2024-100 1 Natuurontwikkeling Uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport en de aanvulling daarop
Tekst van het document
Natuurontwikkeling Uiterwaarden bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden
Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport en de aanvulling daarop 16 april 2024 / projectnummer: 3184
Advies over het MER en de aanvulling in het kort Rijkswaterstaat, de provincie Gelderland en Staatsbosbeheer willen nevengeulen en natuurwaarden realiseren in de uiterwaarden van de Waal bij Wamel, Dreumel en Heerewaarden (UWDH). Zij willen daarmee verschillende doelstellingen voor waterkwaliteit (Kaderrichtlijn Water) en natuur (Natura 2000, Gelders Natuur Netwerk, Nadere Uitwerking Rivierengebied) invullen. Voor de besluitvorming is een gecombineerd plan- en project-MER opgesteld. Gedeputeerde Staten van Gelderland zijn het coördinerend bevoegd gezag in deze procedure. In een eerder advies1 gaf de Commissie aan dat in het MER nog informatie ontbrak die zij essentieel achtte voor het meewegen van het milieubelang bij te nemen besluiten over het project. Het ging daarbij om informatie over de onderbouwing van keuzes die gedurende het ontwerpproces zijn gemaakt, over de effecten na de uitvoering (op kwel en archeologie) en de effecten tijdens de uitvoering. Naar aanleiding hiervan is het MER aangevuld.2 De provincie Gelderland heeft de Commissie gevraagd om opnieuw te adviseren over het MER en de aanvulling tezamen. Wat blijkt uit de aanvulling? De aanvulling laat zien welke afwegingen zijn gemaakt in het ontwerpproces voor de herinrichting van het gebied en de rol van het milieubelang daarbij.
De effecten op natuur, (grond)water, archeologie en hinder voor de omgeving zijn in de aanvulling verder onderbouwd. Daaruit blijkt onder andere dat in de aanlegfase extra stikstof zal neerslaan in natuurgebieden. Met de inzet van schoner materieel kan dit worden beperkt. De aanvulling signaleert verder dat er bij de uitvoering rekening moet worden gehouden met archeologische waarden. Mogelijk zijn daardoor extra maatregelen nodig of moet het werk op een bepaalde plaats (tijdelijk) stilgelegd worden. Ook laat de aanvulling zien hoeveel geluidhinder kan optreden in de aanlegfase. Wat is het advies van de Commissie? De aanvulling is beknopt en overzichtelijk, waardoor snel inzicht ontstaat in de onderdelen waarop het MER is aangevuld. Om deze onderdelen te onderbouwen zijn aan de aanvulling verschillende bijlagen toegevoegd. De totstandkoming van het voorkeursalternatief is voldoende onderbouwd. De effecten tijdens de uitvoering en daarna, en maatregelen om negatieve effecten te beperken zijn in de aanvulling over het algemeen voldoende besproken. Desondanks is de Commissie van oordeel dat in het MER en de aanvulling nog op één onderdeel essentiële informatie ontbreekt om de besluiten te kunnen nemen over de herinrichting van de uiterwaarden, waarin het milieubelang volwaardig wordt meegewogen.
De effecten op de (grond)waterhuishouding (kwel) aan de binnenzijde van de dijk blijven onzeker. De Commissie adviseert om, voordat de besluiten worden genomen, hiervoor een gevoeligheidsanalyse uit te voeren. Bepaal op basis daarvan of er aanleiding is om extra maatregelen te nemen.
1 2
Voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport, 20 december 2023
Herinrichting uiterwaarden Wamel, Dreumel en Heerewaarden, aanvulling op het milieueffectrapport, 27 februari 2024. Deze aanvulling bestaat uit een hoofdrapport en meerdere bijlagerapporten.
-1-
Voor het vervolg beveelt de Commissie aan om zo spoedig mogelijk peilbuizen in het gebied te plaatsen, om deze te gebruiken voor het vastleggen van de huidige situatie en monitoring van het grondwater. Verder beveelt zij aan duidelijke afspraken te maken over maatregelen (inclusief kosten) die nodig zijn als archeologische waarden worden aangetroffen. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject.
Figuur 1: ligging van het plangebied (bron: MER). Aanleiding MER Rijkswaterstaat, Staatbosbeheer en de provincie Gelderland zijn de initiatiefnemers voor het graven van nevengeulen en het ontwikkelen van natuur in de uiterwaarden van de Waal tussen Wamel en Heerewaarden, een traject van circa 15 kilometer. Hiervoor moet een ontgrondingsvergunning worden verleend door de provincie Gelderland en moeten bestemmingsplannen van de gemeenten Maasdriel en West Maas en Waal worden aangepast. Het besluit over de ontgrondingsvergunning is project-m.e.r.plichtig op grond van categorie C16.1 van het Besluit milieueffectrapportage (winning van oppervlaktedelfstoffen met een groter gebied dan 25 hectare). De besluiten over de bestemmingsplannen zijn plan-m.e.r.-plichtig, omdat deze kaderstellend zijn voor de ontgronding en omdat een Passende beoordeling moet worden uitgevoerd vanwege mogelijke gevolgen voor Natura 2000-gebieden. Daarom is een gecombineerd plan- en project-MER opgesteld. Gedeputeerde Staten van Gelderland zijn het coördinerend bevoegd gezag voor de m.e.r.-procedure. Wetgeving van toepassing op dit project Voor dit project en het MER is de wetgeving zoals die gold vóór 1 januari 2024 van toepassing (zoals de Wet milieubeheer en het Besluit m.e.r.), en niet de huidige wetgeving (de Omgevingswet).
Het project is ter inzage gelegd voordat de Omgevingswet op 1 januari 2024 van kracht werd.
-2-
Rol van de Commissie De Commissie is onafhankelijk, bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. Ze schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. De bevoegd gezagen – in dit geval Gedeputeerde Staten van Gelderland en de gemeenteraden van Maasdriel en West Maas en Waal - besluiten hierover. De samenstelling en de werkwijze van de werkgroep van de Commissie en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. De projectstukken die bij het advies zijn gebruikt staan op de website. Deze zijn te vinden door nummer 3184 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
Toelichting op het oordeel In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe. Het advies in paragraaf 2.2.1 is opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren daarvan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de provincie en de gemeenten. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.
Ontwerpkeuzes en onderbouwing voorkeursalternatief In het voorlopige toetsingsadvies gaf de Commissie aan dat sommige keuzes die in het ontwerpproces zijn gemaakt in het MER niet goed navolgbaar zijn. Zo was niet volledig duidelijk welke varianten in het proces zijn overwogen, en welke rol het milieubelang heeft gespeeld bij de gemaakte afwegingen. In de aanvulling is een overzicht gegeven van het ontwerpproces en de daarin gemaakte ontwerpkeuzes. Voor het eerste deel van het proces verwijst de aanvulling naar een ‘variantenkeuzenotitie’ uit 20193. In deze periode is onder andere het verondiepen van de Vonkerplas als mogelijke variant geschrapt, na een bestuurlijk besluit hierover. In een ander verband onderzoeken de initiatiefnemers of en hoe de ecologische waarden in de Vonkerplas versterkt kunnen worden. Dit onderzoek en eventuele maatregelen vallen daarmee buiten het project UWDH. Na het opstellen van de variantenkeuzenotitie is het ontwerp nog enkele malen aangepast en heeft in 2020 een scopewijziging plaatsgevonden: de projectdoelen zijn aangepast ten opzichte van de oorspronkelijke doelen. De belangrijkste aanpassing was dat is uitgegaan van nevengeulen, waarin het water mee stroomt met de rivier, in plaats van eenzijdig aangetakte strangen.4 Deze nevengeulen leiden tot een betere ecologische (water)kwaliteit. Daarmee wordt beter voldaan aan de KRW-opgave.
De Commissie is van mening dat het MER, de variantennotitie en de aanvulling tezamen voldoende informatie bevatten over het ontwerpproces, de keuzes die tussentijds zijn gemaakt en de rol die het milieubelang en het doelbereik daarbij hebben gespeeld. 3 4
Variantenkeuzenotitie UWDH, 14 februari 2019.
Een strang is een nevengeul in een uiterwaard, die niet meestroomt met de hoofdrivier.
-3-
Effecten na uitvoering 2.2.1
Waterhuishouding In het MER zijn de effecten op de (grond)waterhuishouding berekend op basis van onderzoek met het MORIA-model. De Commissie constateerde dat de nauwkeurigheid van dit model niet goed uit het MER was af te leiden. Dit is niet alleen van belang voor de effecten, maar ook voor het beoordelen van de noodzaak en de effectiviteit van mitigerende maatregelen. De aanvulling gaat uitgebreid in op de (voor)geschiedenis van het gebruikte basismodel MORIA en de ijking die hiervoor is uitgevoerd. Voor de ijkingsresultaten van het basismodel verwijst de aanvulling naar een kalibratierapport.5 Deze kalibratie heeft echter betrekking op het volledige beheergebied van waterschap Rivierenland, waarin het plangebied (WamelDreumel-Heerewaarden) maar een beperkte rol speelt. Het MORIA-model is voor het project op een aantal punten aangepast en verfijnd. De opbouw van het model is goed beschreven. Uit de beschrijving blijkt echter niet of het model na de aanpassing aanvullend is geijkt. Afgezien van de verwijzingen naar kalibratieresultaten van het basismodel is daarmee nog geen informatie beschikbaar over de ijking van het model dat is gebruikt voor de berekeningen in het MER.
Op basis van de informatie uit het MER en de aanvulling daarop, inclusief de bijlagen daarbij, verwacht de Commissie dat de geohydrologische effecten, zoals toename van kwel, relatief beperkt zullen zijn en relatief eenvoudig te mitigeren.6 Het beoordelen van de nauwkeurigheid en onzekerheden in de geohydrologische berekeningen is door het ontbreken van ijkingsresultaten van het model echter nog niet goed mogelijk. Daarmee blijven de geohydrologische effecten onzeker. Vooral de onzekerheden over de weerstand van de aanwezige ondiepe kleilagen in de uiterwaarden zijn daarbij van belang. Vanwege deze onzekerheden en de zorgen in de omgeving over binnendijkse effecten adviseert de Commissie om, voorafgaand aan het besluit, in een aanvulling op het MER een nadere beschouwing van de geohydrologische effecten op te nemen. Bepaal hiervoor in een gevoeligheidsanalyse de samenhang tussen de weerstand van de ondiepe kleilagen in de uiterwaarden en de geohydrologische effecten. Voer berekeningen uit waarbij uitgegaan wordt van een realistische ‘worst case’ situatie voor de weerstand van de ondiepe kleilagen. Geef aan of dit aanleiding geeft om extra mitigerende maatregelen te nemen of maatregelen achter de hand te houden, voor het geval er (onverwachte) negatieve effecten optreden.
Verder beveelt de Commissie aan om voorafgaand aan de uitvoering van de werkzaamheden zo spoedig mogelijk voldoende peilbuizen in het studiegebied te plaatsen, zodat de nulsituatie en de werkelijke effecten op het grondwater goed gemonitord kunnen worden.
5
Rapport Inbouwen REGIS II v2.2 in MORIA, Royal HaskoningDHV, 29 november 2018. Dit rapport is als bijlage B2 bij de
6
Om deze effecten te voorkomen zijn in het MER mitigerende maatregelen voorgesteld. Deze bestaan uit het realiseren van
aanvulling op het MER gevoegd.
extra waterberging en het lokaal aanbrengen van een kleilaag met een dikte van 25 tot 50 cm in een aantal nevengeulen.
Het aanbrengen van de kleilagen zal het effect op binnendijkse kwel verminderen, maar het is onduidelijk of deze (ook op de langere termijn) voldoende weerstand zullen (blijven) bieden.
-4-
2.2.2
Archeologie De resultaten van de uitgevoerde archeologische onderzoeken7 waren onjuist en onvolledig opgenomen in het MER, waardoor de effecten op archeologische waarden en de mogelijke consequenties hiervan voor de uitvoering niet goed in beeld waren. In de aanvulling zijn de effecten op archeologische waarden beoordeeld als negatief in plaats van neutraal of beperkt negatief. Dit omdat in de gebieden waar archeologische begeleiding zal plaatsvinden nog niet bekend is of er daadwerkelijk behoudenswaardige archeologische vindplaatsen aanwezig zijn. Zoals aangegeven in het voorlopige advies laat de Quickscan Cultuurhistorie zien dat in historische geulen die weer opengemaakt worden, kans bestaat op goed geconserveerde maritieme vondsten. De aanvulling geeft aan dat archeologische begeleiding8 ertoe kan leiden dat het werk stilgelegd moet worden in geval van een vondst. Aan het risico op vertraging en hoge kosten wordt weinig aandacht besteed. De aanvulling gaat niet in op het terrein K2 met een hoge archeologische verwachtingswaarde. Deze waarde is bevestigd door het booronderzoek. Uit proefsleuvenonderzoek zal nog moeten blijken welke waarden aanwezig zijn. Indien het belang aangetoond wordt, volgen verdere maatregelen vanwege de archeologische monumentenzorg. Eerst zal gekeken worden of behoud in situ haalbaar is. Dat zou om een optimalisatie van het ontwerp kunnen vragen.
Als behoud niet mogelijk is kan dat leiden tot het uitvoeren van opgravingen.
De Commissie beveelt aan om bij het besluit aan te geven hoe in de uitvoeringsfase wordt omgegaan met eventuele archeologische vondsten op het terrein K2. Beschrijf ook wie verantwoordelijk is voor risico’s, te nemen maatregelen en kosten indien de archeologische begeleiding behoudenswaardige vindplaatsen of vondsten oplevert.
2.2.3
Natuur In het voorlopige advies wees de Commissie erop dat het plangebied mogelijk aantrekkelijker wordt voor recreanten wanneer de natuur zich ontwikkelt. In dat geval zou niet uitgesloten zijn dat het plan meer recreatie mogelijk maakt dan in de huidige situatie. De aanvulling gaat nader in op de maatregelen die worden genomen om negatieve effecten van recreatie te voorkomen (zoals het plaatsen van bordjes, rasters en toegangspoortjes). Zoals reeds aangegeven in het voorlopige advies vindt de Commissie de stelling aannemelijk dat geen extra recreatie verwacht wordt.
7
Uit bureauonderzoeken en booronderzoek bleek dat op twee percelen in het plangebied hoge archeologische
verwachtingswaarden aanwezig zijn. Op basis daarvan is geadviseerd proefsleuvenonderzoek uit te voeren, en eventueel over te gaan tot opgraving. Voor de overige delen van het plangebied is archeologische begeleiding voorzien.
8
Archeologische begeleiding is onderdeel van het protocol opgraven. Indien een archeologische vondst wordt gedaan, kan direct opgeschaald worden naar opgraven. Dit heeft consequenties voor de uitvoering en de financiering.
-5-
Effecten tijdens de uitvoering 2.3.1
Effecten op natuur door stikstofdepositie In het MER waren de effecten van stikstofdepositie in de uitvoeringsfase alleen in beeld gebracht voor maatregelen die geen verband houden met het beheer van het Natura 2000gebied.9 Voor maatregelen in het gebied die nodig zijn voor het beheer van het Natura 2000gebied Rijntakken geldt volgens het MER voor het project geen vergunningplicht onder de Wet natuurbescherming.10 Dat wil echter niet zeggen dat er geen negatieve effecten door stikstofdepositie kunnen optreden. De aanvulling geeft volledig inzicht in de stikstofdepositie in de uitvoeringsfase. In het Natura 2000-gebied Rijntakken treedt gedurende twee jaar een maximale depositie van 7,45 tot 15,13 mol/ha/jaar op, afhankelijk van de gekozen variant.11 Vervolgens is ingegaan op aanvullende maatregelen die tot lagere deposities kunnen leiden. De effecten van het gebruik van elektrisch materieel (30% en 70%) zijn doorgerekend. Dit maakt duidelijk dat het inzetten van schoner materieel leidt tot een daling van de emissies van stikstof. De maximale depositie in het Natura 2000-gebied Rijntakken als gevolg van de werkzaamheden daalt daarmee met respectievelijk circa 20 en 40%. De effecten van interne saldering (door het omzetten van 286 hectare agrarische grond naar natuur en water) zijn niet meegenomen in de berekening.
In de aanvulling is deze maatregel wel benoemd, maar niet gekwantificeerd. Het is wel aannemelijk dat ook dit leidt tot een beperking van de negatieve effecten. Bovendien is terecht aangegeven dat de uitvoeringseffecten van tijdelijke aard zijn, terwijl de effecten van saldering permanent zijn. De aanvulling geeft volgens de Commissie voldoende informatie over de emissies en de depositie van stikstof in de uitvoeringsfase, en de maatregelen die genomen kunnen worden om deze te beperken.
2.3.2
Overige effecten in de aanlegfase In het MER waren de effecten in de uitvoeringsfase als beperkt negatief beoordeeld, zonder inzicht te geven in de aard en omvang daarvan. Afhankelijk van de uitvoeringswijze kunnen aanzienlijke tijdelijke effecten optreden op bijvoorbeeld geluidbelasting, luchtkwaliteit, verkeersveiligheid en natuurwaarden. Het MER maakte ook niet duidelijk welke kaders en criteria gebruikt zullen worden om aanbiedingen bij de aanbesteding te beoordelen. De aanvulling geeft voldoende inzicht in de effecten op stikstof (zie vorige paragraaf), geluid, luchtkwaliteit, verkeersafwikkeling en natuur. Voor geluid en luchtkwaliteit zijn aparte bijlagen toegevoegd. De aanvulling maakt onder andere duidelijk wat de maximale geluidniveaus in de uitvoeringsfase zullen zijn.
9
In de Passende beoordeling bij het MER is alleen aandacht besteed aan de effecten van de realisatie van recreatieve voorzieningen (twee bruggen en drie kleine parkeerplaatsen).
10 11
De Wet natuurbescherming is per 1 januari 2024 opgenomen in de Omgevingswet.
Hierbij wordt onderscheid gemaakt in een variant met ‘schonere techniek’ en een variant met ‘minder schone techniek’
(traditionele mobiele werktuigen).
-6-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie
De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of
onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de
ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit
wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het
gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: dr. Wilfried ten Brinke Simone Filippini (voorzitter) Martin de Haan MSc drs. Pieter Jongejans (secretaris) dr. Heleen van Londen ir. Rob Speets drs. Frank Wijnants Besluiten waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Vergunning Ontgrondingenwet (provincie Gelderland) Bestemmingsplan gemeente West Maas en Waal Bestemmingsplan gemeente Maasdriel Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. Onderdelen C en D van de bijlage bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de activiteit C16.1 (delfstoffenwinning) en D09 (functieverandering). Een MER is ook nodig omdat effecten op Natura 2000-gebieden kunnen optreden die in een Passende beoordeling moeten worden beschreven. Daarom is een gecombineerd plan-/project-MER opgesteld. Bevoegd gezag besluiten Gedeputeerde Staten van de provincie Gelderland (coördinerend), gemeenteraad van West Maas en Waal, gemeenteraad van Maasdriel. Initiatiefnemer besluiten Rijkswaterstaat, provincie Gelderland en Staatsbosbeheer.
Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken?
Het bevoegd gezag heeft de Commissie niet in de gelegenheid gesteld om zienswijzen en adviezen bij haar advies te betrekken.
Gesprekken met belanghebbenden tijdens adviestraject De Commissie heeft op 20 november 2023 op verzoek van het bevoegd gezag gesproken met vertegenwoordigers van het Burgercollectief Dreumelse Waard en de Boomgroep Wamel. Zij heeft de bevindingen van dit gesprek betrokken bij het opstellen van dit advies. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3184 in te vullen in het zoekvak.