2024-272.3 Bijlage UWDH - Monitoringsplan grondwaterkwaliteit voormalig slibdepot bij Vonkerplas - geredigeerd
Tekst van het document
Monitoringsplan grondwaterkwaliteit KRW ON uiterwaarden Wamel Dreumel Heerewaarden VA240001. 001. R03. V1. 0 28 juni 2024
Monitoringsplan grondwaterstand KRW
ON
uiterwaarden
Wamel
Documentnummer
Dreumel
Heerewaarden
VA240001.001.R03.V1.0 28
juni
2024
Opdrachtgevers Rijkswaterstaat
+31 88 130 06 00
info@geonius.nl Postbus 6160
1097
BB Geleen
Geonius.nl
Milieukundig Collegiale
adviseur
toets
Francis Huitink
Frank den
Daas
(geanonimiseerd) GEONIUS
VA240001.001.R03.V1.0
A
Inhoud 1
INLEIDING
1. 1 1. 2 1. 3 1. 3. 1 1. 3. 2 1. 4
Projectomschrijving Projectscope Scope plan van aanpak monitoring grondwaterkwaliteit Samenwerking met andere partijen Raakvlak project Werkzaamheden
4 4 4 4 5
2
Werkwijze
7
2. 1 2. 2 2. 3 2. 4 2. 5
Bekende gegevens slibdepot Monitoringsnetwerk Bemonstering van de peilbuizen Bepaling van de kwaliteit Verslaglegging
.. ... ... ... .... ... ... ... ... ... .... ... ... ... ... ... ... ... ... ... .... ... .
4
. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... .. ... ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... ... .. ... .. .. ..
... .. ... ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... .. ... ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. ... .. .. ... .. ... ... .. ... .. ... .. .. ... ... .. ... .. ... .. ... ..
VA240001. 001. R03. V1. 0
.. ... ... .... ... ... ... ... .... ... ... ... ... ... ... ... ... ... .... ... ... ... .
6
7 11
12 12 13
1 INLEIDING 1. 1 Projectomschrijving Dit plan van aanpak beschrijft de aanpak en werkwijze van Geonius voor de monitoring van de grondwaterkwaliteit ten behoeve van het KRW-ON project Uiterwaarden Wamel-Dreumel-Heerewaarden. Het dient als uitgangspunt voor de te doorlopen processen en maakt na vaststelling deel uit van de werkafspraken tussen OG en ON. ,
,
1. 2 Projectscope De scope van het project betreft de grondwatermonitoring ter voorbereiding op de realisatie van nieuwe natuur (met onder andere de aanleg van 5 nevengeulen en twee overstromingsvlakten) in de uiterwaarden van Wamel Dreumel en Heerewaarden.
,
Het gebied waar de herinrichting van UWDH is voorzien is gelegen aan de zuidzijde van de Waal in de provincie Gelderland op het grondgebied van de gemeente Maasdriel (Kern Heerewaarden) en de gemeente West Maas en Waal (kern Wamel en kern Dreumel) en loopt globaal van Fort Sint Andries in het zuidwesten tot voorbij de Prins Willem-Alexanderbrug (N323) over de Waal bij Beneden-Leeuwen in het noordoosten. Het traject heeft een lengte van circa 15 km en het gebied meet een oppervlakte van circa 665 ha. Het hele gebied tussen de Waal (vanaf de gemeentegrens in het hart van de Waal) en de teen van de winterdijk maakt deel uit van het initiële gebied van het project. De winterdijk zelf behoort niet tot het projectgebied. ,
Binnen het gebied ligt tevens de Vonkerplas een voormalig zandwinlocatie van circa 56 ha. Deze plas valt niet binnen de projectgrens en behoort ook niet tot de scope van UWDH. Benedenstrooms van de Vonkerplas ligt een voormalig slibdepot; ook dit gebied valt buiten de projectgrens maar monitoring van de grondwaterkwaliteit rondom dit voormalig slibdepot behoort wel tot de projectscope. In onderhavig plan wordt de aanpak van de monitoring van de grondwaterkwaliteit van de Vonkerplas weergegeven. ,
,
1. 3 Scope plan van aanpak monitoring
grondwaterkwaliteit De scope van dit plan van aanpak betreft de monitoring aan de grondwaterkwaliteit. Het heeft tot doel om na te gaan of er vanuit het voormalige slibdepot Vonkerplas sprake is van een eventuele immobilisatie van stoffen.
1. 3. 1 Samenwerking met andere partijen Het project is een initiatief van Staatsbosbeheer Provincie Gelderland en Rijkswaterstaat Oost Nederland. De gemeente West Maas en Waal de gemeente Maasdriel en het waterschap Rivierenland zijn actief betrokken bij het project als gebiedspartners. ,
,
VA240001. 001. R03. V1. 0
1. 3. 2 Raakvlak project Staatsbosbeheer heeft in het kader van het raakvlak project Dreumelsche overlaat onlangs een grondwatermeetnet uit gezet zie bijlage voor locaties. Dit meetnet wordt in de komende weken aangevuld met een paar extra meetpunten gelegen buitendijks bovenstrooms van Bato’s Erf. Dit is de locatie waar een overstromingsvlakte is voorzien. Dit meetnet wordt in beschouwing genomen bij het opstellen van het meetnet behorend bij onderhavige opdracht. ,
,
,
,
VA240001. 001. R03. V1. 0
1. 4 Werkzaamheden De volgende werkzaamheden worden door ons verricht en verwoord in onderhavig plan van aanpak verwoord: Opstellen plan van aanpak monitoring grondwaterkwaliteit. Verzamelen monitoringsdata. Opstellen kwartaalrapportages.
VA240001. 001. R03. V1. 0
2 Werkwijze 2. 1 Bekende gegevens slibdepot Er is een aanvullend archiefonderzoek inzake het depot Dekker opgesteld door Kragten (Memo d. d. 2 april 2019). De relevante resultaten worden onderstaand samengevat weergegeven. Voor de details wordt verwezen naar de genoemde memo. ,
Jaren 1970 tot begin jaren 1980 In 1973 is een vergunning verleend voor het ontkleien van een circa 82 ha groot gebied in de Dreumelse Waard. De ontgronding zou grotendeels opgeleverd moeten worden als cultuurgrond. In het kader van deze hercultiveringsplicht is er eind jaren 1970 in overleg met Rijkswaterstaat op delen van het terrein baggerspecie gebracht afkomstig van waterbodemsaneringen of onderhoudswerkzaamheden ten behoeve van de scheepvaart in de havens bij Tiel en het Amsterdam-Rijnkanaal (periode 1978-1981). In sommige documenten wordt ook het Lekkanaal als herkomstlocatie genoemd. De specie zou onder de destijds geldende normen geclassificeerd zijn als geschikte hercultiveringsspecie zonder beperkingen. Hiervan is geen documentatie in het archief aanwezig. De specie is per schip aangevoerd en met een bakkenzuiger in de tichelgaten gespoten In onderstaande afbeelding is de ligging van het toenmalige depot aangegeven met een projectie van het huidige perceel van Dekker. ,
Afbeelding 1 Bij benadering: projectie kadastraal perceel op kaart oorspronkelijke ligging baggerspecie
Eind jaren 1980 – jaren 1990 Aan het eind van de jaren 1980 is de locatie in beeld gekomen als locatie voor de industriezandwinning. Op 8 juni 1989 is voor de industriezandwinning in de Dreumelse Waard een vergunning ingevolge de Ontgrondingenwet verleend (vergunninghouders zijn Delgromij B.V. Kaliwaal Bijland B. V. en Dekker B. V. ). De vergunning heeft betrekking op het winnen van circa 10 miljoen m³ zand in een gebied van circa 50 ha. De put heeft een maximale ,
VA240001. 001. R03. V1. 0
diepte van circa 40 m (red. dit betreft de grotendeels huidige Vonkerplas). Op 5 juni 1990 is een vergunning op grond van de Rivierenwet verleend en op 25 juli 1995 op grond van de Wet milieubeheer verleend. Met het oog op de voorgenomen industriezandwinning lag de baggerspecie gelegen over een oppervlak van circa 8 ha (drie depots) in het zuidelijk deel van de voorgenomen ontgronding en met een dikte van 1 à 2 m in de weg. Door aanscherping van de normen zou een groot deel van de specie aangemerkt moeten worden als klasse 4 specie. Uit bodemonderzoek uit 1988 en 1989 (gerapporteerd in 1996) volgde dat de aanwezige kleiige specie sterk verontreinigd was met cadmium en hierdoor in te delen was in klasse 4. De zandige specie nabij de spuitmonden was licht verontreinigd of schoon en de oorspronkelijke bodem onder het speciedepot was schoon. De depots waren slechts gedeeltelijk afgedekt. In 1997 is nader bodemonderzoek verricht met het oog op de verplaatsing van het depot. Hiermee is een exacter beeld van de verontreinigingssituatie verkregen. Uit nader onderzoek in 1997 volgt dat het gaat om circa 100. 000 m³ materiaal welke te verdelen is in: - 5. 000 m³ grond/zand klasse 0-1 categorie 1 voor hergebruik - 25. 000 m³ grond/specie klasse 0-3 categorie 1 voor hergebruik - 70. 000 m³ specie klasse 4 categorie 2 Uit uitloogtesten volgt dat het klasse 4-slib uitloogt. ,
,
,
,
,
,
,
,
Aangezien het materiaal in de weg ligt voor de zandwinning dient het verplaatst te worden. In 1997 is een gecombineerde (wijzigings)aanvraag voor de zandwinning in de Dreumelse Waard ingediend welke o. a. betrekking heeft op het verplaatsen en concentreren van het speciedepot. Hierbij wordt o. a. voor 10 jaar een Wm-vergunning aangevraagd voor het oprichten en in werking hebben van een tijdelijk speciedepot voor klasse 4-specie. De beoogde locatie voor het tijdelijke depot ligt vlakbij de oorspronkelijke depotlocatie zie onderstaande afbeelding. Voor de sanering van de oorspronkelijke depots is een saneringsplan opgesteld en een melding gedaan in het kader van de Wet bodembescherming (1997). Opgemerkt wordt dat de beoogde locatie uit afbeelding 2 iets afwijkt van het verhoogde terreindeel op basis van de hoogtekaart zie afbeelding 2 uit de ,
,
,
,
memo.
Afbeelding 2 Bij benadering: projectie kadastraal perceel op kaart geplande ligging tijdelijk depot
VA240001. 001. R03. V1. 0
In de vergunningaanvraag en het saneringsplan is het volgende aangegeven: De betreffende klasse 4-specie is zodanig verontreinigd dat reiniging geen optie is (kleiige samenstelling). Dit betekent dat de specie moet worden afgevoerd naar een definitieve opslagplaats. Die is op korte termijn echter niet beschikbaar waardoor een gefaseerde sanering voorgenomen is. In fase 1 wordt de specie ontgraven en opgeslagen in een tijdelijk depot. In fase 2 zou het tijdelijk depot opnieuw ontgraven worden en het materiaal afgevoerd worden naar de Kaliwaal als definitieve opslagplaats. Het tijdelijk depot heeft een geringer oppervlak dan het oorspronkelijk depot zijnde circa 25 ha. Voor de aanleg van het tijdelijke depot is op de nieuwe plaats eerst tot circa 25 m NAP ontgraven (circa 82. 000 m³ ontgraven). De kwaliteit van de onderliggende bodem zou middels een nulsituatieonderzoek vastgelegd moeten worden. Dit onderzoek is niet teruggevonden in de archiefstukken. Onbekend is of dit daadwerkelijk is uitgevoerd. Onder milieukundige begeleiding wordt eerst het licht verontreinigde zand en de klasse 0-3 specie separaat ontgraven en als een 05 m dikke isolatielaag aangebracht op de bodem van het tijdelijk depot (25 mNAP). De kwaliteit van deze laag is zodanig dat gedurende een termijn van minimaal 10 jaar een voldoende isolerende werking wordt verzekerd.
De klasse 4-specie wordt op de isolerende laag gebracht. De onderkant van de klasse 4-specie zal worden ingemeten zodat de plaats van dit materiaal exact wordt vastgelegd (inmeetgegevenszijn niet in de archiefstukken teruggevonden). De laag klasse 4-specie zou circa 50 m dik worden. De scheiding tussen de isolatielaag en de onderliggende bodem is visueel gemakkelijk waarneembaar. Nadat alle specie in het depot is gebracht wordt een 05 m klei/specie uit het huidige depot aangebracht welke voldoet aan klasse 3. De afwerkhoogte bedraagt maximaal 80 mNAP. ,
,
,
,
,
,
,
,
,
,
In 1998 worden de vergunningen verleend waartegen door omwonenden bezwaren worden ingediend bij de Raad van State. De vergunningen schrijven voor dat het tijdelijke baggerspeciedepot voor 1 oktober 2000 moet worden aangelegd en moet voor februari 2009 ontmanteld worden. Verder wordt voorgeschreven dat het tijdelijke depot tenminste eenmaal per jaar geïnspecteerd dient te worden waarbij eventuele schade aan de afdeklaag hersteld dient te worden. ,
2006 - 2008 In april 2006 is er een actualisatie onderzoek uitgevoerd om de kwaliteit van het materiaal in het depot vast te stellen (rapportage niet beschikbaar informatie uit Notitie Grontmij 2008). Op basis van 15 boringen en drie ,
mengmonsters blijkt dat het materiaal kan worden ingedeeld in de voormalige slibklasse 3. In het slib zijn
verhoogde gehalten aan cadmium , kwik , koper , HCB , PCB en bestrijdingsmiddelen aangetoond. Tevens is geconcludeerd dat het grondwater niet wordt beïnvloed door het speciedepot. In juni 2006 is het slibdepot door Certicon middels 18 deelpartijen met elk een volume van circa 6. 000 m 3 onderzocht. De totale partij heeft een omvang van circa 114. 674 m³. De omvang zou bepaald zijn middels digitale inmeting. Uit de resultaten van de partijkeuring blijkt dat afgezien van één deelpartij de specie niet in aanmerking komt voor hergebruik conform het Bouwstoffenbesluit. ,
,
Met de inwerkingtreding van het Besluit bodemkwaliteit (Bbk) in 2008 is het Bouwstoffenbesluit komen te vervallen. Hierdoor zijn de regels ten aanzien van het hergebruik gewijzigd (versoepeld). Eveneens is het analysepakket gewijzigd. In de notitie van Grontmij (april 2008) zijn de analyseresultaten van de partijkeuringen uit 2006 (rekenkundige gemiddelden van de gemeten gehalten van de 18 onderzochte partijen) getoetst aan de normen uit het Bbk. De kwaliteit van de baggerspecie is vastgesteld als (bodemkwaliteits-)klasse B. Op basis van
VA240001. 001. R03. V1. 0
hertoetsing van het in 1999 uitgevoerde nulonderzoek (rapport niet beschikbaar) blijkt dat de onderliggende bodem eveneens kan worden ingedeeld in klasse B. Uit de toetsing aan de normen van het Besluit bodemkwaliteit blijkt dat onder de regels van het besluit de baggerspecie niet verwijderd hoeft te worden. De toepassing voldoet aan de eisen van het generieke toetsingskader voor algemene toepassingen: - De gehalten in de baggerspecie liggen beneden de interventiewaarden voor waterbodems en - De bodemkwaliteitsklasse van de baggerspecie komt overeen met de bodemkwaliteitsklasse van de ontvangende bodem. Op 20 juni 2008 is de toepassing conform ‘Melding besluit bodemkwaliteit’ bij het landelijk meldpunt Bodemkwaliteit gemeld. Gezien de datum waarop de toepassing gemeld is voldeed de analyse op het oude analysepakket. De melding zelf is niet teruggevonden in het archief van de Omgevingsdienst van de gemeente West Maas en Waal en van Rijkswaterstaat. Wel heeft de Omgevingsdienst onderstaande informatie verstrekt. ,
,
In juli 2008 heeft Dekker van de Kamp Projekten een verzoek tot het handhaven van het depot ingediend bij de gemeente West Maas en Waal. In dit schrijven wordt onder meer aangegeven dat “door Grontmij in haar notitie geconcludeerd is dat de specie en de eigenlijke bodem van de Dreumelse waard tot dezelfde bodemkwaliteitsklasse behoren zijnde klasse B. Dit betekent dat de specie op basis van het generieke kader van het Besluit bodemkwaliteit kan worden toegepast. Deze conclusie is door Rijkswaterstaat positief bevestigd”. Verder wordt genoemd dat na herinrichting in 2004 de uiterwaard met uitzondering van het depotterrein in eigendom is overgedragen aan Staatsbosbeheer. Het depot wordt begraasd door runderen en fungeert als hoogwatervluchtplaats voor de grazers en aanwezige fauna. Het ontmantelen van het depot zou leiden tot onacceptabele rivierkundige opstuwing tot overlast voor de omgeving en tot overbodige transportbewegingen en CO2-uitstoot. ,
,
,
,
De oorspronkelijk geplande fase 2 bestaande uit het ontmantelen van het tijdelijke depot klasse 4-specie naar de Kaliwaal zal daarom uiteindelijk niet meer gebeuren. ,
en
afvoeren
van
de
Actualisatie-onderzoek 2018 In het kader van project UWDH is in 2018 door Kragten opnieuw bodemonderzoek verricht om de kwaliteit van het depot te actualiseren. De boringen zijn in verband met verdenking op NGE niet dieper doorgezet dan 25 mmv (zover steekt het depot boven de omliggende percelen uit; vrijgave vanaf maaiveld bleek door verstoring van het depotmateriaal niet mogelijk). ,
Uit het onderzoek volgt dat sprake is van een homogene bodemopbouw (klei) , maar dat de kwaliteit varieert van klasse B tot niet toepasbaar. De toplaag voldoet in alle onderzochte boringen aan klasse B. De hypothese homogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming is hiermee verworpen. Ook is de kwaliteit voor een deel van het depot slechter dan de verwachte kwaliteitsklasse B door het meten van sterk verhoogde gehalten aan cadmium en PCB. Conclusie van Kragten: Het volgende kan geconcludeerd worden: - Ondanks het ontbreken van de uiteindelijke melding Besluit bodemkwaliteit uit 2008 zijn aanwijzingen aanwezig dat de partij als (definitieve) toepassing (en niet als tijdelijk depot) is gemeld. Het materiaal maakt daarmee deel uit van de uiterwaarden.
VA240001. 001. R03. V1. 0
Op basis van de in 2006 uitgevoerde partijkeuringen heeft het depot een omvang van circa 114. 000 m³. - Het terrein is eerst afgegraven tot 25 , mNAP. Vervolgens is een laag klasse 0-3-specie aangebracht tot 30, mNAP. Hierop is circa 5 m klasse 4-specie aangebracht , waarboven opnieuw een 05, m dikke laag klasse 0-3specie is opgebracht. In de vergunningsaanvragen staat dat de afwerkhoogte maximaal 80, mNAP bedraagt. Op basis van de AHN bedraagt de hoogte van het depot 80, tot 86, mNAP. -
Een deel van het perceel is op basis van het vooronderzoek NGE (ECG 2018) als verdacht aangemerkt. Uit de aanvullend verkregen informatie blijkt dat ter plaatse van het depot over een oppervlak van 25 ha circa 82. 000 m³ grond afgegraven zou zijn om tot 25 mNAP te komen. Omgerekend is hierbij tot zo’n 33 m-mv ontgraven. Uit het vooronderzoek NGE volgt dat de maximale diepte waarop NGE aangetroffen kunnen worden 2 m-mv is. Door de ontgraving is de verdachte grond verwijderd. De depotlocatie is daardoor niet meer verdacht voor NGE. -
,
,
,
,
Samengevat wordt door Geonius geconcludeerd dat er in het verleden geen grondwateronderzoek is uitgevoerd. Aangegeven is door Grontmij (2008) dat er geen dat het grondwater niet wordt beïnvloed door het speciedepot. Onduidelijk is op basis waarvan deze conclusie wordt getrokken. Bepalende parameters in de uitgevoerde (water)bodemonderzoeken waren verhoogde gehalten aan cadmium kwik koper HCB PCB en bestrijdingsmiddelen aangetoond. In 2018 is door Kragten opnieuw onderzoek uitgevoerd en wordt aangegeven dat er sprake is van een homogene bodemopbouw (klei) maar dat de kwaliteit varieert van klasse B tot niet toepasbaar. De toplaag voldoet in alle onderzochte boringen aan klasse B. De hypothese homogeen verdeelde verontreinigende stof op schaal van monsterneming is hiermee verworpen. Ook is de kwaliteit voor een deel van het depot slechter dan de verwachte kwaliteitsklasse B door het meten van sterk verhoogde gehalten aan cadmium en PCB. ,
,
,
,
,
2. 2 Monitoringsnetwerk Na acceptatie van de monitoringsplannen wordt het monitoringsnetwerk aangelegd. De peilbuizen voor monitoring van de grondwaterkwaliteit worden handmatig geplaatst door gecertificeerde veldmedewerkers (VKB protocol 2001). De peilbuizen voor monitoring van de grondwaterstand worden ofwel met een sondeerunit geplaatst of ook handmatig. Alle peilbuizen worden voorzien van een beschermkoker en worden afgesloten met een slot. ,
VA240001. 001. R03. V1. 0
Gezien er geen grondwatergegevens uit eerder onderzoek bekend zijn geworden wordt voorgesteld om een 4tal peilbuizen te plaatsen. Uitgangspunt is om 1 peilbuis in de kern van het depot 2 peilbuizen aan weerszijden van de Vonkerplas en 1 peilbuis benedenstrooms van de Vonkerplas te plaatsen. In onderstaand is een globaal overzicht van de onderzoekslocatie en geplande peilbuizen (in rood) weergegeven. ,
De peilbuizen worden afgewerkt met een filter van 1 m. Het filter wordt gezet op van 40 tot 50 mgrondwaterstand. Uitgangspunt is dat het gebied OO onverdacht is ter plaatse van het depot. Onduidelijk is of dat rondom het depot ook geldt. Graag ontvangen wij van de opdrachtgever de in het verleden uitgevoerde vooronderzoek met betrekking tot OO. ,
,
Figuur 2. 1: Vonkerplas en voormalige slibdepot (bron: opdrachtgever , rechts in oranje; links GoogleMaps in rood geplande locatie peilbuizen)
2. 3 Bemonstering van de peilbuizen Het grondwater zal worden bemonsterd conform BRL SIKB 2000 en het daarbij behorend protocol 2002 (Het nemen van grondwatermonsters versie 6.0 1 februari 2018). De veldmedewerker die de werkzaamheden zal uitvoeren is in dit kader geregistreerd bij het Ministerie van Infrastructuur en Waterstaat (IenW). DE frequentie van de bemonstering is elk kwartaal gedurende minimaal een jaar. ,
,
2. 4 Bepaling van de kwaliteit Om de kwaliteit van het grondwater ter plaatse van het slibdepot te bepalen worden er een 4-tal peilbuizen geplaatst. Voor de samenstelling van het analysepakket is aangesloten bij het standaardpakket voor grondwater uit de NEN5740. Vanwege het slibdepot is dit analysepakket voor ronde 1 aangevuld met een deel van de zware metalen parameters uit het voormalige C2-pakket uit de NEN5720. Op basis van dit pakket is nl. de kwaliteit van
VA240001. 001. R03. V1. 0
het uit het Amsterdam-Rijnkanaal toegepaste slib bepaald. onderstaande Tabel weergegeven.
De samenstelling
van
de analysepakketten is in
Tabel 2. 1: Overzicht onderzoeksinspanning
Monitoringsronde
Aantal
Veldmetingen
Analysepakket
4
A
B C
4
A
B C
monsters
Ronde 1 Ronde 2 volgend
,
3
,
4
en
,
,
A
Grondwaterstand , zuurgraad (pH) , turbiditeit (NTU) , elektrische geleidbaarheid (EC)
B
Standaardpakket grondwater NEN 5740: 9 zware metalen (barium , cadmium , kobalt , koper , kwik , lood , molybdeen , nikkel en zink) , vluchtige aromatische koolwaterstoffen (benzeen , tolueen , ethylbenzeen , som-xylenen (som o , m , p) , styreen , naftaleen) , vluchtige , , dichloormethaan , trans-12-dichlooretheen , , cis-12, gehalogeneerde koolwaterstoffen (vinylchloride , 11-dichlooretheen , , 11-dichloorethaan , , chloroform , 111-trichloorethaan , , , tetrachloormethaan , 12, dichlooretheen , som 12-dichlooretheen , , 11-dichloorpropaan , , 13-dichloorpropaan , , som dichloorpropanen , 112, , dichloorethaan , trichlooretheen , 12-dichloorpropaan
trichloorethaan , tetrachlooretheen en bromoform) en minerale olie C
Aanvulling grondwaterpakket: arseen , chroom
De chemische analyses van de grondwatermonsters zullen conform AS3000 uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B. V. te Rotterdam gecertificeerd volgens NEN-EN-ISO/IEC 17025 en AS3000-erkend. De analyses op de stofgroep PFAS zijn eveneens uitgevoerd door SGS Environmental Analytics B. V. te Rotterdam. ,
2. 5 Verslaglegging Elk kwartaal wordt een rapportage opgesteld waarin de meetdata en interpretatie van de data zal worden opgenomen. De resultaten uit de eerste ronde worden gebruikt om de nulsituatie vast te stellen. Op basis van de resultaten van deze ronde zal worden nagegaan welke stoffen boven de voormalige streefwaarde en huidige signaleringswaarde (voormalige interventiewaarde) worden aangetoond. Bij de beoordeling van de grondwaterkwaliteit worden de analyseresultaten van de grondwatermonsters getoetst aan de signaleringsparameters voor grondwaterkwaliteit zoals opgenomen in bijlage Vd van het Besluit kwaliteit leefomgeving (Bkl). ,
,
In de navolgende rapportages zullen de data van de voorgaande rondes met elkaar worden vergeleken en in overzichtelijke tabellen en grafieken worden weergegeven. Verder zal bepaald worden na de eerste ronde welk analysepakket afdoende is om de kwaliteit van het grondwater te bepalen.
VA240001. 001. R03. V1. 0
14