CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 9. Rapport Schulinck artikelen Wmo 2015 en Jeugdverordening West Maas en Waal

Gemeenteraad 11 september 2025, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: Z.1179603.196 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Advies individuele artikelen Wmo 2015- & Jeugdwetverordening Gemeente West Maas en Waal

Juli 2025

Voorwoord De gemeente West Maas en Waal heeft Wolters Kluwer Schulinck de opdracht verstrekt om een aantal artikelen uit de concept Wmo 2015- en Jeugdverordeningen te toetsen aan de huidige wet- en regelgeving, jurisprudentie en uitvoerbaarheid. Daarnaast is gevraagd om aanbevelingen te doen. In dit rapport staan de bevindingen en aanbevelingen van het verrichte onderzoek. Het is als volgt ingedeeld: 1. Artikelsgewijze opmerkingen en aanbevelingen Wmo 2015 2. Artikelsgewijze opmerkingen en aanbevelingen Jeugdwet 3. Overige aanbevelingen Wmo 2015 en Jeugdwet

mr. W.H. Mentink (vakredacteur Wmo en Jeugd) 23 juli 2025

Inhoud Voorwoord................................................................................................................................................ 2 1.

Artikelsgewijze opmerkingen Wmo 2015 ........................................................................................ 5 Artikel 6a Beslissingen met terugwerkende kracht .............................................................................. 5 Lid 1 .................................................................................................................................................. 5 Lid 2 .................................................................................................................................................. 5 Lid 3 .................................................................................................................................................. 6 Lid 4 .................................................................................................................................................. 6 Lid 5 .................................................................................................................................................. 6 Toelichting ........................................................................................................................................ 6 Herschrijven van artikel 6a ...............................................................................................................

7 Artikel 12 .............................................................................................................................................. 7 Lid 2 .................................................................................................................................................. 7 Lid 3 .................................................................................................................................................. 7 Lid 4 .................................................................................................................................................. 7 Artikel 14 .............................................................................................................................................. 8 Lid 1 .................................................................................................................................................. 8 Lid 2 .................................................................................................................................................. 8 Lid 3 .................................................................................................................................................. 9 Artikel 15 ............................................................................................................................................ 10

2.

Artikelsgewijze opmerkingen en aanbevelingen Jeugdwet ........................................................... 11 Artikel 10 ............................................................................................................................................ 11 Lid 2 ................................................................................................................................................ 11 Lid 3 ................................................................................................................................................ 11 Lid 4 ................................................................................................................................................ 11 Lid 5 ................................................................................................................................................ 11 Lid 6 ................................................................................................................................................ 12 Toelichting ...................................................................................................................................... 12 Aanvullingen ...................................................................................................................................

12 Artikel 25 ............................................................................................................................................ 12 Lid 1 en lid 2 .................................................................................................................................... 12 Lid 2 ................................................................................................................................................ 12 Lid 5 ................................................................................................................................................ 12

3.

Overige aanbevelingen Wmo 2015 en Jeugdwet ........................................................................... 13 Toelichting verwijderen ...................................................................................................................... 13

1. Artikelsgewijze opmerkingen Wmo 2015 Deze rapportage is geschreven met kennis van artikel 6a, artikel 12, artikel 14, en artikel 15 van de Wmo 2015-conceptverordening.

Artikel 6a Beslissingen met terugwerkende kracht Lid 1 Gelet op de rechtspraak1 moet er een onderscheid worden gemaakt tussen realisatie van de voorziening voor de melding en realisatie na de melding maar voor de beschikking. In beide gevallen gaat het om een beslissing met terugwerkende kracht. De tekst in dit artikel pas ik aan voor de situatie: realisatie voor de melding. Ik ga beide situaties in dit artikel behandelen. Lid 1 van artikel 6a kan dan als volgt worden herschreven: Het college kan besluiten een maatwerkvoorziening met terugwerkende kracht toe te kennen als de cliënt voor het doen van een melding de voorziening heeft gerealiseerd, als bijzondere omstandigheden daartoe aanleiding geven. Let op: in deze vorm gaat het hier om een ‘kan’-bepaling. Dat betekent dat altijd moet worden getoetst aan het evenredigheidsbeginsel, los van de andere bepalingen in het artikel. De toelichting suggereert dat dit de bedoeling is geweest (“leidt tot onredelijke gevolgen”). Dat maakt de beoordeling wel een stuk ingewikkelder dan noodzakelijk. Bij de afwijzing moet dan ook kenbaar worden getoetst aan: • • •

de geschiktheid (is deze afwijzing een geschikte manier om een bepaald doel te bereiden?) de noodzakelijkheid (is deze afwijzing een gepast middel of zijn er lichtere middelen voorhanden?) de evenredigheid (staat de uitkomst in verhouding tot het doel dat wordt beoogd?)

Lid 2 In dit artikel staat: “Van bijzondere omstandigheden is in ieder geval sprake indien:” Dit veronderstelt dat er ook andere bijzondere omstandigheden een rol kunnen spelen. Welke dit zijn leid ik niet af uit de verordening of de toelichting. Is dit ook de intentie? Onderdeel a “Aanvraag” moet hier ‘Melding zijn gelet op het bovenstaande. Een naaste van de cliënt kan ook voor de cliënt een melding doen (artikel 2.3.2 lid 1 Wmo 2015). Als een cliënt niet in staat is om zelf de melding te doen, dan kan een familielid of een buurman dit doen. Dat de cliënt zelf niet in staat is om de aanvraag in te dienen hoeft dus niet per se te duiden op een bijzondere situatie (bijvoorbeeld bij een cliënt die door ouderdom of ziekte sinds lange tijd niet in staat is om zelf de melding te doen).

1

ECLI:NL:CRVB:2017:433

Onderdeel b De tweede helft van dit artikel “geen andere passende voorziening beschikbaar was” is mogelijk niet in lijn met het doel van de bepaling. Betekent dit dat geen beroep op terugwerkende kracht kan worden gedaan als het probleem van de cliënt met 2 verschillende voorzieningen opgelost kan worden? Ook als de cliënt de goedkoopste oplossing heeft gekozen? Lid 3 Onderdeel b Dit artikel compliceert het onderzoek. De Wmo 2015 beoordeelt of de cliënt een voorziening nodig heeft, of niet. Binnen de Wmo wordt dus niet de mate van afhankelijkheid beoordeeld. Hoe wordt beoordeeld dat de ene cliënt afhankelijker is van de voorziening dan de ander? (als beide cliënten een voorziening nodig hebben). Onderdeel c Als een cliënt met andere voorliggende voorzieningen geholpen kan worden dan is er nooit aanleiding om een Wmo-voorziening in te zetten. Dat is in verschillende artikelen in de Wmo al bepaald2 en hoeft daarom niet in dit onderdeel te worden opgenomen. Lid 4 Het eerste deel van dit lid: “zonder voorafgaand overleg met of toestemming.” Wat als er overleg heeft plaatsgevonden maar er geen toestemming is gegeven? Ik veronderstel dat dit niet de bedoeling is.

Beperk het dus tot “zonder schriftelijke toestemming.” Compleet dus als volgt: “Geen toekenning met terugwerkende kracht vindt plaats indien de inwoner zonder schriftelijke toestemming van het college op eigen initiatief kosten heeft gemaakt voor een voorziening, tenzij het college oordeelt dat bijzondere omstandigheden deze kosten rechtvaardigen.” Lid 5 Het college mag hier geen nadere regels over maken. Artikel 2.1.3 lid 2 onderdeel a Wmo 2015 vermeldt dat in de verordening moet worden geregeld op basis van welke criteria wordt vastgesteld of een cliënt voor een maatwerkvoorziening in aanmerking komt. De wet zegt specifiek dat dit in de verordening moet worden bepaald. Dit betekent dat het college hier geen nadere regels over mag maken. Zie in dat kader ook de uitspraken van de CRvB die in het kader van de Jeugdwet zijn gedaan. Toelichting In de toelichting staat: tegelijkertijd wordt met het opnemen van voorwaarden en een maximale terugwerkende termijn etc. In de bepaling noch de toelichting wordt geen maximale termijn genoemd. Typefout: “Gebord” moet “geborgd” zijn.

2

Waaronder artikel 2.3.2 lid 4 onderdeel b, c, e, f Wmo 2015 en artikel 2.3.5 lid 3, lid 4, lid 6 Wmo 2015

Herschrijven van artikel 6a Het artikel in de huidige vorm betekent dat getoetst moet worden aan het evenredigheidsbeginsel naast de andere leden die soms niet/lastig toepasbaar zijn. Ook is niet duidelijk hoe deze bepalingen zich verhouden met de rechtspraak over dit onderwerp (zie infographic). Gelet op het bovenstaande doe ik daarom het volgende tekstvoorstel voor artikel 6a om deze te vereenvoudigen en in lijn te maken met de rechtspraak: De cliënt komt niet in aanmerking voor een voorziening als de cliënt: a) de gevraagde voorziening voor de melding heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij er sprake is van een acute noodsituatie waardoor het voor de cliënt dringend noodzakelijk was de voorziening te treffen. b) de gevraagde voorziening na de melding en vóór datum van besluit heeft gerealiseerd of geaccepteerd, tenzij het college daarvoor schriftelijk toestemming heeft gegeven of de noodzaak en passendheid van de voorziening en de gemaakte kosten achteraf nog kan worden vastgesteld.

Artikel 12 Lid 2 Onderdeel b Het college moest volgens de CRvB3 de hoogte van de financiële tegemoetkomingen vaststellen in de vorm van een algemeen verbindend voorschrift. Hoe de hoogte van de voorziening wordt vastgesteld moet ook voor de sportrolstoel en de sportvoorziening in de verordening worden vastgelegd. In onderdeel a en c is dat gedaan, maar dus niet in onderdeel b. Het bedrag kan ook genoemd worden in de verordening. Onderdeel c Jullie hebben 2.500 kilometer als uitgangspunt. Dit is behoorlijk hoog. Volgens de rechtspraak4 kan in beginsel worden volstaan met 1.500 tot 2.000 kilometer per jaar. Tenzij de cliënt aantoont dat hij voor het bereiken van een aanvaardbaar niveau van participatie meer kilometers nodig heeft. Lid 3 Suggestie om de tekst in lijn te brengen met de toelichting: De financiële tegemoetkoming is een forfaitair bedrag en is in ieder geval bij benadering kostendekkend. Lid 4 Het college mag geen nadere regels maken over de voorwaarden voor toekenning. Dit moet in de verordening worden vastgelegd (zie ook mijn opmerking bij lid 5 van artikel 6a).

3 4

ECLI:NL:CRVB:2010:BO7133 ECLI:NL:CRVB:2012:BV7463

Artikel 14 Lid 1 Onderdeel b De wettekst van de Wmo zelf bepaalt al dat er geen recht bestaat op een Wmo-voorziening als de cliënt aanspraak kan maken op een voorliggende voorziening (artikel 2.3.2 lid 4 onderdeel b, en f Wmo 2015 en artikel 2.3.5 lid 3, lid 4, lid 6 Wmo 2015. Wat in de toelichting staat klopt dus niet. Op basis van de rechtspraak5 kun je aansluiting zoeken bij eigen kracht. Onderdeel c en d Dit is al geregeld in artikel 6a van de verordening. Onderdeel e Dit onderdeel in de huidige vorm zegt (met name in de toelichting) dat de cliënt geen aanspraak kan maken op een voorziening als hij door eigen toedoen de voorziening is verloren (bijvoorbeeld: hij is de driewielfiets verloren omdat hij hem niet op slot heeft gezet). In de verordening kan worden opgenomen dat in bepaalde gevallen niet dezelfde voorziening nog een keer wordt ingezet. Want mogelijk was dit geen passende voorziening voor de cliënt, als hij er niet goed voor kon zorgen. In principe is er ook geen probleem als de cliënt tegemoet komt in de kosten door het verlies. Dan kan de voorziening opnieuw worden ingezet, als het nog steeds een passende voorziening is. Ook als de cliënt de voorziening kwijtraakt door eigen toedoen, blijft het college verantwoordelijk voor het bieden van een voorziening als er gebreken zijn in de participatie of zelfredzaamheid. Onderdeel III is overbodig.

Als een eerder verstrekte voorziening niet langer meer een oplossing biedt, dan moet gewoon een nieuw onderzoek plaatsvinden. De ingezette voorzieningen spelen geen rol bij dit onderzoek als deze voorzieningen niet meer passend zijn. Onderdeel f Dit blijkt al uit artikel 1.2.1 Wmo 2015. Hierin staat namelijk dat het moet gaan om een ingezetene (dus een individu). Dit hoeft dus niet in de verordening worden geregeld. Onderdeel g Dit is al geregeld in artikel 2.3.5 lid 6 Wmo 2015. Dit is daarom overbodig in de verordening. Lid 2 Onderdeel a Kortdurende hulp bij het huishouden valt wel onder de Wmo 2015. Bijvoorbeeld hulp bij het huishouden door een ziekenhuisopname voor een paar weken/maanden. Deze hulp viel ook onder de Wmo 2007 ( EK 2005-2006, 30 131, C, p. 45-46). De huidige wetgeving suggereert niet dat dit is veranderd in de Wmo 2015. Noem hulp bij huishouden als uitzondering om verwarring te voorkomen.

5

CRvB 31-5-2023, ECLI:NL:CRVB:2023:1046

Sommige gemeenten zetten ook kortdurende begeleiding in als dit noodzakelijk is. Dit kan dus ook als uitzondering worden opgenomen. Met betrekking tot de toelichting: bepaalde hulpmiddelen vallen onder de Zvw als ze voor een periode korter dan 6 maanden nodig zijn. Ze vallen onder de Wmo als ze langdurig nodig zijn, in dit geval dus voor tenminste 6 maanden. Daarnaast ben ik het niet eens met de typering van langdurig in de toelichting. Langdurig betekent niet, “onomkeerbaar” en “redelijkerwijs geen verbetering te verwachten.” Vanuit de gemeente zet je vaak juist voorzieningen in om de cliënt te helpen om over problemen heen te komen. Je zal vaak begeleiding inzetten om iemand te leren om zelfredzaam te worden. Het is niet altijd mogelijk om de beperkingen van de cliënt op te lossen. Maar in veel gevallen kan dit juist wel, en is het de reden om een voorziening in te zetten. Onderdeel b Dit blijkt ook uit artikel 1.2.1 Wmo 2015. Dit hoeft dus ook niet in de verordening worden geregeld. Lid 3 Onderdeel b Vanuit de Wmo 2015 kan het nog steeds noodzakelijk zijn om een woonvoorziening in te zetten in een woning waar de cliënt niet zijn hoofdverblijf heeft. Bijvoorbeeld de cliënt die woont in een Wlzinstelling, en een woonvoorziening nodig heeft om zijn familie thuis te kunnen bezoeken (zie Wmohulpmiddelen bij verhuizing).

Dus niet alleen wanneer sprake is van co-ouderschap (zoals opgenomen in de toelichting). Onderdeel d In artikel 2.3.5 lid 3 Wmo 2015 is al bepaald dat het college geen voorziening hoeft in te zetten als een voorziening algemeen gebruikelijk is (in de gemeenschappelijke ruimte of niet). Het is dus niet noodzakelijk om deze bepaling in de verordening op te nemen. De voorbeelden in het artikel zijn juist niet algemeen gebruikelijk (met uitzondering van vlonders). Een (woon)voorziening is algemeen gebruikelijk als deze (CRvB 20-11-2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3535): • • • •

niet specifiek bedoeld is voor personen met een beperking; daadwerkelijk beschikbaar is een passende bijdrage levert aan het realiseren van een situatie waarin de cliënt tot zelfredzaamheid of participatie in staat is en financieel gedragen kan worden met een inkomen op minimumniveau.

Automatische deuropeners en drempelhulpen zijn geen algemeen gebruikelijke voorzieningen omdat deze specifiek bedoeld zijn voor mensen met een beperking. Hellingbanen en de opstelplaats zijn ook geen algemeen gebruikelijke voorzieningen omdat ze niet zelf door de bewoner gerealiseerd kunnen worden (dus niet daadwerkelijk beschikbaar). De realisatie hiervan kan een verplichting zijn voor de eigenaar van de woning (of VvE) gelet op bouwvoorschriften.

Onderdeel e Hier staan 2 groepen in. Namelijk doelgroepgebouw (specifiek op personen met beperkingen en ouderen gerichte woongebouwen) en voorzieningen die bij (nieuw)bouw of renovatie zonder noemenswaardige meerkosten meegenomen kunnen worden. De tweede groep kan hier worden weggelaten omdat dit ook al in onderdeel h staat genoemd.

Artikel 15 In de toelichting wordt verwezen naar artikel 3.3 lid 3 Uitvoeringsbesluit Wmo 2015. Deze bepaling gaat over het verrekenen van vorderingen die er zijn op grond van de eigen bijdrage. Zoals ik artikel 15 lees (en ik heb geen verdere context van de omringende artikelen) lijkt het hier te gaan om verrekenen bij terugvorderingen in de zin van artikel 2.4.1 Wmo 2015. Voor het verrekenen van een terugvordering verwijs je dus niet naar het Uitvoeringsbesluit. Omdat de Wmo 2015 zelf hier geen bepalingen over heeft moet hierover iets in de verordening worden opgenomen. Wel dient het college een belangenafweging te maken. Ik vind de belangenafweging in artikel 15 nog wat te beknopt. Ik zou het verbreden naar alle relevante belangen in het algemeen, waaronder de financiële draagkracht van de inwoner. Zie ook onze pagina: Verrekening.

2. Artikelsgewijze opmerkingen en aanbevelingen Jeugdwet Deze rapportage is geschreven met kennis van artikel 10 en artikel 25 van de Jeugdconceptverordening.

Artikel 10 Ik zie dat bij het formuleren van dit artikel gebruik is gemaakt van onze Modelverordening. Toch merk ik dat er ten opzichte van onze modelverordening nog een aantal zaken ontbreken die gelet op de rechtspraak van de CRvB noodzakelijk zijn. Dit zal ik hieronder nader specificeren. Lid 2 Het is niet in lijn met de rechtspraak om het afwegingskader in (een bijlage van) Beleidsregels te plaatsen. De CRvB heeft in de uitspraak CRvB 29-5-2024, ECLI:NL:CRVB:2024:1097 (overwegingen 4.5, 4.8 en 4.9) geoordeeld dat de gemeente in de verordening moet vastleggen hoe (boven)gebruikelijke hulp wordt vastgesteld. Dit is namelijk de opdracht die de gemeenteraad krijgt in artikel 2.9 onderdeel a Jeugdwet (het vaststellen van de voorwaarden voor toekenning). De gemeenteraad mag dit niet delegeren aan het college in nadere regels. Voor hoe dit in de verordening kan worden vormgegeven zie onze Modelverordening. Jullie hebben nu wel de afwegingsfactoren voor de beoordeling of de overbelasting kan worden opgeheven erin staan (lid 5), maar niet de afwegingsfactoren voor het bepalen of er sprake is van (boven)gebruikelijke hulp. Lid 3 De definitie van de term kan mogelijk beter in artikel 1 van de verordening worden vastgelegd, vervolgens kan worden volstaan met lid 7. Lid 4 Dit is eigenlijk een beschrijving van bovengebruikelijke hulp, dat ook al in lid 1 onderdeel b wordt genoemd.

Het is een mogelijkheid om lid 1 onderdeel b te schrappen en alleen lid 4 gebruiken om bovengebruikelijke hulp te beschrijven. Er kan ook nog worden verwezen naar de relevante uitspraak ECLI:NL:CRVB:2019:2362. Lid 5 Ik stel voor om meer afwegingsfactoren op te nemen zoals wij die ook hebben opgenomen in onze Modelverordening. Punten die naar mijn idee nog ontbreken zijn: • • • • •

het lichamelijk en geestelijk welzijn van de ouders de manier van omgaan van ouders met de problemen van de jeugdige of er sprake is van problematiek bij de ouders, zoals relationele problemen of schulden welke verplichtingen de ouders hebben, bijvoorbeeld voor werk en sociale verplichtingen overige individuele omstandigheden die door jeugdige en ouders worden ingebracht

Lid 6 Als bij een ouder sprake is van (dreigende) overbelasting dan is de inzet van een pgb voor ouder niet een passende voorziening. In artikel 8.1.4 lid 1 sub c Jeugdwet staat een grondslag om gelet op die reden een pgb in te trekken (en in de verordening waarschijnlijk ook). Het is dus niet nodig om dit hier nog apart in de verordening op te nemen (mag wel). Toelichting De toelichting voegt hier weinig toe (zie ook volgende hoofdstuk). Het is meestal een herhaling van wat in de bepaling zelf staat. Wordt in de toelichting gesproken over “draagkracht” en “draaglast”, woorden die in de verordening zelf niet worden gebruikt. De introductie van deze termen zorgt voor meer verwarring. Aanvullingen Ik mis nog een algemene bepaling waarin staat dat als er sprake is van gebruikelijke hulp, er geen voorziening wordt getroffen. Dit blijkt wel uit lid 1. Maar gelet op de uitspraken van de CRvB is het goed om dit nog eens te benadrukken. Naast de beschrijving van gebruikelijke hulp en bovengebruikelijke hulp (zie lid 2) mis ik ook nog een bepaling over het invullen van de term overbelasting. Wanneer is sprake van overbelasting? Voor een voorbeeld hoe dit kan worden vastgelegd verwijs ik naar artikel 9 lid 9 van onze Modelverordening.

Artikel 25 Lid 1 en lid 2 Onderdeel b Hier wordt de algemene maatregel van bestuur reële prijzen Jeugdwet genoemd. Uiteindelijk heeft deze maatregel geleid tot artikel 2.3 Besluit Jeugdwet. Dus dat artikel kun je hier beter noemen. Lid 2 Onderdeel d en g Reis- en opleidingskosten worden tweemaal genoemd. Lid 5 Hier wordt verwezen naar het eerste lid, maar dat moet het tweede lid zijn.

3. Overige aanbevelingen Wmo 2015 en Jeugdwet Toelichting verwijderen We zien in de rechtspraak van de CRvB dat er een beweging is om wettelijke normen in de wet zelf te verankeren. Artikel 2.1.3 Wmo 2015 en artikel 2.9 Jeugdwet geven de gemeenteraad de opdracht om bepaalde zaken in de verordeningen te regelen. Deze zaken moet de gemeente vastleggen in de tekst van de verordening. Een toelichting of richtlijn in de bijlage van de verordening, nadere regels of beleidsregels is niet voldoende (zie bijvoorbeeld mijn opmerking bij artikel 10 lid 2 Jeugdhulpverordening). Het is dus nog maar de vraag wat de meerwaarde is van een toelichting. Er kan geen beroep worden gedaan op de toelichting, en er kan ook niet naar verwezen worden. Als de toelichting dient als uitleg aan de toegangsmedewerker, dan is de werkinstructie hiervoor een geschikter middel. Ik stel dus voor om de toelichting te verwijderen. Dat wat nog niet in de wettekst zelf staat kan nog in de verordening worden opgenomen. De rest kan worden opgenomen in een werkinstructie.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/15859211/1