CConstaterende datWest Maas en Waal
Koppel je AI →
Document · PDF

5.2 Review onderzoek granuliet over de Maas (deel2-2)

Gemeenteraad 20 mei 2021, gemeente West Maas en WaalBij agendapunt: a. Ingekomen stukken college en raadscommissies/werkgroepen111.666 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 7

Ze baseren zich op de volgende data: • • •

De laagste NOEC waarde voor vis van 75 mg/l voor meerforel (Salvelinus namaycush) (Liber et al., 2005). De laagste NOEC waarde voor watervlooien van 0,5 mg/l voor Daphnia magna (Acharya et al., 2010). Voor algen (Chlorella sp.) is een EC10 waarde van 40 mg/l beschikbaar die is verkregen door lineaire extrapolatie (Harford et al., 2011).

De laagst beschikbare waarde (0,5 mg/L van D. magna) behoort tot de meest gevoelige groep (watervlooien) en er is data van drie trofische niveaus beschikbaar. Er wordt zodoende een beoordelingsfactor van 10 toegepast. Dit geeft, met het hanteren van de NOEC van Daphnia magna van 0,5 mg/l, een PNEC van 0,05 mg/l. In een eerdere studie door Harford et al. (2011) is op basis van eigen data, in combinatie met gegevens uit de literatuur een “species protection level” (soortbeschermingsniveau) afgeleid voor anionische PAM. Dit is een concentratie (in mg/L) waarbij een gespecificeerd percentage van de soorten in een aquatisch milieu geen effect ondervindt. Voor polyacrylamide ligt deze waarde (voor 99% soortbescherming) tussen de 0,1 mg/L (0 – 14, eigen data Harford et al.) en 0,03 mg/L (0 – 2, gecombineerde gegevens). Voor 95% soortbescherming is dit respectievelijk 1 mg/L (0-29) en 0,4 mg/L (0-7). Deze waardes vallen binnen twee ordes van grootte van de PNEC die is afgeleid door Gilda Dell’Ambrogio & Wong (2019). In de ecotoxicologie wordt dit als redelijk vergelijkbaar gezien. Eén van de eerste onderzoeken naar de chronische toxiciteit van polyacrylamide is uitgevoerd door Beim & Beim (1994). Zei stelden een negental soorten bloot aan anionische PAM voor een tijdsduur van 3 maanden.

In het onderzoek door Beim & Beim wordt niet uitgebreid ingegaan op de methodologie en worden de “endpoints” van de studie niet toegelicht. Zo worden in deze studie geen NOEC waardes afgeleid maar worden de resultaten uitgedrukt in “vital concentrations”. Wat deze precies inhouden is niet gedefinieerd maar het lijkt hierbij te gaan om een waarde die vergelijkbaar is met de later vaker gebruikte NOEC waarde. Uit het onderzoek door Beim & Beim komen vital concentrations die lager zijn dan de NOEC waardes zoals die door Gilda Dell’Ambrogio & Wong (2019) zijn gebruikt bij het afleiden van de PNEC. Voor D. manga (watervlo) werd een “vital concentration” van 0,01 mg/L afgeleid.

2 3

Technical Guidance Document on Risk Assessment Probit analyse

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

21 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Voor S. quadricauda (Alg) werd ook een “vital concentration” van 0,01 mg/L afgeleid. Voor P. phoxinus L. (vis) werd een “vital concentration” van 0,5 afgeleid. Wanneer deze “vital concentration” worden geïnterpreteerd als NOEC waardes kan met deze gegevens een PNEC worden afgeleid. Met toepassing van een beoordelingsfactor van 10 wordt dit een PNEC van 0,001 mg/L. Aangezien de methodiek in het onderzoek van Beim & Beim (1994) niet in detail is beschreven, het onderzoek inmiddels 26 jaar oud is en de gemeten eindpunten niet duidelijk zijn gespecificeerd wordt de PNEC van 0,001 mg/L niet als een betrouwbare waarde gezien (Harford et al., 2011). Een betrouwbare waarde wordt verkregen wanneer de, op het moment gangbare methodiek wordt gevolgd zoals door Gilda Dell’Ambrogio & Wong (2019) is gedaan. De PNEC wordt dan afgeleid op basis van de beschikbare NOEC waardes. Deze waardes komen uit recentere onderzoeken waarin de methodiek beter is beschreven en de uitkomsten betrouwbaarder zijn. Deze methodiek leidt tot een PNEC van 0,05 mg/L. Deze waarde kan worden geïnterpreteerd als een betrouwbare PNEC; de waarde waaronder geen effect wordt verwacht van anionische polyacrylamide op aquatische soorten.

2.5 Chemische analyses Polyacrylamide is niet een eenduidige stof, maar bestaat uit ketens met verschillende molecuullengte. Hierdoor is polyacrylamide minder makkelijk te analyseren. De meest gebruikte manier om de concentratie polyacrylamide te meten is de zetmeel-cadmium-iodide methode, waarbij de amide-groep wordt aangetoond door middel van verkleuring (Nyyssölä & Ahlgren, 2019b). De verkleuring wordt vervolgens vergeleken met een ijklijn via spectrofotometrie. Voor grond is deze methode niet geschikt omdat grond geen licht doorlaat. Een dergelijke methode is voor water bruikbaar onder gecontroleerde omstandigheden tijdens een laboratoriumonderzoek. Dit geldt ook voor andere indirecte methoden om polyacrylamide te meten, zoals bijvoorbeeld op basis op viscositeit, totaal organisch koolstof, troebelheid of een amide-gevoelige elektrode (Joshi & Abed, 2017). Voor milieuomstandigheden waarbij invloed is van (veel) achtergrondruis ten opzichte van de toegepaste concentraties is er geen geschikte methode bekend om de hoeveelheid van polyacrylamide in de grond of het water te analyseren. Dit is de reden waarom de meeste onderzoeken zich met betrekking tot polyacrylamide richten op het vrijkomen van acrylamide, wat wel goed en eenduidig analyseerbaar is.

2.6 Nevenverontreinigingen Van polyacrylamide is bekend dat het acrylamide als nevenverontreiniging kan bevatten. Acrylamide wordt gebruikt bij het productieproces van polyacrylamide, en het is vrijwel onmogelijk om 100% polyacrylamide te maken. Om het residuele acrylamide te verwijderen kan een zogenaamde “burn-off” toegepast worden. Dit kan vooral gebruikt worden bij de waterige oplossingen en emulsies, maar niet voor de vaste vorm. Bij de vaste vorm is het moeilijk om een residuele concentratie van minder dan 100 ppm (100 mg/kg = 0,1 g/kg = 0,01%) te bereiken. Verwachte residuele concentraties van acrylamide in polyacrylamide zijn 200-300 ppm (0,02-0,03%) (CIR expert panel, 2005; Touzé et al., 2015). Omdat acrylamide een substance of very high concern is (zeer zorgwekkende stof), moet het gehalte acrylamide in polyacrylamide minder zijn dan 0,1% in de Europese Unie.

Afbeelding B.3 Schematische weergave polyacrylamide (geel-blauw) en acrylamide (losse blauwe blokjes) in granuliet Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

22 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

In afbeelding B.3 is de (mogelijke) aanwezigheid van acrylamide in granuliet schematisch weergegeven. De blauw-gele lijnen zijn de polyacrylamide moleculen, welke de granulietdeeltjes samenbinden. Naast de polyacrylamide moleculen (welke deels uit acrylamide (blauw) bestaan en deels uit acrylaat (geel)) bevinden zich losse acrylamide moleculen, in een hoeveelheid van circa 0,03% in polyacrylamide (CIR expert panel, 2005; Touzé et al., 2015). Bij een dosering van circa 130 mg/kg d.s. polyacrylamide in granuliet zou dit theoretisch kunnen resulteren in een concentratie vrij acrylamide van ongeveer 40 µg/kg droge stof (d.s.). Bij onderzoek naar het gebruik van polyacrylamide bij een zand en grindwinning in Frankrijk (Touzé et al., 2015) is gekeken naar het vrijkomen van acrylamide in de praktijk. Bij deze winning werd 350-700 gram polyacrylamide per ton fijn materiaal gebruikt (bij het granuliet is de dosering een factor 3 tot 6 lager). In het waswater (recycling loop) werd 1-4 µg/l acrylamide gemeten. Dit kwam redelijk overeen met de berekende hoeveelheid van 3,6 µg/l (bij een concentratie acrylamide in polyacrylamide van 300 mg/kg). De residuele hoeveelheid acrylamide in het afgescheiden materiaal (vaste stof) was 2-26 µg/kg in het recente materiaal en 4-6 µg/kg in materiaal van 2 jaar oud.

Daarnaast zijn gehalten acrylamide in het polyacrylamide zelf gemeten van 141 en 246 mg/kg (fabrikant gaf aan; 295-340 mg/kg). De in dit artikel toegepaste hoeveelheden flocculant liggen hoger dan wat bij het granuliet wordt toegepast (ca 100 mg/kg polyacrylamide o.b.v. nat gewicht, ca 130 mg/kg o.b.v. droog gewicht). In 2019 heeft GIB onderzoek laten uitvoeren naar de aanwezigheid van acrylamide in het polyacrylamide wat zij gebruiken, en in een tweetal granulietmonsters. In alle drie de monsters is acrylamide niet boven de detectiegrens aangetroffen. Deze was 10 mg/kg (10 ppm = 0,001%) voor zowel het granuliet als voor de flocculant. Dit ligt ruim onder de 0,03% die over het algemeen wordt aangegeven voor polyacrylamide. Wel gaf de analyse de aanwezigheid van verschillende verzadigde koolwaterstoffen (wax) aan (Mommers, John; Snijkers, 2019). Op basis van literatuuronderzoek zou het kunnen dat er mogelijk meetbare gehalten acrylamide in water en in slib/granuliet aanwezig zijn. De gehalten liggen dan rond of onder de detectiegrens liggen (0,1 µg/l in water en 10 µg/kg in grond). De metingen in opdracht van GIB geven aan dat er waarschijnlijk geen meetbare gehalten in het milieu aan zullen worden getroffen. Dit dient in het tijdens het verificatie- en praktijkonderzoek geverifieerd te worden.

In de literatuur worden ook nog andere mogelijke nevenverontreinigingen genoemd in anionisch polyacrylamide, waaronder isobutyronitril (Murgatroyd et al., 1996) en hydroxypropionitril, wat een mogelijke nevenverontreiniging in de grondstof acrylamide is (Rijs et al., 1999; Murgatroyd et al., 1996), net als acrylonitril (Tepe & Çebi, 2019). De verwachting is dat deze verbindingen niet meetbaar aanwezig zijn in het granuliet, vanwege de lage concentraties (nevenverontreiniging van een nevenverontreiniging), hoge mobiliteit, snelle afbreekbaarheid en hoge detectiegrenzen.

2.7 Samenvatting polyacrylamide •

• •

• • •

Bij het afscheiden van granuliet uit de waterfase wordt gebruik gemaakt van anionisch polyacrylamide. Anionisch polyacrylamide is minder toxisch dan kationisch polyacrylamide. Mogelijke toxische effecten komen voort uit de fysische effecten (samenklittende werking) en/of door nevenverontreiniging met acrylamide. Uit de literatuur komt naar voren dat in polyacrylamide tot 0,03% acrylamide aanwezig kan zijn. Polyacrylamide kan afbreken in het milieu waarbij kortere ketens vrijkomen. Het vrijkomen van acrylamide is mogelijk, maar wordt niet waargenomen bij aerobe afbraak. Er is wel een aantal literatuurartikelen waarin gesproken wordt over ophoping van acrylamide in een anaerobe reactor onder geoptimaliseerde omstandigheden. Vorming van acrylamide onder milieuomstandigheden is hierdoor niet uit te sluiten, indien het optreedt, is de verwachting dat dit langzaam is vanwege de lagere temperaturen en geen optimale omstandigheden. Voor humane toxicologie zijn geen toetsingswaarden bekend voor polyacrylamide. Het wordt meestal beoordeeld aan de hand van de toxiciteit van de nevenverontreiniging acrylamide. De laagste relevante EC50 waarde is 14,6 mg/l voor algen (96u, anionische polyacrylamide op waterbasis). De laagste relevante NOEC waarde is 0,5 mg/L (32d, anionische polyacrylamide).

Voor ecotoxicologie wordt een PNEC (predicted no effect concentration) aangehouden van 0,05 mg/l (50 µg/l).

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

23 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

3. ACRYLAMIDE 3.1 Algemene omschrijving De belangrijkste toepassing van acrylamide in Europa is in de productie van polyacrylamides. In Europa wordt jaarlijks 150.000 – 200.000 ton acrylamide geproduceerd (EC, 2012), waarvan meer dan 99% gebruikt wordt voor de productie van polyacrylamides. Acrylamide ontstaat daarnaast bij het bereiden van bepaalde typen voedsel bij temperaturen boven 120 °C en bij lage vochtigheid. De hoogste gehalten acrylamide worden gevonden in koffie, koffievervangers en in gefrituurde aardappelproducten (EFSA, 2015). Voedsel is de belangrijkste blootstellingsroute voor de mens voor acrylamide. Acrylamide is geclassificeerd als zeer zorgwekkende stof (SVHC in REACH) vanwege de CMR-eigenschappen (carcinogeen, mutageen en reproductie). Zoals eerder genoemd kan acrylamide op twee manieren een aandachtspunt zijn bij het gebruik van polyacrylamide als flocculant; (1) het is nog als nevenverontreiniging van de productie aanwezig in het polyacrylamide en (2) het kan mogelijk ontstaan bij de afbraak van polyacrylamide. Hieronder wordt de beschikbare informatie over acrylamide verder besproken.

3.2 Fysische en chemische eigenschappen Tabel B.5 Fysische en chemische eigenschappen acrylamide (EPI Suite, pubchem) (ECHA, 2011)

Eigenschap

Waarde

CAS-nummer

79-06-1

Molmassa

71,08 gram per mol

Oplosbaarheid

390.000 mg/l (390 g/l) bij 25 °C

Smeltpunt

84,5 °C

Kookpunt

192,6 °C

Log Kow (verdeling coëfficiënt octanol/water)

-0,67

Dampdruk

0,007 mm Hg

Henry constante

1,7 x 10-9 atm.m3/mol

Reactiesnelheid hydroxylradicalen

3,3 x 109 M-1s-1

De fysische en chemische eigenschappen van acrylamide geven aan dat acrylamide goed oplosbaar is in water. Het adsorbeert niet of nauwelijks aan grond vanwege de lage Log Kow (de log Kow geeft de verdeling van de verbinding over octanol en water aan. Hoe meer de verbinding in octanol gaat zitten, hoe meer de verwachting is dat de verbinding in de bodem aan organische stof bindt. Dit is hier niet het geval). Daarnaast is de dampdruk laag (lage vervluchtiging) en de oplosbaarheid hoog. Deze twee tezamen resulteren in een lage Henryconstante, wat de verdeling over lucht en water aangeeft. Acrylamide is dus niet vluchtig en vervluchtigt ook niet vanuit water. In de tabel is ook de reactiesnelheid met hydroxylradicalen weergegeven. Deze is hoog, en geeft aan dat acrylamide gemakkelijk geoxideerd kan worden.

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

24 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

3.3 Gedrag in het milieu Sorptie en mobiliteit

Door de hoge oplosbaarheid en de lage adsorptie aan de bodem is acrylamide zeer mobiel in het milieu. Indien aanwezig zal het makkelijk uit het granuliet / polyacrylamide kunnen oplossen in het omringende water. Het hecht niet aan bodemdeeltjes en zal met de grondwater- of oppervlaktewaterstroming meebewegen. Een mogelijke beperking van het oplossen van acrylamide vanuit het polyacrylamide en het granuliet zou kunnen zijn dat polyacrylamide grote vlokken vormt, waar weinig beweging van water in plaatsvindt.

Afbraak acrylamide

Meerdere studies geven aan dat acrylamide in bodem, sediment en watersystemen kan worden afgebroken tot ammonium en acrylzuur, wat vervolgens afbreekt tot koolstofdioxide en water, in een periode van dagen tot maanden (Joshi & Abed, 2017; Xiong et al., 2018). In watersystemen treedt afbraak op binnen twee weken. Daarentegen duurt de afbraak van acrylamide in kraanwater langer, tot enkele maanden (Xiong et al., 2018), wat waarschijnlijk komt door het desinfectieproces van drinkwater (Tepe & Çebi, 2019). Bij het project Over de Maas is in de verschillende metingen voorafgaande aan het onderzoek geen acrylamide aangetoond. Dit kan komen doordat eventuele aanwezige acrylamide snel afbreekt in het milieu, of omdat het niet aanwezig is. Over het algemeen staat acrylamide bekend als goed afbreekbaar, vooral onder aerobe omstandigheden. Onder anaerobe omstandigheden zijn de resultaten wisselend (Howard, 1989).

3.4 Toxiciteit Omschrijving en context

Een belangrijke bron van blootstelling van de mens aan acrylamide is vanwege inname van voedsel. De EFSA (European Food and Safety Authority) heeft in 2015 een evaluatie van acrylamide uitgevoerd, waarbij de effecten in de mens uitgebreid zijn geëvalueerd (EFSA, 2015).

Bestaande toetsingswaarden acrylamide

Voor acrylamide zijn in Nederland weinig toetsingswaarden afgeleid. Er zijn geen toetsingswaarden afgeleid voor grond, sediment en grondwater. In het RIVM-zoeksysteem staan de volgende toetsingswaarden vermeld: Tabel B.6 Toetsingswaarden acrylamide in RIVM-zoeksysteem

Norm

Acrylamide (79-06-1)

Lucht indicatief MTR (maximaal toelaatbaar risico)

0,6 µg/m3

Lucht indicatief VR (verwaarloosbaar risico)

0,006 µg/m3

Grenswaarde werknemer, TGG 8 uur (tijdgewogen gemiddelde)

0,1 mg/m3

Aanduiding

H (opname via de huid)

Drinkwaterkwaliteitseis

0,10 µg/l

Toxiciteitsmechanisme

Het monomeer Acrylamide is een giftige, reprotoxische, carcinogene en neurotoxische stof (Exon, 2006; McCollister, Oyen, & Rowe, 1964; Spencer & Schaumburg, 1974). De stof kan worden opgenomen door inname, inademing of huidcontact en verspreidt zich vervolgens in het lichaam. In tegenstelling tot polyacrylamide kan acrylamide wel celmembranen passeren. Over de modus van neurotoxiciteit bestaat nog geen volledige consensus. Zo wordt onder andere een mechanisme voorgesteld waarbij bepaalde eiwitten die belangrijk zijn bij signaaloverdracht in de zenuwen worden gehinderd door acrylamide. Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

25 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Ook wordt geopperd dat het mogelijk komt doordat acrylamide de membraanfusie aan de zenuwuiteinden hindert. De toxiciteitsmodus van acrylamide wordt zeer uitgebreid besproken in een review paper door J.H. Exon (2006). Voor gedetailleerde informatie over de mechanismen achter de verschillende vormen van toxiciteit wordt naar deze paper verwezen.

Humane toxiciteit

Acrylamide kan in het menselijk lichaam opgenomen worden door inname (via lucht, drinken en voedsel) of via de huid. De grootste bijdrage aan blootstelling van acrylamide voor de mens vindt plaats via voedsel. Omdat acrylamide kankerverwekkend is (carcinogeen type 1B; kan kanker verwekken), is geen waarde voor de toelaatbare dagelijkse inname afgeleid (TDI). In het geval van kankerverwekkende stoffen wordt gerekend met een Margin of Exposure (MOE) ten opzichte van een BenchMark Dose Limit (BMDL). Hieruit volgt hoe ver de inname af staat van het niveau waarop wel effect wordt gemeten. Over het algemeen wordt een MOE van 10.000 of meer als veilig beschouwd in het geval van kankerverwekkende stoffen en 100 in het geval van niet-kankerverwekkende stoffen, hoe hoger de MOE dus is, hoe beter. Door de EFSA is een BMDL10 afgeleid van 0,43 mg/kg lg/dag 4 (430 µg/kg lg/dag) voor perifere neuropathie (schade aan de zenuwen aan de randen van de hersenen en ruggenmerg) in ratten en 0,17 mg/kg lg/dag (170 µg/kg lg/dag) voor neoplastische effecten (abnormale groei) in muizen. Inname via voedsel Acrylamide bioaccumuleert niet, daardoor is inname via vis geen belangrijke blootstellingsroute. De inname van acrylamide door mensen via ander voedsel (o.a. koffie, koek, gefrituurde aardappelproducten) is wel een belangrijk aandachtspunt.

De inname wordt ingeschat op een mediane waarde (50% van de mensen neemt meer in, 50% van de mensen neemt minder in) van 0,4 tot 1,9 µg/kg lg/dag en een 95 percentiel waarde van 0,6 tot 3,4 µg/kg lg/dag (95% van de mensen neemt minder in, 5% neemt meer in). Dit komt neer op een margin of exposure van 425 tot 89 voor de mediane inname en 283-50 voor de 95 percentiel inname ten opzichte van de laagste MBDL10. Deze MOE’s zijn ruim lager dan een MOE van 10.000 wat als veilig wordt beschouwd, daardoor is de inname van acrylamide door middel van voedsel een aandachtspunt. Inname via drinkwater Bij berekeningen van toetsingswaarden voor drinkwater wordt altijd gerekend met een inname van 2 liter drinkwater per dag, voor een persoon van 70 kg. Bij een toetsingswaarde van 0,1 µg/l voor drinkwater, komt dit neer op een inname van 0,0028 µg/kg lg/dag, dit ligt een factor 59500 lager dan de laagste BMDL10 hierboven beschreven. Deze MOE is ruim hoger dan 10.000, en wordt daarom als veilig beschouwd. Opname via de huid Van acrylamide is bekend dat het via de huid opgenomen kan worden. In het geval van hoge concentraties (op de werkplek) is een dermale blootstelling meer significant dan inhalatie (vanwege de lage vluchtigheid van acrylamide). Onder andere omstandigheden is inname via voedsel de meest belangrijke blootstellingsroute.

Ecotoxiciteit

Van acrylamide is een grote hoeveelheid aan ecotoxicologische data beschikbaar. In totaal zijn toxiciteitsgegevens beschikbaar van 13 verschillende zoetwater organismen verdeeld over vier soortgroepen. Er is data beschikbaar voor acute toxiciteit (24 en 48 uur) en chronische toxiciteit (96 uur tot 33 dagen). De laagst gemeten LC50 waarde is 27,7 mg/l. Dit betrof een 24 uur test met vis embryo’s. De laagste NOEC waarde in de wetenschappelijke literatuur betreft 5,2 mg/l. Dit betrof een chronische (33 dagen) toxiciteitstest met vis embryo’s. De hoogste LC50 waarde is 570 mg/l. Dit betrof een acute toxiciteitstest (24u) met larven van dansmuggen.

4

mg/kg lg/dag = milligram per kilogram lichaamsgewicht per dag

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

26 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

In tabel B.7 is een samenvatting gegeven van de meest relevante EC50 en LC50 waardes voor Acrylamide/ 2-propenamide. Voor een uitgebreide weergave van de beschikbare EC50 en LC50 waardes wordt verwezen naar Sub bijlage B.2. Tabel B.7 samenvatting van de meest relevante EC50 en LC50 waardes voor Acrylamide/ 2-propenamide.

Soort

Artikel

Daphnia magna (48u)

(Krautter et al., 1986)

Lepomis macrochirus (96u)

Soortgroep

EC50 (mg/L)

LC50 (mg/L)

Watervlooien

98

160

Vissen (volwassen)

85

100

Danio rerio (24u)

(Lee et al., 2014)

Vissen (embryo)

Selenastrum capricornutum (72u)

(SEPC, 1997)

Algen

27,69 33,85

De hoogste NOEC waarde is 60 mg/l. Deze NOEC gold zowel voor watervlooien als dansmuglarven in een 48 uurs toxiciteitstest. De laagste waarde waarbij onder gecontroleerde omstandigheden in een laboratorium een effect werd gemeten van acrylamide is 13,2 mg/l. Dit betrof een beperking van de groei van visembryo’s. Onder niet gecontroleerde omstandigheden zijn lagere effectconcentraties bekend. In een onderzoek uitgevoerd door Brown, Rhead, Hill, & Bancroft (1982) werd in veldstudies, na een dosering van ongeveer 0,04 mg/l gedurende 6h, een afname gezien in de soortdiversiteit en populatiegrootte van aquatische insecten. Het feit dat in deze studie een groot aantal parameters niet gecontroleerd werd die wel een effect kunnen hebben of overleving en mogelijk ook toxiciteit (b.v. voedselbeschikbaarheid, aanwezigheid van predatoren, watertemperatuur, stofgradiënten etc.) is het lastig om dit onderzoek te vergelijken met de laboratorium toetsen (Krautter et al., 1986). In tabel B.8 is een samenvatting gegeven van de meest relevante NOEC en LOEC waardes voor Acrylamide/ 2-propenamide. Voor een uitgebreide weergave van de beschikbare NOEC en LOEC waardes wordt verwezen naar Sub bijlage B.2. Tabel B.8 Samenvatting van de meest relevante NOEC en LOEC waardes voor Acrylamide/ 2-propenamide.

Soort

Artikel

Pimephales promelas (33d) (Call & Geiger, 1992)

Soortgroep

LOEC (mg/L)

NOEC (mg/L)

Vissen (meerdere levensstadia)

13,2 (7,55 – 18,9)G

5,2 (2,86 – 7,55)G

(Spingborn Bionomics, Invertebraten 2,04 1985) (zoutwater) Alg (niet gespecificeerd) (SEPC, 1997) Algen 16 De letters g, b, l, s, en h achter de LOEC en NOEC-waardes staan respectievelijk voor de effecten gewicht (groei), gedrag, lengte (groei), sterfte en hatching (uitkomen van eieren). Mysidopsis bahia (28d)

Verwachte concentratie waarbij geen effect optreedt

In een rapport van de ECHA uit 2002 wordt voor acrylamide een PNEC afgeleid. De volledige literatuurstudie die aan dit risicorapport is voorafgegaan stamt uit 1995. Tussen 1995 en 2002 is daar nog data aan toegevoegd uit specifieke zoekopdrachten en het doornemen van verschillende relevante bronnen (European Chemicals Bureau, 2002). Dit rapport gaat uit van de volgende gegevens: • Laagste LC50 voor vissen van 100 mg/L (96u, Lepomis macrochirus) (Krautter et al., 1986). • Laagste EC50 voor watervlooien van 98 mg/L (48u, Daphnia magna) (Krautter et al., 1986). • Laagste EC50 voor algen van 33,85 mg/L (72u, Selenastrum capricornutum) (SEPC, 1997). • Laagste NOEC voor invertebraten (zoutwater) van 2,04 mg/L (28d, Mysidopsis bahia) (Spingborn Bionomics, 1985). • Laagste NOEC voor algen van 16 mg/L (72u 5) (SEPC, 1997).

5

Voor algen wordt vanwege de snelle reproductie een 72u test gezien als chronisch.

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

27 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Er wordt geconcludeerd dat acute toxiciteitsgegevens voor drie trofische niveaus beschikbaar zijn en chronische NOEC waardes voor een zoetwater alg. Omdat er geen chronische toxiciteitsdata voorhanden is voor vissen en watervlooien wordt een beoordelingsfactor van 1000 toegepast op de laagste waarde van de acute toxiciteitsgegevens. Dit geeft een PNEC van 0,034 mg/L voor acrylamide, gebaseerd op de 72u test met zoetwater algen. In het registratiedossier van acrylamide wordt 0,032 mg/L waarde gehanteerd als de PNEC voor zoetwaterorganismen 6. Er is tot op heden geen brede consensus over de vraag of toxiciteitsgegevens voor zoutwater organismen relevant zijn voor het bepalen van PNEC waardes in zoetwater systemen. Om dit te ondervangen is er in het ECHA rapport voor gekozen twee PNEC waardes af te leiden: één op basis van de gegevens van alleen zoetwater organismen en één op basis van de gegevens van zowel zoet- als zoutwater organismen. Wanneer zoutwater data worden meegenomen kan de PNEC wel worden afgeleid op basis van chronische testen met de zoetwater alg en de zoutwater invertebraat. Op de laagste waarde wordt dan een beoordelingsfactor van 100 toegepast omdat de meest gevoelige soort in de chronische testen niet overeenkomt met de meest gevoelige soort in de acute testen.

Wanneer de PNEC op deze manier wordt afgeleid wordt het 0,02 mg/L op basis van de chronische test met Mysidopsis bahia. Aangezien de PNEC die is afgeleid op basis van een combinatie van gegevens van zoet- en zoutwater organismen lager is dan die op basis van alleen zoetwater organismen wordt deze eerste van 0,02 mg/L gebruikt voor risico karakterisering in het rapport (European Chemicals Bureau, 2002). Na 2002 is nog een drietal papers uitgekomen waar acute toxiciteitswaarden voor vissen en algen uit worden afgeleid. Dit betreft een 96u LC50 van 304,22 mg/L voor visembryo’s en 298,53 mg/L voor vislarven (D. rerio, Fei, Song, & Gao, 2010). In een paper van Lee et al. (2014) wordt een 24u LC50 afgeleid van 27,69 mg/L voor visembryo’s (D. rerio). Voor algen wordt in een paper van Kusk, Christensen, & Nyholm (2018) een EC50 afgeleid van 324,0 mg/L (Pseudokirchneriella subcapitata). Als deze data worden gebruikt om een PNEC te berekenen volgt de volgende redenatie: Er is alleen additionele acute data beschikbaar, geen chronische data. Er is (nog steeds) geen chronische toxiciteitsdata voorhanden voor vissen en watervlooien dus wordt een beoordelingsfactor van 1000 toegepast op de laagste acute toxiciteitsgegevens. Dit geeft dan een PNEC van 0,03 mg/L gebaseerd op de 24u test met D. rerio.

Aangezien deze waarde hoger is dan die uit het ECHA rapport wordt voor acrylamide uitgegaan van de PNEC van 0,02 mg/L die is afgeleid door de ECHA (European Chemicals Bureau, 2002).

3.5 Samenvatting acrylamide • • • • •

6

Acrylamide kan als nevenverontreiniging in polyacrylamide voorkomen, of een afbraakproduct zijn van het polyacrylamide. Acrylamide is een zeer zorgwekkende stof en kan voorkomen in voedsel, bijvoorbeeld koffie of gefrituurde producten. Acrylamide lost zeer goed op, adsorbeert niet aan de bodem en breekt in het algemeen in het milieu in enkele dagen tot maanden af met als eindproducten koolstofdioxide en water. Voor acrylamide zijn weinig toetsingswaarden bekend, de drinkwatertoetsingswaarde is beschermend voor de mens. Als PNEC voor ecotoxiciteit wordt een waarde van 0,02 mg/l (20 µg/l) aangehouden.

https://echa.europa.eu/nl/registration-dossier/-/registered-dossier/15534/6/2/6

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

28 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

4. BARIUM 4.1 Algemene omschrijving Het barium wat in het granuliet is gemeten heeft een natuurlijke oorsprong en is afkomstig uit de gesteenten die worden gebruikt in het proces waarbij granuliet ontstaat. Het barium is in het gesteente aanwezig in gesteentevormende mineralen, afhankelijk van de milieuomstandigheden kunnen deze minerale verweren en kan barium in oplossing gaan. Barium komt veel voor in het milieu, de bovenste laag van de aarde bevat tot 0,05% barium (Verbruggen, Smit, & van Vlaardingen, 2020), de meest voorkomende bariummineralen zijn bariet (barium sulfaat) en witheriet (barium carbonaat). Barium wordt gebruikt voor verschillende toepassingen, waaronder als boorvloeistof in de olie en gasindustrie, voor de productie van keramiek, verf, steen, tegels, glas, rubber, pigment en meerdere andere toepassingen (Verbruggen et al., 2020). Voor de productie van het granuliet worden twee soorten gesteenten gebruikt. Barium kan in beide gesteenten aanwezig zijn. Barium komt op veel plaatsen in de natuur voor. Het kan dan voorkomen in mineralen, zo kan Ba2+ de K+ vervangen in kaliveldspaten (Na,K-veldspaten) of het calcium in plagioklaas (een van de Na,Ca-veldspaten). Verder komen in de natuur “echte” barium-veldspaten voor zoals celsian (BaAl2Si2O8). Dit mineraal is echter zeer zeldzaam en er zijn geen aanwijzingen dat dit in de verwerkte gesteentesoorten voorkomt.

4.2 Fysische en chemische eigenschappen In metallische vorm zou barium een geelzilver metaal zijn, met een soortelijk gewicht van 3,5 kg/liter. Het oxideert zeer gemakkelijk, waardoor het niet in metallische vorm voorkomt, in het milieu komt het als het tweewaardige kation voor, in combinatie met andere elementen. Tabel B.9 Fysische en chemische eigenschappen barium (EPI Suite, pubchem)

Eigenschap

Waarde

Molmassa

137,3 g/mol

Smeltpunt

725 °C

Kookpunt

1640 °C

4.3 Gedrag in het milieu Barium komt in de natuur voor in de belangrijkste bariummineralen bariet (BaSO4), witheriet (BaCO3) en sansborniet (BaSi2O5). Verwering van steen en mineralen kan er voor zorgen dat er barium vrijkomt in het milieu. Daarnaast kan barium vrijkomen door bodemtoevoegingen, meststoffen, en door industriële bronnen. Hierdoor is in het milieu een achtergrondconcentratie barium waarneembaar. De verschijningsvorm van barium is afhankelijk van de milieuomstandigheden (bijvoorbeeld of er veel sulfaat aanwezig is, of de hardheid van het water). Indien barium aanwezig is in Maaswater (aeroob water, sulfaathoudend), slaat een deel van het barium neer als bariet. Het overgrote deel van het barium komt voor in de vorm van opgelost barium (Ba2+). Dieper in de plas komen mogelijk anaerobe omstandigheden voor, waarbij het sulfaat gereduceerd is. Dit kan effect hebben op de verschijningsvorm van het barium, waarbij bariet oplost.

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

29 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

4.4 Toxiciteit Toetsingswaarden barium Voor barium zijn toetsingswaarden opgenomen in het RIVM zoeksysteem. Recentelijk is een herevaluatie van de milieukwaliteitswaarden van barium uitgevoerd vanwege nieuwe waarden voor de toelaatbare dagelijkse inname, nieuwe bioaccumulatiewaarden en een nieuwe methode voor doorvergiftiging. De recent afgeleide milieukwaliteitswaarden zijn tevens weergegeven in de tabel (Osté & Altena, 2019; Verbruggen et al., 2020). De jaargemiddelde en maximale aanvaardbare milieukwaliteitswaarden zijn hoger dan eerder afgeleid, onder andere door de hogere waarden voor de toelaatbare dagelijkse inname. In de tabel zijn geen interventiewaarden voor barium opgenomen. Deze lagen op 625 mg/kg d.s. voor waterbodem en 920 mg/kg d.s. voor landbodem. Deze normen zijn ingetrokken omdat gebleken is dat de interventiewaarde voor barium lager kan zijn dan het achtergrondgehalte van barium dat van nature voorkomt (m.u.v. antropogene beïnvloeding). Tabel B.10 Normen barium volgens het RIVM-zoeksysteem (oude waarden) en recente waarden volgens (Osté & Altena, 2019; Verbruggen et al., 2020). Norm

Barium (7440-39-3) Oude waarden

Barium (7440-39-3) Recente waarden

Landoppervlaktewater achtergrondconcentratie (opgelost) 73 µg/l

22 µg/l

Landoppervlaktewateren wettelijk JG-MKN 7

73 µg/l

93 µg/l*

Landoppervlaktewateren wettelijk MAC-MKN 8

148 µg/l

1,1 mg/l*

Oppervlaktewater gericht op drinkwaterbereiding (gericht op waterbeheerder en drinkwaterbedrijf)

200 µg/l

Sediment MTR 9 (standaard sediment, 10% organische stof)

200 mg/kg d.s.

Sediment VR (verwaarloosbaar risico)

160 mg/kg d.s.

Grond VR (verwaarloosbaar risico)

160 mg/kg d.s.

Grondwater ondiep landelijke achtergrondconcentratie

50 µg/l

Grondwater streefwaarde ondiep

50 µg/l

Grondwater diep landelijke achtergrondconcentratie

200 µg/l

Grondwater streefwaarde diep

200 µg/l

Grondwater interventiewaarde

625 µg/l

* Waarde voorgesteld in (Verbruggen et al., 2020)

Toxiciteitsmechanisme

Barium is het meest toxisch wanneer het is opgelost in water. De toxiciteit van barium komt voort uit het feit dat de stof bij dierlijke cellen voorkomt dat kalium de cel kan verlaten via het kalium kanaal. Hierdoor wordt de passieve uitstroming van kalium naar buiten de cel geblokkeerd met een significante afname van kalium concentraties in het bloed tot gevolg (EPA, 2005; Moffet et al., 2007). Dit kan leiden tot spierverval, verlamming en hartritmestoornissen.

JG-MKN: Jaargemiddelde - milieukwaliteitsnorm MAC-MKN: Maximaal aanvaardbare concentratie - milieukwaliteitsnorm 9 MTR: Maximaal toelaatbaar risico 7 8

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

30 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Barium heeft de potentie tot minimale bioaccumulatie in weefsel van aquatische organismen. Botten, lever en huid zijn de meest prominente plekken waar barium zich ophoopt in amfibieën (Marques et al., 2011). Waar barium ophoopt in botten is dit als gevolg van het feit dat barium de plek van calcium inneemt in bot structuren. In vis hoopt barium voornamelijk op in de milt (Le Guernic et al., 2016) nieren en kieuwen (Gagnaire et al., 2015). Voor een uitgebreide beschrijving van de bioaccumulatie van barium in verschillende organismen wordt verwezen naar het rapport van het RIVM waarin de milieukwaliteitsnormen voor barium worden afgeleid (Verbruggen et al., 2020). Tabel B.11 Samenvatting gegevens van alle data voor bioaccumulatie van Barium in aquatische organismen. Bron: (Verbruggen et al., 2020)

Soortgroep

Log BAF [L/kgwwt]

BAF

Vis (volledig)

1,77

59

Vis (spier)

0,740

4,5

Amfibieën

1,14

58,9

Schelpdieren

2,83

676,1

Crustaceeën

3,13

1349,0

Insecten

1,64

43,6

Zoöplankton

1,56

36,3

Fytoplankton

1,97

93,3

Plankton

1,66

45,7

Planten

3,03

1071,5

Humane toxiciteit

De toxiciteit van barium is ook voor de mens afhankelijk van de verschijningsvorm. De oplosbare vorm van barium is meer relevant voor humane toxiciteit dan onoplosbaar barium vanwege de betere absorptie in het lichaam. Voor barium werd bij de eerdere afleiding van de toetsingswaarden (de waarden aan de linkerkant in tabel B.10) gerekend met een Toelaatbare Dagelijkse Inname (TDI) van 20 µg/kg lg/dag (afgeleid in 1991). In 2012 is een nieuwe evaluatie uitgevoerd door de SCHER (Scientific Committee on Health and Environmental Risks of the European Commission), waarbij geconcludeerd werd dat er in de studie die als basis werd gebruikt voor de TDI belangrijke fouten zaten. Door de SCHER is in 2012 een TDI afgeleid die 10 x zo hoog lag (200 µg/kg lg/dag) (Verbruggen et al., 2020). Deze laatste TDI is ook in het rapport van Verbruggen gebruikt voor de verdere afleiding van de milieutoetsingswaarden (Verbruggen et al., 2020).

Ecotoxiciteit

Barium is een niet essentieel sporenelement met een wijdverspreide natuurlijke verspreiding. Natuurlijk voorkomend barium is een mix van zeven stabiele isotopen. Vanwege het natuurlijk voorkomen van barium is het belangrijk te weten wat de natuurlijk voorkomende achtergrondconcentraties zijn. Tot voorkort was de officiële achtergrondconcentratie van barium in Nederlands oppervlaktewater 73 µg/l. Uit recent onderzoek blijkt dit een te hoge inschatting. De waarde van 73 µg/l was in 1998 afgeleid op basis van metingen in stedelijk gebied. Hierdoor waren de gemeten hoge concentraties mogelijk niet het gevolg van natuurlijk aanwezige barium concentraties maar van antropogene vervuiling. Er is zodoende in 2019 door Osté & Altena (2019) een nieuwe achtergrondconcentratie afgeleid op basis van het tiende percentiel (de laagste 10%) van de gemeten concentraties in Nederlands oppervlaktewater (Afbeelding B.4). Dit geeft wel aan dat op 90% van de locaties hogere waarden worden gemeten dan de bepaalde achtergrondwaarde van 22 µg/l. Van onderstaande locaties zijn weinig locaties in de Maas gelegen bovenstrooms van Over de Maas. Bij Eijsden komt de Maas Nederland binnen en worden relatief lage gehalten barium gemeten (rond de achtergrondwaarde van 22 µg/l). Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

31 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Afbeelding B.4 Gemeten waarden van opgelost barium [µg Ba/L] in Nederlands oppervlaktewater in 2016. De boven- en onderzijde van de individuele dozen vormen het 25ste en 75ste percentiel. De lijn in de doos is het gemiddelde en de uiteinden van de lijnen die uit de doos komen zijn minimum- en maximumwaarden. De bovenste gestippelde lijn geeft de oude achtergrondconcentratie weer van 73 µg/L, de onderste gestippelde lijn geeft de nieuwe achtergrondconcentratie weer van 22 µg/L. Bron: (Verbruggen et al., 2020)

Zoals eerder aangegeven is barium een stof die onder verschillende omstandigheden in meerdere hoedanigheden kan voorkomen in het milieu. Afhankelijk van de vorm waarin het voorkomt is het meer of minder beschikbaar voor de ecologie en is het ook meer of minder giftig. Er is een grote hoeveelheid ecotoxicologische data beschikbaar voor de toxiciteit van barium voor aquatisch organismen. Echter is een groot deel van deze data niet of nauwelijks bruikbaar voor het bepalen van ecologische effecten omdat de testcondities in laboratoriumtesten niet of nauwelijks vergelijkbaar zijn met een natuurlijke situatie in een ondiepe zoetwaterplas. De laagst gemeten EC50 waarde voor gemeten barium concentraties in een ongefilterd medium is 11 mg/L (Daphnia magna, 48u) (Okamoto, Yamamuro, & Tatarazako, 2015). In deze studie waren zowel de hardheid als de sulfaatconcentraties hoger dan relevant kan worden geacht voor Nederlands oppervlaktewater. Dit kan erop duiden dat de toxiciteit hier wordt onderschat. Onder meer kritische condities, in afwezigheid van sulfaat werd door (Golding, McKnight, Binet, Adams, & Apte, 2018) een EC50 verkregen van 17 mg/L voor opgeloste barium (Ceriodaphnia dubia, 48u). De laagst beschikbare EC10 waarde voor totaal barium concentraties in een ongefilterd, onbekend medium is 6,2 mg/L (Lemna minor, 96u)(Wang, 1988).

De daaropvolgende laagste waarde is 8,3 mg/L voor ongefilterd water met hardheid en sulfaatconcentraties die als kritisch worden gezien voor Nederlandse oppervlaktewateren (Ceriodaphnia dubia, 7d). De daaropvolgende laagste waarde is 8,3 mg/L voor ongefilterd water met hardheid en sulfaatconcentraties die als kritisch worden gezien voor Nederlandse oppervlaktewateren (Ceriodaphnia dubia, 7d) (Brix, Gerdes, & Grosell, 2010). Een samenvatting van de relevante toxiciteitsgegevens voor barium zijn weergegeven in tabel B.12. Voor een uitgebreide weergave van de toxiciteitsgegevens van barium wordt verwezen naar het rapport van het RIVM waarin de milieukwaliteitsstandaarden voor barium worden afgeleid (Verbruggen et al., 2020, Appendix 1 &2).

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

32 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Tabel B.12 Samenvatting van de geaccepteerde ecotoxiciteitsgegevens voor barium voor zoetwater organismen. Bron: (Verbruggen et al., 2020).

Hardheid water [mg CaCO3/L]

Sulfaat Eindpunt [mg/L]

Waarde [mg/L]

Artikel en opmerkingen

80 – 90

0

EC50

240

(Golding et al., 2018) Opgelost

110

98,7

EC50

>1,2

(ECHA, 2018) Opgelost, 1,1% remming van groeisnelheid

Ceriodaphnia dubia

80 – 90

0

EC50

17

(Golding et al., 2018) Opgelost

Daphnia magna

250

48,1

EC50

11

(Okamoto et al., 2015) Ongefilterd, geen andere gegevens beschikbaar.

18

3,4

LC50

>1,1

(Borgmann, Couillard, Doyle, & Dixon, 2005) Opgelost 93% overleving

171 – 179

24

LC50

>3,5

(ECHA, 2018) Opgelost, geen sterfte

Soort

Soortgroep

Acute toxiciteit Chrlorella sp. 12 Pseudokirchneriel la subcapitata

Algen

Crustaceeën

Hyalella azteca

Danio rerio

Lemna minor

Vissen

Planten

54 – 78

2,8

EC50

95

(Wang, 1988) Ongefilterd laagste waarde in natuurlijk water met relevante hardheid en sulfaat concentraties en lage troebelheid.

80 – 90

0

EC10

40

(Golding et al., 2018) Opgelost

110

98,7

EC10

>1,2

(ECHA, 2018) Opgelost, 1,1% remming van groeisnelheid

Chronische toxiciteit Chlorella sp. 12 Pseudokirchneriel la subcapitata

Algen

Ceriodaphnia dubia

Crustaceeën

40

7,7

EC10

8,3

(Brix et al., 2010) Ongefilterd, geen andere gegevens beschikbaar.

Danio rerio

Vissen

164 – 182

24

NOEC

≥1,26

(ECHA, 2018) Opgelost

Lemna minor

Planten

EC10

6,2

(Wang, 1988) Ongefilterd, geen informatie over het test medium

Verwachte concentratie waarbij geen effect optreedt

Op basis van de representatieve studies voor Nederlands oppervlaktewater wordt in het rapport van het RIVM een MAC-QSfw, eco en een QS-fw, eco afgeleid. De term MAC-QSfw, eco staat voor “Maximum Acceptable Concentration – Quality Standard fresh water, ecology”. Deze term wordt gebruikt om een maximum aanvaardbare concentratie in de waterkolom aan te duiden in relatie tot acute toxiciteit. De term QS-fw, eco staat voor “Quality Standard fresh water, ecology”.

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

33 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Deze term gebruikt om een kwaliteitsstandaard/ concentratie aan te geven voor een bepaalde stof waaronder geen effecten op aquatische zoetwaterorganismen worden verwacht. Wezenlijk komt deze waarde overeen met de eerder gebruikte PNEC waarde. De afgeleide MAC-QSfw, eco betreft 1,1 mg/L gebaseerd op de gegevens van (Okamoto et al., 2015) met een beoordelingsfactor van 10. Deze waarde van 1,1 mg/L beschermt ook Hyalella azteca waarbij een LC50 van >1,1 mg/L werd vastgesteld (Borgmann et al., 2005). In dit onderzoek werd bij 1,1 mg/L een effect geobserveerd bij minder dan 10% van de testorganismen. In relatie tot chronische toxiciteit wordt een QS-fw, eco (PNEC) afgeleid van 0,620 mg/L op basis van de gegevens voor Lemna minor uit het onderzoek van Wang (1988). In eerder onderzoek (Van Vlaardingen & Verbruggen, 2009) werd een QS-fw, eco afgeleid van 0,029 mg/L op basis van een NOEC van 2,9 mg/L (EC10= 5,3 mg/L) voor Daphnia magna (21d). Op deze waarde werd toentertijd een beoordelingsfactor van 100 toegepast omdat de soortgroep met de laagste waarde in de acute testen (platworm) niet voorkwam in de chronische dataset. Sindsdien zijn lagere acute waardes dan die voor platwormen beschikbaar gekomen waarvan de meest gevoelige soorten in zowel de acute als chronische dataset vertegenwoordigd zijn.

Daarnaast wordt de genoemde studie niet meer als relevant gezien, onder andere omdat gedegen analyses ontbreken. De EC10 waarde die is gebruik om de nieuwe QS-fw, eco af te leiden (6,2 mg/L) bevindt zich in dezelfde orde van grootte als de eerdergenoemde EC10 van 5,3 mg/L. Echter, omdat een lagere beoordelingsfactor kan worden toegepast resulteert dat in een hogere QS-fw, eco. Er wordt voor barium zodoende een QS-fw, eco/ PNEC aangehouden van 0,62 mg/L.

4.5 Samenvatting barium • • •

Barium komt van nature voor in het milieu. De vorm waarin barium zich in het milieu bevindt is bepalend voor de toxiciteit en is afhankelijk van de milieuomstandigheden (redoxomstandigheden, pH, aanwezigheid sulfaat). De interventiewaarde grondwater bedraagt 625 µg/l. De PNEC bedraagt 620 µg/l.

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

34 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

SUBBIJLAGE B.1 – TERMINOLOGIE ECOTOXICITEIT Ecotoxicologische testen De toxiciteit van een stof kan op diverse manieren bepaald worden. Zo kan er gekeken worden naar de chemische eigenschappen van een stof, kan worden gekeken naar onopzettelijke blootstelling van mens en dier aan de stof en kunnen testen met diverse organismen worden gedaan waarbij de effecten worden gemeten. De chemische eigenschappen van een stof bepalen voor een groot deel of een stof bijvoorbeeld wordt opgenomen door de celwand van een organisme en of het ophoopt in vet en weefsel of dat het wordt afgevoerd. Op de chemische eigenschappen wordt kort ingegaan in paragraaf 0. Wanneer wordt gekeken naar onopzettelijke blootstelling kan vaak informatie worden verkregen uit incident rapporten of artikelen over deze gebeurtenissen. Verreweg de meest gebruikte en meest betrouwbare manier om de toxiciteit van een stof te bepalen is het uitvoeren van toxiciteitstesten met organismen. Deze ecotoxicologische testen worden vaak uitgevoerd op een gestandaardiseerde manier waardoor de resultaten vergelijkbaar zijn. Bij het uitvoeren van de testen worden de resultaten vaak weergegeven op een aantal standaard manieren. Deze zogeheten eindpunten en wat zij betekenen staat in toegelicht. Eindpunt

Uitleg

NOEC (“no observed effect concentration”)

Dit is de laagste getoetste concentratie van de stof waarbij geen effect is waargenomen ten opzichte van de controlegroep.

LOEC

Dit is de laagste getoetste concentratie van de stof waarbij wel een effect is waargenomen ten opzichte van de controlegroep

EC50

Dit is de (berekende) concentratie waarbij de helft van de testorganismen een effect ondervindt van de geteste stof.

LC50

Dit is de (berekende) concentratie waarbij de sterfte van de testorganismen 50% bedraagt.

PNEC

Dit is de ‘Predicted No Effect Concentration’. Deze waarde wordt afgeleid op basis van NOEC-waardes uit verschillende soortgroepen. Onder deze concentratie in het milieu worden geen effecten verwacht op soorten.

Bioaccumulatie factor Bioaccumulatie factor (BAF)

Potentie tot bioaccumulatie

<250

Laag

250 – 1.000

Gemiddeld

1.000 – 5.000

Hoog

>5.000

Zeer hoog

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

35 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

SUBBIJLAGE B.2 – TOXICITEITSDATA Polyacrylamide Tabel B.13 Toxiciteitsgegevens voor anionische polyacrylamide. Weergegeven zijn de EC50 waardes. De letters achter de EC50 waardes geven aan welke eindpunten in de test zijn gemeten. Pg, pd en s staan hierbij respectievelijk voor populatiegroei, populatiedichtheid en sterfte. De waardes met een s toevoeging betreffen daarmee tevens LC50 waardes.

Stof

Magnasol AN2

linear anionic polyacrylamide, LA-PAM

Magnafloc E10

Granulair polyacrylamide (Soilfloc 100D, Hydrosorb, Orange, CA)

Artikel

(Harford et al., 2011)

(Acharya et al., 2010)

(Beim & Beim, 1994)

(Weston et al., 2009)

Water-based polyacrylamide

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

Soort

Soortgroep

EC50 (mg/l)

Chlorella sp. (72u)

Algen

220 (140 – 290) (pg)

Lemna aequinoctialis (96u)

Planten (kroos)

190 (30 – 290) (g)

Hydra viridissima (72u)

Poliepen

170 (150 – 200) (pg)* >250 (pg)*

Moinodaphnia macleaya (3 generaties = 120 – 144u)

Watervlooien

3 (3 – 3) (r)

Mogurnda mogurnda (96u)

Vissen (volwassen)

>1020 (s)

Daphnia magna (24u)

Watervlooien

152 (s)

Baicalobia guttata (96u)

Platwormen

>100 (s)

Daphnia magna (96u)

Watervlooien

14,1 (s)

Eulimnogammarus verrucosus (96u)

Vlokreeften

2100 (s)

Phoxinus L. (96u)

Vis (volwassen) >1000 (s)

Hyalella azteca (96 u)

Vlokreeften

>100 (s)

Chironomus dilutus (96 u)

Dansmuggen (larve)

>100 (s)

Ceriodaphnia dubia (6–8 d)

Watervlooien

28,7 (23,5 – 35,1) (s)

Pimephales promelas (7 d)

Vissen (larve)

>100 (s)

Selenastrum capricornutum (96 u)

Algen

>100 (pd)

Hyalella azteca (96 u)

Vlokreeften

>100 (s)

36 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Stof

Artikel

(PAM25, Terawet, San Diego, CA)

Oil-based polyacrylamide (Soilfloc Clearwater Tablet, Hydrosorb/ Soilfloc 300E, Hydrosorb)

Soort

Soortgroep

EC50 (mg/l)

Chironomus dilutus (96 u)

Dansmuggen (larve)

>100 (s)

Ceriodaphnia dubia (6–8 d)

Watervlooien

>100 (s)

Pimephales promelas (7 d)

Vissen (larve)

>100 (s)

Selenastrum capricornutum (96 h)

Algen

14,6 (pd)

Hyalella azteca (96 u)

Vlokreeften

2,1 (1,2 – 2,8) (s) 0,8 (0,5 – 1,1) (s)

Chironomus dilutus (96 u)

Dansmuggen (larve)

3,0 (2,4 – 3,7) (s)

Ceriodaphnia dubia (6–8 d)

Watervlooien

0,3 (0,25 – 0,36) (s)

Pimephales promelas (7 d)

Vissen (larve)

16,6 (10,6 – 31,9) (s)

Selenastrum capricornutum (96 h)

Algen

>25 (pd)

Salvekinus namaycush (96 h)

Vissen (larve/ “fry”)

>600 (s)

MagnaFloc 156®

(Liber et al., 2005)

Watervlooien

345,00 (s)

Dow AP-30

(Biesinger, Lemke, Daphnia magna (48u) Smith, & Tyo, 1976)(Biesinger et Daphnia magna (96u) al., 1976)

Watervlooien

17,00 (s)

Daphnia pulex (48u)

Watervlooien

0,09 (0,03-0,15) (s)

Pimephales promelas(96u)

Vissen (larve)

37,23 (24,0060,00) (s)

Daphnia pulex (48u)

Watervlooien

0,11 (0,03-0,29) (s)

Pimephales promelas(96u)

Vissen (larve)

40,43 (36,25-47,8) (s)

Daphnia pulex (48u)

Watervlooien

0,66 (0,30-0,90) (s) 0,39 (0-9) (s)

Anionisch, Acrylzuuracrylamide -8‡ (9,0 molecuulgewicht)(Hall & Mirenda, 1991)

Anionisch, Acrylzuuracrylamide -20‡ (13,0 molecuulgewicht)

(Hall & Mirenda, 1991)

Anionisch, Acrylzuuracrylamide -30‡ (13,0 molecuulgewicht)

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

37 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Stof

Artikel

Anionisch, Acrylzuuracrylamide -30‡ (18,0 molecuulgewicht)

Anionisch, Acrylzuuracrylamide -30‡ (16,0 molecuulgewicht)

Soort

Soortgroep

EC50 (mg/l)

Pimephales promelas(96u)

Vissen (larve)

36,00 (0-60,00) (s) 28,42 (24-45) (s)

Daphnia pulex (48u)

Watervlooien

0,06 (0,03-0,30) (s)

Pimephales promelas(96u)

Vissen (larve)

20,97 (13,5027,00) (s)

Daphnia pulex (48u)

Watervlooien

0,41 (0-3,0) (s) 0,62 (0,03-1,50) (s)

Pimephales promelas(96u)

Vissen (larve)

85,11 (24,00120,00) (s)

*Voor Hydra viridissima zijn in dit artikel 3 verschillende manieren van voeding toedienen getest waarna met twee van de drie de toxiciteitstesten zijn uitgevoerd. ‡Getal geeft het percentage ladingsdichtheid aan. Tabel B.14 LOEC en NOEC waardes voor anionische polyacrylamides. De letters g, b, s, v, en h achter de getallen staan respectievelijk voor effecten op; gewicht (groei), gedrag, sterfte, vruchtbaarheid en hatching (uitkomen van eieren). Wanneer geen letter achter de waarde staat betekent dit dat niet bekend is bij welke van meerdere gemeten parameters het eerste een effect zichtbaar was.

Stof

Magnasol AN2

linear anionic polyacrylamide, LA-PAM

Magnafloc E10

Artikel

(Harford et al., 2011)

Soortgroep

Chlorella sp. (72u)

Algen

40 (10 – 100)ɣ

Lemna aequinoctialis (96u)

Planten (kroos)

70 (0 – 200) ɣ

Hydra viridissima (72u)

Poliepen

40 (0 – 50)* ɣ 10 (0 – 20)* ɣ

Moinodaphnia macleaya (3 generaties = 120 – 144u)

Watervlooien

1 (1 – 2) ɣ

Mogurnda (96u)

Vissen (volwassen)

>1020 ɣ

(Acharya et al., Daphnia magna (32d) Watervlooien 2010)

(Beim & Beim, 1994)

LOEC NOEC (s, r, b, (s, r, b, h h of d) (mg/l) of d) (mg/l)

Soort

1 (b) 10 (v)

0,5

Saprophotische bacteriën (3mnd)

Bacteriën

10¥

Scenedesmus quadricauda (3mnd)

Algen

0,01 (g) ¥

Baicalobia guttata (3mnd)

Platwormen

1¥

Daphnia magna (3mnd)

Watervlooien

0,01 (v) ¥

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

38 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Stof

Artikel

Soort

Soortgroep

LOEC NOEC (s, r, b, (s, r, b, h h of d) (mg/l) of d) (mg/l)

Eulimnogammarus verrucosus (3mnd)

Vlokreeften

10¥

Phoxinus L. (3mnd)

Vis (volwassen)

0,5¥

Cottocomephorus grewingki Dyb. (3mnd)

Vis (eieren)

10¥

Thymallus articus baicalensis Dyb. (3mnd)

Vis (eieren)

5¥

Coregonus automnalis Vis (eieren) migratorius G. (3mnd)

n.b.

Hyalella azteca (96 u) Vlokreeften

Granulair polyacrylamide (Soilfl oc 100D, Hydrosorb, Orange, CA)

Water-based polyacrylamide (PAM25, Terawet, San Diego, CA)

Oil-based polyacrylamide (Soilfloc Clearwater Tablet, Hydrosorb/ Soilfloc 300E, Hydrosorb)

(Weston et al., 2009)

>100 (s)

Chironomus dilutus (96 u)

Dansmuggen (larve)

>100 (s)

Ceriodaphnia dubia (6–8 d)

Watervlooien

50 (s) 1,6 (r)

Pimephales promelas Vissen (larve) (7 d)

>100 (s & b)

Selenastrum capricornutum (96 u)

Algen

>100 (d)

Hyalella azteca (96 u)

Vlokreeften

100 (s)

Chironomus dilutus (96 u)

Dansmuggen (larve)

100 (s)

Ceriodaphnia dubia (6–8 d)

Watervlooien

>100 (s) 100 (r)

Pimephales promelas Vissen (larve) (7 d)

>100 (s) 100 (b)

Selenastrum capricornutum (96 h)

Algen

6,3 (d)

Hyalella azteca (96 u)

Vlokreeften

0,75 (s) 0,37 (s)

Chironomus dilutus (96 u)

Dansmuggen (larve)

3,0 (s)

Ceriodaphnia dubia (6–8 d)

Watervlooien

0,37 (s) 0,18 (r)

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

39 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Stof

MagnaFloc 156®

Artikel

(Liber et al., 2005)

Soort

Soortgroep

LOEC NOEC (s, r, b, (s, r, b, h h of d) (mg/l) of d) (mg/l)

Pimephales promelas Vissen (larve) (7 d)

1,5 (s) >25 (b)

Selenastrum capricornutum (96 h)

Algen

>25 (d)

Salvekinus namaycush (96 h)

Vissen (larve/ “fry”)

>600

600‡ (h)

Salvekinus namaycush (30 d)

Vissen (larve/ “fry”)

>300 (s) 150 (h,g)

300 (s) 75 (h,g)

*Voor Hydra viridissima zijn in dit artikel 3 verschillende manieren van voeding toedienen getest waarna met twee van de drie de toxiciteitstesten zijn uitgevoerd. n.b. = niet bepaald. ɣ= EC10 waarde. ‡ Hoogste concentratie die opgelost kon worden, hierna werd het een gel achtige substantie. ¥ de weergegeven waardes betreffen hier geen NOEC waardes maar ‘vital concentrations’ hiervan is de precieze betekenis niet toegelicht in het onderzoek (maar deze lijkt overeen te komen met een NOEC waarde).

Acrylamide Tabel B.15 EC50 en LC50 waardes voor Acrylamide/ 2-propenamide.

EC50 (mg/l)

LC50 (mg/l)

Soort

Soortgroep

Daphnia magna (24u)

Watervlooien

Daphnia magna (48u)

Watervlooien

Paratanytarsus parthenogenetica (24u)

Dansmuggen (larve)

Paratanytarsus parthenogenetica (48u)

Dansmuggen (larve)

Salmo gairdneri (24u)

Vissen (adult)

370

Salmo gairdneri (48u)

Vissen (adult)

240

Salmo gairdneri (96u)

(Krautter et al., 1986)

Vissen (adult)

230 98

160 570

230

88

410

110

Pimephales promelas (24u)

Vissen (adult)

320

Pimephales promelas (48)

Vissen (adult)

230

Pimephales promelas (96u)

Vissen (adult)

Lepomis macrochirus (24u)

Vissen (adult)

260

Lepomis macrochirus (48u)

Vissen (adult)

160

Lepomis macrochirus (96u)

Vissen (adult)

Carassius auratus (24u) Carassius auratus (96u) Gammarus pseudolimnaeus (96u) Pimephales promelas (96u)

(Bridié, Wolff, & Winter, 1979)

(Brooke, 1987)

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

86

85

120

100

Vissen (adult)

460

Vissen (adult)

160

Vlokreeften

55,4

Vissen (larve)

109,0

40 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

EC50 (mg/l)

LC50 (mg/l)

Soort

Soortgroep

Pimephales promelas (96u)

Vissen (larve)

151,0

Vissen (levensstadium niet bekend)

124

Vissen (embryo)

304,22

Vissen (larve)

298,53 109,0

Pimephales promelas (96u) Danio rerio (96u) Danio rerio (96u)

(Dow Chemical Co., 1976) (Fei et al., 2010)

Pimephales promelas (30d)

(Geiger, Brooke, & Call, 1984)

Vissen (levensstadium niet bekend)

Pseudokirchneriella subcapitata (48u)

(Kusk et al., 2018)

Algen

Danio rerio (24u)

(Lee et al., 2014)

Vissen (embryo)

27,69

Adineta vaga

(Örstan, 1992)

Radardiertjes

220,34

Vissen (fingerling)

>300

Vissen (fingerling)

210,0

Vissen (fingerling)

170,0

Vissen (fingerling)

162,0

Vissen (adult)

104,13

Vissen (adult)

86,81

Vissen (levensstadium niet bekend)

460,0

Vissen (levensstadium niet bekend)

250,0

Vissen (levensstadium niet bekend)

130,0 400,0

Oncorhynchus mykiss (24u) Oncorhynchus mykiss (48u) Oncorhynchus mykiss (72u)

(Petersen, Kleinow, Kraska, & Lech, 1985)$

Oncorhynchus mykiss (96u) Heteropneustes fossilis (24u) Heteropneustes fossilis (48u)

(Shanker & Seth, 1986)

Rasbora heteromorpha (24u) Rasbora heteromorpha (48u)

(Tooby & Hursey, 1975)

Rasbora heteromorpha (96u) Salmo trutta (48u)

(Woodiwiss & Fretwell, 1974)

Vissen (meerdere levensstadia)

Selenastrum capricornutum (72u)

(SEPC, 1997)

Algen

324,0

33,85

$Getoetste stof: [2,3-14C]acrylamide

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

41 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

Tabel B.16 NOEC en LOEC waardes voor Acrylamide/ 2-propenamide. De letters g, b, l, s, en h achter de LOEC en NOEC-waardes staan respectievelijk voor de effecten gewicht (groei), gedrag, lengte (groei), sterfte en hatching (uitkomen van eieren).

LOEC (mg/l)

NOEC (mg/l)

Soort

Soortgroep

Daphnia magna (48u)

Watervlooien

60s&b

Paratanytarsus parthenogenetica (48u)

Dansmuggen (larve)

60s&b

Vissen (volwassen)

37s&b

Pimephales promelas (96u)

Vissen (volwassen)

41s&b

Lepomis macrochirus (96u)

Vissen (volwassen)

35s&b

Salmo gairdneri (96u)

Pimephales promelas (33d)

Heteropneustes fossilis (24u) Heteropneustes fossilis (48u)

(Krautter et al., 1986)

(Call & Geiger, 1992)

(Shanker & Seth, 1986)

Vissen (meerde levensstadia)

13,2 (7,55 – 18,9)G 18,9L 18,9S 44,5H

5,2 (2,86 – 7,55)G 7,55L 7,55S 18,9H

Vissen (volwassen)

15b

Vissen (volwassen)

15b

Mysidopsis bahia (28d)

(Spingborn Bionomics, Invertebraten (zoutwater) 1985)

2,04

Alg (niet gespecificeerd)

(SEPC, 1997)

16

Algen

$Getoetste stof: [2,3-14C]acrylamide

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

42 van 83

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

BIJLAGE C OVERZICHT PERIODIEKE AUDITVERSLAGEN SGS

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

43 van 83

Overzicht bevindingen periodieke auditverslagen SGS (periode jan ’16 t/m nov ’16) gebaseerd op de BRL 9321, d.d. 04-11-2014 Datum onderzoek SGS

15-01-2016

Kenmerk verslag/datum

IZG-039/2 A16-1 d.d. 15-01-2016

Non-conformiteit

De non-conformiteit uit de vorige audit (10-072015) is afgehandeld. Dit betrof een organisatorische conformiteit; de financieel manager vervulde ook de rol van hoofd administratie. De functie hoofd administratie is vervallen en het handboek is hierop aangepast. Audit d.d. 15-01-2016: geen non-conformiteit

08-07-2016

IZG-039/2 A16-2 d.d. 08-07-2016

Geen non-conformiteit i.r.t. BRL 9321 Non-conformiteit: In verband met de geldende keuringsfrequentie wordt 1x per kwartaal een monster genomen en ter analyse opgestuurd.

11-11-2016

IZG-039/2 A16-3 d.d. 11-11-2016

De producent heeft de CI niet in de gelegenheid gesteld een bijwoning te doen van de reguliere bemonstering en het monster te verzegelen ten behoeve van transport naar het erkende laboratorium. Door GIB dient binnen een termijn van 6 maanden passende corrigerende maatregelen te implementeren op basis van een gedegen oorzaakanalyse

Overzicht bevindingen periodieke auditverslagen SGS (periode mrt ’19 t/m sept ’20) gebaseerd op de BRL 9321, d.d. 04-11-2014 Datum onderzoek SGS

Kenmerk verslag/datum

Non-conformiteit

Non- conformiteit: De resultaten van de laatst geanalyseerde partij waarvan de resultaten 14-012019 zijn binnengekomen, zijn niet in de laatste keurings-frequentieberekening verwerkt.

01-03-2019

IZG-039/2 A19-1 d.d. 01-03-2019

Het laatste analyserapport van de productiecontrole december 2018 is 14-01-2019 gerapporteerd en doorgestuurd naar Dibec op 1601-2019. Een herinnering naar Dibec is tijdens de audit gestuurd op 01-03-2019. Hierop is geen herberekening ontvangen voor afsluiting van de audit. Er is achterstand op de berekening van de keuringsfrequentie. Hierop dienen binnen 6 maanden corrigerende maatregelen te worden getroffen. Non-conformiteit uit de audit van 01-03-2019 is afgehandeld. De bewijzen voor corrigerende maatregelen (keuringsoverzicht DIBEC van 23-072019) zijn door SGS beoordeeld en akkoord bevonden.

02-08-2019

06-09-2019

20-12-2019

IZG-039/2 A19-2 d.d. 02-08-2019

Tijdens deze audit is de volgende nonconformiteit vastgesteld: “de beoordeelde scheepsbon met nummer 190760 d.d. 16-07-2019 voor levering van 3741 ton Granuliet is niet voorzien van een verwijzing naar het IZGcertificaat”

IZG-039/2 A19-3 d.d. 06-09-2019

Geen non-conformiteit vastgesteld. De non-conformiteit uit de vorige audit en door GIB getroffen corrigerende administratieve maatregelen in de lay-out van een beoordeelde scheepsbon waarin niet is voorzien in een verwijzing naar het IZG- certificaatnummer zijn beoordeeld en akkoord bevonden. Deze nonconformiteit is op “in behandeling” gezet

IZG-039/2 A19-4 d.d. 20-12-2019

Geen non-conformiteit vastgesteld. De administratieve maatregelen op basis van de non-conformiteit uit de audit van 06-09-2019 heeft de status “in behandeling”

Datum onderzoek SGS

Kenmerk verslag/datum

Non-conformiteit

13-03-2020

IZG-039/2 A20-1 d.d. 13-03-2020

Geen non-conformiteit vastgesteld De non-conformiteit uit de audit van 20-12-2019 met de status “in behandeling” is in de audit van 13-03-2020 afgehandeld.

12-06-2020

IZG-039/2 A20-2 d.d. 12-06-2020

Geen non-conformiteit vastgesteld

11-09-2020

IZG-039/3 A20-3 d.d. 11-09-2020

Geen non-conformiteit vastgesteld

REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS

BIJLAGE D OVERZICHT AANGEVOERDE HOEVEELHEDEN GRANULIET EN OVERIGE GRONDSTROMEN (OVER DE MAAS CV)

Onze referentie: D10027511:45 - Datum: 16 april 2021

44 van 83

Notitie aangevoerde hoeveelheden Arcadis heeft in het kader van de review gevraagd om opgave per weeknummer van aangevoerde hoeveelheden materiaal (zowel granuliet als materiaal van andere herkomst) welke zijn toegepast in die delen van het project die zijn/worden verondiept. Inmiddels zijn de gegevens van alle relevante peilingen in de te beschouwen periode verstrekt aan Arcadis. Daarmee kunnen berekeningen worden gemaakt van de totale hoeveelheid grond en bagger die in de periode tussen 2 peilingen is toegevoegd binnen het betreffende reconstructievak.

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://api.notubiz.nl/document/10030209/1