectieve festiviteit als bedoeld in het eerste lid aanwijzen.
dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 van deze verordening - uiterlijk om 02.00 uur te worden beëindigd, met uitzondering van lid 4 sub c.
Artikel 4.3 Kennisgeving incidentele festiviteiten 1.
Het is een inrichting toegestaan maximaal 9 incidentele festiviteiten per kalenderjaar te houden
waarbij de geluidsnormen als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het
Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 van deze verordening niet van toepassing zijn mits de
houder van de inrichting ten minste twee weken voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 2.
Het is een inrichting toegestaan om tijdens maximaal 9 incidentele festiviteiten per kalenderjaar de
verlichting langer aan te houden ten behoeve van sportactiviteiten waarbij artikel 3.148 lid 1 van het
Activiteitenbesluit milieubeheer niet van toepassing is mits de houder van de inrichting ten minste 10 werkdagen voor de aanvang van de festiviteit het college daarvan in kennis heeft gesteld. 3.
Het college stelt een formulier vast voor het doen van een kennisgeving.
4.
De kennisgeving wordt geacht te zijn gedaan wanneer het formulier, volledig en naar waarheid
5.
De kennisgeving wordt tevens geacht te zijn gedaan wanneer het college op verzoek van de houder
6.
Op de dagen als bedoeld in het eerste lid wordt het ten gehore brengen van extra muziek - hoger
ingevuld, tijdig is ingeleverd op de plaats op dat formulier vermeld.
van een inrichting een incidentele festiviteit, die redelijkerwijs niet te voorzien was, terstond toestaat.
dan de geluidsnorm als bedoeld in de artikelen 2.17, 2.17a, 2.19, 2.19a en 2.20 van het Activiteitenbesluit milieubeheer en artikel 4.5 van deze verordening – op de dagen dat de incidentele festiviteit aanvangt op
maandag tot en met donderdag alsmede de zondag uiterlijk om 01.00 uur en de dagen dat de incidentele festiviteit aanvangt op vrijdag en zaterdag om 02.00 uur beëindigd. 7.
Bij het ten gehore brengen van muziekgeluid blijven ramen en deuren gesloten, behoudens voor het
8.
Overmatige hinder aan de woon- en/of leefsituatie in de omgeving van de horeca-inrichting en/of
onmiddellijk doorlaten van personen of goederen. aan de openbare orde is niet toegestaan.
Artikel 4.4 Verboden incidentele festiviteiten [vervallen]
Artikel 4:5 Onversterkte muziek 1.
Bij het ten gehore brengen van onversterkte muziek, zoals bedoeld in artikel 2.18, eerste lid
onder f en lid 5 van het Activiteitenbesluit milieubeheer binnen inrichtingen is de onder e. opgenomen tabel van toepassing, met dien verstande dat: a.
de in de tabel aangegeven waarden binnen in- of aanpandige gevoelige gebouwen niet gelden als de
gebruiker van deze gevoelige gebouwen geen toestemming geeft voor het in redelijkheid uitvoeren of doen uitvoeren van geluidsmetingen; b.
de in de tabel aangegeven waarden op de gevel gelden ook bij gevoelige terreinen op de grens van
c.
de waarden in in- en aanpandige gevoelige gebouwen, voor zover het woningen betreft, gelden in
het terrein;
geluidsgevoelige ruimten als bedoeld in artikel 1.1, onder d, van het Besluit geluidhinder, zoals die wet en dat besluit luidden direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet; d.
bij het bepalen van de geluidsniveaus zoals vermeld in de tabel wordt geen bedrijfsduurcorrectie
toegepast. e. tabel
7.00 – 19.00 uur
19.00 – 23.00 uur
23.00 – 7.00 uur
LAr,LT op de gevel van
50 dB(A)
45 dB(A)
40 dB(A)
LAr,LT in in- en
35 dB(A)
30 dB(A)
25 dB(A)
LAmax op de gevel van
70 dB(A)
65 dB(A)
60 dB(A)
LAmax in in- en
55 dB(A)
50 dB(A)
45 dB(A)
gevoelige gebouwen
aanpandige gevoelige gebouwen
gevoelige gebouwen
aanpandige gevoelige gebouwen
2.
Voor de duur van 8 uur in de week is onversterkte muziek, vanwege het oefenen door
muziekgezelschappen zoals orkesten, harmonie- en fanfaregezelschappen, in een inrichting gedurende de dag- en avondperiode uitgezonderd van de genoemde geluidsniveaus in het eerste lid. 3.
Als versterkte elementen worden gecombineerd met onversterkte elementen, wordt het hele
4.
Het eerste lid is niet van toepassing op collectieve en incidentele festiviteiten als bedoeld in artikel
samenspel beschouwd als versterkte muziek en is dit artikel niet van toepassing. 4.2 en artikel 4.3.
Artikel 4.6 Overige geluidhinder
1.
Het is verboden buiten een inrichting op een zodanige wijze toestellen of geluidsapparaten in
werking te hebben of handelingen te verrichten die voor een omwonende of voor de omgeving geluidhinder veroorzaken. 2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
3.
Het verbod geldt niet voor zover gebruik wordt gemaakt van een geluidswagen en:
a.
deze wordt gebruikt voor de aankondiging van een evenement binnen de gemeente;
b.
de aankondigingen tussen 13.00 en 19.00 uur plaatsvinden;
c.
de geluidswagen niet vaker dan één maal per straat rijdt.
4.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de
Omgevingswet, de Zondagswet, de Wet openbare manifestaties, het Vuurwerkbesluit of de Provinciale omgevingsverordening Drenthe. 5.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 2 Bodem-, weg- en milieuverontreiniging Artikel 4.7 Straatvegen Het is verboden op een door het college ten behoeve van de werkzaamheden van de gemeentelijke
reinigingsdienst aangewezen weggedeelte, een voertuig te parkeren of enig ander voorwerp te laten staan gedurende een daarbij aangeduide tijdsperiode.
Artikel 4.7a Verbod oplaten ballonnen 1.
Het is verboden één of meerdere ballonnen, van welk materiaal dan ook, door middel van hete lucht
2.
Onder ballon wordt mede verstaan: herdenkingsballon, vuurballon, gelukslampion, Thaise
3.
Het verbod uit het eerste lid is niet van toepassing op vaartuigen als bedoeld in de Wet luchtvaart.
afkomstig van vuur, dan wel door middel van helium of andere gassen op te laten stijgen. wensballon, papierballon, geluksballon, etc.
Artikel 4.8 Natuurlijke behoefte doen Het is verboden binnen de bebouwde kom op een openbare plaats zijn natuurlijke behoefte te doen buiten de daarvoor bestemde plaatsen.
Artikel 4.9 Toestand van sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen
Sloten en andere wateren en niet openbare riolen en putten buiten gebouwen mogen zich niet bevinden in een toestand die gevaar oplevert voor de veiligheid, nadeel voor de gezondheid of hinder voor de gebruikers van de gebouwen of voor anderen.
Afdeling 3 Het bewaren van houtopstanden Artikel 4.10 Begripsbepalingen [vervallen]
Artikel 4.11 Omgevingsvergunning voor het vellen van houtopstanden [vervallen]
Artikel 4.12 Vergunning van rechtswege [vervallen]
Afdeling 4 Maatregelen tegen ontsiering en stankoverlast Artikel 4.13 Opslag voertuigen, vaartuigen, mest, afvalstoffen e.d. Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
voorkoming of beëindiging van overlast dan wel voorkoming van schade aan de openbare gezondheid
aangewezen plaatsen, buiten een inrichting in de zin van de Wet milieubeheer, zoals die wet luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, in de openlucht of buiten de weg, de volgende voorwerpen of stoffen op te slaan, te plaatsen of aanwezig te hebben: a.
onbruikbare of aan hun oorspronkelijke bestemming onttrokken voer- of vaartuigen of onderdelen
b.
bromfietsen en motorvoertuigen of onderdelen daarvan;
c.
kampeermiddelen als bedoeld in artikel 4.17 of onderdelen daarvan, indien het plaatsen of aanwezig
d.
mestopslag, gierkelder of andere verzamelplaatsen van vuil, een verzameling ingekuild gras, loof of
2.
Het college kan bij de aanwijzing nadere regels stellen.
3.
Dit artikel is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de
daarvan;
hebben daarvan geschiedt voor verkoop of verhuur of anderszins voor een commercieel doel; pulp of ingekuilde landbouwproducten, afbraakmaterialen en oude metalen.
Omgevingswet of de Provinciale omgevingsverordening Drenthe.
Artikel 4.14 Stankoverlast door gebruik van meststoffen [vervallen]
Artikel 4.15 Verbod hinderlijke of gevaarlijke reclame 1.
Het is verboden op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren door middel
van een opschrift, aankondiging of afbeelding waardoor het verkeer in gevaar wordt gebracht of ernstige hinder ontstaat voor de omgeving. 2.
Het verbod is niet van toepassing in gevallen waarin een omgevingsvergunning is verleend en het
gevaar en de hinder zijn betrokken bij de afweging.
Artikel 4.16 Vergunningsplicht lichtreclame [vervallen]
Afdeling 5 Kamperen buiten kampeerterreinen Artikel 4.17 Definitie In deze afdeling wordt onder kampeermiddel verstaan een niet-grondgebonden onderkomen of voertuig
dat bestemd of opgericht is dan wel gebruikt wordt of opgericht is dan wel gebruikt wordt of kan worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf.
Artikel 4.18 Recreatief nachtverblijf buiten kampeerterreinen 1.
Het is verboden ten behoeve van recreatief nachtverblijf kampeermiddelen te plaatsen of geplaatst
2.
Het verbod geldt niet voor het plaatsen van kampeermiddelen voor eigen gebruik door de
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd in het belang van:
a.
de bescherming van natuur en landschap;
b.
de bescherming van een dorpsgezicht.
5.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
te houden buiten een kampeerterrein dat als zodanig in het omgevingsplan is bestemd of mede bestemd. rechthebbende op een terrein.
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 4.19 Aanwijzing kampeerplaatsen
1.
Het verbod van artikel 4.18, eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen
2.
Het college kan daarbij nadere regels stellen in het belang van de gronden, genoemd in artikel 4.18,
plaatsen.
vierde lid.
Hoofdstuk 5. Andere onderwerpen betreffende de huishouding der gemeente
Afdeling 1. Parkeerexcessen Artikel 5.1 Begripsbepalingen [vervallen]
Artikel 5.2 Parkeren van voertuigen van autobedrijf e.d. 1.
Onder verhuren als bedoeld in dit artikel wordt mede verstaan:
a.
het gebruiken van een voertuig voor het geven van lessen;
b.
het gebruiken van een voertuig voor het vervoeren van personen tegen betaling.
2.
Tot de voertuigen als bedoeld in dit artikel worden niet gerekend:
a.
voertuigen waaraan herstel- of onderhoudswerkzaamheden worden verricht die in totaal niet meer
b.
voertuigen voor persoonlijk gebruik van de in het derde lid bedoelde persoon.
3.
Het is degene die er zijn bedrijf, nevenbedrijf dan wel een gewoonte van maakt voertuigen te stallen,
a.
drie of meer voertuigen die hem toebehoren of zijn toevertrouwd, op de weg te parkeren binnen een
b.
de weg als werkplaats voor voertuigen te gebruiken.
4.
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
5.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
dan een uur vergen, en dit gedurende de tijd die nodig is en gebruikt wordt voor deze werkzaamheden;
te herstellen, te slopen, te verhuren of te verhandelen, verboden:
cirkel met een straal van 25 meter met als middelpunt een van deze voertuigen;
beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5.3 Te koop aanbieden van voertuigen 1.
Het is verboden op een door het college aangewezen weg een voertuig te parkeren met het
2.
Het college kan ontheffing van het verbod verlenen.
kennelijke doel het te koop aan te bieden of te verhandelen.
3.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5.4 Defecte voertuigen Het is verboden een voertuig waarmee als gevolg van andere dan eenvoudig te verhelpen gebreken niet kan of mag worden gereden, langer dan op drie achtereenvolgende dagen op de weg te parkeren.
Artikel 5.5 Voertuigwrakken 1.
Het is verboden een voertuig dat rijtechnisch in onvoldoende staat van onderhoud en tevens in een
2.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien bij of krachtens de Wet
kennelijk verwaarloosde toestand verkeert op de weg te parkeren. milieubeheer of het Besluit activiteiten leefomgeving.
Artikel 5.6 Kampeermiddelen en andere voertuigen 1.
Het is verboden een voertuig dat voor recreatie of anderszins voor andere dan verkeersdoeleinden
a.
langer dan gedurende drie achtereenvolgende dagen op de weg te plaatsen of te hebben;
b.
op een door het college aangewezen plaats te parkeren, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor
2.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod, bedoeld in het eerste lid, aanhef en onder a.
3.
Het eerste lid is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een weg
4.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
wordt gebruikt:
het uiterlijk aanzien van de gemeente.
waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Provinciale omgevingsverordening Drenthe. beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5.7 Parkeren van reclamevoertuigen 1.
Het is verboden een voertuig dat is voorzien van een aanduiding van handelsreclame, op de weg te
2.
Het college kan van het verbod ontheffing verlenen.
3.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
parkeren met het kennelijk doel om daarmee handelsreclame te maken.
beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5.8 Parkeren van grote voertuigen 1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan
6 meter of een hoogte van meer dan 2,4 meter te parkeren op een door het college aangewezen plaats, waar dit naar zijn oordeel schadelijk is voor het uiterlijk aanzien van de gemeente. 2.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van de lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter
te parkeren op een door het college aangewezen weg, waar dit parkeren naar zijn oordeel buitensporig is met het oog op de verdeling van beschikbare parkeerruimte. 3.
Het in het tweede lid gestelde verbod geldt niet op werkdagen van maandag tot en met vrijdag,
4.
De verboden in het eerste en tweede lid zijn voorts niet van toepassing op campers, kampeerauto’s,
dagelijks van 08.00 tot 18.00 uur.
caravans en kampeerwagens, voor zover deze voertuigen niet langer dan drie achtereenvolgende dagen op de weg worden geplaatst of gehouden 5.
Het college kan van de in het eerste en tweede lid gestelde verboden ontheffing verlenen.
6.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing
Artikel 5.9 Parkeren van uitzichtbelemmerende voertuigen 1.
Het is verboden een voertuig dat, met inbegrip van lading, een lengte heeft van meer dan 6 meter of
een hoogte van meer dan 2,4 meter, op de weg te parkeren bij een voor bewoning of ander dagelijks
gebruik bestemd gebouw op zodanige wijze dat daardoor het uitzicht van bewoners of gebruikers vanuit
dat gebouw op hinderlijke wijze wordt belemmerd of hun anderszins hinder of overlast wordt aangedaan. 2.
Het verbod geldt niet gedurende de tijd die nodig is voor en gebruikt wordt voor het uitvoeren van
werkzaamheden waarvoor de aanwezigheid van het voertuig ter plaatse noodzakelijk is.
Artikel 5.10 Parkeren van voertuigen met stankverspreidende stoffen 1.
Het is verboden een voertuig met stankverspreidende stoffen daar te parkeren waar bewoners of
2.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door de Wet
gebruikers van nabijgelegen gebouwen of terreinen daarvan hinder of overlast kunnen ondervinden. milieubeheer.
Artikel 5.11 Aantasting groenvoorzieningen door voertuigen 1. Het is verboden een voertuig te parkeren of te laten stilstaan op een door het college aangewezen, niet tot de rijbaan behorend weggedeelte.
2. Dit verbod is niet van toepassing op: a. de weg; b. voertuigen die worden gebruikt voor werkzaamheden in opdracht van een bestuursorgaan of openbaar lichaam;
c. voertuigen waarmee standplaats wordt of is ingenomen op terreinen die voor dit doel zijn bestemd. 3. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
Artikel 5.12 Overlast van fiets of bromfiets Het is verboden op door het college in het belang van het uiterlijk aanzien van de gemeente, ter
voorkoming of beëindiging van overlast, of ter voorkoming van schade aan de openbare gezondheid
aangewezen gebieden, fietsen of bromfietsen onbeheerd buiten de daarvoor bestemde ruimten of plaatsen te laten staan.
Afdeling 2. Collecteren Artikel 5.13 Inzameling van geld of goederen of leden- of donateurwerving 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een openbare inzameling van geld of goederen
te houden of daartoe een intekenlijst aan te bieden, dan wel in het openbaar leden of donateurs te werven als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 2.
Onder een inzameling als bedoeld in het eerste lid wordt mede verstaan het aanvaarden van geld of
goederen bij het aanbieden van diensten of goederen, waartoe ook worden gerekend geschreven of
gedrukte stukken, als daarbij te kennen wordt gegeven of de indruk wordt gewekt dat de opbrengst geheel of ten dele voor een liefdadig of ideëel doel is bestemd. 3.
Het verbod geldt niet voor een inzameling of werving die wordt gehouden:
a.
in besloten kring; of
b.
door een instelling die is ingedeeld in het door het college vastgestelde collecte- en
wervingsrooster, mits de inzameling of werving overeenkomstig dat collecte- en wervingsrooster en met inachtneming van de door het college gegeven voorschriften plaatsvindt; of c.
door een andere, door het college aangewezen instelling.
4.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Afdeling 3. Venten Artikel 5.14 Begripsbepaling 1.
In deze afdeling wordt onder venten verstaan: het in de uitoefening van de ambulante handel te
koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen dan wel diensten aan te bieden op een openbare en in de open lucht gelegen plaats of aan huis; 2.
Onder venten wordt niet verstaan:
a.
het aan huis afleveren van goederen door of vanwege degene die dit doet ter exploitatie van zijn
winkel als bedoeld in artikel 1 van de Winkeltijdenwet;
b.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen als bedoeld in het eerste lid op
jaarmarkten en markten als bedoeld in artikel 160, eerste lid, onder h, van de Gemeentewet of op snuffelmarkten als bedoeld in artikel 5.22; c.
5.17.
het te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen op een standplaats als bedoeld in artikel
Artikel 5.15 Ventverbod 1.
Het is verboden te venten indien daardoor de openbare orde, de openbare veiligheid, de
2.
Onverminderd het bepaalde in het eerste lid is het verboden te venten op zon- en feestdagen en
3.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 5
volksgezondheid of het milieu in gevaar komt.
maandag t/m zaterdag tussen 22.00 en 07.00 uur. van het Wegenverkeerswet.
Artikel 5.16 Vrijheid van meningsuiting [vervallen]
Afdeling 4. Standplaatsen Artikel 5.17 Begripsbepaling 1.
In deze afdeling wordt verstaan onder standplaats: het vanaf een vaste plaats op een openbare en in
de openlucht gelegen plaats te koop aanbieden, verkopen of afleveren van goederen of het anderszins
aanbieden van goederen en diensten, gebruikmakend van fysieke middelen, zoals een kraam, een wagen of een tafel. 2.
Onder standplaats wordt niet verstaan:
a.
een vaste plaats op een jaarmarkt of markt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h,
b.
een vaste plaats op een evenement als bedoeld in artikel 2.24.
van de Gemeentewet;
Artikel 5.18 Standplaatsvergunning en weigeringsgronden 1.
Het is verboden zonder vergunning van het college een standplaats in te nemen of te hebben.
2.
Het college weigert de vergunning wegens strijd met het omgevingsplan.
3.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de vergunning worden geweigerd als:
a.
de standplaats hetzij op zichzelf, hetzij in verband met de omgeving niet voldoet aan eisen van
redelijke welstand; of
b.
een kwantitatieve of territoriale beperking als gevolg van bijzondere omstandigheden in de
gemeente of in een deel van de gemeente noodzakelijk is in verband met een dwingende reden van algemeen belang. 4.
Op de vergunning is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Artikel 5.19 Toestemming rechthebbende Het is de rechthebbende op een perceel verboden toe te staan dat daarop zonder vergunning van het college standplaats wordt of is ingenomen.
Artikel 5.20 Afbakeningsbepalingen 1.
Artikel 5.18, eerste lid, is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot
een weg of waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet of de Provinciale omgevingsverordening Drenthe. 2.
De weigeringsgrond van artikel 5.18 derde lid, onder a, is niet van toepassing op bouwwerken.
Artikel 5.21 Aanhoudingsplicht [vervallen]
Afdeling 5. Snuffelmarkten Artikel 5.22 Begripsbepaling 1.
In deze afdeling wordt verstaan onder snuffelmarkt: een markt in een voor het publiek toegankelijk
gebouw waar hoofdzakelijk tweedehands en incourante goederen worden verhandeld of diensten worden aangeboden vanaf een standplaats. 2.
Onder een snuffelmarkt wordt niet verstaan:
a.
een markt of jaarmarkt als bedoeld in artikel 160, eerste lid, aanhef en onder h, van de
b.
een evenement als bedoeld in artikel 2.24.
Gemeentewet;
Artikel 5.23 Organiseren van een snuffelmarkt 1.
Het is verboden zonder vergunning van de burgemeester een snuffelmarkt te organiseren.
2.
Het verbod geldt niet voor ruimten die uitsluitend dan wel nagenoeg geheel en voortdurend in
gebruik zijn als winkel in de zin van de Winkeltijdenwet.
3.
De burgemeester weigert de vergunning als bedoeld in het eerste lid wegens strijd met het
omgevingsplan.
Afdeling 6. Openbaar water Artikel 5.24 Voorwerpen op, in of boven openbaar water 1.
Het is in verband met de veiligheid op het openbaar water verboden een voorwerp, niet zijnde een
vaartuig, op, in of boven openbaar water te plaatsen, aan te brengen of te hebben, indien dit door zijn
omvang of vormgeving, constructie of plaats van bevestiging gevaar oplevert voor de bruikbaarheid van
het openbaar water of voor het doelmatig en veilig gebruik daarvan, dan wel een belemmering vormt voor het doelmatig beheer en onderhoud van het openbaar water. 2.
Degene die voornemens is een steiger, een meerpaal of een ander voorwerp met een permanent
karakter op, in of boven openbaar water te plaatsen, doet daarvan uiterlijk twee weken tevoren een melding aan het college. 3.
De melding bevat in ieder geval naam, adres en contactgegevens van de melder, en een beschrijving
4.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een
van de aard en omvang van het voorwerp.
waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Provinciale
omgevingsverordening Drenthe of de waterschapsverordening of situaties waarin wordt voorzien door het
Wetboek van Strafrecht, de Scheepvaartverkeerswet, het Binnenvaartpolitiereglement of het bepaalde bij of krachtens de Telecommunicatiewet.
Artikel 5.25 Ligplaats vaartuigen 1.
Het is verboden met een vaartuig een ligplaats in te nemen of te hebben dan wel een ligplaats voor
2.
Het college kan aan het innemen, hebben of beschikbaar stellen van een ligplaats met dan wel voor
a.
nadere regels stellen in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid,
b.
beperkingen stellen naar soort en aantal vaartuigen.
3.
Het verbod is niet van toepassing op beperkingengebiedactiviteiten met betrekking tot een
een vaartuig beschikbaar te stellen op door het college aangewezen gedeelten van openbaar water. een vaartuig op niet krachtens het eerste lid aangewezen gedeelten van openbaar water: milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente;
waterstaatswerk waarvoor regels zijn gesteld bij of krachtens de Omgevingswet, de Provinciale
omgevingsverordening Drenthe of de waterschapsverordening of op situaties waarin voorzien wordt door het Besluit bouwwerken leefomgeving of het overige bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 5.26 Aanwijzingen ligplaats
1.
Onverminderd het krachtens het tweede lid van artikel 5.25 bepaalde kan het college aan de
rechthebbende op een vaartuig aanwijzingen geven met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats in het belang van de openbare orde, volksgezondheid, veiligheid, de milieuhygiëne en het aanzien van de gemeente. 2.
De rechthebbende op een vaartuig is verplicht alle door of vanwege het college gegeven
3.
Het in het eerste en tweede lid bepaalde geldt niet op situaties waarin wordt voorzien door het
aanwijzingen met betrekking tot het innemen, veranderen of gebruik van een ligplaats op te volgen. Binnenvaartpolitiereglement, de waterschapsverordening of de Provinciale omgevingsverordening Drenthe.
Artikel 5.27 Verbod innemen ligplaats Het is verboden een ligplaats in te nemen, te hebben of beschikbaar te stellen in strijd met het krachtens artikel 5.26, tweede lid bepaalde.
Artikel 5.28 Beschadigen van waterstaatswerken 1.
Het is verboden schade toe te brengen aan of veranderingen aan te brengen in de toestand van bij
de gemeente in beheer zijnde openbare wateren, havens, dijken, wallen, kaden, trekpaden, beschoeiingen, oeverbegroeiing, bruggen, zetten, duikers, pompen, waterleidingen, gordingen, aanlegpalen, stootpalen, bakens of sluizen die bij de gemeente in beheer zijn. 2.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
Wetboek van Strafrecht, het Binnenvaartpolitiereglement, de Provinciale omgevingsverordening Drenthe.
Artikel 5.29 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
Artikel 5.30 Veiligheid op het water 1.
Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich
2.
Het verbod geldt niet voor zover in het daarin geregelde onderwerp wordt voorzien door het
zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden.
Binnenvaartpolitiereglement, de Provinciale omgevingsverordening Drenthe of het bepaalde bij of krachtens de Omgevingswet.
Artikel 5.31 Overlast aan vaartuigen 1.
Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop
2.
Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een
te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. openbaar water, los te maken.
Afdeling 7. Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5.31a Begripsbepalingen [vervallen]
Artikel 5.32 Crossterreinen 1.
Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets een
wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen
houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2.
Het verbod van het eerste lid is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het
a.
in het belang van het voorkomen of beperken van overlast;
b.
in het belang van de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van
c.
in het belang van de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en
3.
Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Omgevingswet,
college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen:
andere milieuwaarden;
ritten of van het publiek.
afdeling 3.9 van het Besluit activiteiten leefomgeving, de Zondagswet of het Besluit geluidproductie sportmotoren.
Artikel 5.33 Beperking verkeer in natuurgebieden 1.
Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor
recreatief gebruik beschikbare terreinen of door het college in een besluit aan te wijzen terrein te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2.
Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan daarbij
a.
het voorkomen van overlast;
b.
de bescherming van natuur- of milieuwaarden;
c.
de veiligheid van het publiek.
3.
Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden:
a.
ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel
nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van:
29, eerste lid, Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de minister van Verkeer en Waterstaat aangewezen hulpverleningsdiensten;
b.
die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het
c.
die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden
d.
van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de
e.
voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen.
4.
Het verbod is voorts niet van toepassing:
a.
op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen;
b.
binnen de bij of krachtens de in de Provinciale omgevingsverordening Drenthe aangewezen
eerste lid bedoeld; uitgevoerd;
terreinen als in het eerste lid bedoeld;
stiltegebieden, ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als toestel. 5.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
6.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 8. Verbod vuur te stoken Artikel 5.34 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1.
Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten een inrichting in de zin van de
Wet milieubeheer, zoals die luidde direct voorafgaand aan de inwerkingtreding van de Omgevingswet, of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2.
Mits geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van
a.
verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke;
b.
sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, voor zover geen afvalstoffen worden verbrand;
c.
vuur voor koken, bakken en braden.
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod.
4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1.8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van
5.
Het verbod geldt niet voor zover in het geregelde onderwerp wordt voorzien door artikel 429,
6.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
toepassing op:
de flora en fauna.
aanhef en onder 1 of 3, van het Wetboek van Strafrecht of de Provinciale omgevingsverordening Drenthe. beschikking bij niet tijdig beslissen) niet van toepassing.
Afdeling 9. Verstrooiing van as Artikel 5.35 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele asverstrooiing: het verstrooien van as als bedoeld in de
Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein.
Artikel 5.36 Verboden plaatsen 1.
Incidentele asverstrooiing is verboden op:
a.
verharde delen van de weg;
b.
gemeentelijke begraafplaatsen.
2.
Het college kan een besluit nemen waarin voor een bepaalde termijn wordt verboden dat op andere
3.
Het college kan ontheffing verlenen van het verbod op verzoek van de nabestaande die zorgdraagt
4.
Op de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve
plaatsen dan genoemd in het eerste lid asverstrooiing plaatsvindt.
voor de asbus op grond van bijzondere omstandigheden, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen. beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5.37 Hinder of overlast Incidentele asverstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
Hoofdstuk 6. Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6.1 Sanctiebepaling 1.
Overtreding van een bij of krachtens deze verordening vastgestelde verbodsbepaling, niet nakoming
van een bij of krachtens deze verordening opgelegde verplichting en niet nakoming van één of meer
voorschriften aan een vergunning of ontheffing verbonden, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie en kan bovendien worden gestraft met openbaarmaking van de rechterlijke uitspraak. 2.
In afwijking van het eerste lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op
overtreding van het bepaalde bij of krachtens artikel 2.11 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit.
3.
In geval van overtreding krachtens de in artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde
regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid van de Wet veiligheidsregio’s.
Artikel 6.2 Toezichthouders 1.
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast de
als toezichthouders benoemde medewerkers en/of buitengewoon opsporingsambtenaren van de afdeling Ruimte en Ontwikkeling. 2.
Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens hoofdstuk 4, afdeling 5 en hoofdstuk 4,
afdelingen 1 en 5 deze verordening bepaalde zijn belast de buitengewoon opsporingsambtenaren van Natuurmonumenten, Staatsbosbeheer en Drents Landschap, afdelingen Drenthe. 3.
Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten.
Artikel 6.3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of
krachtens deze verordening gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of
veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner.
Artikel 6.4 Intrekking oude verordening De Algemene Plaatselijke Verordening 2023 voor de gemeente Westerveld wordt ingetrokken.
Artikel 6.5 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6.4 die golden op het moment van de
inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
Artikel 6.6 Inwerkingtreding Deze verordening treedt in op de achtste dag na die waarop zij bekend gemaakt is.
Artikel 6.7 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening 2024.
Aldus vastgesteld in de vergadering van ….2024.
de raad van de Gemeente Westerveld
de griffier,
de voorzitter,