2. Notitie Beleidshuis Bouwen West Maas en Waal
Tekst van het document
Notitie Beleidshuis Bouwen in Gemeente West Maas en Waal 1. Inleiding 1.1.
Het nieuwe wetssysteem
Op 1 januari 2024 trad de Omgevingswet in werking. Deze wet verving 26 wetten die ieder een deel van de fysieke leefomgeving regelden. Onderwerpen zoals bouwen, milieu, cultureel erfgoed, natuur en ruimtelijke ordening hadden eigen wetten, maar vallen nu onder het wetssysteem van de Omgevingswet. Daarbij zijn de regels voor deze thema’s anders geordend. Niet langer staat alles per thema bij elkaar, zoals in het verleden het geval was. De Omgevingswet stelt regels aan de hand van ‘instrumenten’ (omgevingsvisie, omgevingsplan, omgevingsvergunning e.d.) en geeft – indien nodig – daarbij regels voor bepaalde thema’s. Een thema, bijvoorbeeld erfgoed, kan dus op meerdere plekken in de wet relevante regels hebben. De Omgevingswet is uitgewerkt in 4 Algemene Maatregelen van Bestuur (AMvB), waarvan alleen het Besluit bouwwerken leefomgeving, Bbl, ziet op een specifiek thema, namelijk bouwen. Deze regels gelden voor iedereen. De overige maatregelen van bestuur zien niet op een specifiek thema. Het Besluit activiteiten leefomgeving, Bal, geeft regels voor activiteiten. Onder activiteiten vallen alle menselijke handelingen die van invloed zijn op de leefomgeving. Ook deze regels gelden voor iedereen. De twee andere maatregelen van bestuur richten zich niet tot iedereen, maar alleen tot de overheid.
Zij bevatten regels met kwaliteitseisen voor het besluiten over de fysieke leefomgeving (Besluit kwaliteit leefomgeving) en over bevoegdheden, procedures e.d. (Omgevingsbesluit). Tenslotte is er een ministeriële regeling, de Omgevingsregeling, die onderwerpen uit de maatregelen van bestuur verder in detail uitwerkt.1 Van een gemeente wordt verwacht om de gemeentelijke regels ook bij elkaar te brengen en te ordenen. Gemeenten waren ook gewend om onderwerpen thematisch of sectoraal te regelen. De bedoeling is om veel meer gebiedsgericht te gaan regelen. Iedere gemeente moet daarvoor één omgevingsplan vaststellen. Inhoudelijk bevat dat een evenwichtige toedeling van functies aan locaties. Dat is de verzamelnaam voor alle regels die samen voor de hele gemeente bepalen wat op een bepaalde plek wel of niet kan. Bestemmingen die voorheen in een bestemmingsplan het grondgebruik regelden of aanwijzingen van monumenten, aanwijzingen van ligplaatsen van woonboten, aanwijzingen van natuurgebieden e.d. krijgen hierin een plaats en worden functies 1 De keuze om een regel in de wet, een AMvB of een ministeriële regeling op te nemen, was een praktische. Dat hangt
samen met de snelheid waarmee een regel kan worden veranderd. Een ministeriële regeling aanpassen gaat veel sneller dan een wet aapassen, maar dat heeft ook minder democratische waarborgen.
genoemd. Ook kan het omgevingsplan, als de gemeenteraad dat nodig vindt, regels voor activiteiten bevatten. Die regels kunnen gelden voor de hele gemeente, voor een deelgebied, voor enkele percelen, voor een perceel of zelfs voor een punt (bijvoorbeeld een te beschermen boom). Zo specifiek regelen is mogelijk, omdat een omgevingsplan een digitaal plan is, waarbij regels gekoppeld worden aan gebiedscoördinaten. Dit maakt maatwerk mogelijk. Naast het omgevingsplan mogen geen gemeentelijke verordeningen meer gelden met regels voor de fysieke leefomgeving. Hoe vrij de gemeenteraad is om functies toe te delen en regels voor activiteiten te stellen, hangt af van de bovengenoemde AMvB’s en van de provinciale omgevingsverordening. Die kunnen instructieregels bevatten die de gemeente in acht moet nemen. Gemeenten krijgen tot 1 januari 2032 de tijd om een omgevingsplan vast te stellen. Om de tussenliggende tijd te overbruggen beschikt iedere gemeente sinds 1 januari 2024 automatisch over een tijdelijk omgevingsplan. Dat bestaat uit de toen geldende gemeentelijke regels (bestemmingsplannen, beheersverordeningen en een aantal andere verordeningen) en een aantal rijksregels (‘de bruidsschat’). Bij het vaststellen van het nieuwe omgevingsplan mag de gemeenteraad voor de bruidsschat zelf bepalen of deze regels worden gehandhaafd, veranderd of kunnen vervallen.
Voor de bestaande gemeentelijke regels geldt hetzelfde. Daarnaast zijn er nieuwe thema’s zoals duurzaamheid en gezondheid, waarvoor misschien nieuwe regels nodig zijn. Het opstellen van een omgevingsplan is een flinke verandering, waarbij iedereen nog zoekende is naar de beste aanpak. Ook de digitalisering die daarbij verplicht is gesteld, is een uitdaging. Bovendien is locatiegericht regels stellen moeilijk als er geen locatiegericht beleid is. Meestal is er niet. Overheden hebben vooral veel thematisch of sectoraal beleid gemaakt. Daarom verplicht de omgevingswet gemeenten om uiterlijk per 1 januari 2027 te beschikken over een door de gemeenteraad vastgestelde en gepubliceerde omgevingsvisie. Daarin zijn de hoofdlijnen van de kwaliteit van de gemeente, de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het gemeentelijk grondgebied opgenomen, maar ook de hoofdzaken van het integrale beleid. Bij integraal beleid zijn alle verschillende onderwerpen die spelen in de fysieke leefomgeving van een gebied onderzocht en tegen elkaar afgewogen. Vervolgens zijn keuzes gemaakt en die bepalen wat de regels zijn voor locaties en activiteiten. Een integrale benadering is nodig, omdat uit allerlei onderzoeken blijkt dat de sectorale, thematische benadering van voorheen leidt tot problemen bij de uitvoering.2 1.2.
De geest van de wet.
De wet en het gedachtengoed erachter dagen uit om orde te scheppen in de besluitvorming over de leefomgeving. Er zijn 4 verbeterdoelen: 1. Duidelijk, voorspelbaar, inzichtelijk en gemakkelijk omgevingsrecht met voor de overheid kerninstrumenten die samen een beleidscyclus vormen.
2
rapport van de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur (Rli) van 19 december 2023, ‘Uitvoering aan zet’, https://www.rli.nl/publicaties/2023/advies/de-uitvoering-aan-zet),
2. Een samenhangende benadering, waarbij de fysieke leefomgeving centraal staat en de kwaliteit daarvan in balans is met de maatschappelijke behoeften. 3. Het vergroten van de bestuurlijke afwegingsruimte bij decentrale overheden 4. Een versnelde en verbeterde besluitvorming De opgave om voor de hele gemeente nieuwe digitale regels te stellen dwingt tot drie dingen: 1. gaan werken met een samenhangende, integrale gebiedsgerichte benadering 2. werken aan minder en effectievere regels (doelgericht, uitvoerbaar en handhaafbaar).
Art. 1.3 Ow: Deze wet is met het oog op – duurzame ontwikkeling, – de bewoonbaarheid van het land en – de bescherming en verbetering van het leefmilieu gericht op het in onderlinge samenhang a. bereiken en in stand houden van een – veilige en gezonde fysieke leefomgeving – en een goede omgevingskwaliteit, – ook vanwege de intrinsieke waarde van de natuur,
Het nieuwe rechtssysteem schrijft voor dat alle en bestuursorganen in Nederland hun taken en b. het doelmatig beheren, gebruiken en ontwikkelen van de fysieke bevoegdheden uit de Omgevingswet uitoefenen leefomgeving ter vervulling van maatschappelijke behoeften.‘ ‘met het oog op de doelen van de wet’.3 Die doelen staan in artikel 1.3 Ow. Bij doelen kan o.a. gedacht worden aan bescherming/bevordering van de gezondheid, meer biodiversiteit, de energietransitie, voldoende woningen, omschakeling naar een circulaire economie en kringlooplandbouw en toegankelijkheid van iedereen van de openbare buitenruimte. De parlementaire stukken beschrijven dat overheden om doelen te halen, moeten werken met een beleidscyclus. Verder gaat de wet uit van: - vertrouwen tussen burgers en de overheid, over en weer en van overheden (rijk, provincies, gemeenten en waterschappen) in elkaar, - betere afstemming en samenwerking tussen die overheden, zodat er minder met regels voor elkaar hoeft te worden gewerkt en samen doelen afgesproken en gehaald worden, - vroegtijdige burgerparticipatie bij de voorbereiding van besluiten, waarvoor participatiebeleid moet worden vastgesteld. Er wordt meer verantwoordelijkheid van de mensen in de samenleving verwacht: de overheid kan de zorg voor de leefomgeving niet alleen dragen.
Ook daarom moet voor iedereen duidelijk zijn wat de te behalen doelen zijn en dus wat de gewenste kwaliteiten van de fysieke leefomgeving is, zodat iedereen daaraan bijdragen (‘ruimte voor initiatief, waarborg voor kwaliteit’). Bij kwaliteiten kan gedacht worden aan milieukwaliteiten (lucht, water, bodem, geluids- en andere hinder) en omgevingskwaliteiten (landschap, stedenbouwkundige kwaliteit, monumenten, cultuurhistorische waarden e.d.). We zijn in Nederland niet gewend om met beleidsdoelen te sturen. Gestuurd wordt vooral met regels. Dit heeft er in combinatie met andere oorzaken (capaciteitsgebrek, geld) toe geleid, dat bij 3
Art. 2.1 lid 1 Ow
de uitvoering vooral gewerkt wordt naar wat verplicht is. Veel energie is gaan zitten in het zoeken naar de marges, de minimale inspanning (Wat is verplicht? Waarop staat een sanctie?) en het opzoeken van ‘geitenpaadjes’. Dit belemmert het halen van doelen en veroorzaakt wantrouwen in de samenleving. Dat is niet langer gewenst. Het idee is, dat als beleidsdoelen bepalend zijn, regels geen doel op zichzelf meer zijn, maar een instrument. Regels zijn dan onderdeel van een praktische benadering en staan naast andere mogelijkheden om doelen te halen. Dit denken in een instrumentenmix is nieuw en gaat ervan uit, dat regels alleen worden gesteld als dat zinvol en effectief is voor het halen van de beleidsdoelen. Zijn er andere en betere middelen dan regels om doelen te halen, dan heeft dat de voorkeur.4 Dat betekent dat vraagstukken van uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid onderdeel uit moeten maken van de vraag of een regel gesteld moet/kan worden. De hoop van de wetgever is dat met de nadruk op sturen met doelen in combinatie met investeren in het terugwinnen van vertrouwen van burgers via vroegtijdige participatie de uitvoeringspraktijk verbetert en het aantal beroepsprocedures vermindert, zodat er sneller tot uitvoering van besluiten kan worden overgegaan. 1.3 Werken met een beleidscyclus.
Systeem en bedoeling van de Omgevingswet maken het noodzakelijk om het bestaande beleid en de manier van beleid maken onder de loep te leggen. Hét instrument daarvoor is de beleidscyclus.
Deze cyclus symboliseert het permanente proces gericht op het halen van beleidsdoelen. Daarbij staan niet de verplichte onderdelen centraal, maar het geheel. De cyclus bestaat uit 4 fasen: beleidsontwikkeling, beleidsdoorwerking, uitvoering en terugkoppeling. Als beleidsdoelen onvoldoende gehaald worden, is bijstelling nodig, ergens binnen het proces. Een beleidscyclus maakt zichtbaar en dus controleerbaar hoe doelen en kwaliteiten worden bepaald en gehaald. 4
Andere mogelijkheden om doelen en kwaliteiten te halen zijn bijvoorbeeld grondaan- en verkopen, subsidieverlening, educatie en voorlichting, het sluiten van overeenkomsten, afspraken maken en stimuleren van burgerinitiatieven e.d..
Een gemeente kan zelf kiezen waar de cyclus begint. Het ligt voor de hand om te beginnen bij het op orde krijgen van het beleid (beleidsontwikkeling). Dat neemt niet weg dat een begin ook gemaakt zou kunnen worden met het op orde krijgen van de regels (uitvoering, omgevingsplan) of met monitoring en evaluatie van wat er is. Een gemeente bepaalt zelf wat het beste past. Bewaken dat met een beleidscyclus wordt gewerkt is een gezamenlijke opdracht voor de ambtelijke organisatie, het college van B&W en de gemeenteraad. De eindverantwoordelijkheid ligt bij de gemeenteraad. De beleidscyclus zijn lokale vorm geven -het ‘beleidshuis bouwen’ - heeft inhoudelijke, politieke en organisatorische consequenties. 1.4 De kerninstrumenten voor beleid Beleid is de systematische wijze waarop een organisatie of afdeling met een bepaalde zaak omgaat om een bepaald doel te bereiken. Bij de overheid gaat het dan om een vaste gedragslijn bij het toepassen van een bevoegdheid. Beleid maken kan verplicht zijn voorgeschreven door de wetgever, zoals bijvoorbeeld bij de omgevingsvisie en bepaalde omgevingsprogramma’s het geval is. Voor het overige is het gebaseerd op de algemene bevoegdheden van de Gemeentewet.
Beleid moet in ieder geval voldoen aan de eisen van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur (zoals bijvoorbeeld het gelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel e.d.). De Omgevingswet kent voor beleid twee kerninstrumenten: de omgevingsvisie en het omgevingsprogramma. 1. Art. 3.2 Ow: de Omgevingsvisie bevat mede voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden van de Ow: a. een beschrijving van de hoofdlijnen van de kwaliteit van de fysieke leefomgeving, b. de hoofdlijnen van de voorgenomen ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming en het behoud van het grondgebied van de gemeente, c. de hoofdzaken van het voor de fysieke leefomgeving te voeren integrale beleid. 2. Art. 3.5 Ow: een (omgevings)programma: bevat, mede voor de uitoefening van de taken en bevoegdheden van de Ow, voor een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving: a. een uitwerking van het te voeren beleid voor de ontwikkeling, het gebruik, het beheer, de bescherming of het behoud daarvan, b. maatregelen om aan een of meer omgevingswaarden te voldoen of een of meer andere doelstellingen voor de fysieke leefomgeving te bereiken.
Het integrale beleid van de omgevingsvisie is het resultaat van onderzoek naar de verschillende relevante onderwerpen, een afwegingen van de verschillende perspectieven en belangen en de keuze waarvoor taken en bevoegdheden zullen worden ingezet. De omgevingsvisie hoeft geen langetermijnbeleid te bevatten, al wordt daar vaak wel voor gekozen. Omgevingsprogramma’s bevatten een uitwerking van het beleid uit de omgevingsvisie. Dit kan betrekking hebben op:
-
alle taken en bevoegdheden uit de wet of op ontwikkeling, gebruik, beheer en/of bescherming van een of meer onderdelen van de fysieke leefomgeving (sectoraal, multisectoraal beleid) - of op één of meer gebieden betrekking hebben (gebiedsgericht, integraal beleid). Een programma is dus een thematische of gebiedsgerichte beleidsuitwerking of een combinatie daarvan. Het beschrijft ook de maatregelen wat er, wanneer en hoe wordt aangepakt door het college. Die kan hierbij eigen bevoegdheden inzetten, maar ook beschrijven hoe het anderen (bijvoorbeeld het waterschap, burgers, bedrijven) wil stimuleren inzet te leveren.5 Een omgevingsprogramma bevat dus de instrumentenmix die ingezet wordt voor het betreffende thema of gebied. In beleidsdocumenten kunnen beleidsregels worden opgenomen. Een beleidsregel is volgens artikel 1.3 Awb een bij besluit vastgestelde algemene regel, die geen voor iedereen verbindend voorschrift inhoudt over: o de afweging van belangen, o de vaststelling van feiten of o de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan. Beleidsregels kunnen worden vastgesteld voor een eigen of gedelegeerde bevoegdheid of als de wet dit toestaat.6 Voor de motivering van een besluit mag verwezen worden naar een vaste gedragslijn voor zover deze is neergelegd in een beleidsregel7.
Bij de bekendmaking van de beleidsregel moet de bevoegdheid waarvoor de regel geldt worden genoemd.8 Een heel belangrijk verschil met een gewone regel, bijvoorbeeld uit een omgevingsplan of wet is, dat bij een beleidsregel alleen sprake is van zelfbinding: het bestuursorgaan handelt overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor een of meer belanghebbenden gevolgen zou hebben die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen9. Deze zelfbinding heeft een praktisch voordeel. De motiveringsplicht bij besluiten wordt daardoor omgedraaid: handelen volgens de beleidsregel kan gemotiveerd worden met een verwijzing naar de beleidsregel. Afwijken van de beleidsregel vraagt daarentegen om een zware motivering waarom dat nodig is. Beleidsregels vragen hierdoor ook om de politieke wil om ergens echt voor te gaan. Voor het halen van doelen is controle nodig. De beleidscyclus bevat daarvoor de kerninstrumenten monitoring (permanent meten) en evaluatie (periodiek meten). Op basis van de gegevens hieruit kan worden bijgestuurd. De Omgevingswet bevat regels voor monitoring. Evaluatie moet naar eigen inzichten worden georganiseerd. 2. Rollen en bevoegdheden
5 https://iplo.nl/regelgeving/instrumenten/programma/vrijwillige-en-onverplichte-programma-s/ Deze webpagina geeft
een overzicht van wat in het omgevingsprogramma kan worden opgenomen. 6 Art. 4:81 Awb 7 Art. 4:82 Awb 8 Art.4: 83 Awb 9 Art. 4:84 Awb
2.1 Beleidshuis bouwen De omgevingsvisie wordt vastgesteld door de gemeenteraad. De thematische en gebiedsgerichte uitwerking wordt gedaan door het college van burgemeester en wethouders. Veel raadsleden in Nederland vrezen dat zij betrokkenheid en inbreng verliezen, nu de gemeenteraad niet meer bevoegd gezag is voor het vaststellen van programma’s. Er zijn verschillende manieren om dit gevoel weg te nemen: - Via het bewaken van de beleidscyclus. De gemeenteraad zorgt ervoor dat wordt gewerkt met een beleidscyclus. Praktisch gezien komt dat neer op het maken van afspraken met het college waarvoor programma’s worden gemaakt en evaluatie/monitoring organiseren. - Via de vraag wat in de gemeente hoofdzaken zijn en wat uitwerking is. Oftewel: wat hoort thuis in de omgevingsvisie en hoe ‘uitgewerkt’ is dat al (gemeenteraad) en wat krijgt operationele uitwerking (college). - Via de instrumenten van de Gemeentewet voor de controlerende rol van de gemeenteraad. Door evalueren en monitoren te organiseren zijn raadsleden ook betrokken bij de onderdelen van de beleidscyclus, waarvoor zij geen bevoegd gezag zijn. Hierover kan al in het kader van de vaststelling en actualisering van de omgevingsvisie nagedacht worden (doelen zodanig formuleren dat zij te evalueren zijn). De Rekenkamer kan hierover advies uitbrengen (beleidsevaluatie ex ante).
Voor het organiseren van monitoring kan de gemeenteraad in het omgevingsplan een regeling opnemen op basis van hoofdstuk 20 van de Omgevingswet. - Via afspraken met het college hoe de gemeenteraad betrokken wordt bij de voorbereiding van het operationele beleid. Dit zijn informele en politieke afspraken. Geen bevoegd gezag zijn betekent immers voor een gemeenteraad niet hetzelfde als er niet over gaan. De juridische bevoegdheid en de politieke sturing kunnen elkaar aanvullen. Het is daarvoor wel nodig dat op voorhand wordt afgesproken tussen college en gemeenteraad hoe zij hun onderlinge verhouding vormgeven. De griffie kan dit op te pakken. - Via de uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie, waarin de afspraken van raad en college over de uitvoering van het omgevingsvisiebeleid zijn opgenomen. Het vaststellen een omgevingsvisie is een verplichting voor de gemeenteraad. De gemeenteraad stelt ook het omgevingsplan vast. Het wijzigen van onderdelen van het omgevingsplan mag de gemeenteraad delegeren aan het college. Beide instrumenten kunnen op ieder moment geactualiseerd worden: er is geen wettelijke geldingsduur aan gekoppeld. Het college van B&W kan vooruitlopen op een wijziging van het omgevingsplan met een omgevingsvergunning buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa).
De gemeenteraad kan participatie door de aanvrager hierbij verplicht stellen en een bindend raadsadvies voorschrijven. In 2023 is voor de eerste maal vastgelegd hoe de gemeenteraad hiermee om wil gaan. De beleidscyclus kan ertoe leiden dat dit wordt aangepast. Het college is bevoegd om een (omgevings)programma vast te stellen. Verplicht is dat alleen als de gemeenteraad in het omgevingsplan omgevingswaarden of andere doelen heeft opgenomen, die niet gehaald worden of dreigen niet gehaald te worden. Daarnaast zijn bepaalde gemeenten verplicht zijn om vanwege een bepaalde problematiek (o.a. geluid) een omgevingsprogramma op te
stellen. Dit geldt niet voor gemeente West Maas en Waal. Verder is er wetgeving in voorbereiding die een warmteprogramma en een volkshuisvestingsprogramma verplicht stelt. Voor het overige bepaalt het college zelf welke beleidsuitwerkingen nodig zijn. De gemeenteraad kan hierop bijsturen via de algemene politieke middelen uit de Gemeentewet (verantwoording afleggen, ter beschikking stellen van middelen e.d.). Gelet op bovenstaande verwevenheid van rollen lijkt het logisch dat de gemeenteraad betrokken wordt bij de keuze waarvoor het college programma’s gaat maken. Niet juridisch bevoegd wil immers niet zeggen, dat een gemeenteraad er niet over gaat. Die keuze kan bovendien worden vastgelegd in de uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie. Tenslotte moeten alle kerninstrumenten worden voorbereid met inachtneming van het participatiebeleid van de gemeenteraad. 2.2 Beleidsevaluatie organiseren Werken met een beleidscyclus moet georganiseerd worden. Sturen op beleidsdoelen veronderstelt periodiek controleren of doelen gehaald worden. Dat kan door monitoren en evalueren. Dit gaat niet vanzelf, maar moet gezamenlijk worden opgepakt door het college, de gemeenteraad en de ambtelijke organisatie. Om te kunnen controleren moet helder zijn wat beleidsregels zijn en wat maatregelen. Kunnen controleren begint dus al bij het formuleren van het beleid.
Later volgt het onderzoek en de daadwerkelijke controle en op basis daarvan de terugkoppeling en bijstelling binnen de beleidscyclus (tussentijdse evaluatie of evaluatie aan het einde van een termijn). Bijstelling kan aanpassing van de beleidsdoelen inhouden of van de omgevingswaarden, regels, vergunningverlening of handhaving. In de huidige praktijk wordt het halen van beleidsdoelen niet of nauwelijks getoetst. Dat is ook bijna niet mogelijk, omdat overheden veel te veel aparte beleidsdocumenten hebben vastgesteld. Gemeenten werken wel met een begrotingscyclus, maar niet met een beleidscyclus. Afgezet tegen de Omgevingswet betekent dit, dat als er niet wordt of kan worden gecontroleerd, er geen sprake is van een beleidscyclus. In het plaatje hiernaast is dat weergegeven. Werken met een beleidscyclus betekent dus een (cultuur)verandering voor de gemeenteraad en de griffie, maar ook voor het college en de ambtelijke organisatie. Er hoort ook een bepaalde sfeer bij. In een afrekencultuur zal het animo om verantwoording af te leggen en op doelen terug te koppelen
en ergens bij te stellen niet groot zijn. Er is dus een cultuur nodig van ‘learning by doing’. Daarbij worden lessen getrokken uit ervaringen, die tot verbetering leiden. Praktisch gezien is het ook nodig om binnen de ambtelijke organisatie een team verantwoordelijk te maken voor het werken met de beleidscyclus en de omslag van sectoraal benaderen naar gebiedsgericht, integraal benaderen. Dit team bekijkt dan steeds of nieuw beleid aanleiding is om de omgevingsvisie aan te passen, een programma te maken of bij te stellen of dat beide kerninstrumenten moeten worden ingezet. Ook kan dit team aan de hand hiervan bepalen of een bijstelling van het omgevingsplan nodig is. In het vervolg van deze notitie wordt dit team de ‘beleidskamer’ genoemd. Interessant is dat de Raad voor de Leefomgeving en Infrastructuur voor het rijksbeleid aanbeveelt om beleid en uitvoering even belangrijk te vinden.10 De Raad hanteert daarom geen beleidscyclus als denkmodel, maar een gekantelde acht. De Raad stelt een aanpak voor die aansluit bij de Omgevingswet: ‘maak een verhaal voor een gebied en stel op basis daarvan een gedeelde agenda op.’11 De Raad geeft daarbij aan dat het omgevingsprogramma bij uitstek geschikt is als schakel tussen beleid en uitvoering. Dit sluit aan bij het ‘beleidshuis bouwen’. Ook de overige analyses en aanbevelingen zijn relevant voor provincies en gemeenten.
3. Opbouw van beleidsdocumenten Zowel de omgevingsvisie als een omgevingsprogramma dienen volgens de parlementaire stukken te worden opgebouwd met: - een waardeoordeel over de bestaande situatie/problematiek, - een beschrijving van de ambities en doelen voor de fysieke leefomgeving of een aspect ervan - en tenslotte een beschrijving van de aanpak om die doelen te bereiken (beleidsregels, maatregelen). Een omgevingsprogramma beschrijft bovendien de relatie met de omgevingsvisie en ander bestaand beleid. Als er aanvullend onderzoek is gedaan of andere informatie relevant is, staat dat er ook in. Een omgevingsvisie is naar zijn aard een verzameling beleidsregels: het bevat een belangenafweging en de hoofdzaken van integraal beleid. Bij de motivering van besluiten, zoals het wijzigen van een omgevingsplan of het verlenen van een omgevingsvergunning voor een buitenplanse omgevingsplanactiviteit (bopa) mag naar de omgevingsvisie worden verwezen. Dan 10 11
Rapport Uitvoering aan zet, december 2023. pag. 26
moet wel de tekst concreet genoeg zijn. Dat is echter met veel omgevingsvisies in de praktijk vaak een probleem: ze zijn te abstract of ‘te hoog over’ om als motivering te kunnen dienen. Een omgevingsprogramma voor een gebied kan deze kloof overbruggen. Denk bijvoorbeeld maar aan een programma voor een wijk, dorp, natuurgebied, bedrijventerrein. De omgevingsvisie en het omgevingsprogramma worden voorbereid op basis van het participatiebeleid van de gemeenteraad. Het raadsbesluit respectievelijk het collegebesluit tot vaststelling ervan bevatten daarom een beschrijving van de participatie, de uitkomsten en hoe daarmee in de omgevingsvisie of het programma rekening is gehouden.
4. Procedure Iedereen kan zienswijzen naar voren brengen over het ontwerp van de (actualisering van de) omgevingsvisie12. De gemeente doet mededeling van het ontwerp in het gemeenteblad.13 Bij programma’s is dat anders. Alleen voor de in de wet genoemde programma’s moet bij de voorbereiding de zienswijzeprocedure van afdeling 3.4 Awb worden doorlopen. Dat geldt dus alleen voor de verplichte programma’s en het niet verplichte rioleringsprogramma. Voor het overige bepaalt het college zelf welke voorbereiding passend is bij het ontwerpprogramma. Er is geen bezwaar of beroep mogelijk tegen een omgevingsvisie. Dat geldt ook bij een omgevingsprogramma, behalve als delen van het programma specifieke rechtsgevolgen hebben. Dat is het geval als het omgevingsplan geen regels geeft en een programma rechtstreeks toestemming geeft voor activiteiten. 5. Het beleidshuis van gemeente West Maas en Waal. 5.1 Een (cultuur)verandering Bijgaand plaatje geeft de huidige situatie weer. Naast de nieuw vastgestelde omgevingsvisie gelden allerlei andere beleidsdocumenten met verschillende namen.
Per 1 januari a.s. Tijdelijk omgevingsplan Woonzorgvisie Erfgoedvisie
Visie Buitengebied Etc. etc. etc.
Strategisch vastgoedbeleid
Beleidsvisie toerisme en recreatie Duurzaamheidsagenda
Economische visie
Beleidskader huisvesting arbeidsmigranten
Structuurvisies Verkeers- en vervoersplan Milieubeleidsplan of Omgevingsvisie
12 13
Voor alle gebruikers levert dit een onoverzichtelijk en slecht werkbaar systeem op.
Kadernota Groen
Art. 16.23 Omgevingswet Art. 10.7a Omgevingsbesluit
gebruiker
Inhoudelijk betekent dit dat de keuze welke functies en activiteiten er op een locatie mogelijk zijn feitelijk pas wordt gemaakt bij concrete vergunningaanvragen. Dan komen al die beleidsdocumenten immers bij elkaar uit.
Die keuze is dan ingewikkeld, onvoorspelbaar, politiek gevoelig en daardoor spannend en vatbaar voor juridische geschillen. Bovendien staan hierbij voor mensen de eigen belangen voorop. De bedoeling van de wetgever is in het plaatje hieronder weergegeven. De bedoeling is o.a dat beleidsdocumenten met andere namen, die niet op de Omgevingswet zijn gebaseerd, zoveel mogelijk worden vermeden.
Bedoeling
Concreet maken met vroege participatie!!!
Omgevingsplan + AMvB’s
Liefst geen ‘buitenwettelijk beleid meer!
!!!
Omgevingsvisie hele gemeente Thematische omgevingsprogramma’s met maatregelen
gebruiker
Van belang is dat de gemeenteraad en het college samen de beleidscyclus invullen en daarbij voorkomen dat er opnieuw een stapeling van thematisch beleid ontstaat (‘beleidshuis bouwen’). Beleid met allerlei benamingen waarvan niet duidelijk is of dit op de Omgevingswet gebaseerd is (‘buitenwettelijk beleid’) moet zoveel mogelijk vermeden worden.
Uit de omgevingsvisie blijkt of bepaalde thema’s uitwerking nodig Integrale hebben, bijvoorbeeld gebiedsprogramma’s gezondheidsbevordering, biodiversiteitsverlies, energietransitie of woningbouw. Bezien moet worden of hiervoor thematische (sectorale of multisectorale) omgevingsprogramma’s worden vastgesteld of dat dit alsnog in de omgevingsvisie komt te staan. De kerninstrumenten omgevingsvisie, omgevingsprogramma en omgevingsplan geven samen richting aan de besluiten over initiatieven (bopa’s), over toezicht/handhaving of aan het sluiten van overeenkomsten en andere ‘instrumenten’, zoals grondbeleidsinstrumenten, subsidies e.d.
Hiernaast is dit in beeld gebracht. De oranje blokken geven de gebiedsgerichte documenten aan. Blauw is sectoraal thematisch beleid. De pijlen gaan twee kanten op, omdat de documenten elkaar onderling beïnvloeden. Aanpassing van een omgevingsvisie kan bijvoorbeeld nodig zijn door inzichten die ontstaan zijn bij het maken van een programma. Een omgevingsprogramma voor een gebied kan vanwege het beleid uit een thematisch omgevingsprogramma moeten worden aangepast. Het omgevingsplan bevat de juridische vertaling ervan. Samen is dit het toetsingskader bij initiatieven en andere besluiten. Waar de pijlen één kant op wijzen is een toetsingskader weergegeven. In de beleidsdocumenten kunnen beleidsregels staan. Zij bepalen mede de omvang van de motiveringsplicht. Zij kunnen ook ingezet worden als het omgevingsplan algemene regels, open normen en zorgplichten bevat en sturen op de uitvoering zoals bijvoorbeeld grondbeleid, stedelijke herverkaveling e.d. De accolade geeft aan dat de beleidsdocumenten juridisch vertaald moeten worden in functies en regels voor activiteiten in het omgevingsplan. Het is mogelijk om ook daarbij te werken met een koppeling van regels aan beleidsregels. Dat was voor 1 januari bij bestemmingsplannen ook al mogelijk.
De uitkomsten van participatie bij een gebiedsgericht omgevingsprogramma en dat programma zelf zijn de uitgangspunten voor de participatie bij het omgevingsplan en bij de beoordeling van initiatieven. Vanuit het omgevingsplan gaat de pijl naar beneden twee kanten op: het omgevingsplan is het juridische toetsingskader voor initiatieven, maar er kan ook van afgeweken worden (bopa). Daarom moet het omgevingsplan later worden aangepast (in ieder geval binnen 5 jaar). Ook uit toezicht en handhaving kan blijken dat aanscherping of verandering van de regels nodig is. Tenslotte kunnen externen – bijvoorbeeld een provincie, waterschap, bedrijf of burgerinitiatief - verzoeken om het omgevingsplan te wijzigen. Bovenaan het schema hangt een gele wolk. Dit betreft beleid dat relevant is voor het fysieke domein, maar ook voor andere domeinen. Zoals bijvoorbeeld beleid voor gezondheidsbevordering, de transitie naar de circulaire economie of een toekomstvisie. Dit werkt ook door naar beleid in het sociaal domein of in financieel of economisch beleid. Via opname in de omgevingsvisie vindt dit zijn weg door het systeem van de Omgevingswet. Dit heeft de naam ‘strategie’ gekregen.
Werken met dit denkmodel als werkwijze/strategie heeft een aantal voordelen: - Gebiedsgerichte programma’s maken het mogelijk om samen met de gebruikers van een gebied te bepalen welke kwaliteiten van dat gebied moeten worden behouden en waar verbeteringen voor het leefmilieu mogelijk zijn. Initiatieven die concreet zijn of nog sluimeren kunnen daarbij op elkaar worden afgestemd. Dilemma’s en opdrachten waarmee de gemeente te maken kunnen meegenomen worden. Ook kan er kennis over en weer gedeeld worden. Dit levert betrokkenheid van de gebruikers op en voorspelbaar en inzichtelijk overheidshandelen. Dat draagt bij aan realistische verwachtingen bij burgers en bedrijven (beleidscyclus, omslag naar integrale benadering). - Bij een gebiedsprogramma kunnen doelen vanuit het sociaal domein en voor het beheer van de openbare ruimte meegenomen worden (maatschappelijk doel Ow en integratie sociaal beleid). - Op deze manier kan ook gewerkt worden aan draagvlak voor toekomstige veranderingen en initiatieven, meer vertrouwen en hopelijk als gevolg daarvan minder geschillen (verbeterdoel Ow). - Het kan gewenste initiatieven uitlokken (uitnodigingsplanologie). - Het is een kans voor de gemeenteraad om regelmatig de eigen rol te herijken op het moment dat er een verandering is. Bijvoorbeeld: minder vaak bindend advies in een gebied waarvoor een omgevingsprogramma is vastgesteld.
De gemeenteraad kan met dit model dus loslaten en opschuiven naar hoofdlijnen zonder grip te verliezen (herijking dualisme). - Het is een kans voor de gemeenteraad om evalueren vorm te geven. Dat is goed voor de controlerende rol van de gemeenteraad en de lokale democratie. Daarvoor moeten de kerninstrumenten voor beleid en met name de omgevingsvisie wel ‘evalueerbaar’ zijn ingericht (versterken lokale democratie). - Participatie kan in dit model beter aansluiten bij de capaciteit van de gemeente en toch inspelen op de behoefte van mensen aan zekerheid over ontwikkelingen in de gebieden waar zij wonen en werken. Een gebied, zoals bijvoorbeeld een dorp, is een goed gespreksonderwerp dat concreet genoeg is, maar waarbij eigen belangen nog niet domineren. Het gebiedsprogramma is vervolgens uitgangspunt bij de participatie over initiatieven en grotendeels de motivering voor besluiten. De latere participatie bij het omgevingsplan of een bopa kan hierop worden afgestemd. De uitgangspunten liggen er immers (uitvoering participatiebeleid). - De onderzoeks- en motiveringslasten voor initiatiefnemers zijn minder. Zij moeten vooral aantonen hoe hun initiatieven een bijdrage leveren aan de gewenste kwaliteit van de doelen voor een gebied, zoals opgeschreven in de omgevingsvisie of het programma voor een gebied (verbeterdoel en maatschappelijk doel Ow).
- Minder tekst en minder documenten betekent minder werk voor iedereen (verbeterdoel Ow). - De aanpak is te koppelen aan gefaseerde totstandkoming van het nieuwe omgevingsplan (praktisch, capaciteit). - Met dit model wordt ook ingespeeld op de krappe arbeidsmarkt en de vele personeelswisselingen. Het geeft een kans om continuïteit bij het overheidshandelen te behouden als de mensen in de organisatie sneller wisselen. - Als gewerkt wordt met een standaardaanpak is digitalisering beter mogelijk, waardoor het beleid transparanter wordt (verbeterdoel).
5.2 Te zetten stappen Gemeente West Maas en Waal heeft een omgevingsvisie vastgesteld op 30 mei 2024. Daarmee is de wettelijke verplichting gehaald en is de gemeenteraad gestart met de beleidscyclus. Vanaf nu moet de omgevingsvisie actueel gehouden worden. De volgende stappen zijn: - bepalen hoe het omgevingsvisiebeleid wordt uitgewerkt - in beeld brengen welk bestaand beleid er geldt en hoe dat zich verhoudt tot het integrale beleid van de omgevingsvisie, - het beleid dat inmiddels in voorbereiding is of sinds 1 januari is vastgesteld in dit systeem inpassen. 5.3 Uitwerken van het omgevingsvisiebeleid Het beleidshuis bouwen is het omarmen van een werkwijze en het kiezen van een strategie. Het is ook een keuze voor sturen met een duidelijke sturingsfilosofie, die voor gebieden kan verschillen. - Er kunnen gebieden zijn waarbij omgevingsvisie en omgevingsplan samen al voldoende sturing geven. Bij andere gebieden is een verdere uitwerking in een gebiedsprogramma nodig. - Ook kan uitwerking nodig zijn voor specifieke thema’s, die vervolgens doorwerken naar het gebiedsbeleid. Zoals het toekomstige verplichte warmteprogramma of het volkshuisvestingsprogramma. Het beleidshuis maakt dat inzichtelijk. De keuze voor deze werkwijze/strategie kan worden neergelegd in de uitvoeringsparagraaf bij de omgevingsvisie.
Hierin staan dan ook de afspraken van de gemeenteraad met het college over de thema’s en gebieden waarvoor het college omgevingsprogramma’s zal gaan maken. Hoe en hoe vaak wordt geëvalueerd kan apart worden afgesproken. Bijvoorbeeld is denkbaar om de uitvoeringsparagraaf te evalueren na de verkiezingen door de nieuwe coalitie. Nu de omgevingsvisie is vastgesteld is het tijd om te bepalen waarvoor omgevingsprogramma’s nodig zijn. Dat moet zorgvuldig gebeuren. Een valkuil is om door te gaan zoals men altijd deed door te veel sectorale programma’s te blijven maken. Een andere valkuil is om programma’s te maken om het programma’s maken: dat is namelijk niet voor alle thema’s en niet voor alle gebieden nodig. Het is maatwerk. Inhoudelijk zal steeds moeten worden afgewogen wat het effect is van een beleidsdocument: is dit een aanpassing van de omgevingsvisie of een wijziging van het omgevingsplan. Of is hiervoor een apart omgevingsprogramma nodig, dan wel een aanpassing van het omgevingsplan. Of is het dit allemaal. Hoe de uitvoering van de omgevingsvisie wordt aangepakt, is dus een belangrijk vervolgonderwerp voor zowel de gemeenteraad, het college als de ambtelijke organisatie.
Een voorbeeld: Gemeente West Maas en Waal heeft in het verleden gewerkt met Dorpspaspoorten. Dit is al een gebiedsgerichte benadering. De stap naar dorpsprogramma’s is dan niet groot. Omdat de Omgevingswet als maatschappelijk doel een gezonde en veilige leefomgeving heeft, kunnen ook doelen uit het sociaal domein worden meegenomen. Het toekomstige warmteprogramma kan hierin uitgewerkt worden voor het betreffende dorp. Datzelfde geldt voor het toekomstige volkshuisvestingsprogramma. Bij de totstandkoming van programma’s kunnen de mensen uit het dorp betrokken worden. Deze gebiedsprogramma’s zijn vervolgens een goede basis voor het functies toedelen aan locaties met een omgevingsplan of een bopaomgevingsvergunning.
5.4 Organisatorische consequenties. De ambtelijke organisatie en de portefeuilleverdeling in colleges zijn van oudsher vooral sectoraal ingericht. Dat past slecht bij het integrale, gebiedsgerichte karakter van de Omgevingswet. Van belang is dus om te bewaken dat de nieuwe benadering ook organisatorisch wordt verankerd. Belangrijk is om vast te leggen, dat er volgens de werkwijze van het beleidshuis wordt gewerkt. Er is ‘commitment’ nodig van de gemeenteraad, het college, het MT en de ambtelijke organisatie. Er hoort het ‘zo doen wij dat hier’-gevoel bij. De uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie is een goede plaats om dit vast te leggen. Belangrijk is ook om het beheren van het beleidshuis goed onder te brengen in de organisatie. Een beleidscyclus/beleidshuis is er niet vanzelf en blijft ook niet vanzelf. Hierop moet gestuurd worden en er is bewaking en beheer nodig. Dat kan door een organisatieonderdeel in te richten die als beleidskamer functioneert. Hier komen alle voornemens voor nieuw beleid langs en wordt bepaald hoe het een plek krijgt in het beleidshuis. Dit organisatieonderdeel draagt er dus zorg voor dat de beleidscyclus ambtelijk ook daadwerkelijk van de grond komt, met evaluatie en monitoring en al. Hier wordt ook digitalisering en publicatie van beleidsdocumenten verzorgd, evenals de informatieverschaffing op de website van de gemeente.
De beleidskamer moet een link hebben met de griffie en de Rekenkamer om evaluatie vorm te kunnen geven. Bij de beleidskamer hoort secretariële en andere ondersteuning (digitalisering)e, evenals een zekere ambtelijke doorzettingskracht. Gewenst is dat er een rechtstreekse link ligt naar het MT en een goed contact met de griffie en de Rekenkamer. 5.5 Daadwerkelijk anders werken. Belangrijk is om afspraken te maken om ook daadwerkelijk anders te gaan werken dan voorheen. Dat betekent in de eerste plaats discipline op de vormgeving van beleidsdocumenten. Er zijn nog maar 3 typen van beleidsdocumenten en via hun namen is duidelijk waar het om gaat: het is óf een (domein overstijgende) strategie, óf een (wijziging van de) omgevingsvisie óf een omgevingsprogramma. Dat betekent bij uitbesteding dat externe bureaus verzocht worden om rekening te houden met deze manier van werken. Als de bereidheid daartoe er niet is, wordt aan de externe uitsluitend een analyse of een advies gevraagd. De ambtelijke organisatie verwerkt dat vervolgens zelf in het beleidshuis en in de kerninstrumenten. Dit heeft als voordeel dat het advies beter ‘verinnerlijkt’, maar het vraagt wel capaciteit. Op de tweede plaats is discipline op de inhoud nodig.
Veel wat in bestaande beleidsdocumenten staat is algemene informatie over de geschiedenis en identiteit van de gemeente of informatie over de status en bedoeling van het (buitenwettelijke) document. Deels is de informatie ook politiek van aard en daardoor een momentopname. - Op de website van de gemeente kan algemene informatie worden opgenomen over wat de drie typen van beleid inhouden, wat het voor burgers en bedrijven betekent als iets is aangeduid als een beleidsregel of een maatregel, wat de procedure is (zienswijzen en geen
Sleutelprojecten, Kernprojecten, Kaders, Agenda, Duurzaamheidsprojecten, Nieuwe projecten, Speerpunten, Global goals, Actiepunten, Fundamenten, Plusprojecten Spelregels…
-
bezwaar/beroep) en hoe men informatie krijgt over de vroegtijdige participatie daarbij. Deze informatie hoeft dan niet meer in ieder beleidsdocument afzonderlijk te staan. De status van het document en de juridische betekenis ervan zijn dan op voorhand duidelijk voor iedere gebruiker. De algemene informatie over de geschiedenis en identiteit van de gemeente hoort ook thuis op de gemeentelijke website. De politieke context hoort thuis in het raads- of B&W besluit. De beschrijving van de gekozen aanpak van participatie en de uitkomst daarbij, de reactie op zienswijzen e.d. horen ook thuis in het raads- of B&W besluit.
Op derde plaats is discipline op het taalgebruik en de opbouw nodig. Denken vanuit het perspectief van gebruikers - bedoeling van de Omgevingswet - betekent dat iedereen het moet kunnen snappen. Een vast format voor een beleidsdocument bestaat uit: - Aanleiding, probleemstelling - Wettelijke grondslag van de bevoegdheid die wordt ingezet. - Waardeoordeel over bestaande situatie (welke kwaliteiten moeten behouden blijven en wat moet verbeteren?) - Beschrijving doelen en ambities (omgevingsvisiebeleid) - Beleidsvisie (verdere uitwerking van de doelen en ambities naar thema of gebied, toelichtende tekst) - Beleidsregels (zelfbinding, omkering motiveringsplicht) - Maatregelen (wat gaat wie wanneer doen?). Daarmee is de juridische betekenis duidelijk. Omdat formuleringen allerlei ander formuleringen uit de huidige praktijk zijn vervangen door de termen beleidsregels en maatregelen, ontstaat helderheid Op de vierde plaats is investeren in integraal werken nodig. Dat is namelijk een verschuiving van onderhandelen met elkaar vanuit sectorale standpunten naar verbindend ontwerpen en verbindend onderhandelen ten behoeve van een integrale keuze en draagvlak. Dat zijn vaardigheden waarop getraind kan worden. 5. Samenvatting. a. Met de vaststelling van de omgevingsvisie heeft de gemeenteraad voldaan aan de eerste verplichting van de Omgevingswet.
Het actueel van de omgevingsvisie is een verantwoordelijkheid van de gemeenteraad. b. Met de omgevingsvisie is het startsein gegeven voor het werken met een beleidscyclus. Dat hiermee gewerkt wordt, is ook een verantwoordelijkheid van de gemeenteraad. Het is de invulling van de kader stellende en controlerende rol.
c. Een beleidscyclus ontstaat echter niet vanzelf: die moet worden georganiseerd. Daarna moet het beheerd worden, want het gaat om een permanent cyclisch proces. d. De gemeenteraad is verplicht om voor 1.1.2032 een omgevingsplan vast te stellen. Hierin worden functies toegekend aan locaties en regels gegeven voor activiteiten. Het toedelen van functies is lastig als er geen gebiedsgericht beleid is. Met de omgevingsvisie is er weliswaar gebiedsgericht beleid voor de gehele gemeente vastgesteld, maar het kan wenselijk zijn om dit verder uit te werken, hetzij naar thema (sectoraal) hetzij voor deelgebieden. e. Omdat de omgevingsvisie doorwerkt naar functietoedeling bij het nieuwe omgevingsplan en als toetsingskader voor buitenplanse omgevingsplanactiviteiten en andere concrete besluiten, is het van belang dit ook inhoudelijk vorm te geven. Dat is in deze notitie ‘beleidshuis bouwen’ genoemd. Hierbij worden afspraken gemaakt hoe met nieuw beleid wordt omgegaan, waarvoor programma’s gewenst zijn en hoe dit zal worden aangepakt. f.
Dit beleidshuis kan als werkwijze/strategie worden opgenomen in de uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie, waar ook de afspraken over programma’s en betrokkenheid van de gemeenteraad bij de voorbereiding hiervan een plek krijgen. Dit zorgt voor ‘commitment’ van de gemeenteraad, het college, het MT en de ambtelijke organisatie. Het brengt continuïteit en overzicht. Het behelst in feite de cultuuromslag naar samenhangend werken, die de wetgever heeft beoogd.
g. De uitvoeringsparagraaf van de omgevingsvisie bevat dan een beschrijving: i. Dat met het beleidshuis wordt gewerkt ter invulling van de beleidscyclus. ii. Voor welke gebieden de gemeenteraad het college adviseert/opdraagt om een omgevingsprogramma te maken. iii. Voor welke thema’s de gemeenteraad het college adviseert/opdraagt om een omgevingsprogramma te maken. iv. Werkafspraken tussen raad en college over de betrokkenheid van de gemeenteraad hierbij. Dit is dan de eerste actualisering van de omgevingsvisie of lift daarbij mee. h. Organisatorisch is een ambtelijk team nodig dat als ‘beleidskamer’ kan werken. Dit team bewaakt het werken met de beleidscyclus/het beleidshuis, zorgt voor publicatie van beleid en afstemming op de overige communicatie van de gemeente (website), bekijkt hoe nieuw beleid een plek moet krijgen in de kerninstrumenten en bewaakt de hierbij benodigde ‘discipline’ op inhoud, vormgeving, opbouw en taalgebruik. Er moet ook een zekere doorzettingsmacht zijn. Een link met het MT lijkt daarvoor wenselijk. Ook is samenwerking met de griffie nodig. i.
Bij het maken van een omgevingsplan moet worden meegenomen welke beleidsregels gelden bij algemene regels, open normen en zorgplichten en wat als omgevingswaarden wordt opgenomen. Als gewerkt wordt met omgevingswaarden en doelen in het omgevingsplan is monitoring nodig. Dit kan ook bij de beleidskamer ondergebracht worden.
Daarnaast wordt hier uitgewerkt hoe evaluatie plaatsvindt en wat daarvoor van college, gemeenteraad en ambtelijke organisatie nodig is. j.
Wellicht is training op de vereiste vaardigheden voor participatie en integraal werken nodig.
k. Voor nieuw beleid moeten formats worden ontwikkeld. Dat moet worden afgestemd op de vereisten van digitalisering. l.
Het onderdeel monitoren en evalueren van de beleidscyclus kan worden opgepakt door de griffie in samenwerking met de Rekenkamer en de ambtelijke beleidskamer. Hierbij staat in eerste instantie de vraag centraal hoe de omgevingsvisie ‘evalueerbaar’ gemaakt kan worden. Dit heet beleidsevaluatie ex ante. De komende jaren kunnen dan tussentijdse evaluaties plaatsvinden (liggen we nog op schema?) of eindevaluaties als beleidstermijnen zijn verstreken.
m. In de bestaande beleidsdocumenten staat veel informatie die beter op de gemeentelijke website zou kunnen worden opgenomen (‘geschiedenisboek’ en uitleg over het beleidshuis en de benamingen daarbij).
T. van der Schoot 29 oktober 2024.