3.2 nota bodembeheer
Tekst van het document
Nota bodembeheer Geldend voor de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel Documentcode: 16M1223.RAP002
Nota bodembeheer Geldend voor de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel Documentcode: 16M1223.RAP002
Opdrachtgevers Gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel p/a Omgevingsdienst Rivierenland Postbus 6267 4000 HG TIEL Contactpersoon namens de opdrachtgevers Mevr. E. Timmerman (Omgevingsdienst Rivierenland) Contactpersoon Lievense Milieu B.V. Dhr. J.S. Spronk Projectcode Documentnummer Versiedatum Status
SOB011523 / 16M1223 16M1223.RAP002 Januari 2021 Herzien definitief
Autorisatie Documentnummer 16M1223.RAP002 Opgesteld en akkoord door:
Versiedatum Januari 2021 Functie
Status Herzien definitief Datum
Jeroen Spronk
Senior adviseur
Januari 2021
Paraaf
Rapporthistorie Datum Definitief Juli 2019 De bodemkwaliteitskaart van de gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel is geactualiseerd voor PFAS-verbindingen.
Herzien definitief
Januari 2021
Om het grondstromenbeleid van de gemeenten nóg beter af te stemmen op het landelijke beleid, op nieuwe inzichten, op regionaal beleid en op de plaatselijke situatie, is beleid aangepast en nieuw beleid geformuleerd. Tot slot zijn enkele verschrijvingen aangepast en zijn er enkele ondergeschikte aanpassingen aan de teksten gedaan om de teksten te verduidelijken. De strekking van de teksten is niet gewijzigd.
Samenvatting Inleiding De wet- en regelgeving voor het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie is geregeld in het Besluit en de Regeling bodemkwaliteit. Het is niet zonder meer toegestaan om grond en gerijpte baggerspecie ergens te ontgraven en op een andere plaats toe te passen of het tijdelijk op te slaan. Voorkomen moet worden dat het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en gerijpt baggerspecie de ontvangende bodem verontreinigt en risico's vormt voor het (toekomstige) bodemgebruik. Vanuit andere wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) nog aanvullende voorwaarden worden gesteld (bijvoorbeeld de Arbeidsomstandighedenwet en de provinciale omgevingsverordening). De gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel hebben de eerder opgestelde (regionale) bodemkwaliteitskaart geactualiseerd én deze nota bodembeheer opgesteld. De kaarten zijn de instrumenten bij de uitvoering van het bodembeleid. Deze nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en gerijpte baggerspecie mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast, hoe onderhoudsbaggerspecie mag worden verspreid, hoe invulling wordt gegeven aan het bodemsaneringsbeleid en het beleid bij de activiteiten bouwen en ruimtelijke planvorming.
Ook zijn regels en procedures voor dit beleid geformuleerd. Deze nota bodembeheer is bedoeld voor professionele partijen. De gemeenten vullen hun gezamenlijke grondstromenbeleid in door vrijkomende grond en gerijpte baggerspecie (bij graaf- en baggerwerkzaamheden) zoveel als mogelijk te hergebruiken zodat minder materiaal wordt gestort en minder primaire grondstoffen worden gewonnen. Met deze gezamenlijke nota bodembeheer en de nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart worden de eerder bestuurlijk vastgestelde nota’s bodembeheer, en de onderliggende bodemkwaliteitskaarten vervangen. Gemeentelijk beleid In bijlage 10 is een tabel opgenomen waarbij is aangegeven of het beleid een voorzetting of een aanpassing van het tot nu toe gevoerde beleid dan wel nieuw beleid is. In de hoofdstukken of paragrafen is dat per beleidsonderdeel aangegeven. Beoogd effect Met het vaststellen van dit geactualiseerde grondstromenbeleid wordt gefaciliteerd dat: • de gemeenten milieuvriendelijk grondstromenbeleid in uitvoering brengen en voortzetten dat praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant is; • meer grondstromen kunnen plaatsvinden zonder dat voorafgaand de kwaliteit van de grond moet worden onderzocht.
Voor de gemeenten en derden kunnen besparingen worden gerealiseerd in uitvoeringstijd en -kosten; • meer toepassingslocaties beschikbaar komen om vrijkomende verontreinigde grond verantwoord te hergebruiken; • het gebruik en de aankoop van primaire én secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld zand uit zandwinputten of grond van een grondbank) wordt verminderd; • de druk op het wegennet, de uitstoot van uitlaatgassen en fijnstof en het gebruik van energie wordt verminderd (grond hoeft minder ver te worden getransporteerd, geen extra productie door grondverwerker).
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL | DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021 i / VI
Gedelegeerde bevoegdheden Het geactualiseerde gebiedsspecifiek grondstromenbeleid en eventuele toekomstige wijzigingen op dit gebiedsspecifiek beleid moeten, conform artikel 44 van het Besluit bodemkwaliteit, worden vastgesteld door de gemeenteraden van Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel. Om praktische redenen worden besluiten met een uitvoerend karakter gedelegeerd aan het college van burgemeester en wethouders. Het betreft besluiten voor: • het tussentijds aanpassen van de bodemfunctieklassenkaart en de toepassingskaart; • het toevoegen van aanvullende gegevens en nu uitgesloten locaties/gebieden1 aan de bodemkwaliteitskaart die geen invloed hebben op het gebiedsspecifiek grondstromenbeleid; • het onder voorwaarden accepteren van een bodemkwaliteitskaart van een ander bodembeheergebied als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de toe te passen grond; • het opnieuw bestuurlijk vaststellen van de bodemkwaliteitskaart en/of gewijzigde bodemfunctieklassenkaart onder voorwaarde dat de wijzigingen geen invloed hebben op het in deze nota geformuleerde gebiedsspecifiek grondstromenbeleid. Voor de gemeente West Maas en Waal is dit een nieuw besluit. Voor de gemeente Neder-Betuwe is dit een aanpassing van het besluit dat in 2012 is genomen.
Voor de overige gemeenten is dit een voortzetting van de delegatie waarop deze gemeenten in 2012 een besluit hebben genomen. Financiën Het geactualiseerde grondstromenbeleid heeft voor de gemeenten geen nadelige financiële gevolgen. Met het beleid kunnen voor de gemeenten en derden besparingen worden gerealiseerd bij: • onderzoekskosten voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem en bij het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie; • transport-, reinigings- en/of stortkosten van vrijkomende grond; • aanschafkosten voor de toe te passen primaire grondstoffen (zand uit zandwinputten) en secundaire grondstoffen (bijvoorbeeld grond van een grondbank). Communicatie De mogelijkheden voor het toepassen van grond en gerijpte baggerspecie, hebben de gemeenten digitaal en interactief inzichtelijk gemaakt met een website die voor iedereen te raadplegen is: http://www.geosolutions.nl/sites/rivierenland/. Hiermee wordt al vooruitgelopen op een van de doelstellingen van de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Ook zijn de kaarten van deze nota bodembeheer te raadplegen op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk.
1
Voor bodemverontreiniging verdachte locaties, gesaneerde locaties (alleen voor de ontgravingskaart), voormalige stortlocaties (alleen voor de ontgravingskaart), locaties zonder meetgegevens, gebieden waar geen grondverzet wordt verwacht, gebieden in beheer van andere organisaties(Rijkswaterstaat, Provincie, Waterschap) en het grondwater.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL | DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021 ii / VI
Inhoudsopgave Hoofdstuk 1
Pagina
Inleiding ..............................................................................................................................1 1.1 1.2
2
Algemeen ..........................................................................................................................1 Afbakening nota bodembeheer ........................................................................................3 1.2.1 Bevoegd gezag ......................................................................................................3 1.2.2 Reikwijdte .............................................................................................................4 1.3 Geldigheid .........................................................................................................................7 1.4 Verantwoordelijkheid........................................................................................................7 1.5 Aansprakelijkheid ..............................................................................................................8 1.6 Deze nota bodembeheer in relatie tot de Omgevingswet................................................8 1.7 Leeswijzer ........................................................................................................................10 Te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten................................................................ 11
3
Maatschappelijke opgave................................................................................................... 15
4
De uitwerking van het gebiedsspecifiek grondstromenbeleid .............................................. 16 4.1 4.2 4.3
5
Kwaliteitsdoelstelling bij hergebruik en toepassen van grond .......................................16 Uitbreiding van het bodembeheergebied.......................................................................16 Vaststellen Lokale Maximale Waarden ...........................................................................17 4.3.1 Inleiding ..............................................................................................................17 4.3.2 Toepassen grond en verspreiden onderhoudsbaggerspecie in waterwin- en grondwaterbeschermingsgebieden ...................................................................17 4.3.3 Lokale Maximale Waarden in gebieden met de (toekomstige) bodemfuncties ‘Industrie’ en ‘Wonen’ ........................................................................................20 4.3.4 Lokale Maximale Waarden en toepassen van grond vanaf (voormalige) boomgaarden (periode 1945-2000) ...................................................................23 4.3.5 Beleid toepassen grond in en vanuit onverharde (spoor)wegbermen ..............27 4.3.6 Lokale Maximale Waarden toepassen gerijpte baggerspecie/grond van Waterschap Rivierenland op de waterkeringen die in beheer zijn van het Waterschap Rivierenland ...................................................................................29 4.3.7 Lokale Maximale Waarden toepassen PFAS-houdende grond
en verspreiden PFAS-houdende baggerspecie in de regio Rivierenland.....................................32 4.3.8 Lokale Maximale Waarden tijdelijke opslag van grond uit het bodembeheergebied ..........................................................................................34 De uitwerking van het overige gemeentelijke grondstromenbeleid ..................................... 35 5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7 5.8
Toepassen grond met bodemvreemd materiaal (puin, bakstenen, plastic, piepschuim etc.) .................................................................................................................................35 Toepassen van grond met bijmenging van asbest ..........................................................36 Tijdelijke uitname van grond bij graafwerkzaamheden bij ondergrondse infrastructuur (uitgezonderd de tot het jaar 2000 aangelegde wegen) en groenvoorzieningen ..........38 Toepassen grond vanuit bodemkwaliteitszones ‘B1./O1. Wonen voor 1950 I’, ‘B4./O4. Industrie voor 1950’ ........................................................................................................40 Toepassen van grond vanuit de bodemlaag dieper dan 2 meter beneden maaiveld ....41 Toepassen grond afkomstig van buiten de gemeenten ..................................................41 Melden en onderzoeken bij toepassingen van kleine partijen grond (maximaal 50 m3)41 Toepassen van grond in een grootschalige bodemtoepassing .......................................43
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL | DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021 iii / VI
5.9 5.10
6
Toepassen van grond uit een tijdelijke opslag ................................................................45 Bijzondere omstandigheden bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ........46 5.10.1 Van de bodemkwaliteitskaart uitgesloten locaties en gebieden en grond vanuit oude categorie-1 werken ...................................................................................46 5.10.2 Gebruik van de ontgravings- en toepassingskaart bij een al onderzochte locatie46 5.10.3 Toepassen van grond als aanvulgrond, ophooglaag, leeflaag in een sanering ..47 5.10.4 Provinciale beschermingsgebieden ....................................................................48 5.11 Gebruik van de bodemkwaliteitskaart bij het Activiteitenbesluit ..................................48 5.12 Nieuwe onderkende verontreinigingsbronnen ...............................................................48 5.13 Voorkomen verspreiden plaagsoorten (flora) bij grondverzet .......................................49 De uitwerking van het beleid voor het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie ............... 50 6.1 6.2 6.3
7
Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie in een oppervlaktewaterlichaam ...............50 Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie op een aangrenzend perceel .....................50 Verspreiden van onderhoudsbaggerspecie binnen de gemeenten (gebiedsspecifiek beleid)..............................................................................................................................52 6.3.1 Inleiding ..............................................................................................................52 6.3.2 Verruiming definitie aangrenzend perceel bij het verspreiden van ongerijpte baggerspecie.......................................................................................................52 6.3.3 Verruiming definitie aangrenzend perceel bij het tijdelijk opslaan van (ongerijpte) onderhoudsbaggerspecie in een weilanddepot .............................53 6.3.4 Lokale Maximale Waarden verspreiden van ongerijpte baggerspecie uit stedelijk gebied voor bodemverbetering ...........................................................54 6.3.5 Aanvullende eisen voor baggerspecie uit het buitengebied en uit het stedelijke gebied .................................................................................................................55 Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel ........................... 56
8
Onderzoeksinspanning voorafgaand aan het grondverzet ................................................... 58 8.1 8.2
9
Historisch onderzoek.......................................................................................................58 Onderzoek toe te passen grond en ontvangende bodem ..............................................59 8.2.1 Toe te passen grond ...........................................................................................59 8.2.2 Ontvangende bodem..........................................................................................61 Procedures ........................................................................................................................ 62 9.1 9.2
10
Opvragen informatie voorafgaand aan het grondverzet ................................................62 Melden tijdelijk opslaan en toepassen van grond ..........................................................62 9.2.1 Algemeen............................................................................................................62 9.2.2 Toepassen van grond .........................................................................................63 9.2.3 Tijdelijke opslag van grond .................................................................................63 9.3 Registratie en archivering van de meldingen ..................................................................64 9.4 Beoordeling van de melding ...........................................................................................65 9.5 Transport van grond ........................................................................................................65 9.6 Repeterende vrachten en omvangrijk grondverzet ........................................................65 9.7 Grondtransporten met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel ...............................65 Toezicht en handhaving ..................................................................................................... 66
11
10.1 Betrokkenen bij grondwerkzaamheden ..........................................................................66 10.2 Toezicht en handhaving ..................................................................................................67 Uitwerking bodembeleid onderdeel activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming69 11.1 11.2
Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen .....................69 Bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteit ruimtelijke planvorming69
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL | DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021 iv / VI
11.3
12
Voorwaarden vrijstellingsregeling bodemonderzoek bij omgevingsvergunningsaanvraag activiteiten bouwen en ruimtelijke planvorming .......70 Uitwerking bodembeleid onderdeel saneren ...................................................................... 72
12.1 Hergebruik van grond en terugsaneerwaarden ..............................................................72 12.2 Niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging en zorgplicht ....................................73 12.3 Onverwachte bodemverontreiniging ..............................................................................74 12.4 Grensoverschrijdende verontreiniging in de landbodem en de waterbodem ...............75 13 Delegeren bevoegdheden van de gemeenteraad aan het college van burgemeester en wethouders................................................................................................................................. 76 13.1 13.2 13.3
Inleiding ...........................................................................................................................76 Aanpassen van bodemfunctieklassenkaart en toepassingskaarten ...............................76 Aanvullende bodeminformatie .......................................................................................77 13.3.1 Uitgesloten locaties en gebieden .......................................................................77 13.3.2 Resultaten bodemonderzoek op een verdachte locatie ....................................77 13.4 Acceptatie bodemkwaliteitskaart andere gemeenten/gebieden als bewijsmiddel chemische kwaliteit toe te passen grond........................................................................77 13.5 Bestuurlijk vaststellen bodemfunctieklassenkaart en bodemkwaliteitskaart ................78 13.6 Procedure ........................................................................................................................78 Bronvermeldingen....................................................................................................................... 79
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL | DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021 v / VI
Bijlagen Bijlage 1 Bijlage 2 Bijlage 3A Bijlage 3B Bijlage 3C Bijlage 4 Bijlage 5 Bijlage 6 Bijlage 7a Bijlage 7b Bijlage 8 Bijlage 9 Bijlage 10
Begrippenlijst Wet- en regelgeving Statistische parameters bodemkwaliteitszones getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit (voor standaardbodem) Statistische parameters PFAS-verbindingen per bodemlaag (gemeten waarden) Statistische parameters lood bodemkwaliteitszones getoetst aan het Besluit bodemkwaliteit (gemeten gehalten) Mogelijkheden vrij grondverzet (grondstromenmatrix) Onderbouwing Lokale Maximale Waarden Beoordeling ecologische risico’s (voormalige) boomgaarden Lokale Maximale Waarden Lokale achtergrondwaarden, gebiedseigen kwaliteit Vragenformulier historische gegevens Lijst PFAS-verdachte activiteiten Gemeentelijke beleid (voortzetting, aanpassing of nieuw beleid ten opzichte van het tot nu toe gevoerde beleid)
Kaartbijlagen Kaartbijlage1 Bodemfunctieklassenkaart Kaartbijlage 2 Ligging bodemkwaliteitszones boven- en ondergrond Kaartbijlage 3A Ontgravingskaart bovengrond (0,0-0,5 m-mv) Kaartbijlage 3B Ontgravingskaart ondergrond (0,5 m-mv en dieper) Kaartbijlage 4A Toepassingskaart bovengrond (0,0-0,5 m-mv) – generiek beleid Kaartbijlage 4B Toepassingskaart ondergrond (0,5-2,0 m-mv) – generiek beleid Kaartbijlage 5A Toepassingskaart bovengrond (0,0-0,5 m-mv) – gebiedsspecifiek beleid Kaartbijlage 5B Toepassingskaart ondergrond (0,5-2,0 m-mv) – gebiedsspecifiek beleid Kaartbijlage 6 Ligging waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL | DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021 vi / VI
1
Inleiding In de teksten van deze nota bodembeheer zijn blauw gekleurde literatuurverwijzingen opgenomen. Deze zijn opgenomen bij de bronvermeldingen op de bladzijden 79 t/m 81 van deze nota bodembeheer
1.1
Algemeen De gemeenten Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel (zie figuur 1.1; en als niet specifiek benoemd hierna aangeduid als ‘de gemeenten’) hebben de wens het grondstromenbeleid verder op elkaar af te stemmen en grondverzet tussen de gemeenten te optimaliseren. De gemeenten streven ook naar een zo optimaal en duurzaam mogelijke hergebruik van (licht verontreinigde) grond en gerijpte baggerspecie, zodat het nuttig en milieuhygiënisch verantwoord hergebruik hiervan mogelijk wordt gemaakt. Ook willen de gemeenten zoveel als mogelijk onderhoudsbaggerspecie binnen de gemeentelijke grondgebieden kunnen verspreiden. Om dit te realiseren hebben de gemeenten de eerder bestuurlijk vastgestelde gemeentelijke bodemfunctieklassenkaarten en bodemkwaliteitskaarten van de gemeente Neder-Betuwe, de gemeente West Maas en Waal en de andere gemeenten[1] geïntegreerd en geactualiseerd in een nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart[2]. Ook zijn de eerder opgestelde nota’s bodembeheer van de gemeente Neder-Betuwe, de gemeente West Maas en Waal en de andere gemeenten[3] geïntegreerd en geactualiseerd met deze nieuwe gezamenlijke nota bodembeheer.
De wens voor gezamenlijk grondstromenbeleid valt samen met het gegeven dat in de nota’s bodembeheer en in de Regeling bodemkwaliteit[4] (artikel 4.3.5) een actualisatiemoment is opgenomen van de bodemkwaliteitskaarten. Dat moment is 5 jaar na bestuurlijke vaststelling. Ook is op 8 juli 2019 is een tijdelijk handelingskader in werking getreden voor hergebruik van PFAS2-houdende grond en baggerspecie[5]. De initiatiefnemers van grondverzet moeten de kwaliteit van de grond voor PFAS-verbindingen inzichtelijk maken in te verzetten grond en baggerspecie, die op of in de landbodem of in het oppervlaktewater wordt toegepast. In het tijdelijk handelingskader zijn voorlopige landelijke achtergrondwaarden voor PFASgehalten gedefinieerd, evenals voorlopige toepassingswaarden in verschillende toepassingssituaties. De geactualiseerd nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart is ook opgesteld voor PFAS-verbindingen[2].
2
Poly- en perfluoralkylverbindingen, PFAS, zijn stoffen die al decennia worden gebruikt in industriële en andere processen en in vele producten. Ze worden toegepast in allerlei alledaagse toepassingen zoals verf, blusschuim, pannen, kleding en cosmetica. Kenmerkend voor deze stoffen is dat ze persistent, mobiel en nauwelijks biologisch afbreekbaar zijn. Bovendien is van verschillende PFAS-verbindingen aangetoond dat ze toxisch zijn.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
1 / 81
Figuur 1.1 De gemeenten: Buren, Culemborg, Maasdriel, Neder-Betuwe, Tiel, West Betuwe, West Maas en Waal en Zaltbommel.
Bij allerlei graafwerkzaamheden en bewerkingen van de (water)bodem komt grond en baggerspecie vrij. Het tijdelijk opslaan en het hergebruik of toepassen van grond en gerijpte baggerspecie valt onder het Besluit bodemkwaliteit[6] en de Regeling bodemkwaliteit (hierna aangeduid als 'het Besluit' en 'de Regeling'). Vanuit andere wet- en regelgeving kunnen bij grondverzet (ontgraven en toepassen van grond) nog aanvullende voorwaarden worden gesteld (bijvoorbeeld de Arbeidsomstandighedenwet en de provinciale omgevingsverordening). Het grondstromenbeleid moet praktisch uitvoerbaar, milieuhygiënisch verantwoord en transparant zijn. Hiermee wordt vorm gegeven aan het milieuvriendelijk en verantwoord hergebruik, toepassing en tijdelijke opslag van grond en gerijpte baggerspecie in de gemeenten. Er zijn vier motieven voor het milieuvriendelijk en verantwoord grondstromenbeleid: 1. Een ‘standstill’ voor de bodemkwaliteit op het niveau van het bodembeheergebied. De kwaliteit van de bodem moet binnen het bodembeheergebied gelijk blijven en op termijn verbeteren. 2. Beperking van het gebruik en aankoop van primaire en secundaire grondstoffen (aanvoer en gebruik van zand uit zandwinputten of grond van een grondbank). 3. Kostenbesparing (minder onderzoekskosten bij grondverzet en verwerkingskosten bij vrijkomende grond). 4.
Minder grondtransportbewegingen en energiebesparing (minder druk op het wegennet, minder uitstoot van fijnstof en CO2 en minder grondverwerking). Deze gezamenlijke nota bodembeheer geeft aan hoe vrijgekomen grond en gerijpte baggerspecie (hierna tezamen aangeduid als 'grond') op en in de landbodem van de gemeenten kan en mag worden opgeslagen (tijdelijk), hergebruikt of toegepast. De bodemfunctieklassen- en bodemkwaliteitskaart zijn de instrumenten voor dit milieuvriendelijke grondstromenbeleid. Op de gezamenlijke bodemfunctieklassenkaart zijn de functies ‘Industrie’, ‘Wonen’ en ‘Overig’ (meestal landbouw en natuur) weergegeven. De
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
2 / 81
gezamenlijke bodemkwaliteitskaart geeft de te verwachten gemiddelde chemische bodemkwaliteit aan voor locaties. De gemeenten hebben binnen de mogelijkheden van het Besluit, gebiedsspecifiek beleid opgesteld. Bij het gebiedsspecifiek beleid is een afweging gemaakt tussen enerzijds de risico’s voor bodemverontreiniging en behoud van de bestaande bodemkwaliteit en anderzijds de mogelijkheden voor hergebruik of toepassing van grond binnen de gemeenten. Deze nota bodembeheer is bedoeld voor professionele partijen. De kaarten en de nota bodembeheer zijn niet afzonderlijk van elkaar te gebruiken. Met deze gezamenlijke nota bodembeheer en de nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart zijn de eerder bestuurlijk vastgestelde nota’s bodembeheer, en de onderliggende bodemkwaliteitskaarten vervangen. 1.2
Afbakening nota bodembeheer
1.2.1
Bevoegd gezag In de meeste situaties is bij het toepassen van grond op of in de landbodem, de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Binnen inrichtingen die onder het Activiteitenbesluit[7] vallen, is hiervoor de behandelende overheid het bevoegd gezag. Voor toepassingen op of in de waterbodem en in een oppervlaktewaterlichaam is de waterkwaliteitsbeheerder bevoegd gezag. Binnendijks is dat voor de gemeenten het Waterschap Rivierenland. Buitendijks (uiterwaarden en bergingsgebieden van grote rivieren) is dat Rijkswaterstaat. Op een saneringslocatie is de Wet bodembescherming[8] bepalend. Voor de gemeenten is in de meeste situaties de provincie Gelderland (na inwerkingtreding van de Omgevingswet de betreffende gemeente) bevoegd gezag. Bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt op of na 1 januari 1987) binnen een omgevingsvergunningplichtige inrichting, toetst de vergunningverlener Wet algemene bepalingen omgevingsrecht[9] van de desbetreffende inrichting of zijzelf dan wel de provincie Gelderland als het bevoegd gezag optreedt. Bij een nieuwe verontreiniging (veroorzaakt op of na 1 januari 1987) buiten een omgevingsvergunningplichtige inrichting is de betreffende gemeente bevoegd gezag.
Na inwerkingtreding van de Omgevingswet kunnen voor grondwatersaneringen, afhankelijk van de situatie, de provincie of de gemeente bevoegd gezag zijn. Voor de activiteit bouwen en de activiteit ruimtelijke planvorming binnen de (toekomstige) Omgevingswet, de Wet ruimtelijke ordening[10] en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht is de gemeente voor haar eigen grondgebied het bevoegd gezag. Voor de gemeenten wordt bij besluiten die het watersysteem raken, maar waar de gemeente het bevoegd gezag is, per situatie de bodemproblematiek afgestemd met het bevoegd gezag Waterwet[11]. Alleen op deze manier wordt bereikt dat de eisen die de
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
3 / 81
gemeente stelt, aansluiten op de wensen/eisen die de waterbeheerder heeft ten aanzien van het watersysteem. 1.2.2
Reikwijdte Deze nota bodembeheer heeft betrekking op: • Het toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem op het grondgebied van de gemeenten. • Het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij de aanpak van bodemverontreiniging. • Het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouw en activiteit ruimtelijke planvorming). Beoordelingen op grond van het bodembeleid vinden plaats bij nieuwe ontwikkelingen (dynamische situaties, zoals grondverzet, bouw en/of bestemmingswijzigingen). Toepassen en het tijdelijk opslaan van grond op of in de landbodem Voor alle toepassingen van grond geldt dat deze functioneel en nuttig moeten zijn (zie artikel 35 van het Besluit en de toelichting in § 2.1.1 van bijlage 2). Als dat niet zo is, wordt de toe te passen/toegepaste grond als afvalstof gezien. Dit geldt óók voor schone grond. Een voorbeeld hiervan is het creëren van overhoogte op een geluidswal zonder dat dit vanuit geluidswering noodzakelijk is. Voor het ontgraven en tijdelijk opslaan van grond in het kader van gevallen van ernstige bodemverontreiniging geldt de Wet bodembescherming. Naar verwachting treedt de Omgevingswet in 2022 in werking en vervalt de Wet bodembescherming.
Diverse onderwerpen vanuit de Wet bodembescherming komen in de Aanvullingswet – en besluit bodem Omgevingswet en het Besluit activiteiten leefomgeving aan de orde. Ook moeten bepaalde onderwerpen worden opgenomen in het omgevingsplan en/of de provinciale omgevingsverordening. Voor het verspreiden van baggerspecie over aangrenzende percelen geldt een bijzonder kader met acceptatieplicht voor de aangelanden op basis van de Waterwet en de Keur van waterschappen. Voor het inrichten van een weilanddepot voor baggerspecie moet, afhankelijk van het plaatselijke bestemmingsplan in de gemeenten, een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of voor de werkzaamheden worden aangevraagd (artikel 2.1 lid 1 onder b van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht). Afhankelijk van de locatie is ook een ontheffing noodzakelijk van het daar geldende bestemmingsplan. Het in deze nota geformuleerde grondstromenbeleid heeft geen betrekking op toepassingen van grond in een oppervlaktewaterlichaam tenzij het om een volledige demping van een oppervlaktewaterlichaam gaat waardoor feitelijk een landbodem ontstaat. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen de waterkwaliteitsbeheerder (Waterschap Rivierenland -binnendijks- en Rijkswaterstaat buitendijks-) en de betreffende gemeente.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
4 / 81
Grens landbodem-waterbodem
De definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in artikel 1 van de Waterwet: “Oppervlaktewaterlichaam: 'samenhangend geheel van vrij aan het aardoppervlak voorkomend water, met de daarin aanwezige stoffen, alsmede de bijbehorende waterbodem, oevers en voor zover uitdrukkelijk aangewezen krachtens deze wet, drogere oevergebieden, alsmede flora en fauna'.” Ter plaatse van de waterbodems is de waterkwaliteitsbeheerder het bevoegd gezag. Binnen de gemeenten zijn dat Rijkswaterstaat (buitendijks) en het waterschap Rivierenland (binnendijks). Onder rijkswateren vallen de zogenoemde ‘drogere oevergebieden’, zoals gedefinieerd in de Waterregeling[12]. Het bevoegd gezag van ‘drogere oevergebieden’ valt onder de betreffende gemeente. De ligging van het beheergebied van Rijkswaterstaat en de drogere oevergebieden zijn inzichtelijk gemaakt op de website van Rijkswaterstaat: https://www.helpdeskwater.nl/onderwerpen/wetgeving-beleid/waterwet/kaarten/kaartwaterregeling/ of https://geoservices.rijkswaterstaat.nl/portaal/. Ter plaatse van de overige wateren in het beheergebied van het Waterschap Rivierenland is de Keur Waterschap Rivierenland 2014 van toepassing. De Keur is alleen van toepassing op waterstaatswerken. Dat wil zeggen oppervlaktewaterlichamen, bergingsgebieden, waterkeringen en ondersteunende kunstwerken en op de daarlangs gelegen beschermingszones.
De ligging van deze gebieden is weergegeven in de leggerkaarten die beschikbaar zijn bij het Waterschap Rivierenland (https://www.waterschaprivierenland.nl/). In aanvulling op de definitie van de grens tussen landbodem en waterbodem wordt in deze nota bodembeheer de definitie van 'oever' nauwkeurig omschreven. De grens tussen landbodem en waterbodem is aangegeven in de figuren 1.2, 1.3 en 1.4. Voor het plaatsen van een beschoeiing moet conform de Waterwet een vergunning worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Het opvullen met grond van de ruimte achter de beschoeiing valt onder het Besluit. In die situatie worden nadere afspraken gemaakt tussen het Waterschap Rivierenland en de Omgevingsdienst Rivierenland (namens de betreffende gemeente). Hierbij geldt als uitgangspunt dat de toepassingseisen voor de landbodem gelden en de gemeente bevoegd gezag is.
Figuur 1.2. Visuele beoordeling insteek van de oever als afbakening van het oppervlaktewaterlichaam [13].
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
5 / 81
Figuur 1.3. De buitenkruinlijn van een waterkering als afbakening van het oppervlaktewaterlichaam[13].
Figuur 1.4. Afbakening waterbeheergebied bij beschoeide oevers die niet zijn vastgelegd in de legger[13].
De aanpak van (water)bodemverontreiniging Een bodemsanering moet worden uitgevoerd als er sprake is van een geval van ernstige bodemverontreiniging of bij een toekomstige locatieontwikkeling, als de bodemkwaliteit niet voldoet aan de kwaliteit die hoort bij de toegekende functie. Voor waterbodems is, met de inwerkingtreding van de Waterwet in 2009, de gevalsbenadering volledig vervallen. Voor waterbodems geldt als uitgangspunt dat de waterbodem gezien wordt als een integraal onderdeel van het watersysteem. Sanering van de waterbodem is alleen nodig als de waterbodemkwaliteit een ongewenste invloed heeft op het bereiken van de gewenste kwaliteit van het gehele watersysteem. In dat opzicht is het ook logisch dat de waterkwaliteitsbeheerder volledig verantwoordelijk is voor het beoordelen en het (zo nodig) aanpakken van de waterbodems. De beoordeling vindt hierbij niet langer alleen op basis van aangetroffen gehalten plaats, maar vindt primair plaats door
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
6 / 81
na te gaan of en in welke mate de waterbodemkwaliteit een invloed heeft/kan hebben op het functioneren van het watersysteem. Als sprake is van een grensoverschrijdende verontreiniging (de verontreiniging komt zowel in de landbodem als de waterbodem voor), wordt de aanpak gekoppeld aan de ligging van de bron van de verontreiniging, op voorwaarde dat er een duidelijke (punt)bron te vinden is. In de praktijk betekent dit het volgende: Aanpak volgens de Wet bodembescherming als de bron op de landbodem ligt en aanpak volgens de Waterwet als de bron in het watersysteem ligt. Het gebruik van de bodemkwaliteitskaarten bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming) en het Activiteitenbesluit Eén van de doelen van de Omgevingswet is dat de bodemkwaliteitskaarten voor meer doelen dan het toepassen/hergebruik van grond wordt ingezet. De gemeenten willen de bodemkwaliteitskaart onder voorwaarden gaan gebruiken als bewijsmiddel voor de chemische kwaliteit van de grond bij omgevingsvergunningsaanvragen (activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming; zie hoofdstuk 11) en het Activiteitenbesluit; bij de interpretatie van een eindsituatie-onderzoek als geen nul-situatie-onderzoek beschikbaar is (zie § 5.11). 1.3
Geldigheid Deze gezamenlijke nota bodembeheer wordt door de gemeenten vastgesteld voor een periode van maximaal 10 jaar. De nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart wordt maximaal 5 jaar na de bestuurlijke vaststelling van deze nota geëvalueerd (zie artikel 4.3.5 van de Regeling). Voor een bodemfunctieklassenkaart geldt geen wettelijke houdbaarheidstermijn. Een bodemkwaliteitskaart moet elke 5 jaar opnieuw worden vastgesteld, ongeacht of er aanpassingen zijn. Ook de bodemfunctieklassenkaart wordt dan geëvalueerd. Als de bodemfunctieklassenkaart moet worden aangepast, moet deze ook weer opnieuw bestuurlijk worden vastgesteld. Op basis van de evaluatie van de bodemfunctieklassenkaart en de bodemkwaliteitskaart wordt vastgesteld of aanpassing van deze nota noodzakelijk is of dat de nota in de huidige vorm nog een volgende 5 jaar kan worden gebruikt. Alleen als het gebiedsspecifiek beleid (artikel 44 van het Besluit) moet worden aangepast, moet ook de nota opnieuw door de gemeenteraad bestuurlijk worden vastgesteld.
1.4
Verantwoordelijkheid De verantwoordelijkheid voor naleving van de regels bij het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond ligt in eerste instantie bij de initiatiefnemer. Maar ook een ieder die op een bepaald moment in enig opzicht macht uitoefent over (een deel van) de toepassing kan worden aangesproken; bijvoorbeeld een perceeleigenaar, erfpachter, huurder of bruiklener. De initiatiefnemer voor de grondtoepassing, of een hiertoe gemachtigd persoon (ontdoener van de grond of tussenpersoon zoals een aannemer of adviesbureau), is dan ook verplicht om het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond te melden. In § 9.2.2 is een aantal situaties beschreven waarbij het toepassen van grond niet gemeld hoeft te worden.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
7 / 81
De verantwoordelijkheid van de initiatiefnemer voor het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie ligt verankerd in de wettelijke zorgplicht: • Algemene zorgplicht in het kader van de Wet milieubeheer[14] (artikel 1.1.a): achterwege laten van handelingen, die nadelige gevolgen voor het milieu veroorzaken. • Zorgplicht uit de Wet bodembescherming (artikel 13): een ieder die handelingen verricht die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, is verplicht preventieve en zo nodig herstellende maatregelen te treffen. • Zorgplicht voor handelingen inzake afvalstoffen. Met afvalstoffen wordt gedoeld op bijlage 1 van EU-richtlijn afvalstoffen van 1975. In de Wet milieubeheer wordt hierop ingegaan in de artikelen 10.1 en 10.2. Bij afvalstoffen gaat het dan bijvoorbeeld om grond met bijmenging/verontreiniging van puin, sintels, gietstukresten, teerresten, et cetera. • Zorgplicht uit het Besluit (artikel 7): een ieder die bouwstoffen, grond of baggerspecie toepast die kunnen leiden tot bodemverontreiniging, voorkomt die gevolgen of beperkt die voor zover voorkomen niet mogelijk is en voor zover dat van hem kan worden gevergd.
Als achteraf blijkt dat foutief is gehandeld, kan geen beroep worden gedaan op de gedane melding of het eventueel uitblijven van een reactie van het bevoegd gezag binnen een bepaalde termijn. Ook na toepassing mag het bevoegd gezag Besluit bodemkwaliteit nog optreden tegen overtredingen van de regelgeving als blijkt dat niet de juiste gegevens zijn verstrekt of sprake is van het toepassen van grond/bagger van een onjuiste kwaliteit. 1.5
Aansprakelijkheid De bodemfunctieklassenkaarten en de nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart en deze nota bodembeheer zijn met grote zorgvuldigheid opgesteld. De bodemkwaliteitskaart biedt geen harde garanties voor de kwaliteit van een partij grond. De kaart doet alleen een uitspraak over welke kwaliteit in het algemeen verwacht mag worden. De kwaliteit van een individuele partij kan daarvan afwijken. De eindverantwoordelijkheid voor de toepassing van grond blijft bij de initiatiefnemer en daarna een ieder die macht uitoefent op de toepassingslocatie. Als twijfel bestaat over de kwaliteit van de grond, wordt geadviseerd de kwaliteit vast te stellen door bemonstering en analyses.
1.6
Deze nota bodembeheer in relatie tot de Omgevingswet Naar verwachting treedt in 2022 de Omgevingswet en diverse (aanvullings-) wetten, besluiten en Algemene maatregelen van bestuur in werking. De huidige wet- en regelgeving voor bodemsanering en het nuttig toepassen van grond en gerijpte baggerspecie komt daarmee te vervallen en wordt in de Omgevingswet, de bijbehorende (aanvullings-)wetten en besluiten en Algemene maatregelen van bestuur geregeld. Met de inwerkingtreding van de Omgevingswet vallen deze nota bodembeheer én de bodemkwaliteitskaart van rechtswege via het overgangsrecht direct in het tijdelijke deel van het Omgevingsplan. Het in deze nota bodembeheer geformuleerde gebiedsspecifiek beleid kan hiermee na de inwerkingtreding van de Omgevingswet (indien gewenst) worden voortgezet. Een nieuw op te stellen Omgevingsplan met het oog op de bodem, krijgt een breder spectrum dan alleen bodemsanering en hergebruik van grond. Er wordt aangesloten op de NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
8 / 81
gemeentelijke Omgevingsvisie. Onderwerpen zoals de aanpak van bodemverontreiniging, activiteiten in het grondwater, eventuele diffuse bodembelasting met lood, verzilting, bodemdaling, bodemafdekking (wateroverlast en hittestress), opslag van gas in de ondergrond, asbestdaken en gerelateerde bodemverontreiniging en het overgangsrecht vanuit de Wet bodembescherming kunnen aan de orde komen. De regels over het hergebruik van grond komen in het definitieve Omgevingsplan, na een integrale afweging over de kwaliteit van de leefomgeving en het toedelen van functies aan locaties. Met de Omgevingswet wordt ook het normenkader gewijzigd. Er komen zogenaamde ‘Voorkeurswaarden’ en ‘Maximale waarden’. De ‘Voorkeurswaarde’ (voor een bepaald bodemgebruik) betreft de huidige normen uit de Regeling voor ‘Achtergrondwaarde (AW2000)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De ‘Maximale waarde’ betreft de huidige waarden die voor het spoedcriterium van de Wet bodembescherming worden gebruikt. Tussen de ‘Voorkeurswaarde’ en ‘Maximale waarde’ hebben gemeenten de ruimte om eigen, gebiedsspecifiek, beleid te maken. De huidige Interventiewaarden van de Wet bodembescherming worden in de Omgevingswet opgenomen in bijlage IIA van het Besluit Activiteiten Leefomgeving.
Als gegraven gaat worden met een omvang meer dan 25 m3, en de interventiewaarde wordt overschreden, wordt het net zoals nu verplicht een geschiktheidstoets uit te voeren voor het huidige/beoogde bodemgebruik. De gemeenten krijgen de mogelijkheid om gebiedsspecifiek beleid te maken: • om de interventiewaarde, ‘triggerwaarde’, voor de verplichte geschiktheidstoets hoger of lager te stellen (zie artikel 5.89j Besluit Kwaliteit Leefomgeving), bijvoorbeeld voor gebieden waar sprake is van een diffuus verspreide sterke verontreiniging; • om verhoogde terugsaneerwaarden te formuleren (net zoals de Lokale Maximale Waarden binnen het Besluit). Bij werkzaamheden in de grond met gehalten boven de interventiewaarden, blijft de ‘Kwalibo’ gelden; bijvoorbeeld dat werkzaamheden onder erkenning en volgens beoordelingsrichtlijnen moeten worden uitgevoerd. Opgesteld gebiedsspecifiek beleid (verhoogde ‘triggerwaarden’) heeft daar geen invloed op. Binnen de Omgevingswet blijft een bodemkwaliteitskaart gelden als erkend bewijsmiddel bij grondverzet. De bodemkwaliteitskaart kan ook gebruikt worden bij de vrijstelling van bodemonderzoek voor bodemonderzoek bij een omgevingsvergunningsaanvraag activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming. Eén van de doelstellingen van de Omgevingswet is dat informatie over milieuwet- en regelgeving makkelijker en digitaal wordt ontsloten.
Ook is een van de doelstellingen dat een instrument zoals een bodemkwaliteitskaart wordt gebruikt voor meer doeleinden dan alleen voor het nuttig toepassen van grond en gerijpte baggerspecie. Deze nota bodembeheer loopt hierop al vooruit doordat beleid is geformuleerd dat, na bestuurlijke goedkeuring, de bodemkwaliteitskaart van regio Rivierenland, gebruikt mag worden bij: • de aanvraag van een omgevingsvergunning (activiteit bouwen of activiteit planvorming), als het een locatie betreft die niet-verdacht is voor bodemverontreiniging (zie hoofdstuk 11); • de interpretatie van een eindsituatie-onderzoek in het kader van het Activiteitenbesluit als geen nulsituatie-onderzoek beschikbaar is (zie § 5.11).
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
9 / 81
Ten slotte ontsluiten de gemeenten de bodemkwaliteitskaart en de nota bodembeheer via een website: http://www.geosolutions.nl/sites/rivierenland/. Hiermee lopen de gemeenten al vooruit op de Omgevingswet die naar verwachting in 2022 in werking treedt. Ook zijn de kaarten van deze nota bodembeheer te raadplegen op de website van het Bodemloket http://www.bodemloket.nl/kaart, een initiatief van gemeenten, provincies en het Rijk. 1.7
Leeswijzer In hoofdstuk 2 wordt ingegaan op de te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten waarna in hoofdstuk 3 een toelichting wordt gegeven op de maatschappelijke opgave over het toepassen van grond in de gemeenten. Het gebiedsspecifiek beleid voor de toepassing van grond wordt in hoofdstuk 4 nader uitgewerkt. Het overige gemeentelijke beleid wordt weergegeven in hoofdstuk 5. Hoofdstuk 6 gaat in op het verspreiden van onderhoudsbaggerspecie. Het toepassen van grond met de bodemkwaliteitskaart als bewijsmiddel komt in hoofdstuk 7 aan de orde. In hoofdstuk 8 wordt beschreven welke onderzoeksinspanning moet worden verricht voorafgaand aan het ontgraven en toepassen van grond. De te volgen procedures rondom het toepassen van grond zijn hoofdstuk 9 beschreven. In hoofdstuk 10 wordt ingegaan op toezicht en handhaving van grondstromen. De uitwerking van het beleid voor het onderdeel activiteit bouwen en activiteit ruimtelijke planvorming is in hoofdstuk 11 opgenomen. Hier wordt beleid geformuleerd dat onder voorwaarden de bodemkwaliteitskaart gebruikt kan worden in plaats van het uitvoeren van een bodemonderzoek. Hoofdstuk 12 gaat in op het beleidsonderdeel saneren. In dit hoofdstuk wordt beleid uitgewerkt voor hergebruik van grond en terugsaneerwaarden op saneringslocaties.
Ook wordt aangegeven hoe gehandeld moet worden bij niet ernstige gevallen van bodemverontreiniging, zorgplicht en onverwachte bodemverontreinigingen tijdens graafwerkzaamheden. Tot slot wordt in hoofdstuk 12 uitgewerkt hoe om te gaan met grensoverschrijdende verontreinigingen in de landbodem en de waterbodem. Deze nota wordt afgesloten met een hoofdstuk over enkele delegaties van bevoegdheden door de gemeenteraden aan de betreffende colleges van burgemeester en wethouders. De in deze nota gebruikte begrippen zijn in bijlage 1 uiteengezet. In bijlage 2 wordt ingegaan op de Wet- en regelgeving bij het ontgraven, het tijdelijk opslaan en het toepassen van grond. In de bijlagen 3 is de statistische onderbouwing van de ontgravingskaarten opgenomen als ook voor lood op basis van gemeten gehalten. De mogelijkheden voor het toepassen van grond binnen de gemeenten, zonder dat bodemonderzoek uitgevoerd hoeft te worden, zijn weergegeven in een grondstromenmatrix dat in bijlage 4 is opgenomen. In bijlage 5 en 6 zijn de Lokale Maximale Waarden onderbouwd. In bijlage 7 zijn de Lokale Maximale Waarden én de Lokale achtergrondwaarden (gebiedseigen kwaliteit) schematisch weergegeven.
In bijlage 8 is het vragenformulier voor historische gegevens opgenomen dat onder voorwaarden kan worden gebruikt, tezamen met de ontgravings- en toepassingskaarten, als bewijsmiddel voor de toe te passen grond en de ontvangende bodem. Op de kaartbijlagen 1 en 2 zijn respectievelijk de bodemfunctieklassenkaart en een kaart met de ligging van de bodemkwaliteitszones weergegeven. Op de kaartbijlagen 3 zijn de te verwachten ontgravingsklassen weergegeven. De toepassingseisen voor grond op het grondgebied van de gemeenten zijn voor het generieke en gebiedsspecifiek kader van het Besluit opgenomen in respectievelijk de kaartbijlagen 4 en 5. Ten slotte wordt op kaartbijlage 6 de ligging weergegeven van de waterkeringen in beheer van het Waterschap Rivierenland waarvoor gebiedsspecifiek beleid is opgesteld.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
10 / 81
2
Te verwachten bodemkwaliteit in de gemeenten Als gevolg van de gebruikshistorie, de ontwikkeling van de wijken, en de belasting door emissies van bedrijven en voertuigen, kan de bodem diffuus belast zijn met verontreinigende stoffen. In het algemeen geldt: hoe langer een gebied door mensen in gebruik is, des te meer een gebied belast is. In verband hiermee heeft een indeling plaatsgevonden op basis van bodemgebruik en historie. Ook de vastgestelde bodemkwaliteit heeft hierbij een rol gespeeld. Bij het opstellen van de nieuwe gezamenlijke bodemkwaliteitskaart zijn de grondgebieden van de deelnemende gemeenten op basis van de bovengenoemde criteria in 17 bodemkwaliteitszones verdeeld. Er zijn 8 bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 0,5 meter diepte, 6 bodemkwaliteitszones in de bodemlaag vanaf 0,5 meter tot en met 2,0 meter diepte onderscheiden en 3 bodemkwaliteitszones voor PFASverbindingen (bodemlagen 0-0,5 m-mv, 0,5-1,0 m-mv en 1,0-1,5 m-mv) (zie tabel 2.1 en kaartbijlage 2). Binnen een bodemkwaliteitszone wordt dezelfde gebiedseigen chemische bodemkwaliteit verwacht. Hierbij is er mee rekening gehouden dat de bovenste halve meter van de bodem doorgaans meer belast is met verontreinigende stoffen dan de onderliggende bodemlaag.
De volgende uitgesloten locaties/gebieden zijn afgebeeld op de kaartbijlagen: In de gemeenten is een aantal locaties en gebieden uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart: • Locaties waar vanwege (bedrijfs)activiteiten PFAS-verbindingen in verhoogde gehalten in de bodem kunnen voorkomen (PFAS producerende3 en verwerkende bedrijven4, inzet blusschuim5 en secundaire bronnen6; zie ook bijlage 9). Op kaartbijlage 5 zijn de bij de Omgevingsdienst Rivierenland bekende locaties weergegeven die verdacht zijn voor verhoogde gehalten aan PFAS-verbindingen. • Voormalige stortplaatsen* (alleen voor wat betreft de ontgravingskaart). • Water(bodems) die in beheer zijn van de betreffende waterkwaliteitsbeheerder: Rijkswaterstaat of het Waterschap Rivierenland; met uitzondering van de drogere oevergebieden zoals gedefinieerd in de Waterregeling. • De bodemlaag dieper dan 2 meter onder het maaiveld*. • Het grondwater*. * Deze locaties zijn vanwege uiteenlopende redenen (bijvoorbeeld het dynamische karakter of het relatief kleine oppervlak van het gebied) niet op de kaarten weergegeven
3
Zoals bijvoorbeeld productie van o.a. PFOS, PFOA, telomeren en andere PFAS-verbindingen.
4
Zoals bijvoorbeeld productie en verwerking van teflon, galvanische industrie, textielindustrie, papier(verwerkende) industrie, lak- en verfindustrie, fabricage van cosmetica. Brand blussen, brandweeroefenplaatsen (gemeenten), brandpreventie voorzieningen (industrie) met schuimblusinstallaties, militaire brandweeroefenplaatsen en vliegvelden, brandweeroefenplaatsen op vliegvelden (burgerluchtvaart). Zoals bijvoorbeeld stortplaatsen, waterzuiveringsinstallaties, afvalverbrandingsinstallaties, ijzerinzamelbedrijven (inzamelen brandblussers), gebruik bestrijdingsmiddelen.
5
6
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
11 / 81
De volgende locaties/gebieden zijn ook uitgesloten van de bodemkwaliteitskaart, maar voor PFAS-verbindingen maken deze locaties wél onderdeel uit van de bodemkwaliteitskaart7: • Rijkswegen, provinciale wegen, dijkwegen, spoorgebonden gronden inclusief onverharde (spoor)bermen* (allen een andere beheerorganisatie dan de gemeenten; alleen voor wat betreft de ontgravingskaart). • Locaties met, of die verdacht zijn voor, een sterke bodemverontreiniging, maar niet voor PFAS-verbindingen; waaronder wegen die tot het jaar 2000 zijn aangelegd (mogelijk asbesthoudende wegfundering en uitloging van stoffen vanuit de wegfundering naar onderliggende bodemlaag) en te vervangen riooltracés (lekkages vanuit het riool) *. • Gesaneerde locaties in het kader van de Wet bodembescherming* (alleen voor wat betreft de ontgravingskaart). • Door gemeenten aangewezen gebieden die geheel verdacht zijn voor bodemverontreiniging, waarvan geen meetgegevens beschikbaar zijn om te voldoen aan de minimumeisen van de Richtlijnbodemkwaliteitskaarten en/of waar geen grondverzet wordt verwacht: ̶ Gemeente Buren: steenfabriek Roodvoet in Rijswijk, vakantiepark Eiland van Maurik, campingterrein De Schans in Maurik, fabrieksterreinen Marsdijk in Lieden (3x).
̶ Gemeente Culemborg: bedrijventerrein Parallelweg-West ̶ Gemeente Maasdriel: De Hoge Waard in Heerwaarden ̶ Gemeente Neder-Betuwe: steenfabriek Prins Willemweg in Echteld, fabrieksterrein Nieuweweg in IJzendoorn, steenfabriek De Wolfswaard in Opheusden, bedrijfsterrein van De Beijer Groep BV aan de Waalbanddijk in Dodewaard, het GKN-terrein aan de Waalbandijk in Dodewaard ̶ Gemeente Tiel: steenfabriek Zennewijnen ̶ Gemeente West Betuwe, deel voormalige gemeente Geldermalsen: Volvoterrein in Beesd. ̶ Gemeente West Betuwe, deel voormalige gemeente Lingewaal: steenfabriek Vuren, fabrieksterrein De Koornwaard in Spijk, terrein Van de Heuvel in Spijk. ̶ Gemeente West Betuwe, deel voormalige gemeente Neerijnen: fabrieksterrein Waaldijk in Opijnen, steenfabriek Haaften. ̶ Gemeente Zaltbommel: Waalfront Zaltbommel, fabrieksterrein Waaldijk in Zuilichem. * Deze locaties zijn vanwege uiteenlopende redenen (bijvoorbeeld het dynamische karakter of het relatief kleine oppervlak van het gebied) niet op de kaarten weergegeven De bodemkwaliteitskaart is opgesteld volgens de Richtlijn bodemkwaliteitskaarten[15].
De bodemkwaliteitskaart is vastgesteld voor de stoffen barium (zie ook bijlage 1 met de Begrippen onder het kopje ‘Barium’), cadmium, kobalt, koper, kwik, molybdeen, lood, nikkel, zink, minerale olie en de stofgroepen polychloorbifenylen (PCB) en polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK). Voor de (voormalige) boomgaarden, tot 0,5 meter diepte, is de bodemkwaliteitskaart ook opgesteld voor organochloorbestrijdingsmiddelen (OCB). Voor de bodemlaag vanaf het maaiveld tot en met 1,5 meter diepte is de bodemkwaliteitskaart ook voor PFAS-verbindingen vastgesteld. 7
Als op deze locaties onderzoek moet worden uitgevoerd, hoeft geen onderzoek naar PFAS-verbindingen plaats te vinden. Er kan gebruik worden gemaakt van de bodemkwaliteitskaart.
NOTA BODEMBEHEER REGIO RIVIERENLAND | GELDEND VOOR DE GEMEENTEN BUREN, CULEMBORG, MAASDRIEL, NEDER-BETUWE, TIEL, WEST BETUWE, WEST MAAS EN WAAL EN ZALTBOMMEL| DOCUMENTCODE: 16M1223.RAP002 | STATUS: HERZIEN DEFINITIEF | VERSIEDATUM: JANUARI 2021
12 / 81
Op basis van bekende PFAS-gegevens in de gemeenten nemen de gehalten aan PFASverbindingen af in de diepere bodemlagen. Gezien dit gegeven is het de verwachting dat de bodemlaag dieper dan 1,5 meter van een vergelijkbare of betere kwaliteit is als de bodemlaag 1,0-1,5 m-mv. De bodemkwaliteitszone van de bovengrond ‘B8. Wegbermen buitengebied’ betreft de wegbermen in het buitengebied die in beheer zijn van de gemeenten. Voor elke zone is de te verwachten gemiddelde chemische kwaliteit in beeld gebracht. De te verwachten gemiddelde kwaliteit per zone is opgenomen in tabel 2.1. De kwaliteit is ingedeeld volgens de landelijk vastgestelde klassen voor ‘Landbouw/natuur (Achtergrondwaarde-AW2000)’, ‘Wonen’ en ‘Industrie’. De statistische onderbouwing en de vastgestelde kwaliteitsklassen zijn weergegeven in bijlage 3A en 3B. Uit tabel 2.1 blijkt dat volgens het generieke kader van het Besluit, in een aantal bodemkwaliteitszones de ontgraven grond niet mag worden teruggeplaatst in dezelfde zone. Dit komt omdat de toepassingseis strenger is dan de verwachte ontgravingskwaliteit van de betreffende zone. Hierdoor zijn de mogelijkheden om gebiedseigen grond nuttig te hergebruiken beperkt.
Binnen het gebiedsspecifiek kader van het Besluit hebben de gemeenten de mogelijkheid om beleid te formuleren waardoor meer licht verontreinigde grond kan worden hergebruikt dan mogelijk is in het generieke kader van het Besluit. Dit gebiedsspecifiek beleid is in hoofdstuk 4 van deze nota bodembeheer beschreven. Tabel 2.1 Totaaloverzicht bodemkwaliteitszones, verwachte ontgravingsklassen, toepassingseisen conform het generiek kader Besluit en het tijdelijk handelingskader voor hergebruik van PFAS-houdende grond en baggerspecie. Bodemkwaliteitszone