CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

Bijlage 2 Toelichting op Verordening Nadeelcompensatie Gemeente West Maas en Waal

Gemeenteraad 7 december 2023, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: Verordening nadeelcompensatie2.302 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

TOELICHTING OP DE VERORDENING NADEELCOMPENSATIE GEMEENTE WEST MAAS EN WAAL Algemeen deel Naar verwachting treedt per 1 januari 2024 de nadeelcompensatieregeling, Titel 4.5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in werking. In die regeling worden bestaande regelingen voor nadeelcompensatie in verschillende wetten en regelingen samengevoegd en geharmoniseerd. Gelijktijdig treedt naar verwachting ook de Omgevingswet (hierna: Ow) in werking, waarin eveneens een nadeelcompensatieregeling staat opgenomen. Verhouding Awb en Ow Titel 4.5 van de Awb voorziet in een algemene regeling van de vergoeding (of tegemoetkoming) van schade door rechtmatig overheidshandelen. Daarbij kan worden gedacht aan verzoeken wegens winst- of inkomstenderving, gederfde huurinkomsten, of de lagere opbrengst bij de verkoop van een bedrijf of een onroerende zaak. Hoofdstuk 15, specifiek Afdeling 15.1 van de Ow bevat een bijzondere nadeelcompensatieregeling die aansluit op de generieke regeling van Titel 4.5 uit de Awb. De specifieke nadeelcompensatieregeling uit Afdeling 15.1 van de Ow geldt enkel voor omgevingsrechtelijke besluiten. De afbakening van schadeoorzaken in artikel 15.1 van de Ow is ten opzichte van Titel 4.5 van de Awb limitatief en exclusief.

Dat betekent dat als een schadeoorzaak niet in artikel 15.1 van de Ow is opgenomen, het niet mogelijk is om alsnog via Titel 4.5 van de Awb om schadevergoeding kan worden gevraagd. Normaal maatschappelijk risico Vooropgesteld wordt dat de overheid niet verplicht is om iedere schade die zij in de rechtmatige uitoefening van haar publieke taken veroorzaakt, in zijn geheel te vergoeden. Dat overheidsingrijpen voor sommige burgers en ondernemingen nadelige gevolgen kan hebben, is namelijk onvermijdelijk. Tot op zekere hoogte moeten deze gevolgen dus worden geaccepteerd (normaal maatschappelijk risico (hierna: nmr)). Burgers en ondernemingen die door rechtmatig overheidsoptreden schade lijden die uitgaat boven het nmr en in vergelijking tot anderen onevenredig zwaar worden getroffen, kunnen desgevraagd schadevergoeding ontvangen (artikel 4:126 van de Awb). De hoogte daarvan moet in zo’n geval redelijk zijn. De schadevergoeding dekt dus niet vanzelfsprekend de volledige schade. Een deel van de schade zal altijd voor eigen rekening blijven. Modelverordening VNG Deze verordening is gebaseerd op de modelverordening van de VNG. Artikelsgewijze toelichting Enkel die bepalingen die verdere toelichting behoeven, worden hieronder nader behandeld.

Artikel 1. Toepassingsbereik Eerste lid Deze verordening heeft betrekking op aanvragen om schadevergoeding vanwege rechtmatige overheidsdaad. Het gaat om nadeelcompensatie als bedoeld in Titel 4.5 van de Awb en Afdeling 15.1 van de Ow. Het kan voorkomen dat schade door meerdere overheden wordt veroorzaakt, bijvoorbeeld zowel de gemeente als het waterschap. In deze bepaling wordt verduidelijkt dat de aanvrager in dat geval het loket kiest. Het gaat in deze verordening om schade waarvan door de aanvrager wordt gesteld dat die wordt veroorzaakt door een bestuursorgaan van de gemeente. Hierop bestaat een uitzondering. Dat betreft de situatie waarbij de aanvraag om schadevergoeding betrekking heeft op een besluit ter uitvoering van een projectbesluit. Op die situatie is de regeling van artikel 15.8 van de Ow van toepassing. Daarin is geregeld dat het bestuursorgaan dat het projectbesluit heeft vastgesteld het bestuursorgaan is dat de schadevergoeding toekent. Tweede lid Een bijzondere regeling zoals hier bedoeld, kan bijvoorbeeld een verordening zijn voor een specifiek onderwerp, zoals kabels en leidingen, rioleringen en wegopbrekingen, of voor een specifiek project binnen de gemeente. Artikel 2. Heffen recht Voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding wordt een recht geheven.

De figuur van de heffing is in artikel 4:128 van de Awb geïntroduceerd om te voorkomen dat er al te lichtvaardig wordt overgegaan tot indiening van een aanvraag om schadevergoeding. Het recht bedraagt € 300,-. Als het recht niet wordt voldaan, wordt de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling gesteld. Bij toewijzen van de aanvraag wordt het toe te kennen bedrag verhoogd met het geheven recht (artikel 4:129, aanhef en onder c, van de Awb). Artikel 3. Aanvraag Eerste en tweede lid De artikelen 4:2 en 4:127 van de Awb bevatten een grondslag voor de aanvraagvereisten voor het in behandeling nemen van een aanvraag om schadevergoeding. Als niet aan de aanvraagvereisten wordt voldaan kan de aanvraag op grond van artikel 4:5 van de Awb buiten behandeling worden gesteld. In aanvulling hierop is in het eerste lid geregeld dat de aanvrager van schadevergoeding gebruik maakt van een mogelijk door het bestuursorgaan vast te stellen (elektronisch) formulier. Indien een vastgesteld (elektronisch) formulier beschikbaar is en de aanvrager van schadevergoeding de aanvraag niet aanlevert via het vastgestelde (elektrisch) formulier, dan kan worden besloten de aanvraag niet in behandeling te nemen. Dat kan betekenen dat de aanvrager wordt verzocht de aanvraag nadeelcompensatie alsnog via het formulier in te dienen.

Het bestuursorgaan moet dan aangeven aan de aanvrager dat de aanvrager niet compleet is, en vooralsnog niet in behandeling kan worden genomen. Het bestuursorgaan kan dan expliciet d termijnen opschorten tot het moment dat de stukken zijn ingediend. Derde lid

In artikel 4:2 van de Awb is vastgelegd dat een aanvraag wordt ondertekend en ten minste bevat: (a) de naam en het adres van de aanvrager, (b) de dagtekening en (c) een aanduiding van de beschikking die wordt gevraagd. In artikel 4:127 van de Awb is vastgelegd dat de aanvraag mede bevat: (d) een aanduiding van de schadeveroorzakende gebeurtenis en (e) een opgave van de aard van de geleden of te lijden schade en, (f) voor zover redelijkerwijs mogelijk, het bedrag van de schade of een specificatie daarvan. Verder verschaft de aanvrager de gegevens en bescheiden die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Het gaat hier om gegevens en bescheiden die ten minste worden verstrekt. Het kan wenselijk zijn om dit voor aanvragen om schadevergoeding nader te specificeren. Uiteraard worden alleen gegevens gevraagd die noodzakelijk zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Artikel 4. Adviescommissie Eerste en tweede lid In dit artikel is voorzien in de mogelijkheid om de gemeentelijke deskundigheid naar aanleiding van een ingekomen aanvraag om schadevergoeding aan te vullen. Uitgangspunt is dat in de gemeente voldoende deskundigheid aanwezig is om aanvragen om schadevergoeding te kunnen beoordelen.

Als die deskundigheid niet, of onvoldoende aanwezig is, is het ook goed denkbaar om op dit onderwerp regionaal expertise te bundelen, bijvoorbeeld in een regionale adviesorganisatie. Alleen als het nodig is, wordt advies ingewonnen bij een adviescommissie. Dit uitgangspunt komt ook tot uitdrukking in het tweede lid. Daarin is vastgelegd in welke situaties in ieder geval geen advies bij een adviescommissie wordt ingewonnen. Als een adviescommissie wordt ingeschakeld, betekent dit niet automatisch dat deze wordt gevraagd over de hele aanvraag te adviseren. Op het moment dat een schadevergoeding kennelijk minder bedraagt dan € 500,voor natuurlijke personen en € 1.000,- voor rechtspersonen is er sprake van een zogeheten ‘bagatelzaak’. Dat wil zeggen dat schade beneden deze bagateldrempel in ieder geval onder het normaal maatschappelijk risico valt en niet voor vergoeding in aanmerking komt. De adviseur(s) zijn adviseurs als bedoeld in artikel 3:5 van de Awb en vormen een adviescommissie als bedoeld in artikel 4:130 van de Awb. Dat betekent dat moet worden voldoen aan de vereisten van dat artikel, waaronder een onafhankelijk voorzitter. Bij het afhandelen van aanvragen waarbij adviseur(s) zijn aangewezen bedraagt de beslistermijn maximaal zes maanden in plaats van de reguliere termijn van acht weken.

Die termijn kan eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verdaagd (artikel 4:130 van de Awb). De adviseur(s) maken geen deel uit van en zijn niet werkzaam onder verantwoordelijkheid van het bestuursorgaan en zijn niet betrokken bij de schadeveroorzakende gebeurtenis waarop de aanvraag betrekking heeft. Derde lid Een adviescommissie bestaat, afhankelijk van de behoefte, uit een of meer deskundige adviseur(s). Bij zaken die betrekking hebben op inkomensderving kan worden gedacht aan deskundigheid op het gebied van accountancy of financieel economische bedrijfsvoering. En bij zaken die betrekking hebben op

waardevermindering van een onroerende zaak aan extra deskundigheid op het gebied van taxaties. Bij het te nemen besluit wordt de adviseur van het advies vermeld en het advies kan hierbij ter motivering worden gevoegd (artikel 3:8 van de Awb). Er kan in afwijking van het advies worden besloten. Dat moet dan wel goed worden gemotiveerd. Verder is het van belang dat het bestuursorgaan zich ervan vergewist, dat het onderzoek van de adviseur(s) op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden (artikel 3:9 van de Awb). Vierde lid Uit artikel 4:130, eerste lid, van de Awb volgt dat een bestuursorgaan een adviescommissie kan inschakelen voor het beoordelen van aanvragen om schadevergoeding die bij dit bestuursorgaan zijn ingediend. Voor gemeenten betekent dit dat het betreffende bestuursorgaan (burgemeester, burgemeester en wethouders of de gemeenteraad) een adviescommissie kan instellen. Er zijn twee mogelijkheden: a. het benoemen van een vaste commissie: in dat geval worden de deskundigen benoemd door burgemeester en wethouders, of b. voor advisering met betrekking tot een of meer aanvragen: in dat geval worden de deskundigen benoemd door het bestuursorgaan dat de betreffende aanvragen behandelt. Artikel 5. Adviseur Los van de mogelijkheid tot het inschakelen van een adviescommissie heeft het bestuursorgaan de mogelijkheid om advies te vragen aan externen (adviesbureaus, verzekeringen).

Die externen zijn niet per sé te beschouwen als een adviescommissie in de zin van artikel 4:130 Awb. Alleen als aan de voorwaarden van artikel 4:130 e.v. is voldaan. Zo niet, dan is de normale afhandelingstermijn van 8 weken van toepassing. Vanwege het feit dat een adviseur wordt ingeschakeld voor zijn expertise, is het praktisch als de adviseur ook de aanvrager en eventueel anderen (derden of belanghebbenden) kan horen en hen om bewijsmiddelen kan vragen teneinde tot een goed advies te komen. In de verordening is nu een grondslag opgenomen zodat het bestuursorgaan in de opdrachtverlening de adviseur kan vragen om te horen en stukken te vragen. Dit is dan te beschouwen als een (eenmalig) mandaat. Artikel 6. Procedure Eerste lid De procedure en bijbehorende beslistermijnen voor het tot stand komen van het besluit op de aanvraag om schadevergoeding zijn uitputtend geregeld in de Awb. Aanvullend hierop is vastgelegd dat het bestuursorgaan de aanvrager en belanghebbenden informeert als advies wordt ingewonnen bij een adviescommissie. De opdracht aan de adviseur(s) kan ook worden ingetrokken. In dat geval worden de aanvrager en belanghebbenden daar ook over geïnformeerd. Tweede lid

Als sprake is van externe adviseurs die geen adviescommissie zijn, hangt het af van de adviesvraag in hoeverre de belanghebbenden vooraf op de hoogte moeten worden gesteld. In het geval de adviseur contact zal opnemen met de aanvrager, ligt het in de rede de belanghebbende op de hoogte te stellen. Derde lid Op de voorbereiding van het besluit op een aanvraag om schadevergoeding is de Awb van toepassing, waaronder de bepalingen over de voorbereiding van besluiten (hoofdstuk 4 van de Awb). Dat betekent onder andere dat de artikelen 4:7 en 4:8 van de Awb van toepassing zijn op grond waarvan de aanvrager en eventuele belanghebbenden, binnen de daar opgenomen kaders, in de gelegenheid worden gesteld om voorafgaand aan de beslissing op de aanvraag een zienswijze naar voren te brengen. In het tweede lid is verduidelijkt welke partijen naast de aanvrager een zienswijze naar voren kunnen brengen. Dat zijn voor zover van toepassing degenen met wie een schadeovereenkomst is gesloten en, als sprake is van een schadeveroorzakend besluit naar aanleiding van een aanvraag: de aanvrager van dat besluit of degene die de toegestane activiteit verricht. Die zienswijze kan naar keuze schriftelijk of mondeling naar voren worden gebracht (artikel 4:9 van de Awb). Artikel 7. Uitbetaling In deze bepaling is de uiterste betaaltermijn vastgelegd.

Als een aanvraag om schadevergoeding geheel of gedeeltelijk wordt toegekend, wordt het betreffende bedrag uiterlijk bij het onherroepelijk worden van het toekenningsbesluit uitbetaald. Dus na afronding van eventuele bezwaar- en beroepsprocedures. Artikel 8. Intrekking oude regeling De Verordening nadeelcompensatie treedt in de plaats van de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade. Deze verordening wordt ingetrokken. De verordening kan vanwege het overgangsrecht nog wel relevant zijn voor het afhandelen van planschadeverzoeken op grond van de Wro. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening (Wro) is het mogelijk om binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van bijvoorbeeld een bestemmingsplan een verzoek om planschade in te dienen. Uiteraard kunnen bestemmingsplannen tot vlak voor de inwerkingtreding van de Ow worden vastgesteld. Daarnaast is het zo dat lopende bestemmingsplanprocedures ook nog op grond van de Wro worden afgerond. Dat kan ertoe leiden dat tot ongeveer 2025 bestemmingsplannen kunnen worden vastgesteld. Vervolgens kan binnen vijf jaar na het onherroepelijk worden van dat vaststellingsbesluit nog een planschadeverzoek worden ingediend. Op die verzoeken blijft het oude recht (Wro) nog van toepassing en daarmee ook de Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade van de gemeente West Maas en Waal.

De overgangsbepalingen voor nadeelcompensatie in het omgevingsrecht zijn vastgelegd in paragraaf 4.2.7 van de Invoeringswet Omgevingswet (hierna: Iw). Het oude recht blijft van toepassing op aanvragen om schadevergoeding die worden ingediend:

1. Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Ow, als vóór inwerkingtreding van de Ow de schade is veroorzaakt door een onherroepelijk besluit over een omgevingsvergunning afwijken bestemmingsplan, 2. Binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van de Ow, als vóór inwerkingtreding van de Ow de schade is veroorzaakt door het van kracht worden van een bestemmingsplan, wijzigingsplan of uitwerkingsplan, 3. Binnen vijf jaar nadat een schadeveroorzakend besluit van kracht is geworden, als de procedure hiervoor is gestart vóór inwerkingtreding van de Ow en is afgerond na inwerkingtreding daarvan. Het oude recht (Wro) blijft in die gevallen van toepassing op een aanvraag om schadevergoeding tot het besluit onherroepelijk wordt en, bij toewijzing van het verzoek, de toegewezen schadevergoeding volledig is betaald. Dit is geregeld in artikel 4.18 en 4.19 van de Iw. Voor deze gevallen is de ingetrokken Procedureverordening voor advisering tegemoetkoming in planschade van de gemeente West Maas en Waal dus nog relevant.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/13490859/1