Bijlage 1 Notitie Uitgangspunten lokaal Minimabeleid 2024
Tekst van het document
Uitgangspunten lokaal Minimabeleid 2024. “behouden wat al goed was en verbeteren waar we mogelijkheden zien” 1.
Inleiding
In de raadsvergadering van november 2022 is amendement A- 2022-11 (zie bijlage 1) aangenomen waarin het college wordt opgeroepen om samen met de Raad te komen tot nieuw beleid met als doel de armoede-regelingen goed te laten aansluiten op de doelgroepen die de ondersteuning daaruit nodig hebben. Op 9 februari 2023 heeft een opiniërende raadsbijeenkomst rond het thema “lokaal minimabeleid” plaatsgevonden. Tijdens de bijeenkomst van de Raad op 9 februari 2023 is gebruik gemaakt van de Mentimeter voor het aftasten van de gevoelens van de Raad over het (nieuwe) Minimabeleid. Daarmee werd input verkregen voor de vorming van een mogelijk gewijzigd beleid conform het door de Raad aanvaarde amendement op 2 november 2022 (link: https://westmaasenwaal.raadsinformatie.nl/vergadering/1063182). De tijdens die bijeenkomst gedeelde informatie en verkregen inzichten zijn aansluitend met de raad gedeeld. Daarnaast hebben wij uitvoerig gesproken met de Adviesraad Sociaal Domein, overige ketenpartners en onze uitvoeringspartner. Dit alles heeft geleid tot een notitie “uitgangspunten lokaal minimalbeleid 2024”. Overeenkomstig de bestuurlijke afspraken wordt deze ter vaststelling aan uw raad voorgelegd. Vanaf paragraaf 2 worden uitgangspunten van het nieuwe beleid benoemd. Dit uiteraard op hoofdlijnen.
De nadere concretisering van de door de Raad vast te stellen uitgangspunten vindt plaats binnen de beleidsregels die door het college van B&W worden vastgesteld. In de bijlagen treft u o.a. aan de tekst van het aangenomen amendement (bijlage 1). Verder hebben wij als bijlage voor u toegevoegd een samenvattend overzicht van de effecten van de uitgangspunten op de door ons college vast te stellen beleidsregels (bijlage 2). Uiteraard wordt ook een doorrekening gegeven van de financiële effecten van de nieuwe (gewijzigde) beleidsuitgangspunten (bijlage 3). Tot slot is in bijlage 4 een beeld geschetst van de planning (wie is wanneer aan zet).
2.
Algemeen
2.1 Sturen op hoofdlijnen en pro-actieve informatieplicht Overeenkomstig de bestuurlijke verhoudingen stelt de raad de kaders vast van het beleid. Aansluitend is het college van Burgemeester en Wethouders aan zet om deze te vertalen in uitvoeringsmaatregelen. Dit betekent dat de kaders, uitgewerkt in deze notitie “uitgangspunten lokaal minimabeleid 2024” de hoofdlijnen van het beleid beschrijven. De concrete invulling in vorm van de vaststelling van de beleidsregels en de uitvoeringsafspraken, is een verantwoordelijkheid van het college. Uiteraard ziet de raad toe op de uitvoering door ons college. Om de rol als beleidsbepaler én toezichthouder goed te kunnen invullen, zal op gepaste momenten informatie aan de raad worden verstrekt over de uitvoering en de daaruit voortvloeiende financiële gevolgen. Dit zal gebeuren gelijktijdig met de aanbieding van de gebruikelijke P&C-documenten maar ook tussentijds wanneer de ontwikkelingen daartoe aanleiding geven (pro-actieve invulling van onze informatieplicht). 2.2 Heldere uitgangspunten die aansluiten bij generiek beleid Het lokaal minimabeleid dient een bijdrage te leveren aan de ambities die wij als gemeente hebben. Dit betekent dat bij het benoemen van die uitgangspunten de verbinding is gelegd
met het totale gemeentelijk beleid en niet alleen het sociaal domein. Doelstellingen dienen elkaar te ondersteunen en niet tegen te spreken. Vanuit dat perspectief is bij het benoemen van de uitgangspunten (algemeen en specifiek) aansluiting gezocht bij de belangrijkste kernwaarden: o In ons beleid draait het om inclusiviteit (iedereen telt mee); o we streven naar zelfredzaamheid van onze inwoners (iedereen kan meedoen); o ons beleid sluit aan bij de leefwereld van de inwoners (ondersteuning is indien nodig maatwerk); o wij zijn een regie-gemeente (uitvoering is belegd bij partners) en o uitvoering dient efficiënt en effectief plaats te vinden. Hieruit vloeit ook voort dat de uitvoeringsregels die door het college worden vastgesteld op basis van het door uw raad vastgestelde beleidskader aan bovenstaande eisen moeten voldoen. 2.3 Behouden wat goed is en verbeteren waar het kan Al veel jaren voeren een we lokaal minimabeleid. De effecten daarvan zijn lang niet altijd op korte termijn zichtbaar. Het is vaak iets van de lange adem. Daarnaast veranderen door onbeïnvloedbare factoren de omstandigheden waarmee de doelgroep heeft te maken. Dit betekent dat het volledig overhoop gooien van ons beleid niet bijdraagt aan de doelstellingen. Dat betekent niet dat er geen accentverschuivingen of bijstellingen mogelijk zijn.
In dit nieuwe beleidskader brengen we deze aan door scherper te benoemen wie onze doelgroep is (wie wanneer wel maar ook wie niet), uniformiteit en transparantie (vervallen van een veelvoud aan regelingen die niet bijdraagt aan herkenbaar voor de inwoner en heldere communicatie) en focus op efficiënte en effectieve uitvoering. Deze notitie “uitgangspunten lokaal minimabeleid 2024” kan daarom worden getypeerd als: behouden wat al goed was en verbeteren waar we mogelijkheden zien.
3.
De uitgangspunten
3.1 Algemeen beleid De algemene uitgangspunten van het gemeentelijk beleid zoals die al jaren van toepassing zijn, blijven onverminderd van kracht. Hiermee wordt de integraliteit naar de andere gemeentelijke speerpunten van beleid gewaarborgd. Het gaat daarbij om de volgende aspecten: o Iedereen doet – naar vermogen – mee (iedereen draagt wat bij in de samenleving); o Wij staan voor een gezonde leefstijl (dus gezonde voeding én voldoende bewegen); o Wij bestrijden analfabetisme en laaggeletterdheid (iedereen kan lezen en schrijven op tenminste niveau A2); o Wij zijn tegen digibetisme (iedereen beschikt over de nodige vaardigheden om met digitale informatie om te gaan); o Wij leggen focus op het voorkomen en bestrijden van financiële problematiek (VEO, Thuisadministratie, SHV, etc.); o Wij willen eenvoud én uniformiteit in de uitvoering (bespaart kosten) en o Wij hebben vertrouwen in de burger (positief zelfbeeld t.b.v. zelfredzaamheid). 3.2 Specifiek beleid De aanvullende beleidsuitgangspunten voor het lokaal minimabeleid moeten worden gezien als een specifieke ondersteuning van de algemene doelstellingen van ons beleid. Deze uitgangspunten zijn gerubriceerd overeenkomstig de benoemde draaiknoppen. Hiermee wordt goed zichtbaar wat wij voor staan in ons beleid voor de (financieel) meest kwetsbare inwoners van onze gemeente.
3.2.1 Doelgroepen van beleid Als algemeen uitgangspunt wordt genomen dat het gemeentelijk beleid primair gericht is op het verwerven van financiële zelfredzaamheid van de inwoner. Wanneer door omstandigheden deze zelfredzaamheid (nog) niet mogelijk is, kan aanspraak worden gemaakt op aanvullende financiële ondersteuning door de gemeente op grond van het Minimabeleid. De doelgroepen van ons minima-beleid zijn dan ook: o Alleenstaanden o Huishoudens zonder kinderen (of met medegezinsleden van 18 jaar en ouder) en o Huishoudens met inwonende kinderen tot 18 jaar. Binnen deze 3 hoofdgroepen hebben wij in het bijzonder aandacht voor de meest kwetsbaren. Het gaat daarbij dan om: ▪ Chronisch zieken en gehandicapten ▪ Huishoudens in een door de gemeente bekostigd traject van schuldhulpverlening. Vanwege deze verbijzondering gaan we er in ons beleid van uit dat hiervoor andere of afwijkende bepalingen binnen de regelingen van toepassing kunnen zijn. Noot: wanneer we spreken over huishoudens bedoelen we daarmee niet alleen gehuwden maar ook de bestaande vormen van samenwonenden.
overwegingen: Als gemeente streven we naar inclusiviteit. Dit betekent voor ons dat iedere inwoner (ongeacht leeftijd, geslacht, achtergrond, etc.) die aan de criteria van ons beleid voldoet, recht heeft op hulp en ondersteuning. Dit past ook binnen de zorgplicht de gemeente heeft voor haar inwoners. 1. Alleenstaanden, huishoudens zonder kinderen (of gezinsleden van 18 jaar en ouder) en huishoudens met kinderen tot 18 jaar: de bevolking van West Maas en Waal wordt gevormd door een diverse mix van gezinssituaties. Men woont alleen of samen met een partner, er zijn in het huishouden thuiswonende kinderen aanwezig tot 18 jaar of er zijn gezinsleden boven de 18 jaar. Wij vinden het tot onze verantwoordelijkheid horen dat iedere inwoner (ongeacht zijn leeftijd of huishoudsamenstelling) in staat wordt gesteld om naar vermogen te participeren in de lokale maatschappij. Dit betekent dat wij binnen ons beleid de focus hebben op alle inwoners. 2. chronisch zieken en gehandicapten: De chronisch zieken en gehandicapten vormen binnen onze inwoners een extra kwetsbare groep en worden vaak geconfronteerd met niet beïnvloedbare extra kosten. Zij hebben daarmee recht op additionele aandacht. 3. huishoudens in door de gemeente bekostigde schuldhulpverlening: hoewel de groep inwoners met een door de gemeente bekostigd schuldhulpverleningstraject gelukkig erg beperkt is (op dit moment ca.
35 huishoudens in West Maas en Waal) vormen zij een bijzonder kwetsbare groep inwoners. Daarnaast is er een kleine groep van huishoudens waarbij sprake is van door de gemeente bekostigd financieel of budgetbeheer (basis of compleet). Nog meer dan de inwoners die afhankelijk zijn van een uitkering (bijv. WW, AOW of bijstand) verkeren zij in een dermate financieel penibele en afhankelijke situatie dat deelname aan het maatschappelijk verkeer vrijwel onmogelijk is. Dit ongeacht het feit of er kinderen onder de 18 jaar in het spel zijn. Wij kiezen er voor om de inwoners die een vrijwillig schuldhulpverleningstraject volgen niet te laten vallen onder ons lokaal minimabeleid. Het stelt onaanvaardbare eisen aan de uitvoerder (uitvoerder moet ook schuldhulpdeskundige zijn) maar brengt tevens grote gevaren van subjectiviteit met zich mee. Dit naast het risico op achteraf onrechtmatig verstrekte vergoedingen vanwege bijv. de beëindiging van een vrijwillig traject. 4. Doelgroep afhankelijk: ondanks het uitgangspunt dat iedere inwoner tot de doelgroep van ons algemeen beleid behoort (zie punt 1), zijn wij voorstander van een aanvullend specifiek beleid voor bijzondere doelgroepen. In het bijzonder hebben we het dan over die inwoners die in de groeifase zitten (sociaal, emotioneel, economisch, fysiek).
Dit uiteraard naast de inwoners die buiten hun schuld om door een ziekte of aandoening geconfronteerd worden met bijzondere lasten. Dit rechtvaardigt het uitgangspunt om
voor deze bijzondere groepen op onderdelen een aanvullend, anders of ruimhartiger beleid te voeren. Uitsluitingen: Hoewel ons beleid gericht is op al onze inwoners (geregistreerd in de BRP) ontvangen wij ook wel eens signalen van zorg over “anders verblijvenden”. Hoewel de regelingen van ons lokaal minimabeleid niet voor hen open staan, willen we op basis van individueel maatwerk wel een vangnet vormen. Naast deze zeer kleine groep verblijven op dit moment een groot aantal gevluchte Oekraïners in onze gemeente. Wanneer zij verblijven in een opvanglocatie of bij privé-adressen zijn zij uitgesloten van ons lokaal minimabeleid. Vanuit het Rijk zijn op dit moment specifieke regelingen op deze doelgroep van toepassing. In het geval het landelijk beleid ten aanzien van deze laatste doelgroep wijzigt, zullen wij opnieuw oordelen of hierin verandering moet optreden. 3.2.2 De inkomensgrens De inkomensgrenzen die in Nederland worden gehanteerd binnen de Bijzondere Bijstand, de Individuele Inkomenstoeslag en het lokaal minimabeleid worden afgezet tegen de toepasselijke bijstandsnormen zoals die elk halfjaar door de Rijksoverheid worden gepubliceerd. De hoogte van een inkomensgrens bepaalt daarmee niet alleen de mate waarin beroep kan worden gedaan (omvang van de doelgroep en dus de omvang van de verstrekkingen) maar ook de hoogte van de uitvoeringskosten.
Het gebruik van een begrip als “een laag inkomen” of “besteedbaar inkomen” is o.a. gerelateerd aan de economische situatie welke voortdurend aan verandering onderhevig is. Ook de leefwereld en het bestedingspatroon van een huishouden heeft grote invloed. Dit maakt het toepassen van dergelijke termen binnen ons beleid juridisch onmogelijk en kan leiden tot subjectiviteit in de uitvoering. Vanuit een oogpunt van uniformiteit kiezen wij binnen ons lokaal minimabeleid voor een inkomensgrens van 120%. Een inkomensgrens die we hanteren voor zowel de verbruiksgerelateerde voorzieningen 1 (denk aan Meedoen-regeling, Sport- en recreatie, zorgkosten) als de gebruiksgerelateerde voorzieningen 2 (computer-regelingen en duurzame gebruiksgoederen). Nadrukkelijk merken we op dat géén inkomensgrens zal worden gehanteerd voor die situaties waarbij sprake is van een door de gemeente bekostigd schuldhulpverleningstraject. Dit vanwege de bijzondere financiële situatie waarin de inwoner op dat moment verkeert. overwegingen: 1. Wij kiezen er voor om binnen ons lokaal minimabeleid te gaan voor één inkomensgrens. Dit geeft duidelijkheid niet alleen voor onze inwoners maar draagt ook bij aan een efficiënte en effectieve uitvoering van de regeling(en). Ook draagt het bij aan het uitdragen van ons beleid (communicatief); 2.
De verbruiksgerelateerde voorzieningen: voor deze categorie voorzieningen kan jaarlijks binnen ons beleid een aanvraag worden ingediend. De hoogte van de kosten zijn sterk onderhevig aan inflatie (bijv. energie en dagelijkse boodschappen). Daarnaast houdt het netto-maandinkomen in de referteperiode zelden of nooit gelijke tred met het inflatiecijfer. Dit omdat bijv. het inkomen veel meer afhankelijk is van landelijke CAOafspraken, macro-economische budgetten, loon- en prijsontwikkelingen in andere sectoren, etc.; 3. De gebruiksgerelateerde voorzieningen: Bij aanvragen voor dergelijke voorzieningen met een langere levensduur is vanwege het meerjarige cyclus sprake van enige 1
Als verbruiksgerelateerde voorzieningen worden aangemerkt de regelingen: Meedoen-, Sport- en recreatie, VVE, Participatie, compensatie zorgkosten, financiële tegemoetkoming chronisch zoeken, waardebonnen. 2 De gebruiksgerelateerde voorzieningen zijn: de computer-regelingen en de regeling duurzame gebruiksgoederen.)
egalisatie van incidentele fluctuaties (zowel aan de uitgaven- als de inkomenskant). Daarentegen is er wel sprake van cumulatie van de effecten vanwege die meerjarigheid. Vanwege deze omstandigheden zijn er voor ons geen of aanwijsbare redenen om geen hogere (of lagere) inkomensgrens te hanteren. Noot: In algemene zin blijven we een inkomensgrens hanteren voor onze regelingen. Er kunnen zich echter situaties voordoen waarin de toepassing van de regels leidt tot een kennelijke onbillijkheid die niet past bij het doel waarvoor de regeling is gemaakt. Denk bijv. aan een bewindvoerder die door persoonlijke omstandigheden niet tijdig een aanvraag indient waardoor de aanspraak van de inwoner daarop wegens termijnoverschrijding is vervallen. Door het opnemen van een hardheidsclausule in onze beleidsregels hebben wij de bevoegdheid om uitsluitend ten gunste van de inwoner af te wijken van de regeling. Het gaat daarbij uiteraard om individueel maatwerk.
3.2.3 De vermogensgrenzen Het “vermogen” wordt gevormd door zowel geld als goederen. Een deel van het vermogen kan echter niet (direct) aangewend worden voor betalingsverplichtingen of de aankoop van essentiële zaken, ook al zijn sommige vermogensbestanddelen tot bepaalde hoogte vrijgesteld. Het toepassen van termen zoals “vrij besteedbaar vermogen” en “liquide middelen” is echter juridisch onvoldoende objectief. Ook het definiëren van een extra vrijlatingsbedrag van het vermogen als “passend bedrag voor verduurzaming” of “woningaanpassing” voldoet niet aan het objectiveringsbeginsel. Daarmee is het niet voldoende passend binnen de regelgeving (juridisch onhoudbaar). Door de vermogensgrenzen binnen ons beleid hoger vast te stellen dan de door het Rijk gepubliceerde normen, kan hiermee de “onbesteedbaarheid” van een deel van het vermogen worden ondervangen. Wij vinden het verantwoord om binnen ons lokaal minimabeleid te kiezen voor een tweetal vermogensgrenzen, t.w. o een vermogensgrens van 125%voor verbruiksgerelateerde voorzieningen 3 en o een vermogensgrens van 100%voor gebruiksgerelateerde voorzieningen 4 Ook hier plaatsen we de opmerking dat er géén vermogensgrens zal worden gehanteerd voor die situaties waarbij sprake is van een door de gemeente bekostigd schuldhulpverleningstraject.
Immers niet alleen het inkomen maar ook het vermogen vormt onderdeel van de oplossing voor de complexe financiële situatie van de inwoner. overwegingen: 1. Vermogensgrens verbruiksgerelateerde voorzieningen: aangezien een deel van het vermogen veelal niet of minder snel voor handen is (het wordt bijv. gevormd door de dagwaarde van de 2e hands auto boven het vrijlatingsbedrag) en verbruiksgerelateerde vergoedingen jaarlijks terugkerend zijn, heeft de aanvrager minder mogelijkheden tot het vrijmaken of vergroten van het vrije vermogens deel. Dit rechtvaardigt om bij aanvragen voor een verbruiksgerelateerde vergoeding een hogere vermogensgrens toe te passen. 2. Vermogensgrens gebruiksgerelateerde voorzieningen: aangezien het hier gaat om voorzieningen die slechts eenmaal in de 3, 4 of 5 jaren kunnen worden aangevraagd, heeft aanvrager meer mogelijkheden tot het realiseren van een vrij besteedbaar deel van het vermogen (door bijv. extra te sparen). 3.2.4 De Vergoeding naar soort en aard Het getuigt van bestuurlijke moed om te blijven staan achter de keuzes die eerder zijn gemaakt. Het geeft de inwoners daarnaast het vertrouwen dat ze op haar gemeentebestuur kan blijven rekenen (dat die er voor haar/hem/hen is). Dat wil niet zeggen dat alles daarom maar hetzelfde moet blijven. Nuancering en bijstelling op grond van veranderde 3
Als verbruiksgerelateerde voorzieningen worden aangemerkt de regelingen: Meedoen-, Sport- en recreatie, VVE, Participatie, compensatie zorgkosten, financiële tegemoetkoming chronisch zoeken, waardebonnen. 4 De gebruiksgerelateerde voorzieningen zijn: de computer-regelingen en de regeling duurzame gebruiksgoederen.)
omstandigheden en inzichten moet altijd mogelijk zijn. Vanuit de gedachte “behouden wat goed is en verbeteren waar het kan” hebben wij gekozen voor de volgende uitgangspunten: o Wij verstrekken normatieve vergoedingen; o Bestedingsverplichting; de vergoeding moet worden besteed aan het doel waarvoor het wordt ontvangen; o De normvergoeding voor een kind (0 tot 18 jaar) is 1,5x de normvergoeding voor een volwassene; o de vergoeding is gebaseerd op samenstelling van het huishouden (bedrag per gezinslid) en o een ontvangen normvergoeding is niet overdraagbaar. overwegingen: 1. Normatieve vergoedingen: Binnen het minimabeleid worden normvergoedingen vastgesteld die geacht worden voldoende compensatie te bieden voor de werkelijke kosten van de genoemde voorziening. Hiermee wordt voorkomen dat aanvrager met een toekennende beschikking achteraf een declaratie moeten indienen voor de gemaakte kosten. 2. Bestedingsverplichting: De normvergoeding strekt ter dekking van de kosten die worden gemaakt. De toekenningsbrief bevat dan ook een zogeheten bestedingsverplichting waaraan moet worden voldaan. 3. Kind van 0 tot 18 jaar telt voor 1,5: Vanwege het belang van een goede sociale, emotionele of fysieke ontwikkeling wordt aan thuiswonende kinderen onder 18 jaar binnen ons beleid een zwaarder gewicht toegekend. Dit komt tot uitdrukking door het toekennen van een hogere vergoeding.
Hiervan kan worden afgeweken als binnen de regeling uitsluitend een vergoeding kan worden toegekend voor het aantal thuiswonende kinderen tot 18 jaar. 4. Vergoeding is gerelateerd aan gezinssamenstelling: bepalend voor de samenstelling van het huishouden van de aanvrager is de inschrijving op het woonadres op het moment van de aanvraag. De inschrijving bepaalt daarmee – voor een deel – ook de hoogte van de vergoeding waarop mogelijk recht bestaat. 5. Vergoeding is niet overdraagbaar: in afwijking van voorheen worden de vergoedingen persoonsgebonden. Dat betekent dat binnen een gezin/huishouden geen (gedeeltelijke) overdracht van de vergoeding kan plaatsvinden. Hiermee wordt beoogd dat de vergoeding die wordt ontvangen, moet worden aangewend voor het doel én ten behoeve van de persoon voor wie de vergoeding is toegekend. Noot: Het bijzondere karakter van de regeling Waardebonnen maakt dat het beginsel “niet overdraagbaar” niet kan worden gewaarborgd (oncontroleerbaar). 3.2.5 De hoogte van de vergoedingen Bij het bepalen van de hoogte van de normatieve vergoedingen gaan wij vanaf 2024 uit van de volgende uitgangspunten: o normatieve vergoedingen worden jaarlijks geïndexeerd (cijfers loon-prijsontwikkeling Begrotingsbrief), voor het eerst m.i.v.
1-1-2025; o verbruiksgerelateerde 5 normvergoeding wordt afgerond op een bedrag van € 5,- naar boven; o gebruiksgerelateerde 6 normvergoeding wordt afgerond op een bedrag van € 25,- naar boven; o normvergoeding gebruiksgerelateerde vergoeding is gebaseerd op gemiddelde aanschafwaarde; o voor gelijke doelen worden gelijke vergoedingen vastgesteld; o Voorbehoud algemeen financieel beleid. 5
Als verbruiksgerelateerde voorzieningen worden aangemerkt de regelingen: Meedoen-, Sport- en recreatie, VVE, Participatie, compensatie zorgkosten, financiële tegemoetkoming chronisch zoeken, waardebonnen. 6 De gebruiksgerelateerde voorzieningen zijn: de computer-regelingen en de regeling duurzame gebruiksgoederen.)
overwegingen: 1. Indexatie: de vergoedingen die op basis van het minimabeleid kunnen worden verstrekt, worden per 1 januari van het jaar aangepast aan het indexatiecijfer voor prijsontwikkeling dat wordt toegepast voor de Gemeentebegroting (vaststelling Voorjaarsnota medio het kalenderjaar voorafgaand). Per 1-1-2024 worden de bedragen vastgesteld die vervolgens als uitgangswaarde dienen voor de aanpassing per 1-1-2025. Noot: Het bijzondere karakter van de regeling Waardebonnen maakt dat hier geen sprake kan zijn van indexatie. De vouchers hebben immers een vaste waarde van € 25,Desgewenst / indien noodzakelijk vindt bijstelling plaats van het aantal vouchers waarop recht bestaat. 2. Afronding verbruiksgerelateerde vergoeding: deze normvergoedingen worden naar boven afgerond op € 5,-- naar boven. Daarbij wordt uitgegaan van het niet-afgeronde normbedrag van het voorafgaande jaar (T-1) verhoogd met het indexatiecijfer. 3. Afronding gebruiksgerelateerde vergoeding: ook deze vergoeding wordt naar boven afgerond maar dan op een veelvoud van € 25,-. Ook nu weer wordt als basis genomen het niet-afgeronde bedrag van het voorafgaande kalenderjaar (T-1)verhoogd met het indexcijfer voor prijsontwikkeling. 4.
Gemiddelde aanschafwaarde: voor de vergoedingen die worden verstrekt voor de aanschaf van computer of een ander duurzaam gebruiksgoed wordt aansluiting gezorgd bij de gemiddelde aanschafwaarde van toestel van gemiddelde kwaliteit. 5. Gelijke doelen + gelijke groepen = gelijke vergoedingen: daar waar sprake is van gelijke doelen voor gelijke doelgroepen worden gelijkluidende bedragen toegekend. 6. Voorbehoud: De financiële positie van de gemeente kan noodzaken tot het niet of niet volledig door vertalen van het indexatie-principe voor het daaropvolgende kalenderjaar. Een besluit daartoe zal – vanwege de uitvoeringsactiviteiten die daaruit voortvloeien – genomen moet worden gelijktijdig met het vaststellen van de Voorjaarsnota en de daarin benoemde kaders en uitgangspunten voor het daaropvolgende begrotingsjaar (uiterlijk medio juli). Wanneer eerst bij de behandeling van de Begroting (in de 1e helft van november) het besluit wordt genomen tot het niet (of gewijzigd) toepassen van de indexatie, worden deze in het jaar T+1 toegepast (voorbeeld: november 2025 besluit tot wijziging indexatiecijfer anders dan benoemd in de Voorjaarsnota voor 2026 – doorwerking eerst per 1-1-2027).
3.2.6 Frequentie van de vergoeding Naast de uitgangspunten over de hoogte van de vergoeding (en hoe die tot stand komt) hebben we ook uitgangspunten geformuleerd die betrekking hebben op frequentie van uitbetaling. Daarbij gaan we uit van: o vergoedingen worden verstrekt per kalenderjaar; o de verbruiksgerelateerde 7 normvergoeding wordt jaarlijks verstrekt; o de verbruiksgerelateerde normvergoeding is gebaseerd op aantal volle maanden inwonerschap; o gebruiksgerelateerde 8 normvergoeding wordt periodiek verstrekt gerelateerd aan de (gemiddelde) economische levensduur; o we behouden een uitzonderingspositie voor de regeling VVE. Argumenten/overwegingen: 1. Vergoedingen per jaar: uit kostenbesparende overwegingen worden vergoedingen verstrekt op kalenderjaarbasis. Dit betekent dat er geen additionele administratie behoefte te worden gevoerd met betrekking tot overlopende verstrekkingen. Dit sluit ook aan bij het kasstelsel dat door de gemeente (en onze uitvoeringspartner) wordt gevoerd. 7
Als verbruiksgerelateerde voorzieningen worden aangemerkt de regelingen: Meedoen-, Sport- en recreatie, VVE, Participatie, compensatie zorgkosten, financiële tegemoetkoming chronisch zoeken, waardebonnen. 8 De gebruiksgerelateerde voorzieningen zijn: de computer-regelingen en de regeling duurzame gebruiksgoederen.)
2.
3.
4.
5.
Verbruiksgerelateerde normvergoeding: de vergoedingen die nu worden verstrekt aan inwoners ter (gedeeltelijke) compensatie van de kosten van Meedoen, Maatschappelijke participatie, Sport- en recreatie, Compensatie zorgverzekering, Financiële Compensatie chronisch zieken en de waardebonnen blijven verstrekt worden op jaarbasis. Het moment van aanvraag is niet bepalend voor recht op de vergoeding waarop aanspraak wordt gemaakt. Hoogte van de verbruiksgerelateerde normvergoeding op basis van aantal (volle) maanden inwoner-schap: bepalend voor de hoogte van de vergoeding waarop recht bestaat, is afhankelijk van de duur van het inwoner-schap van de aanvrager of de persoon waarvoor de vergoeding wordt aangevraagd. De hoogte wordt gebaseerd op het aantal volle maanden. Ter illustratie: is men op 1 januari van het aanvraagjaar ingeschreven dan bestaat recht op een volle vergoeding (voor 12 maanden). Staat de aanvrager pas inschreven per 13 september van het aanvraagjaar dan bestaat recht op een vergoeding voor de resterende 3 maanden (okt. t/m dec.). Niet bepalend is dus de aanvraagdatum. Noot: voor de regeling Waardebonnen geldt een afzonderlijke bepaling.
Inwoner-schap en gezinssamenstelling op 1 januari van het kalenderjaar zijn bepalend voor het recht én de hoogte van de vergoeding (inkomende verhuizers en gezinsverandering gedurende het kalenderjaar spelen dus niet langer een rol). Gebruiksgerelateerde vergoedingen: de gehanteerde afschrijvingstermijn / aanvraagcycli voor computers (PO + VO/MBO/HBO) en duurzame gebruiksgoederen (witgoed), welke nu al gerelateerd zijn aan de economische levensduur, zijn passend en blijven ongewijzigd. Dit betekent voor: o een gezinscomputer (kinderen in het PO): 1 x per 5 jaar o Een computer voor de leerling VO-MBO-HBO: 1 x per 4 jaar o Een verstrekking op grond van de regeling duurzame gebruiksgoederen: 1 x per 3 jaar. Uitzonderingsbepaling: De vergoeding voor VVE wordt verstrekt gedurende de periode waarop aanspraak bestaat (max. 24 maanden). Hierbij is sprake van vergoeding van de werkelijke meerkosten.
3.2.7 De uitvoering De uitvoering van onze lokale minima-regelingen wordt verzorgd door Werkzaak Rivierenland. Het betreft hier uitsluitend het behandelen van de ingekomen aanvragen van inwoners. Uitvoeringsonderdelen zoals communicatie over de regels vindt plaats binnen de eigen organisatie. Om er voor te zorgen dat onze regels ten volle uitgenut worden de inwoners die daarop zijn aangewezen, zijn enkele uitvoeringsuitgangspunten geformuleerd. Deze zijn: o De inkomens- en vermogensgrens worden bepaald volgens de referte-methodiek; o Een vergoeding wordt verstrekt op basis van vertrouwen; o De uitvoering wordt zo optimaal mogelijk ingericht (efficiënt + effectief); o De communicatie is "inwoner" gericht; o We zetten ook in op de medewerking van (keten)partners voor communicatie over minimabeleid. overwegingen: 1. Referteperiode: Bij een referteperiode wordt het gemiddeld netto-maandinkomen over de 3 maanden voorafgaand aan de datum van de aanvraag als uitgangspunt genomen (en niet het netto-maandinkomen op de datum van de aanvraag). Dit geeft een betrouwbaarder beeld van het inkomen/vermogen van de klant. Er is minder sprake van beïnvloeding door eenmalige omstandigheden. 2. Vertrouwen: Het verstrekken van vergoedingen op basis van vertrouwen en het achteraf steekproefsgewijze controleren van de bestedingen levert een enorme tijdsbesparing op in de uitvoering.
Maar nog belangrijker is dat we uitgaan van het “goede van de mens”. De al jaren door - met name de landelijke overheid – gehanteerde politiek van
3.
4.
5.
4.
wantrouwen (denk maar aan bijv. de Kinderopvangtoeslagaffaire), is uiterst desastreus voor het vertrouwen van de inwoner in een betrouwbare en eerlijke overheid. Uitvoeringsproces efficiënt en effectief: in samenspraak met de uitvoerder (Werkzaak Rivierenland) kijken we meerdere malen per jaar of en zo ja, op welke wijze de uitvoering zo efficiënt en effectief mogelijk kan worden ingericht. Dit doen we op zowel uitvoeringsniveau als tenminste 2 maal per jaar door bestuurlijk met elkaar het onderwerp te bespreken. Nadrukkelijk betrekken we daarbij ook de mogelijkheden van de ambtshalve / categoriale toekenningen (collectief toekennen van een voorziening omdat de relevante info toch al bekend is bij de uitvoerder). Communicatie: Op dit moment wordt richting inwoners vooral gecommuniceerd door middel van de inzet van publicaties en social media. De gemeentelijke website bevat basisinformatie over ons beleid. De gemeentelijke website zal – na vaststelling nieuwe beleid – inhoudelijk worden vernieuwd en met van aanvullende informatie worden voorzien (o.a. opnemen inkomens- en vermogensgrenzen, aanpassing teksten naar A2 c.q. B1, etc.). Daarnaast zal door het jaar heen informatie worden verstrekt om daarmee een hausse-periode aan aanvragen te voorkomen. Daarnaast kijken we welke andere instrumenten ingezet kunnen worden om inwoners te informeren en ondersteunen.
Uiteraard wordt daarbij ingespeeld op de signalen en suggesties die wij ontvangen. Inzet ketenpartners: Natuurlijk wordt via enkele ketenpartners (zoals Sterker en Sociom) mondeling informatie verstrekt over ons beleid. Door andere ketenpartners (er zijn er velen afhankelijk van de doelgroep) te betrekken bij voorlichting over ons beleid (bijv. via een publicatie in een lokaal of ledenbulletin, link op hun website, etc.), willen we meer bekendheid geven (en hopelijk een hoger bereik behalen).
Beeld van de uitvoering
Om u een duidelijk beeld te geven van wat de uitgangspunten gaan betekenen voor onze inwoners, treft u bij deze notitie een bijlage (nr. 2) aan. Daarin is een eerste grove schets gegeven van de vertaling van het beleidskader naar de uitvoeringsregelingen. In de bijlage zijn de bestaande regelingen geplaatst tegenover de beoogde nieuwe regelingen per 1-12024. Hierdoor wordt voor u snel zichtbaar wat de uitgangspunten betekenen. Verdwijnen er regelingen of worden die samengevoegd? Wat wordt nu de inkomensgrens (en wat was die)? Blijft de vergoeding voor een duurzaam gebruiksgoed gelijk of verandert er wat? Wanneer komt een inwoner in aanmerking voor de verstrekking van waardebonnen en welke waarde ontvangt die dan? We maken hierbij nadrukkelijk het voorbehoud dat de nadere invulling nog moet worden getoetst (zowel aan de uitvoering als juridisch). Dat betekent dat hierin nog wel veranderingen kunnen optreden. Het is zeker niet eenvoudig om alle kosten te voorspellen. Dit komt o.a. door het feit dat m.b.t. de regeling Maatschappelijke Participatie nog geen referentiecijfers (uit voorgaande jaren) bekend zijn. Ook speelt het zogeheten bereik een belangrijke rol. Lang niet iedereen die mogelijk recht heeft, maakt daarvan gebruik door het indienen van een aanvraag. Daarnaast moeten we werken met CBS-cijfers die niet altijd uitputtend en actueel zijn.
Ondanks al deze beperkingen hebben we op basis van de bekende historische cijfers een doorrekening gemaakt van de kosten van onze nieuwe beleidskader. Deze is als bijlage 3 aan deze notitie gevoegd.
5.
Afsluiting
In paragraaf 3 hiervoor hebben we op basis van de gedeelde informatie en onze bestuursfilosofie een set van uitgangspunten voor ons lokaal minimabeleid verwoord. Daarmee is – naar onze mening - een samenhangend en consistent beleidskader tot stand gekomen. De nadere uitwerking van deze uitgangspunten is nu aan ons.
Burgemeester en wethouders,
P.G. (Perry) Arissen gemeentesecretaris
V.M. (Vincent) van Neerbos burgemeester
Bijlage 1: Amendement A 2022-11 Raadsvergadering van 2 november 2022 Het amendement A 2022-11 van de heer Orlemans en de dames van Coolwijk (FD) en Schellekens (CDA) luidend: De Beslispunten in het raadsvoorstel aan te vullen met: De huidige armoederegeling voor 2023 eenmalig te verruimen: 1) De norm voor de armoederegeling voor 2023 te verhogen van 110% naar 120% van het bijstandsniveau. Het bijstandsniveau is exclusief de bedragen voor bijzondere bijstand en individuele inkomenstoeslag. Voor deze uitbreiding gelden niet de regelingen die er zijn voor duurzame gebruiksgoederen. 2) De doelgroep die momenteel in de regeling wordt uitgesloten alsnog aanspraak te laten maken op de regeling voor 2023. Deze doelgroepen betreft: - alleenstaanden én gehuwden/samenwonenden zonder kinderen - alleenstaanden én gehuwden/samenwonenden met kinderen jonger dan 4 jaar - alleenstaanden én gehuwden/samenwonenden met kinderen boven de 18 jaar 3) Voor de maatregelen onder 1 en 2 een eenmalig budget beschikbaar te stellen van € 125.000 (inclusief uitvoeringskosten) en deze ten laste te brengen van het begrotingsresultaat 2023 en daartoe de programmabegroting 2023 gewijzigd vast te stellen. 4) In het eerste kwartaal van 2023 samen met de Raad tot nieuw beleid te komen met als doel de armoede regeling goed te laten aansluiten op de doelgroepen die de ondersteuning daaruit nodig hebben.
is met 15 stemmen vóór (FD VVD en CDA) en 2 stemmen tegen aangenomen.
Bijlage 2: Schets van de uitwerking van de uitgangspunten naar beleidsregel(s)
Huidige regelingen Naam: Doelgroep Meedoen
Gezinnen met kinderen 4-18 jr
Gezinnen met kinderen 4-18 SHV
Maatschappelijke participatie
Sport en recreatie
Huishoudens die niet vallen onder de Meedoenregeling
Nieuwe regelingen Naam doelgroep
Inkomens -grens 120%
Vermogens -grens 100%
Vergoeding
120%
100%
€ 125,- per gezinslid
Gezinnen met kinderen 018 SHV
€ 125,- per gezinslid
Huishouden 120% s die niet vallen onder de Meedoenregeling / Gezinnen met kinderen 18+ SHV Kinderen van 0 tot 18 jaar /
120%
100%
€ 125,- per gezinslid
Gezinnen met kinderen 18+ SHV
120%
100%
€ 125,- per gezinslid
Kinderen van 4 tot 18 jaar
120%
100%
€ 350,- per kind
Gezinnen met kinderen 4-18 SHV
120%
100%
€ 350,- per kind
Participatie Hierin gaan op de regelingen Meedoen, Maatsch. Participatie en Sport & Recreatie)
Gezinnen met kinderen 018 jr /
Gezinnen met kinderen 018 SHV
Inkomens -grens 120%
Vermogens -grens 125%
n.v.t.
n.v.t.
125%
Vergoeding € 175,- per kind 0-18 en € 125,- voor gezinsleden 18+
€ 175,- per kind 0-18 en € 125,- voor gezinsleden 18+ € 125,- per gezinslid
n.v.t.
n.v.t.
€ 125,- per gezinslid
120%
125%
€ 350,- per kind
n.v.t.
n.v.t.
€ 350,- per kind
Computer PO
Computer VO/MBO
VVE
Collectieve zorgverzekering
Kinderen basisonderwij s Gezinnen met kinderen 4-18 SHV
110%
110%
100%
100%
€ 400,- per gezin
Computer PO (Blijft afzonderlijk)
€ 400,- per gezin
€ 600,- per kind
Leerlingen VO-MBO
110%
100%
Gezinnen met kinderen 4-18 SHV
110%
100%
Kinderen van 2 tot 4 jaar
120%
100%
Werkelijke kosten
Gezinnen met kinderen 2-4 SHV
120%
100%
Werkelijke kosten
Huishoudens met gezinsleden 18+
120%
100%
€ 215,- per gezinslid
Gezinnen met kinderen 18+ SHV
120%
100%
€ 215,- per gezinslid
Computer VO/MBO (Blijft afzonderlijk)
VVE (Blijft afzonderlijk)
Compensatie zorgkosten Hierin gaan op de regelingen Collectieve zorgverzek. en Financiële tegemoetk. Chronisch zieken
Kinderen basisonder wijs Gezinnen met kinderen 18+ SHV
120%
n.v.t.
100%
n.v.t.
€ 400,- per gezin € 400,- per gezin
Leerlingen VO-MBO
120%
100%
€ 600,- per kind
Gezinnen met kinderen 18+ SHV
n.v.t.
n.v.t.
€ 600,- per kind
Kinderen van 2 tot 4 jaar / Gezinnen met kinderen 24 SHV
120%
125%
Werkelijke kosten
n.v.t.
n.v.t.
Werkelijke kosten
Huishouden s met gezinsleden 18+ /
120%
125%
€ 250,-
Gezinnen met kinderen 18+ SHV
n.v.t.
n.v.t.
€ 250,-
FTCZ
Chronisch zieken en gehandicapte n
120%
100%
€ 215,- per gezinslid
Duurzame gebruiksgoed. (Witgoed)
Huishoudens
110%
100%
€ 500,- per gezin
Gezinnen met kinderen 4-18 SHV
110%
100%
€ 500,- per gezin
Gezinnen met kinderen 4-18
120%
n.v.t.
Chronisch zieken en gehandicapte n
120%
n.v.t.
Gezinnen met kinderen 4-18 SHV
120%
n.v.t.
€ 100,-- per kind met een minimum van € 150,-per gezin / huishouden van € 100,-per chronisch zieke / gehandicapt e € 100,-- per kind
Gezinnen met gezinsleden 18+ SHV
n.v.t.
n.v.t.
Waardebonnen
Geen vergoeding
Toelichting / opmerkingen / etc.: o Zo mogelijk worden alle afzonderlijke beleidsregels opnieuw geordend;
Chronisch zieken en gehandicapt en
120%
125%
€ 100,-extra bovenop de € 250,-
Duurzame gebruiksgoed. (Witgoed) (Blijft afzonderlijk)
Huishouden s
120%
100%
€ 500,- per gezin
Gezinnen met kinderen 018 SHV
n.v.t.
n.v.t.
€ 500,- per gezin
Waardebonnen (Blijft afzonderlijk)
Gezinnen met kinderen 018
120%
125%
€ 75,-- per kind van 0 tot 18
Chronisch zieken en gehandicapt en
Niet langer recht op waardebonnen
Gezinnen met kinderen 018 SHV
n.v.t.
n.v.t.
Gezinnen met gezinsleden 18+ SHV
n.v.t.
n.v.t.
€ 75,-- per kind van 0 tot 18 en € 50, -medegezinslid 18+ € 50, - pergezinslid 18+
o o o o o
o
o o
Regels met gelijke kleur worden samengevoegd tot 1 nieuwe beleidsregel. We gaan dus terug tot ca. 6 á 7 regelingen. Of di took mogelijk is, hangt mede af van een uitvoeringstoets die zal worden toegepast; Onderscheid in kinderen (jonger dan 4 jaar of tussen de 4 tot 18 jr.) vervalt; Gezinnen in de SHV (gemeente bekostigd traject) voldoen altijd aan inkomens-/vermogensgrens (geen draagkrachtbepaling); Normbedragen voor Meedoen-regeling (oud) verhoogd wanneer het een kind betreft tussen 0-18. Normbedrag voor 18+ (oude regeling maatsch. Participatie) blijft gelijk; in het college-akkoord is afgesproken dat ook “stimuleren van sportbeoefening voor volwassenen” een belangrijk speerpunt is. In de huidige (alleen voor 2023) vastgestelde beleidsregel “Maatschappelijke“ participatie ligt de focus op sociale, culturele en/of educatie activiteiten (en dus niet op sportactiviteiten). Door deze bestemmingsgrond toe te voegen, liggen de regelingen Meedoen, maatschappelijke participatie en Sport- en recreatie sterk in elkaars verlengde. Het samenbrengen van regelingen tot één lijkt daarmee voor de hand te liggen; In de regeling Maatschappelijke Participatie telt voor het bepalen van de inkomens- en vermogensgrens het inkomen en vermogen van de 18 jaar en oudere inwonende gezinsleden mee (gezamenlijk gezinsinkomen/-vermogen). Hierbij doen zich meerdere problemen voor.
Ten eerste: het niet aanleveren van de benodigde gegevens van de meerderjarige gezinsleden. Gevolg: aanvraag moet buiten behandeling worden gesteld); Ten tweede: de grensbedragen die in de P-wet worden gesteld. In de P-wet wordt gewerkt met een bijstandsnorm voor een gezin met kinderen en daarnaast een jongerennorm voor 18 tot 21 jaar en een kostendelersnorm voor 21 tot 27 jr. Het toepassen van een gezamenlijke inkomensgrens van 120% van de bijstandsnorm betekent vrijwel altijd dat het “gezamenlijk gezinsinkomen” uit komt boven het grensinkomen. Het beschouwen van de inwonende gezinsleden van 18+ als zelfstandige aanvrager lost dit probleem niet op. Gevolg: wel aanvragen maar vrijwel altijd een afwijzing; Ten derde: Ouders zijn verantwoordelijk voor de verzorging en opvoeding van hun kinderen. Deze financiële verantwoordelijkheid staat in de wet en wel als volgt: - Kind tot 18 jaar: Ouders betalen kosten van verzorging en opvoeding; - Kind van 18 jaar tot 21 jaar: Ouders betalen kosten van levensonderhoud en studie. Dit bemoeilijkt ook de uitvoering van de huidige regeling. Juridisch is hier geen mouw aan te passen. Er zijn enkele uitvoerbare oplossingen: 1. het niet meetellen van het inkomen/vermogen van alle medegezinsleden boven de 18 jaar.
Hiermee doen we recht aan het uitgangspunt dat iedereen mee kan doen maar dan kan wel de situatie ontstaan dat een gezamenlijk gezinsinkomen uitkomt boven de inkomens/vermogensgrens omdat uitsluitend gekeken wordt naar het inkomen/vermogen van het hoofd van het gezin; 2. bij het bepalen van een recht wordt uitsluitend gekeken naar het inkomen/vermogen van de ouder(s) en voor medegezinsleden 18+ bestaat geen recht op een vergoeding en 3. iedereen van 18 jaar en ouder moet zelf een aanvraag indienen (ook het thuiswonende medegezinslid van 18 jaar en ouder). In dat geval kan er getoetst worden aan de jongerennorm (voor 18 tot 21 jaar), de kostendelersnorm (21 tot 27 jaar) en de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Wegens overschrijding van de inkomensgrens zal er vrijwel géén toekenning van een vergoeding plaatsvinden (loze bepaling); Wij kiezen voor optie 3. Deze oplossing doet het meest recht aan het principe van “iedereen doet mee”. Dit betekent dat medegezinsleden van 18 jaar en ouder een aanvraag voor zichzelf moet indienen en zijn/haar inkomen getoetst wordt aan de voor hem/haar van toepassing zijnde inkomensnorm.
Hiermee voorkomen we dat ouders die met hun inkomens zitten beneden de inkomensgrens van 120% van de bijstandsnorm uitgesloten worden van de regeling omdat hun meerderjarige zoon of dochter een inkomen heeft; Regeling VVE blijft ongewijzigd; Regelingen Compensatie zorgverzekering en Financiële tegemoetkoming Chronisch zieken herijken. Voor beide regelingen geldt nu al dat aan de inkomens-/vermogensgrens moet worden voldaan. Als aan deze criteria wordt voldaan, krijgt de groep die niet chronisch ziek/gehandicapt is een bedrag op grond van Regeling zorgverzekering wanneer zij voldoen aan het criterium ”basisverzek. + aanvulling” of “basisverzek. + aantoonbare niet vergoede zorgkosten boven € 385,-“. Degenen die aan de inkomens-/vermogenstoets voldoen en voldoen aan het criterium “chronisch
o
ziek/gehandicapt” krijgen het bedrag op grond van de regeling Financ. Tegemoetk. (géén eis voor aanvullende zorgverzek. of aantoonbare niet vergoede zorgkosten). 1. Proces: voldoen aan inkomens-/vermogensgrens: ja 2. Heeft u: a. basisverzek. + aanvulling of b: basis + aantoonbare zorgkosten boven € 385,- of c. bent u chronisch ziek/gehandicapt: 3. Bij een ja onder a en/of b (maar niet onder c) dan een vergoeding van € 250, (ca. 65% ER) en bij een ja onder vraag c (en mogelijk ook onder a en b maar niet verplicht) dan een bedrag van € 350,- (ca. 90% ER); Regeling Waardebonnen wordt aangepast. De oorspronkelijke doelgroep (gezinnen met kinderen 4 tot 18 jaar) wordt verruimd met kinderen in de leeftijdsgroep 0 tot 4 jaar. Daarnaast gaat voor deze groep een vermogensgrens ingevoerd worden (max. 125%). De doelgroep chronisch zieken/gehandicapten valt niet langer onder deze regeling. Door de wijzigingen die worden doorgevoerd in de nieuwe regeling “compensatie zorgkosten” worden zijn op een andere meer passende wijze tegemoet gekomen. Toegevoegd wordt de groep gezinnen met kinderen onder 4 jaar en/of gezinsleden 18+ in de SHV (naast de gezinnen met kinderen 4 tot 18 jaar in de SHV). De bedragen worden aangepast (verhoogd en verlaagd). Er komt een bedrag per gezinslid waarbij het bedrag voor een 0 tot 18-jarige hoger is dan het dag voor een gezinslid 18+.
Niet als gezinslid 18+ worden aangemerkt de ouders/verzorgers. Zij hebben geen recht op een vergoeding. Het voorheen aanwezige minimumbedrag voor een gezin met kinderen vervalt. Daarnaast wordt gekeken naar de gezinssituatie op 1 januari (inkomende verhuizers en gezinsverandering gedurende het kalenderjaar spelen dus niet langer een rol).
Voorbeeld werking indexatie-methodiek: Voorjaarsnota 2022-2026 (Raad 7 juli 2022):
Basisbedrag € 175,€ 350,€ 400,-
Indexpercentage 2024 2,40% 2,40% 2,40%
Bedrag 2024 (niet afgerond)
Bedrag 2024 (afgerond)
€ 179,20 € 358,40 € 409,60
€ 180,€ 360,€ 425,-
Indexpercentage 2025 *1 2,50% 2,50% 2,50%
Bedrag 2025 (niet afgerond)
Bedrag 2025 (afgerond)
€ 179,20 + 2,50% = € 183,68 € 358,40+ 2,50% = € 367,36 € 409,60 = 2,50% = € 419,81
€ 185,€ 370,€ 425,-
*1 indexatie over niet-afgeronde bedrag voorafgaand jaar / indexatiecijfer wordt ieder jaar vastgesteld bij de Voorjaarsnota.
Bijlage 3: De kosten:
SAMENATTING: € 275.000
kosten bijz. Bijstand + IIT: (geen beleidswijzigingen) Minima-regelingen: Participatie Duurzame gebruiksgoederen Computers voor het PO Computers tot het VO/MBO Kinderopvang VVE Compensatie zorgkosten Waardebonnen
€ 161.250 € 20.000 € 7.000 € 11.000 € 1.000 € 65.000 € 21.500
€ 286.750 € 150.000
Uitvoeringskosten: Totaal:
€ 711.750
Bijlage 4: de planning o Beleidsontwikkelfase - Raad: Tot 1-7-2023 Uitwerking in concept-voorstel Overleg met / advies van Adviesraad Sociaal Domein Advies (intern) Overleg Fractiespecialisten Aanleveren college College: RTG: Raad: o Besluitvormingsfase - College: Na 1-7-2023 Advies (intern) Aanleveren college Vaststellen van beleidsregels door college Afstemming uitvoering per 1-12024 - eenmalige aanpassingen - wijziging processen Aanpassing (gemeentelijke) informatiebronnen Opstellen/ bijstellen communicatie(kalender)
Realiseren: Maart 2023 / april 2023 Maart 2023 / april 2023
Wanneer gereed: 14 april 2023 5 mei 2023 16 mei 2023 17 mei 2023 31 mei 2023 6 juni 2023 29 juni 2023 13 juli 2023
Realiseren:
Wanneer gereed: 11 okt 2023 25 okt. 2023 31-102023
November 2023
01-12-2023
Nov./dec. 2023
31-12-2023
December 2023
31-12-2023
o Uitvoeringsfase – Team Samenleving Na 1-1-2024 Realiseren: Communicatie Hele jaar 2024 rapportering
Wanneer gereed: n.v.t. September 2024