Bijlage 3 Nota beantwoording zienswijze
Tekst van het document
Behoort bij raadsbesluit d.d. ………………. nr. …………
Nota beantwoording zienswijzen en ambtshalve aanpassingen vestiging voorkeursrecht op perceel WMLOO-M-260 aan de Nieuweweg / Van Heemstraweg te Wamel Inleiding Het besluit van het college lag vanaf 8 juni 2023 tot en met 5 juli 2023 voor een ieder ter inzage. Een publicatie hiervan stond in de Maas en Waler en in het Gemeenteblad van 7 juni 2023 (Gemeenteblad 2023, nummer 244526). Er is één zienswijze binnengekomen. Beantwoording zienswijzen Deze nota bevat een samenvatting van de ingekomen zienswijze. Verder bevat deze nota de inhoudelijke beoordeling van de zienswijze. De aangevoerde gronden zijn afzonderlijk van elkaar beoordeeld. Uiteindelijk wordt aangegeven of de zienswijze gegrond of ongegrond is. Als de zienswijze een wijziging benodigd, wordt ook deze wijziging beschreven. Samenvatting en beoordeling zienswijzen: Indiener 1: Inhoud zienswijze Reclamant (eigenaar perceel) geeft aan tegen het voornemen te zijn om een voorkeursrecht te vestigen op het onderhavige perceel. Het vestigen van een voorkeursrecht op haar perceel zou in strijd zijn met de wet, regelgeving en de beginselen van behoorlijk bestuur. Allereerst is er volgens reclamant sprake van strijd met wet- en regelgeving en daarmee is een dergelijk besluit onrechtmatig. Het voorkeursrecht kan niet gevestigd worden op grond met een agrarische bestemming.
De gemeente is niet van plan om te boeren voor agrarische doeleinden. Verder doet zich de uitzondering van art. 4 Wvg niet voor. Wellicht dat op het perceel van reclamant wordt gedoeld in de structuurvisie dorpen 2025, maar eventuele aanwijzingen voor de bestemming wijzigt nog niet de bestemming agrarisch. Verder zou volgens reclamant een vestiging voorkeursrecht in strijd zijn met de beginselen van behoorlijk bestuur. Het college heeft in een besloten collegevergadering, zonder reclamant daarin te kennen, eenzijdig een voorlopig voorkeursrecht op onderhavig perceel gevestigd. Reclamant begrijpt niet dat het voorstel niet eerst in de Gemeenteraad is behandeld. Daarbij is reclamant onaangenaam verrast over de handelswijze van de gemeente jegens haar. Vestiging van een voorkeursrecht voelt voor reclamant als inpikken van andermans eigendom door de staat. Beoordeling zienswijze - Strijd met wet- en regelgeving: het voorkeursrecht kan niet gevestigd worden op grond met een agrarische bestemming. Volgens art. 3 Wvg dient het bestemmingsplan aan de gronden een niet-agrarische bestemming toe te kennen. Dit is inderdaad niet het geval, het onderhavige perceel heeft een agrarische bestemming. De vestiging van het voorkeursrecht, zoals dit aan de Gemeenteraad ter besluitvorming voor ligt, is echter niet gebaseerd op art. 3 Wvg (vestiging op grond van bestemmingsplan), maar op art.
5 Wvg (vervroegde vestiging van voorkeursrecht). In dat geval dient in het aanwijzingsbesluit aan de betrokken
gronden een niet-agrarische bestemming te worden toegedacht én de feitelijke gebruikstoestand dient af te wijken van die toegedachte bestemming. Momenteel heeft de grond een agrarische bestemming en wordt als zodanig gebruikt. De vestiging van het voorkeursrecht, zoals dit aan de Gemeenteraad ter besluitvorming voor ligt, heeft de aan de grond toegedachte bestemming van bedrijf c.q. bedrijventerrein. Daarmee is het voorgenomen besluit in overeenstemming met haar wettelijke grondslag volgens art. 5 Wvg. -
Strijd met wet- en regelgeving: de uitzondering van art. 4 Wvg doet zich niet voor. Art. 4 Wvg maakt vestiging voorkeursrecht mogelijk op grond van de structuurvisie. In deze structuurvisie (in dit geval: structuurvisie dorpen 2025) moeten dan wel voldoende aanwijzingen staan waarop deze beoogde ontwikkeling (in dit geval: van agrarisch naar bedrijf) gegrond is. Dat is inderdaad niet het geval. Er zijn wel aanwijzingen in de structuurvisie, maar deze worden juridisch gezien niet als voldoende concreet bezien om art. 4 Wvg ten grondslag te kunnen leggen aan vestiging van onderhavig voorkeursrecht. De vestiging van het voorkeursrecht, zoals dit aan de Gemeenteraad ter besluitvorming voor ligt, is echter niet gebaseerd op art. 4 Wvg, maar op art. 5 Wvg.
-
Strijd met algemene beginselen van behoorlijk bestuur Volgens reclamant zou er sprake zijn van strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Welke beginselen het voorgenomen besluit strijdig mee zou zijn, wordt evenwel niet nader gespecificeerd. Wel geeft reclamant aan dat het college in een besloten collegevergadering, zonder reclamant daarin te kennen, eenzijdig een voorlopig voorkeursrecht op onderhavig perceel heeft gevestigd. Het kenmerk van bestuursrechtelijke besluitvorming is eenzijdigheid. Het bestuursorgaan neemt een besluit, waarna het aan belanghebbende is om hier tegen zo nodig bezwaar en beroep aan te tekenen. Bij ingrijpende besluiten wordt eerst een voornemen tot een besluit kenbaar gemaakt, waarop belanghebbende een zienswijze kan indienen (zo ook in deze procedure bij de vestiging voorkeursrecht door de Gemeenteraad). Het college heeft vooruitlopend op de besluitvorming door de Gemeenteraad een voorlopig voorkeursrecht gevestigd, een en ander volgens art. 6 Wvg. De ratio achter art. 6 Wvg is dat de gemeente direct moet kunnen reageren op bepaalde ontwikkelingen in de grondmarkt. De eenvoudige wijze waarop het college tot besluitvorming kan overgaan wordt daarvoor door de Wetgever als een adequaat middel gezien. Wel is deze voorlopige vestiging tijdelijk (3 maanden).
Het is immers aan de Gemeenteraad om tot (definitieve) vestiging van een voorkeursrecht over te gaan. Bovendien geldt dat bij een eerste besluit tot voorlopige vestiging van een voorkeursrecht de toepassing van art. 4:8 AWB (het vooraf inbrengen van zienswijzen),op grond van art. 4:11, sub c AWB achterwege gelaten kan worden. Bovendien volgt uit de aard van het genomen besluit dat het beoogde doel slechts kon worden bereikt indien de belanghebbende daarvan niet reeds tevoren in kennis is gesteld. Reclamant had in dat geval immers de mogelijkheid gehad om tot verkoop over te gaan (met wellicht prijsopdrijving als gevolg), hetgeen (voorlopige) vestiging voorkeursrecht zou doorkruisen (ABRvS 15 december 2010, 201004705/1/H3). Overigens ligt aan de Gemeenteraad ter besluitvorming voor de vestiging voorkeursrecht en niet de vestiging voorlopig voorkeursrecht, zoals door het college besloten. Hiertegen staat bezwaar en beroep open, waarvan reclamant ook gebruik maakt. In datzelfde kader stelt reclamant dat zij niet begrijpt dat het voorstel niet eerst in de Gemeenteraad is behandeld. Zoals hierboven genoegzaam uiteengezet wordt er eerst een voorlopig voorkeursrecht gevestigd door het college, waarna het definitieve besluit tot vestiging voorkeursrecht aan de Gemeenteraad is.
2
Als laatste vermeldt reclamant dat de vestiging van een voorkeursrecht voelt voor reclamant als inpikken van andermans eigendom door de staat. Door vestiging van een voorkeursrecht wordt reclamant niet het eigendom van het onderhavige perceel ontnomen. Daarvoor kent de wet de onteigeningsprocedure. Voorkeursrecht is slechts een middel om de overheid de mogelijkheid te geven grip te krijgen op de grondmarkt in verband met ontwikkelingen en grond te verwerven zodra deze te koop aangeboden wordt. Indien reclamant voornemens is het onderhavige perceel te verkopen, dan zal zij, indien de Gemeenteraad besluit tot vestiging voorkeursrecht, het onderhavige perceel eerst te koop aan moeten bieden aan de gemeente West Maas en Waal. De Wvg regelt daarbij het wettelijk kader qua termijnen, prijsbepaling, etc. Conclusie De aangevoerde gronden zijn ongegrond.
Beneden-Leeuwen, ……………………. De raad van West Maas en Waal, De griffier,
De voorzitter,
C. (Elles) Jansen-Bouwman
V.M. (Vincent) van Neerbos
3