Bijlage 1. Paraplubestemmingsplan Water en Klimaatadaptatie - regels v3 gecorrigeerd
Tekst van het document
Regels
Paraplubestemmingsplan Water en Klimaatadaptatie West Maas en Waal Datum: 2025-03-26 Plan identificatie: NL.IMRO.0668.WMWKWenN-BVA1
1 Inleidende regels .............................................................................................................. 3 Artikel 1 Begrippen ............................................................................................................ 3 1.1 Plan .......................................................................................................................... 3 1.2 Bebouwde kom......................................................................................................... 3 1.3 Oever ....................................................................................................................... 3 1.4 Groene bergingen .................................................................................................... 3 1.5 Kwelgevoelig gebied................................................................................................. 3 1.6 Gemeentelijke watergangen ..................................................................................... 3 1.7 Stedelijk gebied ........................................................................................................ 3 1.8 Landelijk gebied ....................................................................................................... 3 2 Bestemmingsregels .........................................................................................................
4 3 Algemene regels ............................................................................................................... 5 Artikel 2 Algemene bouwregels .......................................................................................... 5 2.1 Ondergronds bouwen ............................................................................................... 5 2.2 Grondwaterstand ...................................................................................................... 5 2.3 Waterberging ............................................................................................................ 5 2.3.1 Voorwaardelijke verpliching omgevingsvergunning voor het bouwen .................... 5 2.3.2 Afwijkingsbevoegdheid .......................................................................................... 6 2.4 Vloerpeil ................................................................................................................... 6 2.5 Hittestress ................................................................................................................ 6 Artikel 3 Algemene afwijkingsregels ................................................................................... 6 3.1 Innovaties in het kader van duurzaamheid en klimaat ..............................................
6 Artikel 4 Overige regels...................................................................................................... 7 4.1 Watergangen ............................................................................................................ 7 4.1.1 Aanleggen of herinrichten van gemeentelijke watergangen ................................... 7 4.1.2 Wijziging van watergang ten behoeve van functieverandering ............................... 7 4.2 Het voorkomen van wateroverlast ............................................................................ 7 4.2.1 Omgevingsvergunning voor ophogen van gronden................................................ 7 4.2.2 Uitzondering verbod .............................................................................................. 8 4.2.3 Omgevingsvergunning voor het aanleggen van verharding ................................... 8 4.2.4 Afwijkingsbevoegdheid .......................................................................................... 9 4.2.5 Aanleggen of herinrichten van openbaar gebied .................................................... 9 4.3 Kwelgevoelig gebied................................................................................................. 9 4.3.1 Graven ..................................................................................................................
9 4.3.2 Drainage ................................................................................................................ 9 4.3.3 Afwijkingsbevoegdheid .......................................................................................... 9 4 Overgangs- en slotregels................................................................................................10 Artikel 5 Overgangsrecht ..................................................................................................10 5.1 Overgangsrecht bouwwerken ..................................................................................10 Artikel 6 Slotregel..............................................................................................................10
2
1 Inleidende regels Artikel 1 Begrippen De begripsbepalingen van de onderliggende bestemmingsplannen blijven van toepassing, met dien verstande dat het onderstaande begrip wordt toegevoegd: 1.1 Plan Het Paraplubestemmingsplan Water en klimaatadaptatie West Maas en Waal met identificatienummer NL.IMRO.0668.WMWKWenN-BVA1 van de gemeente West Maas en Waal. 1.2 Bebouwde kom het gebied binnen de grenzen die zijn vastgesteld op grond van artikel 20a van de Wegenverkeerswet 1994. 1.3 Oever De strook land die in direct contact staat met water inclusief het gebied tussen de hoogwaterlijn en laagwaterlijn. 1.4 Groene bergingen Stroken openbaar groen die oppervlaktewater beschermen of worden gebruikt voor het ontwateren van wegen. 1.5 Kwelgevoelig gebied Er is sprake van een kwelgevoelig gebied als er sprake is van 1,0 tot en met 2,0 mm kwel per dag. 1.6 Gemeentelijke watergangen Watergang die in beheer is of komt bij de gemeente en geen primaire watergang (A watergang) is. 1.7 Stedelijk gebied De bebouwde kom en het gebied dat volgens een ruimtelijk plan in de toekomst als bebouwde kom kan worden aangemerkt. 1.8 Landelijk gebied Het gebied buiten de bebouwde kom.
3
2 Bestemmingsregels
4
3 Algemene regels Artikel 2 Algemene bouwregels 2.1 Ondergronds bouwen Een omgevingsvergunning voor het plaatsen van gesloten constructies met een aaneengesloten horizontale lengte van meer dan 15m onder het maaiveldniveau wordt alleen verleend als: 1. de beïnvloeding van de grondwaterstand, eventueel na mitigerende maatregelen, maximaal 5 cm bedraagt op de locatie van de aanvraag; en 2. rekening is gehouden met andere bouwwerken in de nabije omgeving. 2.2 Grondwaterstand 1. Een omgevingsvergunning voor het bouwen wordt in ieder geval verleend als: a) de activiteit niet dieper in de grond roert dan 1,0 m beneden huidig maaiveld; b) aangetoond wordt conform de gestelde kaders van het Toetsingskader grondwater of de opvolger daarvan dat: 1. de effecten op het geohydrologisch systeem tot maximaal 5 cm beperkt zijn en blijven in kwel- en wijzigingssituaties; en 2. aangetoond wordt dat opbarsten van de bodem niet plaatsvindt door ontgraving; c) de activiteiten worden verricht vanwege: 1. de volksgezondheid; 2. de energie- en warmtetransitie voor zover de werkzaamheden plaatsvinden in reeds geroerde grond; en 3. de aanleg van nutsvoorzieningen; d) er geen permanente drainage of bemalingen worden toegepast; e) er bij tijdelijke bemalingen gedurende het traject de BRL 12.000 certificering word gevolgd; en f) er geen drainage onder waterbergende voorzieningen wordt toegepast. 2.
In afwijking van het eerste lid worden er geen drainage of bemalingen toegepast in een kwelgevoelig gebied, tenzij naar het oordeel van het bevoegd gezag de drainage noodzakelijk is voor de beheersing van extreem hoge grondwaterstanden die kunnen leiden tot overlast en schade. 2.3 Waterberging 2.3.1 Voorwaardelijke verplichting omgevingsvergunning voor het bouwen 1. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen, waarbij toename van verhard oppervlak plaatsvindt, staat vast dat wordt voorzien in een waterberging voor hemelwater op het eigen terrein. 2. In afwijking van het eerste lid mag de waterberging voor hemelwater ook worden gerealiseerd binnen het plangebied van een ruimtelijke ontwikkeling als dit op eigen terrein onmogelijk is. 3. De waterberging heeft een minimale capaciteit per m2 verhard oppervlak conform hoofdstuk 5, artikel 16, van de Beleidsregels bij Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland of de opvolger daarvan. 5
4. De waterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze na 96 uur maar niet sneller dan 48 uur weer volledig beschikbaar is, met een maximale afvoer conform hoofdstuk 5, artikel 16, van de Beleidsregels bij Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland of de opvolger daarvan. 5. De waterberging wordt niet aangelegd als een ondergrondse voorziening. 2.3.2 Afwijkingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 2.3.1 wanneer het verwerken van hemelwater op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is. 2.4 Vloerpeil 1. Gebouwen worden alleen gebouwd onder de voorwaarde dat de begane grond vloer op minimaal 0,3 m boven straatpeil komt te liggen. 2. Bij de toepassing van het eerste lid wordt rekening gehouden met de afstroom van hemelwater naar omliggende percelen. 2.5 Hittestress Een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw wordt alleen verleend als: 1. naar het oordeel van het bevoegd gezag voldoende mitigerende maatregelen tegen hittestress als bedoeld in het 'Klimaatadaptieplan Gemeente West Maas en Waal 2022' of de opvolger daarvan worden getroffen; en 2. binnen de bebouwde kom de tuin voor meer dan 50% onverhard is.
Artikel 3 Algemene afwijkingsregels 3.1 Innovaties in het kader van duurzaamheid en klimaat Bij omgevingsvergunning kunnen in afwijking van de algemene bouwregels in artikel 2, bouwwerken worden toegestaan die innovatieve duurzaamheid en klimaatadaptatie bevorderen, als: 1. de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor natuur en milieu 2. de bouwwerken geen negatieve effecten opleveren voor de waterhuishouding en bodemkwaliteit; en 3. de bouwwerken geen beperkingen opleveren voor nabijgelegen woningen en voorzieningen.
6
Artikel 4 Overige regels 4.1 Watergangen 4.1.1 Aanleggen of herinrichten van gemeentelijke watergangen 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden een gemeentelijke watergang aan te leggen of te herinrichten. 2. Een omgevingsvergunning voor het aanleggen of het herinrichten van een gemeentelijke watergang wordt in ieder geval geweigerd als: a) geen natuurvriendelijk ingerichte oever wordt aangelegd of ingericht die een talud heeft van minimaal 1:3; b) de watergang niet bereikbaar en zichtbaar bovengronds aanwezig is; of c) het talud niet aan minimaal één kant van het water aan de openbare ruimte grenst. 3. In afwijking van het tweede lid kan een omgevingsvergunning voor het aanleggen of het herinrichten van een gemeentelijke watergang langs een publieke weg worden verleend als een minimale berm van 2 m wordt toegepast. 4. In afwijking van het tweede lid kan een omgevingsvergunning voor het aanleggen of het herinrichten van een gemeentelijke watergang in het stedelijk gebied worden verleend als: a) de watergang bereikbaar is vanaf openbaar terrein; of b) de watergang een 4 m obstakelvrije onderhoudsstrook heeft. 5.
In het geval dat er geen ruimte is voor het aanleggen of herinrichten van een gemeentelijke watergang met een natuurvriendelijk ingerichte oever kan, in afwijking van het tweede lid, onder a, de omgevingsvergunning worden verleend als het talud een verflauwing heeft van minimaal 1:3. 6. In het geval dat er geen natuurlijke oplossing kan worden toegepast om goed beargumenteerde redenen, naar het oordeel van het bevoegd gezag, kan, in afwijking van het tweede lid, onder b, de omgevingsvergunning worden verleend als civieltechnische maatregelen en oplossingen worden toegepast. 4.1.2 Wijziging van watergang ten behoeve van functieverandering Burgemeester en Wethouders kunnen het plan wijzigen in die zin dat de bestemming ‘water’ wordt gewijzigd in een andere bestemming ten behoeve van een functieverandering van een bestemmingsvlak, mits: 1. de functie van een watergang op ecologisch of klimatologisch gebied in de loop der tijd leidend wordt ten opzichte van het waterbelang; en 2. het waterbelang in de directe omgeving gecompenseerd wordt.
4.2 Het voorkomen van wateroverlast 4.2.1 Omgevingsvergunning voor ophogen van gronden 1. Het is verboden om zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a) een perceel hoger dan 0,5 m boven het maaiveld op te hogen; of b) dieper in de grond te roeren dan 1,0 m beneden het maaiveld. 7
2. Een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden wordt in ieder geval verleend als: a) de effecten op het geohydrologisch systeem tot maximaal 5 cm beperkt zijn en blijven in kwel en wegzijgingssituaties; b) opbarsten van de bodem niet plaatsvindt door de ontgraving; c) een voldoende waterdoorlatende ophoog laag aanwezig is (bovenste 50 cm > 1,0 m/d); d) waar nodig er voorzieningen worden aangebracht in het plangebied om grondwateroverlast of schade door regenwater bij bestaande bouw te voorkomen; en e) minimaal 1,0 m klei overblijft onder de ontgraving of 1,0 m klei wordt aangebracht of hersteld na het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van de werkzaamheden. 3. Bij de toepassing van het tweede lid, onder d, wordt water in ruimtes beneden maaiveld niet beschouwd als grondwateroverlast als: a) niet aan de criteria uit het Beleidsplan Water en Riolering 2023-2027 op de opvolger daarvan wordt voldaan; en b) de hoogst gemeten grondwaterstand lager ligt dan 0,2 m-mv. 4.2.2 Uitzondering verbod In afwijking van artikel 4.2.1 is geen omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden vereist als deze activiteiten worden uitgevoerd vanwege: 1. de volksgezondheid 2.
de waterhuishoudkundige werkzaamheden vanuit bestuurlijke vastgestelde programma’s onder regie van de overheid; 3. het beheer en onderhoud van groenvoorzieningen; of 4. de energie- en warmtetransitie, voor zover de werkzaamheden plaatsvinden in reeds geroerde grond. 4.2.3 Omgevingsvergunning voor het aanleggen van verharding 1. Het is een verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden verharding aan te leggen met een oppervlakte van: a) meer dan 500 m2 in stedelijk gebied; of b) meer dan 1500 m2 in landelijk gebied. 2. Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, waarbij toename van verharding plaatsvindt, staat vast dat wordt voorzien in een waterberging voor hemelwater op het eigen terrein. 3. In afwijking van het tweede lid mag de waterberging voor hemelwater ook worden gerealiseerd binnen het plangebied van een ruimtelijke ontwikkeling als dit op het eigen terrein onmogelijk is. 4. De waterberging heeft een minimale capaciteit per m2 verharding conform hoofdstuk 5, artikel 16, van de Beleidsregels bij Waterschapsverordening Rivierenland of de opvolger daarvan. 5.
De waterberging wordt zo ontworpen en in stand gehouden dat deze na 96 uur maar niet sneller dan 48 uur weer volledig beschikbaar is, met een maximale afvoer conform hoofdstuk 5, artikel 16, van de Beleidsregels bij Waterschapsverordening Waterschap Rivierenland of de opvolger daarvan. 6. De waterberging wordt niet aangelegd als ondergrondse voorziening. 8
4.2.4 Afwijkingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.3, tweede lid, wanneer het verwerken van hemelwater op eigen terrein redelijkerwijs niet mogelijk is. 4.2.5 Aanleggen of herinrichten van openbaar gebied 1. Bij het aanleggen of herinrichten van openbaar gebied wordt rekening gehouden met het voorkomen van schade door water. 2. Er vinden geen aanlegactiviteiten plaats ter plaatse van groene bergingen. 4.3 Kwelgevoelig gebied 4.3.1 Graven 1. Het is verboden zonder omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden te graven ter plaatse van een kwelgevoelig gebied. 2. De omgevingsvergunning wordt alleen verleend als onweerlegbaar onderbouwd wordt dat de werkzaamheid: 1. geen extra kwel aantrekt; en 2. niet leidt tot wateroverlast voor omliggende percelen. 3. Voor de aanvraag van de omgevingsvergunning maakt de initiatiefnemer een analyse van de kwelsituatie ter plaatse van het projectgebied. 4.3.2 Drainage Het is verboden om een permanente drainage of een drainage voor het mogelijk maken van een activiteit aan te leggen ter plaatse van een kwelgevoelig gebied.
4.3.3 Afwijkingsbevoegdheid Het bevoegd gezag kan door middel van een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.3.2 wanneer de drainage noodzakelijk is voor de beheersing van extreem hoge grondwaterstanden die kunnen leiden tot overlast en schade.
9
4 Overgangs- en slotregels Artikel 5 Overgangsrecht 5.1 Overgangsrecht bouwwerken 1. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. 2. Het eerste lid is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
Artikel 6 Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het Paraplubestemmingsplan Water en Klimaatadaptatie West Maas en Waal.
10