2023-110 2 Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Gelderse streken
Tekst van het document
Kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen van de Gelderse streken Kernkwaliteiten zijn de essenties van het landschap van de Gelderse streken; de te behouden kenmerken waarmee de deelgebieden zich van elkaar onderscheiden. Deze kernkwaliteiten vormen de basis van de ruimtelijke kwaliteit en bepalen de identiteit van Gelderland. Ze zijn gebaseerd op de ruimtelijke opbouw van het historisch gegroeide landschap met de karakteristieken van de bodem en het watersysteem, de ecologie, ontginningsgeschiedenis, cultuurhistorie en verstedelijking. De ontwikkeldoelen geven aan wat wordt beoogd met versterking van de kernkwaliteiten. Uitgangspunt is dat alle ruimtelijke ontwikkelingen bijdragen aan de versterking van de kernkwaliteiten van de Gelderse streken. In deze bijlage van de provinciale omgevingsverordening worden de kernkwaliteiten van de Gelderse streken geduid en voorzien van ontwikkeldoelen, geformuleerd op het schaalniveau van de provincie. Vanuit een provinciale abstractie zijn deze kernkwaliteiten geformuleerd. Binnen de formuleringen is interpretatieruimte. Het accent ligt op het buitengebied. Wij verwachten dat de gemeenten zelf de kwaliteiten van hun steden en dorpen beschrijven en daarmee rekening houden. Deze kernkwaliteiten worden in partnerschap verder uitgewerkt met de streken zelf.
Concreter en meer gelokaliseerd, aangevuld met preciezere ontwikkeldoelen en ontwerprichtlijnen. Samen te brengen in op te stellen kwaliteitsgidsen per streek. Deze streekgidsen maken geen deel uit van deze verordening, maar bieden inspiratie voor de toepassing van de in deze bijlage geformuleerde kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen in de dagelijkse praktijk. We onderscheiden 11 streken in Gelderland: (zie kaart) 1. Veluwe 2. Randmeerkust 3. Gelderse Vallei 4. IJsselvallei 5. Achterhoek 6. Liemers 7. Overbetuwe 8. Betuwe & Tielerwaard 9. Bommelerwaard 10. Land van Maas en Waal 11. Rijk van Nijmegen Deze streekindeling is gebaseerd op “Panorama Landschap” van de Rijksdienst van Cultureel Erfgoed (RCE), maar enigszins aangepast. De streek Overbetuwe is kleiner door de Liemers (w.o. Montferland) als aparte streek op te nemen en de Ooijpolder bij Nijmegen in te delen bij het ‘Rijk van Nijmegen’ ipv de Overbetuwe. De Veluwe hebben we begrensd op het Centraal Veluws Natuurgebied; dat is het natuurkerngebied; voornamelijk Gelders Natuurnetwerk met daarbinnen enkele kernen en agrarische enclaves.
De begrenzing van de streken is op provinciale schaal bepaald. Daarbij zijn waar mogelijk herkenbare grenzen gehanteerd, zoals de loop van rivieren. Dit betekent dat het in de praktijk kan voorkomen dat een locatie op de grens van twee streken meer kenmerken en kwaliteiten heeft van de streek die naastgelegen is dan die van de streek waar de locatie bij is ingedeeld. In die gevallen moeten de kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen die op die locatie het meest van toepassing zijn gehanteerd worden en kunnen bij aantasting van de kernkwaliteiten de bijdragen in de lijn liggen van de daarbij behorende aan de ontwikkeldoelen.
Bronnen: deze kernkwaliteiten en ontwikkeldoelen zijn gedestilleerd uit bestaande provinciale en andere documenten waarin deze Gelderse kwaliteiten en ontwikkeldoelen al staan beschreven, zoals de beschrijving van de kernkwaliteiten voor de nationale landschappen (2014), de streekplanuitwerking waardevolle landschappen (2005), het provinciale Landschapsboek (2004) en aangevuld met de kennis omtrent actuele ontwikkelingen (maart 2021).
10. Land van Maas en Waal Kernkwaliteiten
Ontwikkeldoelen
1
Landelijk rivierengebied, met voornamelijk agrarische cultuurlandschappen, gelegen tussen Waal en Maas. De Waal is dynamischer dan de Maas.
Ruimtelijke ontwikkelingen houden rekening met en dragen zo mogelijk bij aan de kernkwaliteiten van het Land van Maas en Waal. Ontwikkeling naar een duurzame landbouw versterkt het landschap. Dijkversterking met versterking van de ruimtelijke kwaliteit en de dijk als scenic route.
2
Rivierengebied met klassieke opbouw van rivier, brede en smalle uiterwaarden, dijktrajecten, oude rivierarmen, fijnmazige (hoger gelegen) oeverwallen en min of meer open (lager gelegen) komgronden. Landschap mede gevormd door continue strijd tegen het water en de klei-, zand- en grindwinning van de laatste decennia. Dorpspolderstructuren met (dwars)dijken, kaden, weteringen, sluizen etc.
Accentueren van de landschappelijke opbouw van het rivierengebied: rivieren met natuurrijke uiterwaarden, kleinschalige diversiteit op de oeverwal met veel historische waarden en een rivierkomlandschap met rationele verkaveling en grote maten.
3
Opmerkelijke structuur en reliëf van rivierduinen en beboste zandverstuivingen als lange lijn in het gebied, met een kleinschalige uitstraling en aanwezigheid van dorpen en buurtschappen. Inclusief Overasseltse en Hatertse Vennen.
Zoveel mogelijk het microreliëf respecteren. Terughoudendheid ten aanzien van ontgrondingen. In deze bijzondere structuur aanleiding zien voor verdere natuurontwikkeling en gepaste recreatieve ontsluiting.
4
Vrij uitzicht vanaf dijken over het binnendijkse landschap en over de rivieren.
Zichtlijnen behoeden voor verstorende elementen. De dijken ontwikkelen als lange doorgaande lijnen in het landschap.
5
Kenmerkend voor de Maas is het Maasheggenlandschap en de ‘bakenbomen’.
Herstel van bakenbomen en Maasheggen.
6
Karakteristieke, kleinschalige oeverwallen met rijke afwisseling van boomgaarden, gras- en bouwlanden, buurtschappen, dorpen, verspreide bebouwing.
Doorontwikkeling van de kleinschalige mix van wonen, werken, energietransitie en recreëren, passend verbonden met de dijken als lange doorgaande lijnen in het landschap.
Aanleg, herstel en beheer van groene landschapselementen. 7
Verstedelijking vooral op de oeverwallen met Beuningen en Wijchen als centrumplaatsen, sterk verbonden met het stedelijk gebied van Nijmegen. Tevens kleinschalige verstedelijking op de rivierduinen.
Voorkomen dat de meer verstedelijkte ontwikkelings-assen, verbonden met Nijmegen, door mogelijk conflicterende, ruimtelijke ontwikkelingen verrommelen, door adequaat te sturen op ruimtelijke kwaliteit en in te zetten op aantrekkelijke landschapsbouw.
8
Open kommen met weidebouw, rationaal verkaveld patroon van sloten en weteringen, wegbeplanting langs rechte wegen en enkele natte natuurgebieden. In contrast met kleinschaligheid van de oeverwallen en rivierduinen.
In de agrarisch komgebieden is de landbouw een belangrijke drager van de openheid en kunnen combinaties met klimaatadaptatie en natuurontwikkeling landschapsversterkend zijn. De gelede openheid zoveel mogelijk behouden.
9
Waardevol open gebieden Beuningse Veld: visueel open gebied tussen de stedelijke bebouwing van Beuningen, Nijmegen en Wijchen en in contrast tot de beboste rivierduin bij Hernen.
Behoud van de open weidsheid door zeer terughoudendheid te zijn ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen. Blijvend benutten voor grondgebonden en duurzame veehouderij, mogelijk in combinatie met klimaatadaptatie.
10
Ruilverkavelingen uit de wederopbouwperiode, met name in West Maas en Waal structuurbepalend, o.a. boerderijstraten in het buitengebied.
Landschappelijke erfgoedwaarden van oude ruilverkavelingen koesteren en behouden. Blijvend benutten voor grondgebonden en duurzame veehouderij. In combinatie met energietransitie en klimaatadaptatie, en versterking van de natte natuurgebieden. Openheid koesteren.
11
Ecologische waarden met name langs de rivieren en weteringen en in het vennengebied. Natura 2000 waarden in Rijntakken en Beuningen.
Intensief inzetten op het verder aanleggen van ecologische verbindingszones (o.a. in het kommengebied). Beschermen Natura 2000 waarden. In de uiterwaarden is, naast de functie voor de doorstroming van het rivierwater, natuur- en landschapsontwikkeling van belang, evenals benutting als recreatief uitloopgebied voor de steden en dorpen en voor klimaatadaptatie.