5.1 Review onderzoek granuliet over de Maas (deel1-2)
Tekst van het document
Stroomsnelheden van 0,1 m/s komen voor bij hoogwater afvoeren die eens in de 20 jaar voorkomen. Echter is het de vraag of tijdens deze omstandigheden wel gewerkt wordt aan de plas en daarbij het toepassen van het granuliet. De hoogste afvoer die tijdens de uitvoering van de Westplas is voorgekomen is 1.780 m3/s. Hierbij treedt nauwelijks stroming op en worden de kritische stroomsnelheden niet overschreden. Het is mogelijk dat er nog een extremer hoogwater optreedt voordat de afdeklaag volledig is aangebracht. De kans dat er een hoogwater plaatsvindt waarbij het granuliet erodeert is op basis van bovenstaande analyse enkele procenten. Als er tijdens de uitvoering erosie en transport van granuliet plaatsvindt, dan zal het geërodeerde granuliet deels benedenstrooms in de plas weer worden afgezet omdat dat daar de stroomsnelheid lager is dan in het deel van de plas met granuliet. Bij extreme hoogwaters, die minder vaak dan eens per 50 jaar voorkomen, is de stroomsnelheid in de rest van de plas hoger dan 0,1 m/s. Het is minder waarschijnlijk dat een dergelijke extreme situatie zich zal voordoen in 2021 voordat het granuliet is afgedekt.
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
53 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
Afbeelding 7.12 Potentiële kans op erosie doordat schuifspanning hoger ligt dan de kritische schuifspanning.
7.3.2
Erosie in eindsituatie
Moleneindse Waard In de eindsituatie beschermt de afdeklaag het granuliet voor erosie en dat is te zien in de erosiepotentiekaart van de afdeklaag (afbeelding 7.13). Hier is te zien dat de erosiepotentie van de afdeklaag kleiner is dan 0, ofwel de Shields waarde is lager dan de kritische Shields waarde. Er wordt dus geen erosie van de afdeklaag verwacht, zelfs niet bij extreme hoogwatergolven, met het uitgangspunt dat de afdeklaag uit dezelfde korrelgrootte bestaat als voor de Westplas (0,41 mm). In delen van de afdeklaag waar de korrelgrootte kleiner is (waar bijvoorbeeld klei aanwezig is), kan de erosiepotentie in theorie iets groter zijn (zie ook afbeelding 7.10 voor de kritische schuifspanningen als functie van de korrelgrootte). Als dit materiaal in de afdeklaag echter in meer of mindere mate geconsolideerd is, neemt de erosiepotentie weer flink af. De afdeklaag zal daarom waarschijnlijk niet of nauwelijks eroderen en de kans is zeer klein dat het granuliet aan het oppervlak komt te liggen.
Afbeelding 7.13 Potentiële kans op erosie van de afdeklaag doordat schuifspanning hoger ligt dan de kritische schuifspanning.
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
54 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
Als er toch erosie van granuliet zou plaatsvinden, wat niet verwacht wordt, dan kan op basis van de stroming in en rondom de plassen het volgende gezegd worden over het mogelijke verspreidingspatroon: • Bij eventuele erosie van de afdeklaag en het granuliet, dan zou het granuliet meegenomen kunnen worden door de stroming in benedenstroomse richting, aangezien de stroomsnelheid hoger is dan 0,1 m/s; • Verspreiding zal in eerste instantie in de Moleneindse Waard zelf plaatsvinden, maar de stroming is sterk genoeg om een deel van het granuliet verder te verspreiden naar de Westplas en naar de Maas zelf.
Westplas In de eindsituatie zijn de stroomsnelheden groter dan in de uitvoeringssituatie vanwege de geringere waterdiepte. Uit afbeelding 7.14 blijkt dat de erosiepotentie van de afdeklaag binnen de locatie waar het granuliet zich bevindt plaatselijk (in het centrale deel van dit gebied) iets groter dan nul is. Dit betekent dat er mogelijk erosie van de afdeklaag plaatsvindt tijdens een extreme hoogwatergolf. Als er erosie van de afdeklaag optreedt zal dit echter zeer gering zijn ten opzichte van de dikte van de afdeklaag. Daarnaast kan een hoogwater ook juist zorgen voor aanzanding in dit gebied, omdat de stroomsnelheid en de erosiepotentie bovenstrooms van het gebied (in het eerste deel van de verbindingsgeul) groter is. Hierdoor zal het water dat over de afdeklaag stroomt relatief veel sediment bevatten. Door de afname van de stroomsnelheden richting de plas kunnen de grootste korrels uitzakken en kan juist sedimentatie plaatsvinden. Dit is niet geanalyseerd in dit onderzoek, maar vanwege de geringe erosiepotentie en kans op aanzanding is de conclusie dat de kans uiterst klein is dat de afdeklaag bij een hoogwater erodeert tot de diepte waar het granuliet zich bevindt.
Afbeelding 7.14 Potentiële kans op erosie van de afdeklaag met korrelgrootte van 0,41 mm.
7.4
Conclusies Transport
Grondwaterstroming De kwaliteit van het oppervlaktewater is sterk afhankelijk van de herkomst. De Moleneindse Waard wordt gevoed door grondwater dat afkomstig is van de bovenstroomse zijde van de Maas en de noordelijk gelegen polder. Een deel van de Moleneindse Waard infiltreert vervolgens aan de westzijde weer naar de Westplas. De Westplas wordt behalve door de Alphense Uitvliet (Grote Wetering) en Maas (bij vloed) gevoed door het grondwater dat afkomstig is uit de polder en de Moleneindse Waard. Bij de passage van de bodem kan in beide plassen het grondwater in aanraking komen met granuliet en vervolgens naar het oppervlaktewater stromen.
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
55 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
Oppervlaktewater stroming en erosie De kans op erosie is afhankelijk van de stroomsnelheid. Daarom zijn perioden van hoogwaterafvoer maatgevend. Uit berekeningen blijkt dat tijdens de perioden van verondieping van zowel de Westplas als de Moleneindse Waard (2016/2017) niet of nauwelijks sprake is geweest van hoge stroomsnelheden tijdens hoogwaters en daarom ook niet van significante erosie. Ook het hoogwater van februari 2021 heeft niet geleid tot hoge stroomsnelheden door de Westplas en erosie was naar verwachting zeer beperkt. De kans dat in de resterende periode van verondieping (tot eind 2021) extreem hoogwater optreedt dat leidt tot erosie wordt relatief klein geacht. In de eindsituatie is het granuliet afgedekt met grond. Deze afdeklaag zal ook in het geval van hoogwatergolven niet of nauwelijks door erosie worden aangetast.
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
56 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
8
WATERKWALITEIT
Indien er verontreinigende stoffen aanwezig zijn in het granuliet, dan zullen deze zich via de waterfase verspreiden. Uit de analyse van de waterstromen komt naar voren dat de verspreiding vooral plaats zal vinden naar het oppervlaktewater toe. Bij de Moleneindse Waard kan ook plaatselijk stroming van stoffen uit het granuliet naar het grondwater optreden. Het gedrag van de verontreinigende stoffen in grond- en oppervlaktewater is vervolgens afhankelijk van de (geo-)chemische toestand. In dit hoofdstuk komen daarom achtereenvolgens aan bod: • Uitloging granuliet (welke stoffen kunnen uit granuliet vrijkomen). • Oppervlaktewater, monsternamelocaties en analyseresultaten. • Grondwater, monsternamelocaties en analyseresultaten. • Transport en chemische reacties aan de hand van de macrochemie van het grond- en oppervlaktewater. • Conclusies waterkwaliteit.
8.1
Uitloging granuliet
In voorgaand hoofdstuk is aangegeven dat transport richting het grondwater onwaarschijnlijk is vanwege de stromingsrichting naar het oppervlaktewater. Stoffen die vanuit granuliet kunnen oplossen zullen zich verplaatsen naar het oppervlaktewater. Voor acrylamide en barium zijn analyses uitgevoerd waarbij nader is gekeken naar de mogelijke uitloging uit granuliet en vervolgens de concentraties in het nabije oppervlaktewater en het grondwater in, of in de directe nabijheid van het granuliet.
8.1.1
Beschrijving gesteenten
Het granuliet wordt gevormd uit metazandsteen/metagrauwacke uit Bremanger in Noorwegen (Bestone®) en granodioriet uit Glensanda in Schotland. Het granuliet is zeer fijnkorrelig (voornamelijk silt- en lutumfractie), wat het oplossen en verweren van de minerale delen bevordert. Beide gesteenten waaruit granuliet wordt gevormd bestaan voornamelijk uit kwarts, plagioklaas en alkaliveldspaten. Hierin kunnen kleinere hoeveelheden mica’s en kleimineralen (biotiet, chloriet, muscoviet), apatiet, calciet, en ijzeroxiden of -carbonaten voorkomen (voor een meer uitgebreide beschrijving, zie bijlage N). Afhankelijk van de bestanddelen kan het gebroken gesteente zeer langzaam tot makkelijk verweren (in deze context: chemische verwering = oplossen). Verwering van granuliet kan leiden tot vrijkomen van barium, natrium, kalium, calcium en aluminium. Ook magnesium, mangaan en ijzer kunnen indicatief zijn voor de verwering van granuliet. De analyses van zware metalen, arseen en titaan in granuliet laten zien dat vooral barium en titaan in relatief hoge concentraties in de vaste matrix aanwezig zijn. Voor granieten liggen wereldwijd de achtergrondgehalten barium gemiddeld rond de 246 en 732 mg/kg. Voor zandstenen en grauwackes is het wereldgemiddelde 316 mg/kg. (Geochem Research B.V., 2003). De in het granuliet aangetroffen concentraties liggen ook in deze orde van grootte.
Ook titaan komt van nature voor, de achtergrondconcentratie voor titaan in Nederland is 3465 mg/kg d.s.
8.1.2
Onderzoek uitloging acrylamide
Het polyacrylamide in granuliet is vooral aan de vaste bestanddelen gebonden, en zal onder milieuomstandigheden niet of nauwelijks afbreken (zie Bijlage B). Indien wel afbraak optreedt, zullen er kortere ketens gevormd worden, waarbij alleen incidenteel acrylamide gevormd zou kunnen worden. Mocht er in het toegepaste granuliet bij Over de Maas wel acrylamide gevormd worden, dan is de plek waar de kans het grootst is om het aan te treffen, het grondwater of oppervlaktewater wat in contact staat met het granuliet. Acrylamide lost namelijk zeer goed op, bindt niet aan de bodem, en in water kunnen lagere gehalten bepaald worden dan in grond. Om het mogelijk te maken een zo laag mogelijke concentratie acrylamide te kunnen detecteren, is op 5 monsters (geïdentificeerd) granuliet een schudtest uitgevoerd. Hierbij is een L/S-ratio toegepast van 1 (1 deel grond, 1 deel water). Dit geeft een detectiegrens voor de uitloging van grond van 0,1 µg/kg d.s. Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
57 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
Veelal wordt een hogere L/S-ratio toegepast, wat een langdurige uitloging simuleert, maar daarmee wordt de detectiegrens van uitloging van grond ook 10 x zo hoog. Het doel is hier juist om acrylamide met een zo laag mogelijke detectiegrens aan te treffen. Acrylamide is goed afbreekbaar. Normaalgesproken worden schudtesten bij kamertemperatuur uitgevoerd, waardoor afbraak van eventueel aanwezige acrylamide reeds tijdens het schudden kan optreden. De schudtesten zijn daarom uitgevoerd onder gekoelde omstandigheden. De monstername is met steekbussen uitgevoerd om ook afbraak tijdens monstername en transport te minimaliseren. De schudtesten zijn uitgevoerd voor de volgende monsters: • Twee granulietmonsters uit de beunschepen; • Twee geïdentificeerde granulietmonsters in het profiel van de waterbodem in de Westplas (toegepast in 2019/2020); • Een geïdentificeerd granulietmonster in het profiel van de verondieping in de Moleneindse Waard op een diepte van circa 10 m -mv. (toegepast in 2016). De resultaten zijn weergegeven in bijlage K. In de schudtesten van alle 5 monsters is geen acrylamide in het eluaat aangetroffen, alle waarden zijn beneden de detectiegrens van 0,1 µg/l vastgesteld (en daarmee beneden 0,1 µg/kg in de grond). Ook in het granulietmonster dat circa 5 jaar geleden is aangebracht in de Moleneindse Waard is geen acrylamide aangetroffen.
8.1.3
Uitloging barium
Voor barium hangt de uitloging sterk af van de geochemische omstandigheden. Het barium wat aanwezig is in het granuliet komt via chemische reacties in evenwicht met het omringende water. GIB heeft voor het granuliet uitloogproeven uitgevoerd (kolomproeven L/S=10, in de periode 2019-2020). Hieruit kwam naar voren dat barium weinig uitloogt (circa 0,2% van het barium wat aanwezig is). Zie tabel 8.1. Tijdens de schudtesten die hierboven zijn omschreven, is ook barium in het water gemeten (zie bijlage K). Dit betrof een andere proefopzet, en een andere L/S-verhouding, maar ook in deze metingen is de uitloging van barium laag ten opzichte van de hoeveelheid barium die aanwezig is. Tabel 8.1. Resultaten schudtesten samengevat. Tussen haakjes is het aantal metingen en de minimale en maximale waarde weergegeven. Locatie
Type test
Barium in eluaat (µg/l)
Omgerekend naar grond (mg/kg d.s.)
Metingen GIB (gemiddelde 2019-2020)
Kolomproef L/S=10 (langdurende uitloging)
95 µg/l (n=20, <60-200 µg/l)
1 mg/kg d.s. (n=20, <0,6-2,0 mg/kg d.s.)
60 µg/l (n=5, 52-67 µg/l)
0,06 mg/kg d.s. (n=5, 0,05-0,07 mg/kg d.s.)
Schudtesten granuliet Schudtest L/S=1 beunschepen, waterbodem, grond (kortdurende uitloging)
De gemeten concentraties barium in het eluaat zijn van dezelfde ordegrootte als de concentraties die in de omgeving worden gemeten (zie §8.2 en 8.3). Het gedrag van barium in het milieu is sterk afhankelijk van de concentratie sulfaat, omdat barium in aanwezigheid van sulfaat kan neerslaan als slecht-oplosbaar bariumsulfaat. Hierop wordt nader ingegaan in §8.4 en in bijlage N.
Uitloging andere parameters De schudtesten laten ook zien dat concentraties cadmium, koper en molybdeen uit het granuliet gemobiliseerd kunnen worden. De uitloogwaarden zijn over het algemeen lager dan voor barium. In de uitloogproeven van GIB zijn deze verbindingen niet naar voren gekomen omdat ze onder de daar gehanteerde detectiegrens liggen. Molybdeen vormt hierbij een uitzondering, deze wordt in iets lagere gehalten dan barium aangetroffen in de schudtesten en wordt ook een enkele keer in de uitloogproeven van GIB aangetroffen. Cadmium, koper en molybdeen worden nader geëvalueerd in de volgende paragrafen. Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
58 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
8.2
Oppervlaktewater
8.2.1
Monsternamelocaties
Op de volgende locaties zijn oppervlaktewatermonsters genomen: 1. In- en uitgaande waterstromen: a. Boven- en benedenstroomse Maas; b. Grote Wetering (stroomt via de Alphense Uitvliet naar de Westplas). 2. Oppervlakkig oppervlaktewater (op 1 m-waterspiegel), tijdens het aanbrengen van granuliet: a. Ter hoogte van het aanbrengen van het granuliet; b. Tussen de locatie van het aanbrengen van het granuliet en de uitstroomopening naar de Maas. 3. Het oppervlaktewater van de Westplas en de Moleneindse Waard op verschillende meetpunten, op 2-3 verschillende diepten. Deze bemonstering heeft plaatsgevonden gedurende dagen dat geen losactiviteiten in de plas hebben plaatsgevonden (wel heeft er zandwinning plaatsgevonden). De bemonstering heeft plaatsgevonden op het diepste punt van de plas (ter hoogte van de zandwinning) en ter hoogte van de verondieping met granuliet (periode november/december 2019).
Toelichting •
•
De Alphense Uitvliet is de uitmonding van de Grote Wetering, deze komt in de Westplas uit. Bovenstrooms van de Alphense Uitvliet is een waterzuivering gelegen. Van waterzuiveringen is bekend dat deze mogelijk flocculanten zoals polyacrylamide kunnen gebruiken. Waterschap Rivierenland geeft aan geen polyacrylamide te gebruiken. Polyacrylamide wordt voornamelijk gebruikt bij slibindikking, en dit gebeurt voor deze waterzuivering op een centrale locatie elders. Desalniettemin is de Alphense Uitvliet bemonsterd en het monster is op dezelfde parameters geanalyseerd als de overige waterstromen. Bij de bemonstering van de verschillende diepten van het oppervlaktewater lag de focus op het bepalen van gelaagdheid in de plas (indien aanwezig, komt dit naar voren komen in het verschil in geochemische omstandigheden).
8.2.2
Analyseresultaten
De resultaten van het oppervlaktewater zijn weergegeven en getoetst in Bijlage I. In onderstaande tabel zijn de resultaten samengevat: Tabel 8.2. Resultaten oppervlaktewater samengevat (gemiddelde concentraties). Tussen haakjes is het aantal (#) metingen (n) en de minimale en maximale waarde weergegeven indien van toepassing. Voor de overige stoffen zijn alleen stoffen boven de toetsingswaarden weergegeven. Locatie
Diepte (mwaterspiegel)
Acrylamide (#)
Barium (#, min-max)
Overige stoffen (alleen indien > toetsingswaarde)
Bovenstroomse Maas
1 m-wsp
<0,1 µg/l (n=2)
27 µg/l (n=2, 26-27 µg/l)
Zink 17 µg/l (n=2, 14-20 µg/l)
Benedenstroomse Maas 1 m-wsp
<0,1 µg/l (n=2)
26 µg/l (n=2, 25-26 µg/l)
Zink 9,3 µg/l (n=2, 9,2-9,4 µg/l)
Ter hoogte losponton
1 m-wsp
<0,1 µg/l (n=2)
52 µg/l (n=2, 50-53 µg/l)
Cadmium in 1/2 verhoogd (n=2, <0,2-0,33 µg/l)
Tussen losponton en uitstroomopening naar Maas
1 m-wsp
<0,1 µg/l (n=2)
51 µg/l (n=2, 50-52 µg/l)
Nikkel in 1/2 verhoogd (n=2, <5-10 µg/l)
Grote Wetering (Alphense Uitvliet)
1 m-wsp
<0,1 µg/l (n=2)
66 µg/l (n=2, 65-66 µg/l)
-
Westplas
1 tot 30,5 m-wsp
<0,1 µg/l (n=30) 57 µg/l (n=30, 54-63 µg/l)
Moleneindse Waard
1 tot 13 m-wsp <0,1 µg/l (n=7)
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
74 µg/l (n=7, 72-74 µg/l)
Zink 7,9 µg/l (n=6, 6,4-8,5 µg/l) Lood in 2/6 verhoogd (n=6, <2,0-2,7 µg/l) Zink 20 µg/l (n=7, 14-29 µg/l)
59 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
In het oppervlaktewater zijn in totaal 47 metingen van acrylamide en barium uitgevoerd. In het literatuuronderzoek is voor acrylamide geen toetsingswaarde voor oppervlaktewater naar voren gekomen (zie bijlage B), maar wel voor drinkwater. Alle gemeten waarden voor acrylamide liggen beneden de detectiegrens voor acrylamide, en daarmee ook beneden de toetsingswaarde voor drinkwater. Voor barium zijn in het vooronderzoek verschillende toetsingswaarden weergegeven. De generieke toetsingswaarde voor barium in oppervlaktewater is de jaargemiddelde milieukwaliteitseis (JG-MKE) van 93 µg/l, die recent opnieuw is vastgesteld (Verbruggen et al., 2020). Deze wordt in het oppervlaktewater niet overschreden. De concentraties barium in de boven- en benedenstroomse Maas liggen net boven de achtergrondwaarde van 22 µg/l die in 2020 door Verbruggen et al. is afgeleid. De overige stoffen zijn getoetst conform de Kaderrichtlijn water (zie bijlage I). Hieruit is een verhoogde waarde voor zink uit naar voren gekomen, deze is verhoogd in de Maas, Moleneindse Waard en Westplas. Daarnaast zijn er incidenteel verhoogde waarden van nikkel en lood gemeten. De verhogingen zijn niet gerelateerd aan het granuliet. Cadmium, koper en molybdeen zijn in het eluaat van de schudtesten aangetroffen. De concentraties van deze stoffen zijn in het oppervlaktewater vergelijkbaar met het oppervlaktewater van de Maas.
Hieruit volgt geen eenduidige beïnvloeding als gevolg van het toegepaste granuliet. Hetzelfde geldt voor titaan, wat in het granuliet in relatief hoge gehalten aanwezig is. In het oppervlaktewater zijn de gemeten concentraties vergelijkbaar met concentraties in Maaswater. De in het oppervlaktewater gemeten waarden zijn eenmalige metingen en geen jaargemiddelde waarden. De verwachting is dat de waarden in het oppervlaktewater kunnen fluctueren en (extra) verdunning met Maaswater kan optreden, afhankelijk van de mate van overstroming bij hoog water.
8.3
Grondwater
8.3.1
Monsternamelocaties
Het onderzoek van het grondwater had tot doel om de milieuomstandigheden in kaart te brengen (geochemische omstandigheden) en de gehaltes acrylamide en barium in het grondwater te bepalen. Grondwatermonsters zijn genomen op de volgende locaties: • In drie peilbuizen (totaal 4 filters in het freatisch pakket en 1e watervoerende pakket) die geplaatst zijn op de landtongen in de Moleneindse Waard. In deze bodem is (deels) ook granuliet toegepast. Peilbuis 103 is snijdend geplaatst met een aaneengesloten laag granuliet. • In een selectie van de bestaande peilbuizen van het grondwatermeetnet Over de Maas. Dit had tot doel om de geochemische omstandigheden in kaart te brengen van het omringende grondwater van de polder, waarbij tevens de concentraties barium en acrylamide zijn bepaald.
8.3.2
Analyseresultaten
De resultaten van het grondwater zijn weergegeven en getoetst in Bijlage J. In onderstaande tabel zijn de resultaten samengevat: Tabel 8.3. Resultaten grondwater samengevat (gemiddelde concentraties). Tussen haakjes is het aantal (#) metingen (n) en de minimale en maximale waarde weergegeven indien van toepassing. Voor de overige stoffen zijn alleen stoffen boven de toetsingswaarden weergegeven. Locatie
Einddiepte
Acrylamide (#)
Barium (#, min-max)
Overige stoffen (alleen indien > toetsingswaarde)
Peilbuizen Moleneindse Waard
5 tot 11 m -mv.
<0,1 µg/l (n=4)
93 µg/l (n=8, <20 - 190 µg/l)*
Geen overschrijdingen interventiewaarde. Lichte overschrijdingen streefwaarde chloride
168 µg/l (n=8, 67-250 µg/l)
Geen overschrijdingen interventiewaarde. Enkele overschrijdingen streefwaarde sulfaat, molybdeen, naftaleen, 1,2dichlooretheen, benzeen, xylenen
Peilbuizen grondwatermeetnet omgeving
6,6 tot 6,8 m mv.
<0,1 µg/l (n=8)
* De 4 peilbuizen zijn twee keer bemonsterd op zware metalen en macroparameters, vandaar 8 metingen i.p.v. 4. Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
60 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
In het grondwater zijn in totaal 12 metingen van acrylamide uitgevoerd. Acrylamide was bij alle metingen lager dan de detectiegrens. Voor barium zijn de gemeten concentraties hoger dan de streefwaarde van 50 µg/l, maar lager dan de interventiewaarde (625 µg/l), waarbij de concentratie in de polder gemiddeld het hoogste ligt (natuurlijke oorsprong). Dit heeft geen relatie met granuliet en behoeft geen nader onderzoek. Andere stoffen komen in licht verhoogde waarden voor, waarbij de interventiewaarden niet worden overschreden. In hoofdstuk 6 is de milieuhygiënische kwaliteit van granuliet afgeleid. Hieruit volgt dat de licht verhoogde gehalten in het grondwater geen directe relatie hebben met granuliet c.q. geïsoleerd kunnen worden van de andere toegepaste grondstromen en (regionale) achtergrondgehalten in het grondwater.
8.4
Transport en chemische reacties
De milieuomstandigheden zijn geëvalueerd aan de hand van diverse macroparameters (o.a. sulfaat, nitraat, chloride, bicarbonaat etc.). Afhankelijk van de aan- of afwezigheid van diverse macroparameters zullen de verschillende metalen neerslaan of in oplossing gaan (c.q. blijven). Een uitgebreide evaluatie van de processen in het oppervlaktewater, grondwater en granuliet staat per gemeten parameter beschreven in bijlage N. Moleneindse Waard Het oppervlaktewater van de Moleneindse Waard wordt via het grondwater gevoed door de achterliggende polder en de bovenstroomse Maas, waarbij een beperkt deel van deze grondwaterstroming via granuliet kan lopen. Het gehalte barium is sterk afhankelijk van de sulfaatconcentraties. Barium komt in watersystemen meestal geassocieerd met sulfaat als bariet voor (BaSO4). Hoe hoger de concentratie sulfaat, hoe minder barium in het water gemeten wordt omdat het in de vaste vorm blijft of neerslaat uit het water. De oplosbaarheid van bariet is laag, maar deze wordt verhoogd door de aanwezigheid van andere ionen, zoals Cl-, NO3- en CO32-. Vergeleken met het overige oppervlaktewater worden in de Moleneindse Waard de laagste concentraties sulfaat gemeten (53-54 mg/l), een van de redenen waarom de concentraties barium hier in vergelijking hoger zijn (74 µg/l).
Na extrapolatie van de data lijkt het er wel op dat de bariumconcentraties in de Moleneindse Waard ook relatief aan de hoge kant zijn, zelfs indien hogere concentraties sulfaat aanwezig zouden zijn. Dit wijst erop dat de bariumconcentraties in de Moleneindse Waard mogelijk beïnvloed worden door de toestroom van grondwater uit de polder met hoge concentraties barium, of door het aanwezige bodemmateriaal (het granuliet of ander materiaal). Van de overige geëvalueerde parameters in de Moleneindse Waard is mogelijk mangaan te relateren aan het verondiepen, maar een relatie met granuliet is niet eenduidig, dit zou ook gerelateerd kunnen zijn aan overige toegepaste grondstromen. Westplas De Westplas staat onder invloed van de instroom van de Grote Wetering via de Alphense Uitvliet en de benedenstroomse Maas. In de Westplas is een gelaagdheid waarneembaar waarbij de bovenste meters intensiever beïnvloed worden door de Grote Wetering en de Maas dan de diepere waterlagen. In de Grote Wetering zijn concentraties barium van 65 en 66 µg/l aangetoond. In de Westplas varieerden de concentraties tussen 50 en 63 µg/l. De laagste concentraties werden aangetroffen tijdens het lossen (50 tot 53 µg/l). In de Westplas lijkt een effect op te treden van een aanvoer van relatief hoge concentraties vanuit de Grote Wetering en verdunning met Maaswater met lage concentraties.
Met het Maaswater worden hoger concentraties sulfaat aangevoerd waardoor het gehalte barium laag is. Van de overige geëvalueerde parameters lijkt alleen kalium gering (en tijdelijk) verhoogd te zijn tijdens of direct na het lossen van granuliet. Ook lijkt er tijdens het lossen licht brak water mee te komen (mogelijk vanwege inname brak water tijdens het transport), waardoor de concentraties natrium, chloride en sulfaat (tijdelijk) verhoogd voorkomen. Deze lichte verhogingen vormen geen risico. Geen van de overige geëvalueerde concentraties zware metalen in het oppervlaktewater van de Westplas kan gerelateerd worden aan het aanwezige granuliet.
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
61 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
Grondwater Moleneindse Waard Geen van de in het grondwater aangetroffen metalen (inclusief barium) kan aan de aanwezigheid van granuliet in de ondergrond worden gekoppeld. De sulfaatconcentraties in het grondwater in de peilbuizen ten noordoosten van de Moleneindse Waard en tussen de Moleneindse Waard en de Westplas komen sterk overeen met de concentraties die in het Maaswater worden verwacht en zijn hoger dan in andere peilbuizen ten noorden en noordoosten van de plassen. Dit zou erop kunnen duiden dat deze peilbuizen onder invloed staan van infiltrerend Maaswater uit het deel van de Maas bovenstrooms van de sluis bij Lith. De verdeling van de sulfaatconcentraties in de grondwatermonsters past bij het stromingspatroon zoals beschreven in hoofdstuk 7.
8.5
Conclusies waterkwaliteit
Acrylamide Acrylamide is in geen enkel milieumonster (grond, waterbodem, grondwater en oppervlaktewater) aangetroffen in een concentratie boven de detectielimiet van 10 µg/kg in grond/waterbodem en 0,1 µg/l in grond-/oppervlaktewater. Ook in de schudproeven, die zijn opgezet om een zo laag mogelijke concentratie in grond/waterbodem te kunnen detecteren, is geen acrylamide aangetroffen in het water. Er zijn geen aanwijzingen gevonden dat er acrylamide vrijkomt uit het granuliet of gevormd wordt op de langere termijn. Dit betekent ook dat er voor acrylamide geen risico’s voor de mens of milieu zijn.
Barium Barium is aanwezig in zowel het omliggende grondwater in de polder, als in het oppervlaktewater van de Grote Wetering, de Westplas en de Moleneindse Waard. De concentraties zijn sterk afhankelijk van de concentraties sulfaat. In de Moleneindse Waard en in de Westplas is geen duidelijke invloed van het granuliet op de concentraties barium vast te stellen. De concentraties zijn verklaarbaar door de achtergrondconcentraties vanuit de polder (grond- en oppervlaktewater) en de voeding door de Maas. De concentraties in het oppervlaktewater liggen overal onder de meest recente jaargemiddelde milieukwaliteitseis. Er zijn geen risico’s voor mens en milieu met betrekking tot uitloging van barium uit granuliet. Barium in oppervlaktewater en grondwater is in evenwicht met bariet. Bariet is zeer slecht oplosbaar. Bij een toename van de bariumconcentratie laat de evaluatie zien dat barium kan neerslaan. Dit beperkt de mobiliteit van het barium.
Overige verontreinigende stoffen Evenals in het samenstellingsonderzoek zijn er tijdens het onderzoek naar de waterkwaliteit als gevolg van de toepassing van granuliet geen relevante concentraties van andere verontreinigende stoffen aangetroffen.
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
62 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
9
ECOLOGISCHE EFFECTEN GRANULIET
In het onderliggende hoofdstuk wordt ingegaan op de vraag of de toepassing van granuliet mogelijk effecten heeft op: • De aanwezige flora en fauna in de plassen (soorten). • het behalen van de natuurdoelen die voor het plangebied over de Maas zijn geformuleerd (ecosysteem). In de paragraaf over de effecten op soorten, wordt ingegaan op de uitkomsten van het literatuuronderzoek dat is uitgevoerd door Arcadis (Bijlage B) in relatie tot de gemeten stofconcentraties voor acrylamide en barium. Vervolgens worden de resultaten van de uitgevoerde bioassays besproken en geïnterpreteerd aan de hand van het literatuuronderzoek en de stofconcentraties. Deze bevindingen worden in de erop volgende paragraaf gebruikt om een inschatting te maken van de effecten van de toepassing van het granuliet op het ecosysteem. Daarmee wordt antwoord gegeven op de vraag of het realiseren van de natuurdoelstellingen van het project Over de Maas in het geding kan komen ten gevolge van de toepassing van het granuliet.
9.1
Effecten op soorten
9.1.1
Stofconcentraties
Om de vraag te beantwoorden of de eigenschappen van polyacrylamide, acrylamide en barium mogelijk een effect kunnen hebben op het ecosysteem en daarmee het behalen van de natuurdoelstellingen voor het project Over de Maas, is uitgebreid literatuuronderzoek uitgevoerd naar de toxicologische eigenschappen van de stoffen (zie Bijlage B). Uit dit literatuuronderzoek volgen voor de drie stoffen concentraties waarbij in het milieu nog geen effect wordt verwacht, de zogeheten PNEC (Predicted No Effect Concentration). Deze waardes kunnen gebruikt worden om, aan de hand van de concentraties die gemeten worden in het water, af te leiden of mogelijk ecotoxicologische effecten kunnen optreden. De PNEC wordt afgeleid op basis van de beschikbare toxiciteitsdata van een stof. Van de beschikbare data van alle geteste organismen wordt de laagste concentratie genomen waarbij een effect is waargenomen. Op deze waarde wordt een beoordelingsfactor toegepast die afhangt van de hoeveelheid ecotoxicologische data en de betrouwbaarheid van de data. De PNEC komt daarmee altijd een factor 10 tot 1000 lager uit dan de laagste concentratie waarbij een effect is waargenomen. Voor een uitgebreidere beschrijving van dit afleidingsproces wordt verwezen naar Bijlage B.
De wijze van afleiden van de PNEC borgt dat met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden gesteld, dat er geen effecten op het ecosysteem optreden wanneer de PNEC niet wordt overschreden. Tabel 9.1 gemeten concentraties acrylamide en barium in het oppervlaktewater. *Geen concentraties aangetoond boven de detectielimiet van de stof. Parameter Stofconcentratie in de waterkolom [gemiddelde, (min – max)] PNEC
Acrylamide [µg/L]
Barium [µg/L]
(CAS 79-06-1)
(CAS 7440-39-3)
Westplas
<0,1* µg/L Westplas
Moleneindse Waard
<0,1* µg/L
20 µg/L (ECB, 2002)
Moleneindse Waard
57 (54 – 63) 74 (72 – 74)
620 µg/L (Verbruggen, Smit, & van Vlaardingen, 2020)
Voor acrylamide geldt dat het in geen van de monsters in het oppervlaktewater is aangetoond boven de detectielimiet van 0,1 µg/L. Gezien de detectiegrens kan met zekerheid worden gesteld dat er geen acrylamide in het water aanwezig is in concentraties hoger dan 0,1 µg/L. De hoogst mogelijke waarde waarin acrylamide in het watersysteem voor zou kunnen komen (<0,1 µg/L) is daarmee een factor 200 lager dan de PNEC van de stof. Daarmee kunnen effecten van acrylamide op aquatische organismen met zekerheid worden uitgesloten. Voor barium bevinden de gemeten concentraties in de waterkolom zich tussen de 25 en de 74 µg/L. De hoogst gemeten bariumconcentratie is daarmee een factor 8 lager dan de afgeleide PNEC van 620 µg/L. Zoals genoemd in hoofdstuk 8 is de door het RIVM afgeleide nieuwe milieukwaliteitsnorm van 93 µg/L (Verbruggen et al., 2020). Deze wordt nergens overschreden. Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
63 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
Voor een duiding van de bariumconcentraties wordt verwezen naar hoofdstuk 8. Aangezien barium een stof is die vaak van nature in hoge concentraties voorkomt in het milieu en het feit dat de concentraties ruim onder de PNEC blijven, worden effecten van barium in de waterkolom op aquatische organismen niet verwacht.
9.1.2
Bioassays
Hieronder wordt toegelicht hoe de bioassays zijn opgezet, en welke conclusies daarmee kunnen worden getrokken. Daarna worden de twee uitgevoerde series bioassays besproken. Omdat de eerste serie geen eenduidig resultaat opleverde, waarbij zowel in granuliet als in de aanvullende controle effecten zijn waargenomen, is besloten voor het uitvoeren van een tweede, uitgebreidere serie. De conclusies zijn uiteindelijk gebaseerd op beide series.
Toelichting Bioassays zijn gestandaardiseerde tools met een op basis van wetenschappelijk onderzoek opgezet protocol, waardoor ze gecontroleerd en reproduceerbaar zijn. In Bioassays worden testorganismen blootgesteld aan een medium (of een mengsel van verschillende stoffen) waarvan de precieze samenstelling vaak onbekend is. De testorganismen zijn onderdeel van de gestandaardiseerde opzet en komen mogelijk helemaal niet voor in Over de Maas. Ze fungeren als signaalfunctie om mogelijke effecten van bekende en onbekende stoffen aan te tonen en om effecten van stoffen in een mengsel aan te tonen. Met een bioassay kan worden onderzocht of de samenstelling van granuliet of de aanwezigheid van polyacrylamide mogelijk een effect heeft op de flora en fauna (soorten). Een bioassay geeft een signaal als er sprake is van een mogelijk effect bij de toepassing in de praktijk. In dat geval is het mogelijk om met aanvullende analyses te achterhalen welke oorzaken er ten grondslag liggen aan de effecten die zijn waargenomen in de bioassays. Door de gestandaardiseerde methodiek wordt het onderscheidend vermogen en de bruikbaarheid van de test vergroot.
Uitvoering en resultaten eerste serie bioassays Voor een eerste screening van de effecten zijn twee chronische bioassays met granuliet ingezet met twee testorganismen; de waterfase test met de watervlo Daphnia magna en de sedimenttest met de dansmug larve Chironomus riparius. Granuliet is fijn materiaal, om een eventueel effect van de samenstelling van granuliet te onderzoeken is parallel een bioassay op rivierklei uitgevoerd (alleen voor de sediment bioassay), een klei met een fijnere samenstelling dan granuliet. De bioassays zijn uitgevoerd door het onderzoeks- en adviesbureau Ecofide in opdracht van Arcadis. De chronische toxiciteitstest met de watervlo D. magna is in tienvoud uitgevoerd volgens de OECD 211 richtlijn. De bioassay met de dansmug C. riparius is gebaseerd op de OECD-richtlijn 218, en in viervoud uitgevoerd. Een uitgebreidere fysische en chemische analyse van gebruikte referenties is te vinden in Bijlage I. Zie Bijlage L voor een uitgebreide beschrijving van de gevolgde methodiek van de bioassays en een uitgebreide weergave van de resultaten. In onderstaande paragraaf komen de belangrijkste resultaten aan bod. Tabel 9.2 vat de resultaten samen. Dapnia magna In de bioassays met de watervlo D. magna zijn geen effecten van het granuliet waargenomen. De overleving was in alle monsters 100%. Ook de reproductie was niet verschillend van de controlegroep.
Chironomus riparius Granuliet: In de eerste serie bioassays met de dansmug larve C. riparius zijn geen effecten gevonden van de granulietmonsters op de overleving van de testorganismen. In de eerste serie bioassays werd in één van de twee granuliet monsters (B3) een vertraagde ontwikkeling waargenomen. Deze vertraging van de ontwikkeling van de larven blijkt uit een groter percentage van de larven dat zich aan het einde van de test nog in het 3e larvale stadium bevindt. Wanneer de ontwikkeling van een dansmug zich normaal voltrekt bevindt een dansmug larve zich aan het eind van de uitgevoerde chronische bioassay over het algemeen in het vierde larvale stadium. De groei tenslotte wordt uitgedrukt in het drooggewicht (in mg) van de larven aan het einde van de test. Hoe hoger het getal, des te beter de groei. De groei op de granulietmonsters wijkt niet af van de standaardcontrole. Rivierklei: In de eerste serie bioassays was in de aanvullende controle met rivierklei sprake van een lagere overleving, een verminderde groei en een vertraagde ontwikkeling. Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
64 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
Deze resultaten zijn niet eenduidig. Er kan geen duidelijke conclusie worden getrokken over de effecten van granuliet. Er is immers een respons op één van de monsters die afwijkt van de standaardcontrole, maar op het andere granulietmonster niet. Bovendien wijkt ook de aanvullende controle af. De afwijkende respons zou door de korrelgrootteverdeling kunnen komen, maar het is niet uitgesloten dat het effect een andere oorzaak heeft. Daarom is een tweede serie bioassays ingezet. Tabel 9.2 Resultaten eerste serie bioassays met de dansmug larve C. riparius. *= significant verschillend met de controle Drontermeer (standaardafwijking tussen haakjes) Monster
Overleving (%)
Groei (mg dw/larve)
3e larvale stadium (%) nog niet ontgroeid
Drontermeer (standaard controle)
99 (2,0)
1,08 (0,12)
4,0 (3,3)
Rivierklei (aanvullende controle)
86 (5,2)*
0,80 (0,14)*
34,0 (6,3)*
Granuliet A3
91 (6,8)
1,32 (0,09)
7,5 (6,2)
Granuliet B3
89 (6,8)
1,06 (0,15)
25,9 (4,2)*
Uitvoering en resultaten tweede serie bioassays Op basis van de resultaten van de eerste serie is vervolgens besloten een tweede serie bioassays uit te voeren met alleen C. riparius. Omdat in de eerste serie bleek dat granuliet een respons gaf in de bioassay met C. riparus is het onderzoek vervolgd aan de hand van deze bioassay. Het onderzoek is gestuurd door de volgende conclusies: • Het ene granuliet monster gaf wel een respons en het andere niet, daarom zijn er nog vijf extra granuliet monsters met een C. riparus bioassay onderzocht. • Een effect van korrelgrootte kon niet worden uitgesloten omdat er ook een effect van rivierklei was gevonden, daarom is deze bioassay herhaald, én is aanvullend monstermateriaal gezocht om dit effect verder te onderzoeken. Naast de controle met rivierklei zijn in de tweede serie bioassays twee extra referentiemonsters getoetst (referentiemonster 1001 en 1002). Dit zijn grondmonsters van zandige klei uit de uiterwaarden (1002) en de Moleneindse waard (1001). Uit zeefkromme analyses (Bijlage L) is gebleken dat de korrelgrootteverdeling van het granuliet zich tussen de klei-controle (rivierklei) en de extra referentiemonsters (zandige klei) bevindt. Beide referentiemonsters hebben een grovere korrelgrootteverdeling, de kleireferenties hebben juist een fijnere korrelgrootte verdeling dan het granuliet.
Uit milieuhygiënische analyses van deze monsters is gebleken dat beide referentiemonsters licht verhoogde concentraties verontreinigende stoffen bevatten (klasse A: met name zware metalen in referentie 1001). Tenslotte is een monster granuliet uit de bodem van de Westplas getoetst. Zie bijlage L voor een uitgebreide beschrijving van de gevolgde methodiek van de bioassays en een uitgebreide weergave van de resultaten. Hieronder zijn de resultaten samengevat en opgesomd in tabel 9.3. Chironomus riparius Granuliet: In de tweede serie bioassays met de dansmug larve C. riparius zijn geen effecten gevonden van de granulietmonsters op de overleving van de testorganismen, maar werd in twee van de vijf granulietmonsters (C3 en C4) wel een vertraagde ontwikkeling waargenomen. Een groter percentage van de testorganismen dat nog in het derde larvale stadium verkeerd duidt op een ontwikkelingsachterstand. Daarnaast was in de tweede serie bioassays in alle granuliet monsters sprake van een lagere groei dan in de controlegroepen. Referentiemonsters: In de tweede serie bioassays werden op alle referentiemonsters geen significante effecten waargenomen op overleving, ontwikkeling of groei.
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
65 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
Tabel 9.3 samenvatting van de resultaten van de tweede serie bioassays met de dansmug larve C. riparius. *= significant verschillend van het Drontermeer (controle) (standaardafwijking tussen haakjes) Monster Drontermeer slib (standaard controle)
Overleving (%)
Groei (mg dw/larve)
3e larvale stadium (%) nog niet ontgroeid
95 (5,0)
1,01 (0,03)
3,1 (4,0)
Rivierklei (aanvullende controle)
88 (5,7)
0,93 (0,17)
4,5 (6,2)
Referentie 1001
97 (2,0)
1,05 (0,06)
0
Referentie 1002
95 (3,8)
1,08 (0,11)
0
Westplas (granuliet
92 (0)
0,81 (0,04)*
7,6 (2,2)
Granuliet A4
97 (2,0)
0,69 (0,18)*
10,3 (7,3)
Granuliet B4
92 (5,7)
0,74 (0,20)*
4,4 (0,3)
Granuliet C3
92 (5,7)
0,74 (0,09)*
12,0 (4,4)*
Granuliet C4
95 (2,0)
0,66 (0,08)*
11,5 (3,9)*
Conclusies Bioassays zijn een eerste stap in het analyseren van effecten van monsters met een onbekende samenstelling. De uitslag van een bioassay geeft daarmee aan of ‘er mogelijk iets aan de hand is’ of niet (signaalfunctie). De tests met de watervlooien laten geen effect zien, en de eerste serie bioassays met de larven van de dansmug gaf geen eenduidig beeld. Daarom is een tweede, uitgebreidere serie ingezet met alleen de dansmuglarven. In de tweede serie was sprake van een consistente respons, waardoor niet kan worden uitgesloten dat het granuliet een effect teweegbrengt. Het wil echter niet per se zeggen dat er ook daadwerkelijk een effect in het ecosysteem op zal treden. De achterliggende oorzaak van het signaal uit de bioassays is niet duidelijk. Aangezien op zowel de rivierklei als de referentiemonsters testen zijn uitgevoerd waar geen negatieve effecten zichtbaar zijn, is er geen eenduidige relatie gevonden tussen de korrelgrootteverdeling en de waargenomen effecten in de bioassays. Op basis van het literatuuronderzoek kan een mogelijke verklaring worden gevonden in de aanwezigheid van polyacrylamide. Polyacrylamide kan leiden tot een hogere viscositeit en het verkleven van kleine deeltjes. Het is echter niet in staat een celmembraan te passeren, waarmee toxische effecten via deze effectketen kunnen worden uitgesloten.
In de eindsituatie is het granuliet in Over de Maas afgedekt. Het is daarom niet nodig om een nadere verklaring te zoeken voor het waargenomen signaal.
9.2
Effecten op het ecosysteem
In deze paragraaf wordt ingegaan op het ecosysteem en de natuurdoelen bij het project Over de Maas. De natuurdoelen zijn van belang na afronding van het project, in de tijdelijke situatie tijdens de winning zijn deze natuurdoelen nog niet van belang. Wel moet een eventueel onomkeerbaar effect voorkomen worden en dient ten alle tijden rekening te worden gehouden met de zorgplicht. Dit hoofdstuk behandelt zodoende de mogelijke effecten van de milieuhygiënische eigenschappen van het granuliet en eventuele nevenverontreinigingen op de gestelde natuurdoelen voor project Over de Maas.
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
66 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
Met inachtneming van het bovengenoemde worden effecten van vertroebeling niet meegenomen in de effectbeschrijving van de toepassing van granuliet op het ecosysteem en daarmee op het behalen van de natuurdoelen. Net als bedekking van bodemorganismen is vertroebeling een tijdelijk effect dat optreedt bij zowel het lossen van granuliet als bij het verondiepen met een ander materiaal. Daarnaast leidt ook de zandwinning, de klasseerinstallatie binnen de plas tot vertroebeling van het oppervlaktewater. Daarmee vindt in de plas, vanaf het graven tot na de afronding van de verondieping, van tijd tot tijd, in meer- of mindere mate vertroebeling plaats. De tijdelijke vertroebeling van het systeem heeft geen blijvende gevolgen voor het ecosysteem van de zoete plas.
Voor informatie met betrekking tot de gestelde natuurdoelen voor het project Over de Maas wordt verwezen naar Bijlage L. Tabel 9.4 geeft een samenvatting van de natuurdoeltypen zoals die zijn vastgelegd voor het plangebied. Aan de hand van deze streefbeelden wordt op basis van het literatuuronderzoek en de uitgevoerde bioassays geanalyseerd of granuliet de ontwikkeling van deze streefbeelden in de weg staat. Tabel 9.4 te toetsen natuurdoeltypen voor mogelijke effecten van de chemische eigenschappen van granuliet en eventuele nevenverontreinigingen. Laag dynamisch rivierlandschap
Hoog dynamisch rivierlandschap
Geïsoleerde meander en petgat
Langzaam stromende rivier en nevengeul
Moeras
Zoet getijdenwater
Natte strooiselruigte
Dynamisch rivierbegeleidend water
Nat matig voedselrijk grasland
Moeras
Wilgenstruweel
Natte strooiselruigte
Ooibos
Nat matig voedselrijk grasland Ooibos
Op basis van de chemische analyses zoals benoemd paragraaf 9.1.1 blijkt dat op geen enkele locatie acrylamide is aangetroffen boven de detectiegrens en dat barium een factor 8 onder de afgeleide PNEC ligt. Zodoende zijn effecten op soorten zoals die worden genoemd in de soortlijsten behorende bij de natuurdoeltypen met zekerheid uit te sluiten. Daarmee zijn ook effecten op de natuurdoeltypen zelf uit te sluiten.
Mogelijke effecten tijdens de uitvoering Gezien de resultaten van de bioassays kunnen effecten van granuliet op aquatische organismen tijdens de toepassing niet worden uitgesloten, maar er kan ook niet worden gesteld dat ze zullen optreden. Tijdens de uitvoering zijn echter geen natuurdoeltypen aangewezen, en de mogelijke effecten worden tenietgedaan (of zijn niet relevant) door het telkens weer aanbrengen van nieuwe lagen totdat de afdeklaag is aangebracht. Tijdens de uitvoering kunnen plaatselijk kleine hoeveelheden granuliet op of in de al aangebrachte delen van de deklaag terechtkomen. Dit kan gebeuren als de vertroebeling die ontstaat door het lossen van granuliet zich geleidelijk oplost door sedimentatie. Dit granuliet is direct zeer verdund en mengt zich snel met de overige grondstromen en natuurlijk sediment. Gezien de aanzienlijke verdunning en de kleine volumes waarin dit mogelijk op kan treden worden effecten op aquatische organismen niet verwacht.
Mogelijke effecten in de eindsituatie Effecten op natuurdoelen worden getoetst aan de soortenlijsten uit (Bal et al., 2001) (zie bijlage L). De soortenlijst voor zowel het hoog- als het laagdynamisch rivierlandschap bevatten een aantal soorten die, of volledig, of voor een deel van hun leven in het aquatische milieu leven (bijvoorbeeld libellen en schietmotten).
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
67 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
Daarnaast bevatten de soortlijsten ook soorten als vleermuizen en vogels die voor een deel foerageren op organismen die als larve in het water leven maar vervolgens uitvliegen (bijvoorbeeld muggen en waterjuffers). In de uiteindelijke situatie wordt het granuliet overal afgedekt met andere grond. In de natuurtypen die zullen ontstaan in de plas komen geen soorten voor die diep in de bodem leven, en die zijn opgenomen in de soortenlijst of die dienen als voedsel voor soorten in de soortenlijsten. Effecten als gevolg van directe blootstelling aan flora en fauna zijn in de eindsituatie dus niet aan de orde. In de schudtesten van granuliet is geen relevante mate van uitloging gemeten. Het is niet waarschijnlijk dat verontreinigende stoffen vanuit het granuliet het oppervlaktewater of de deklaag bereiken. Zodoende kunnen ook effecten op de soorten die in de plas leven in de eindsituatie worden uitgesloten.
9.3
Conclusies ecologie
Er worden geen effecten verwacht voor het ecosysteem als gevolg van de toepassing van granuliet. In de eindsituatie ligt het granuliet onder een afdeklaag, en is het ecosysteem vooral afhankelijk van de afdekgrond. Tijdens de uitvoering van het project is sprake van een continu proces van ontgronden en verondiepen, en is de gewenste aanwezigheid van natuurdoeltypen nog niet aan de orde. Granuliet laat in bioassays geen oversterfte zien van testorganismen, maar wel een langzamere groei en ontwikkeling dan in referentiemateriaal bij een van de testorganismen. Dit signaal van de bioassays betekent niet per se een relevant effect, maar zou kunnen betekenen dat granuliet mogelijk minder geschikt is als drager voor specifieke ecosystemen of natuurdoeltypen. Voor veel toepassingen worden hieraan echter geen eisen gesteld. In Over de Maas wordt granuliet afgedekt. Hierdoor speelt granuliet als drager voor het ecosysteem geen rol. Granuliet heeft ook geen invloed op de kwaliteit van bovenliggende deklagen. Het is daarom niet nodig om een nadere verklaring te zoeken voor het waargenomen signaal.
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
68 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
10
CONCLUSIES EN ANTWOORDEN
10.1
Conclusies
Effecten: In de periode oktober 2020 tot maart 2021 is door literatuuronderzoek en gerichte monstername onderzoek gedaan naar het gebruik van granuliet als aanvulmateriaal in Over de Maas. Daarbij is vastgesteld dat het gebruik van granuliet geen negatieve effecten heeft op mens en milieu in de eindsituatie of tijdens de uitvoering. Milieuhygiënische kwaliteit: Granuliet valt in de milieuhygiënisch meest schone kwaliteitsklasse die in Nederland wordt toegekend aan grond. Er zijn in granuliet geen relevante concentraties verontreinigende stoffen aangetoond. Het bevat circa 0,01% (w/w) polyacrylamide. Granuliet bezit AW-kwaliteit en is daarmee toegestaan voor alle bodemtoepassingen, ook leef- of toplagen. Granuliet laat in bioassays geen oversterfte zien van testorganismen, maar wel een langzamere groei en ontwikkeling dan in referentiemateriaal bij een van de testorganismes. Dit signaal van de bioassays betekent niet per se een relevant effect, maar zou kunnen betekenen dat granuliet mogelijk minder geschikt is als drager voor specifieke ecosystemen of natuurdoeltypen. Voor veel toepassingen worden hieraan echter geen eisen gesteld. In Over de Maas wordt granuliet afgedekt. Hierdoor speelt granuliet als drager voor het ecosysteem geen rol. Acrylamide: In geen enkel monster van grond, grondwater of oppervlaktewater is acrylamide aangetoond boven de detectielimiet.
Ook in de toekomst is de vorming van acrylamide uit polyacrylamide niet waarschijnlijk. Polyacrylamide breekt slechts zeer langzaam af, en in het geval van afbraak, vooral naar kortere ketens polyacrylamide. In het natuurlijke systeem verloopt de afbraak van acrylamide aanzienlijk sneller dan de mogelijke vorming uit polyacrylamide, hoogstwaarschijnlijk is dit de reden dat geen acrylamide kon worden teruggevonden. Barium: Barium wordt waargenomen in variërende concentraties in granuliet en het uitgeloogde water. De concentraties in dit water overstijgen het niveau dat bijvoorbeeld in de achterliggende polder wordt gemeten niet, en voldoen aan de meest recente jaargemiddelde milieukwaliteitseis voor barium in oppervlaktewater. Ze hebben geen effect op het bereiken van de natuurdoelen. Bovendien beperkt de reactie met sulfaat in het grond- en oppervlaktewater de concentraties Vertroebeling en verspreiding: Tijdens de gehele periode van aanleg is sprake van vertroebeling door zowel ontgronding, de klasseerinstallatie en het aanbrengen van granuliet en andere grond en baggerspecie. In de vergunningen voor het realiseren van Over de Maas zijn geen eisen gesteld aan de vertroebeling in de Westplas en de uitstroomopening. Vertroebeling door het lossen van granuliet duidt wel op verspreiding.
De mate van verspreiding is tijdelijk en gering, en is onderhevig aan menging met andere grondsoorten en natuurlijke sedimentatie. Een effect op natuurdoeltypen als gevolg van deze tijdelijke vertroebeling wordt daarom ook niet verwacht.
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
69 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
10.2
Antwoord onderzoeksvragen
1. Waar is het granuliet toegepast binnen de vullichamen/plassen? Op basis van peilresultaten van Over de Maas CV is een beeld gevormd van de verondiepingen. In de Westplas waren ook GPS-data van de loslocaties beschikbaar. De verwachte aanwezigheid van lagen granuliet is getoetst met een gericht aantal boringen in waterbodem (Westplas) of aangelegde landtongen (Moleneindse Waard). Onze resulterende bevindingen komen overeen met de informatie van Over de Maas CV. Westplas: Gelijktijdig met andere externe grondstromen is ca 650.000 ton granuliet toegepast ten oosten van de opgespoten onderwaterdam. De toegepaste dikte varieert van minder dan een meter aan de randen, tot plaatselijk meer dan 12 m. Er is sprake van een afwisseling van veelal dunne lagen granuliet, andere grond en baggerspecie, tot dikke aaneengesloten lagen granuliet. Moleneindse Waard: Gelijktijdig met andere externe en gebiedseigen grondstromen is ca. 120.000 ton granuliet toegepast aan de zuidoostzijde. Ook hier varieert de totale aangebrachte pakketdikte sterk, van minder dan een meter tot maximaal ca.12 meter. Binnen dit pakket bevinden zich lagen granuliet. Verdere details ontbreken. Op basis van reconstructiegegevens kan binnen dit pakket geen eenduidige toepassingslocatie van granuliet worden herleid. In één controleboring is in het bodemprofiel granuliet geïdentificeerd (traject van 10 tot 12 m). 2.
Wat is de milieuhygiënische kwaliteit van het granuliet? Granuliet valt in de meest schone kwaliteitsklasse die aan grond in Nederland wordt toegekend. Uit de kwaliteitsbewaking van de productstroom, de bemonstering van beunschepen en boringen blijkt dat de milieuhygiënische kwaliteit constant is en voldoet aan klasse achtergrondwaarde (AW). Er is geen acrylamide in het granuliet aangetoond. De gehalten barium in het granuliet variëren. De spreiding heeft een natuurlijke oorzaak (oorsprong in gesteenten uit de groeven). Omdat in natuurlijke bodems in Nederland variërende gehalten kunnen worden aangetroffen, zijn bij een natuurlijke oorzaak de normen voor barium in grond en bagger ingetrokken. 3. Zijn er milieuhygiënisch relevante verschillen tussen de kwaliteit van het granuliet dat reeds is toegepast in het project (boringen Westplas en Moleneindse Waard) en het granuliet dat nog wordt toegepast (bemonstering enkele beunschepen)? Nee, er is geen relevant verschil vastgesteld in de milieuhygiënische kwaliteit van het granuliet over de periode 2016 – 2020. Ook de korrelgrootteverdelingen duiden op een vergelijkbare en constante samenstelling. De productiestromen granuliet, beunschipbemonsteringen en boringen Moleneindse Waard en Westplas zijn vergelijkbaar. 4.
Wat zijn de milieuhygiënische effecten van het granuliet op de kwaliteit van waterbodem, oppervlaktewater, grondwater? In het uitgebreide onderzoek zijn geen milieuhygiënische effecten van granuliet vastgesteld op de kwaliteit van waterbodem, oppervlaktewater of grondwater. Zo wordt nergens acrylamide aangetroffen, en ook het van nature aanwezige barium in granuliet leidt niet tot verhoogde concentraties in de omgeving (ze zijn vergelijkbaar met bv. het oppervlaktewater gemeten bij de Alphense Uitvliet). 5. Zijn er effecten te verwachten op het ecosysteem (flora en fauna)? Nee, er worden geen effecten verwacht voor het ecosysteem. In de eindsituatie ligt het granuliet onder een afdeklaag, en is het ecosysteem vooral afhankelijk van de afdekgrond. Tijdens de uitvoering van het project is sprake van een continu proces van ontgronden en aanvullen, en is de ontwikkeling van natuurdoeltypen nog niet aan de orde. 6. Zijn er effecten te verwachten tijdens de fase van toepassing van granuliet, en zijn hier vervolgens blijvende effecten van te verwachten? Nee. Tijdens de fase van toepassing worden geen andere effecten verwacht dan troebelheid. Tijdens de aanleg van de plas zal echter regelmatig troebelheid optreden door meerdere oorzaken (winning en verondieping). Ondanks de momenteel terugkerende troebelheid wordt op dit moment een aquatisch ecosysteem waargenomen.
Er kan worden gesteld dat de tijdelijke vertroebeling van het systeem geen blijvende gevolgen heeft voor het aquatische ecosysteem van de zoete plas op langere termijn. Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
70 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
7. Zijn er effecten van de toepassing van het granuliet die in de weg staan van het bereiken van de formeel vastgelegde natuurdoelen en/of gezondheidseffecten voor de mens te verwachten? Nee. Het granuliet in Over de Maas is afgedekt en heeft geen invloed op de vastgelegde natuurdoelen. Ook gezondheidseffecten kunnen worden uitgesloten. 8. Heeft de natuurlijke dynamiek van het riviersysteem en/of de geohydrologische situatie invloed op de mogelijke verspreiding (uitloging) van mogelijke aangetoonde stoffen in het granuliet? Nee. De uitloging van stoffen uit granuliet is marginaal. In lijn met de verwachtingen wordt in het veld barium niet in verhoogde concentraties aangetoond in grond- en oppervlaktewater ten opzichte van de omgeving. 9. Heeft de natuurlijke dynamiek van het riviersysteem invloed op een proces van erosie tijdens de toepassing en in de eindsituatie? Nee. De kans op erosie is afhankelijk van de stroomsnelheid. Daarom zijn perioden van hoogwaterafvoer maatgevend. Tijdens de perioden van verondieping van zowel de Westplas als de Moleneindse Waard (2016/2017) is niet of nauwelijks sprake geweest van hoge stroomsnelheden tijdens hoogwaters en daarom ook niet van significante erosie. Ook het hoogwater van februari 2021 heeft niet geleid tot hoge stroomsnelheden door de Westplas en erosie was naar verwachting zeer beperkt.
De kans dat in de resterende periode van verondieping (tot eind 2021) extreem hoogwater optreedt dat leidt tot erosie wordt relatief klein geacht. In de eindsituatie is het granuliet afgedekt met grond. Deze afdeklaag zal ook in het geval van hoogwatergolven niet of nauwelijks door erosie worden aangetast.
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
71 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
BIJLAGENRAPPORT (SEPARAAT) De bijlagen zijn opgenomen in een separaat bijlagenrapport (kenmerk D10027511:45).
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
72 van 73
REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS
COLOFON REVIEW-ONDERZOEK GRANULIET OVER DE MAAS EINDRAPPORT KLANT Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat AUTEUR Arcadis PROJECTNUMMER C05044.000398 ONZE REFERENTIE D10024486:219 DATUM 16 april 2021
Arcadis Nederland B.V. Postbus 264 6800 AG Arnhem Nederland +31 (0)88 4261 261 www.arcadis.com
Onze referentie: D10024486:219 - Datum: 16 april 2021
73 van 73