18.1 Beleidsvisie Zon WMW
Tekst van het document
Beleidsvisie Zon
Gemeente West Maas en Waal
18 mei 2021
Colofon Uitgave: 18 mei 2021 Status: Definitief Vaststelling: Opdrachtgever: Gemeente West Maas en Waal
Opgesteld door:
Vestigingsadres Schoenaker 10, 6641 SZ Beuningen Telefoonnummer 024 - 675 23 56 Emailadres info@burowaalbrug.nl Website www.burowaalbrug.nl
0 Inhoudsopgave Inleiding
4
2.
Participatie
6
3.
Beleid
9
4.
Landschap als basis
11
5.
Belemmeringen en kansen
16
6.
Visie op zonne-energie
21
7.
Uitvoering
24
Bijlagen 1.
Infographic digitale enquête grootschalige energie
26
2.
Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering
28
3.
Selectieleidraad grootschalige zonne-energie
35
Definitief
1.
3
Definitief
Inleiding 1
4
Het klimaat verandert. Dit zien we mondiaal, maar zeker ook op nationaal en lokaal niveau. Denk aan zachtere winters, warme en droge zomers , extreme regenval, stijging van de zeespiegel en afname van ecologische waarden. Daarnaast wordt nog steeds teveel COշ uitgestoten en is het gebruik van fossiele energiebronnen eindig. De urgentie van de problemen maakt dat de energietransitie voortvarend opgepakt moet worden. De omschakeling van fossiele brandstoffen naar duurzame energiebronnen vindt landelijk onder meer plaats door de aanleg van grootschalige zonne- en windparken. Zon- en windprojecten zijn vanwege hun zichtbaarheid niet overal wenselijk, maar ook technische aspecten spelen een belangrijke rol in de locatiekeuze. Vanwege de impact op onze fysieke leefomgeving is het noodzakelijk een beleidsvisie op te stellen, die kaders biedt aan initiatieven en versnippering van het (waardevolle) landschap voorkomt. Deze visie bestaat uit een samenhangend afwegingskader, dat zowel de gemeente, bewoners als initiatiefnemer(s) inzicht geeft in de ruimtelijke haalbaarheid van ontwikkelingen op het vlak van grootschalige energieopwekking. Daarbij wordt in de gemeente West Maas en Waal vooralsnog enkel naar zonne-energie gekeken.
De Klimaatwet, die een doorvertaling is van het VN-Klimaatakkoord van Parijs, legt de ambitieuze COշ-doelstellingen van het Rijk vast, die moeten leiden tot een vrijwel fossielvrije economie in 2050. In 2030 moet de uitstoot van broeikasgassen al met 49 procent gedaald zijn ten opzichte van 1990. Kabinetten moeten elke vijf jaar een klimaatplan indienen waarin staat hoe ze dit willen behalen. De wijze waarop deze doelen vorm moeten krijgen, is vastgelegd in het Nationale Klimaatakkoord. De opwekking van grootschalige duurzame (hernieuwbare) energie levert hier een belangrijke bijdrage aan. De Gelderse ambities - zoals vastgelegd in het Gelders Energieakkoord (GEA) - gaan nog een stapje verder dan het rijksbeleid. De provincie Gelderland streeft naar 55% minder CO₂ -uitstoot in 2030 en wil in 2050 energieneutraal zijn. De gemeente West Maas en Waal heeft zich gecommitteerd aan het GEA. Voor de gemeente betekent dit dat er samen met de gemeenten uit de Regio Rivierenland aan de Regionale Energie Strategie (RES) Fruitdelta Rivierenland wordt gewerkt om als regio de doelstellingen te halen. Maatregelen als besparen, isoleren en zonnepanelen op kleine daken zijn daarbij belangrijk, maar de opgave is zo omvangrijk dat het onmogelijk is om enkel met deze kleinschalige productie energieneutraal te worden.
Ook grootschaligere productie van duurzame energie is nodig, in de vorm van zonneparken. Deze beleidsvisie geeft aan waar de gemeente de realisatie van zonneparken mogelijk
acht. Via randvoorwaarden en aandachtspunten wordt sturing gegeven aan initiatieven, om te komen tot kwalitatief hoogwaardige plannen, die op zorgvuldige wijze in het landschap zijn ingepast en waar de participatie van bewoners/omwonenden is geborgd. Dit beleidsdocument bepaalt niet alleen waar initiatieven mogelijk zijn en onder welke voorwaarden, het is tevens een inspiratiedocument en dient als uitnodiging om met elkaar in gesprek te gaan.
Reikwijdte
Deze beleidsvisie heeft enkel betrekking op de realisatie van grootschalige zonne-energie. Kleinere zonneparken voor eigen gebruik en/of met een maximum omvang van 2 ha vallen buiten de reikwijdte van deze visie. Voor dergelijke initiatieven vindt een separate beoordeling plaats, waarbij deze beleidsvisie als inspiratiebron kan worden gehanteerd (maatwerk). Een zonnepark van 2 ha wordt binnen provinciaal beleid gezien als kleinschalig. Bovendien past deze maat bij de kleinste landschappelijke ‘korrel’ en is een dergelijk zonnepark veelal op het lokale netwerk aan te sluiten. De omvang van een commercieel zonnepark is tegenwoordig minimaal 5 ha (en eerder richting 10 ha). In de gemeente West Maas en Waal wordt er vooralsnog voor gekozen geen grootschalige windenergie op te wekken. Ook doet deze visie ook geen uitspraak over kleinschalige windturbines. In het geldende bestemmingsplan Buitengebied zijn hiervoor per agrarisch bedrijf reeds regels opgenomen (maximaal 1 windturbine met een maximale hoogte gelijk aan de bedrijfsbebouwing) die uiteraard in stand blijven. Verder is ook zonnethermie geen onderdeel van dit beleid. Met zonnethermie wordt warmte opgewekt en geen elektriciteit. Dit is een ander vraagstuk, omdat hiervoor een warmtenet nodig is.
Mocht zonnethermie in beeld komen als warmteoplossing in de gemeente, dan kan het zonbeleid eventueel wel als basis dienen voor de te stellen voorwaarden aan het realiseren van zonnethermievelden. Deze beleidsvisie heeft een looptijd tot en met 2030, waarmee het gelijk oploopt met de RES. Om energieneutraal te zijn is een langere doorlooptijd nodig. De gemeente wil echter nu nog niet vooruitlopen op de mogelijkheden op lange termijn. Deze beleidsvisie is dan ook opgesteld op basis van de huidige inzichten en haalbare technieken. Het ligt in de lijn der verwachting dat deze technieken in
de toekomst beter worden en dat er technieken voor energieopwekking bijkomen. De gemeente zal dan ook met regelmaat de visie evalueren en zo nodig aanpassen om telkens aan te sluiten bij de nieuwste inzichten en mogelijkheden.
Doel
Op grond van het bovenstaande kan het doel van de onderhavige beleidsvisie als tweeledig worden omschreven: • De visie dient als afwegingskader voor nieuwe initiatieven voor de grootschalige opwekking van zonne-energie binnen de gemeente West Maas en Waal en geeft inzicht in de ruimtelijke haalbaarheid van deze initiatieven; • De visie levert input aan de RES Rivierenland.
Leeswijzer
Een zonnepark heeft een bruto en een netto oppervlak. Het bruto oppervlak omvat het gehele park, inclusief de landschappelijke inpassing rondom de panelen. Het netto oppervlak omvat alleen de panelen met daartussen de onderhoudspaden.
Definitief
In hoofdstuk 2 wordt het participatieproces dat aan de RES en aan deze beleidsvisie zon ten grondslag ligt, besproken. Hoofdstuk 3 kent een beknopte samenvatting van het huidig beleid op het gebied van energietransitie op zowel Rijks-, provinciaal, regionaal als gemeentelijk niveau. In hoofdstuk 4 worden de verschillende landschapstypen van West Maas en Waal geduid, omdat het landschap de basis vormt voor de wijze waarop de energietransitie wordt vormgegeven. Hoofdstuk 5 geeft inzicht in de belemmeringen en kansen die verbonden zijn met energietransitie. In hoofdstuk 6 wordt aan de hand van een visiekaart helder gemaakt hoeveel, waar en onder welke voorwaarden in de gemeente (grootschalige) zonne- energie mogelijk is. Hoofdstuk 7 tot slot bevat de uitvoeringsparagraaf.
netto oppervlak bruto oppervlak 5
Participatie 2 RES
Definitief
Om invulling te geven aan de nationale klimaatambities is Nederland opgedeeld in 30 zogenaamde RES-regio’s. De gemeente West Maas en Waal valt samen met zeven andere gemeenten binnen de RES-regio Fruitdelta Rivierenland. De landelijke doelstelling voor de RES is het realiseren van ten minste 35 TWh (126 PJ) aan hernieuwbare energie op land in 2030. In de RES 1.0 bedraagt het bod van de regio Fruitdelta Rivierenland 1,2 TWh duurzame elektriciteit in 2030, opgewekt met zon en wind. Voor de gemeente West Maas en Waal is dit doorvertaald in de opwek van 20 hectare zonne-energie. Het RES 1.0-bod is op 20 mei 2021 door de gemeenteraad vastgesteld. Richting 2023 wordt een RES 2.0, waarin nieuwe inzichten voor elektriciteit (en warmte) een plek krijgen, opgesteld. De voorliggende beleidsvisie zal mede als input dienen om dit bod vorm te kunnen geven.
6
Participatie
Burgerparticipatie is een belangrijk onderdeel van het proces om te komen tot een visie op de opwekking van (grootschalige) zonne-energie. Bij het opstellen van deze visie is geprobeerd om zoveel mogelijk inwoners van West Maas en Waal te laten meedenken, zodat de inhoud breed gedragen wordt. Inwoners zijn op de volgende manieren betrokken: • In het kader van de RES Rivierenland zijn de afgelopen periode diverse ruimteateliers georganiseerd. Het laatste RES-atelier was op 7 januari 2021; • In december 2020 is er (in samenwerking met onderzoeksbureau Marintel) een digitale enquête uitgezet. Om de enquête onder de aandacht te brengen zijn diverse communicatiekanalen van de gemeente gebruikt. Ook zijn 3.500 inwoners per post uitgenodigd om deel te nemen. In totaal hebben 487 respondenten gereageerd op de vragen over grootschalige zonne- en windenergie in de gemeente. Deze respons is voldoende om de resultaten van de enquête als representatief te beschouwen en mee te nemen in de visie. De resultaten worden op pagina 7 kort beschreven. Van de resultaten is tevens een infographic gemaakt. Deze is als bijlage 1 toegevoegd aan deze visie; • In december 2020 is in het kader van de totstandkoming van de Omgevingsvisie Buitengebied West Maas en Waal eveneens een digitale enquête aan inwoners en gebruikers van het buitengebied voorgelegd.
Deze enquête had tot doel om ambities, prioriteiten en meningen over zes
Zoekzones vanuit de RES
belangrijkste thema’s van het buitengebied, waaronder energietransitie, op te halen. Ook in dit verband hebben inwoners hun mening ten aanzien van de opwekking van duurzame energie kunnen geven. De gemeenteraad weegt uiteindelijk de input vanuit de samenleving. Waar er sprake is van tegenstrijdige signalen maakt de raad een keuze. De raad stelt daarbij het lange termijnbelang van West Maas en Waal voorop.
Ruimteatelier 7 januari 2021 / RES 1.0
Het lokale ruimte atelier op 7 januari 2021 was een zeer geslaagde bijeenkomst, met een hoge opkomst. De aanwezigen hebben gesproken over het aanscherpen van de kansrijke zoekgebieden uit de RES 1.0 en (on)mogelijkheden voor zonneparken en windturbines. Ondanks dat er mensen zijn die liever geen zonnevelden (en windturbines) in de gemeente willen, wordt de doelstelling om duurzame energie op te wekken breed gedragen. Deze steun is niet vrijblijvend. Een belangrijke voorwaarde is dat de
financiële opbrengsten zoveel mogelijk lokaal moeten landen. Dit kan direct bij inwoners, maar bijvoorbeeld ook door investeringen in voorzieningen zoals een sporthal of het dorpshuis, in het landschap en in recreatievoorzieningen. De opvattingen rondom de geschikte locatie en passende uitvoeringsvormen lopen uiteen. Waar de een gaat voor kleinschalig en onzichtbaar, ziet de ander mogelijkheden voor grotere projecten. Datzelfde geldt voor de kom als kansrijk gebied. Sommigen pleiten voor behoud van dit bijzondere landschap, anderen (waaronder ook de Rijksdienst voor het Cultureel Erfgoed (RCE)) zien juist kansen voor duurzame energie als een nieuwe laag in het wederopbouwgebied. Over de uitwerking van die nieuwe laag – langs de randen met behoud van het open middengebied of juist in het midden van de kom op voldoende afstand van de bebouwde oeverwallen – zijn de meningen verdeeld.
•
tien) of weten het niet (één op de twintig); Wat betreft zonne-energie is een overgrote meerderheid (81%) van mening dat openbare gebouwen moeten worden voorzien van zonnepanelen. Over zonneparken aan de rand van dorpen zijn de meningen verdeeld: 39% is het hier mee eens en 40% oneens. Over een zonnepark aan de rand van een natuur- of recreatiegebieden is men minder enthousiast: 30% is het hier mee eens en 53% is het hiermee oneens; 17% staat er neutraal in; Wat betreft voorwaarden die aan zonneparken moeten worden verbonden, vindt bijna driekwart van de inwoners dat geld uit duurzaam opgewekte energie (deels) moet terugvloeien naar de inwoners/de samenleving. Bijna de helft vindt het belangrijk dat inwoners mede-eigenaar zijn van duurzame energieprojecten, dat ze het buitengebied versterken en dat zonneparken aan de rand van een dorp enkel mogelijk zijn op initiatief van inwoners.
Zie ook de volledige infographic, die als bijlage 1 bij deze visie is gevoegd.
Definitief
Het advies vanuit het ruimteatelier is om te kijken naar slim dubbelgebruik, het gebruik van landbouwgronden te beperken en om zorgvuldige, integrale afwegingen te maken waarin landbouw, landschap, toerisme en erfgoed meegenomen moeten worden. Een goede fasering geeft ruimte om ontwikkelingen te spreiden in de tijd en biedt kansen om in te spelen op innovaties. Ook wordt gevraagd om goed te kijken naar ontwikkelingen in de aangrenzende buurgemeentes en -regio’s.
•
Digitale enquête grootschalige energie (december 2020)
In december 2020 is (in samenwerking met onderzoeksbureau Marintel) een digitale enquête uitgezet over (onder andere) grootschalige energieopwekking met zon en wind. De onderwerpen waarover mensen hun mening konden geven waren: het belang van de opwekking van duurzame energie, het gewicht van de voor- en nadelen van zonne- en windenergie, de mogelijke locaties en de randvoorwaarden. De resultaten kunnen als volgt worden samengevat: • Het merendeel van de respondenten (63%) ziet het belang van het opwekken van duurzame energie door middel van zonneparken en windmolens in de gemeente; • Ongeveer de helft van de mensen vindt dat de voordelen van zonneparken zwaarder wegen dan de nadelen of dat er een balans is tussen de twee. Gemiddeld een derde vindt dat de nadelen zwaarder wegen dan de voordelen. De overige mensen laten deze afweging liever aan experts over (één op de
Uitkomst van de digitale enquête grootschalige energie (december 2020)
7
8
Definitief
Beleid 3 Rijksniveau
Op 29 juni 2019 heeft het kabinet het Klimaatakkoord gepresenteerd. Het doel van de maatregelen uit het klimaatakkoord is een grootschalige reductie van de CO2-uitstoot ten opzichte van 1990: 49% in 2030 en 95% in 2050. Deze doeleinden vloeien voort uit de klimaatafspraken die de internationale gemeenschap in 2015 maakte in het VN-klimaatakkoord van Parijs en in Nederland officieel zijn vastgelegd in de Klimaatwet. Het Klimaatakkoord geeft inhoudelijk invulling aan de doelen uit de Klimaatwet.
Provinciaal niveau
Uit de tabel blijkt dat van het totale bod de gemeente West Maas en Waal 3,7% (0,049 TWh) voor haar rekening neemt. Concreet komt dit neer op 0 windturbines, 0,030 TWh zonnevelden en 0,018 TWh zon op dak. Hoewel windturbines geen onderdeel uitmaken van het bod van West Maas en Waal, wordt het komgebied van West Maas en Waal in de RES 1.0 wel als kansrijk gebied met status Verkennen 2030 aangemerkt. Dit betekent dat dit gebied goed scoort in de integrale afwegingen, maar dat de mogelijkheid op het moment van het opstellen van RES-bod 1.0 nog te onzeker was. Redenen hiervoor zijn dat het gemeentelijk beleid nog geen ruimte bood of omdat een aantal zaken nog moet worden uitgezocht. Zie hieronder:
Definitief
Op provinciaal niveau biedt de Omgevingsvisie Gelderland (2018) door middel van aanduidingen een kader waar grote zonneparken wel/onder voorwaarden/ niet zijn toegestaan. Daarnaast word in het Gelders Energie Akkoord (GEA) (2015) als doel gesteld om jaarlijks 1,5% aan energie te besparen; om in 2023 16% van het energieverbruik duurzaam op te wekken en om de emissie van broeikasgassen (CO2) in 2030 met 55% terug te dringen, ten opzichte van 1990. In 2050 moet Gelderland energieneutraal zijn.
Regionaal niveau
Op 1 juli 2021 is de Regionale energiestrategie (RES) 1.0 Fruitdelta Rivierenland door de stuurgroep aan het Nationaal Programma RES aangeboden. In deze RES 1.0 zijn de kansen en mogelijkheden op het gebied van zon en wind onderzocht. Uiteindelijk is voor de gehele regio een bod van 1,2 TWh gedaan, bestaande uit zon op dak (191 hectare), zonnevelden (249 hectare) en wind (49 turbines) in 2030. Zie navolgende tabel:
Gemeentelijk niveau
In juni 2019 is op gemeentelijk niveau de Koersnotitie Duurzaamheid en Energiebeleid vastgesteld. Daarin worden dezelfde doelen als in het GEA benoemd: per jaar 1,5% energiebesparing, in 2023 16% duurzame opwek, in 2030 55% CO2 reductie en in 2050 energieneutraal. Om deze ambities te realiseren, wordt ingezet op 3 sporen: 1) RES; 2) Transitievisie Warmte en 3) Duurzaamheidsprogramma. In de koersnotitie staat dat de gemeente West Maas en Waal zich in zet voor een actieve deelname aan het RES-proces en dat na de vaststelling van de RES de benodigde stappen zullen worden gezet om een bijdrage te leveren aan de regionale opgave. De uitkomsten van de RES zullen in gemeentelijk omgevingsbeleid worden opgenomen. Op dit moment werkt de gemeente aan een Omgevingsvisie voor het buitengebied waarin energietransitie één van de zes thema’s is waarvoor kaders worden geschapen. Deze beleidsvisie zon vormt een uitwerking van dit thema. 9
Ambities per gemeente
10
Definitief
Landschap als basis 4
Rivierenlandschap tussen Waal en Maas
West Maas en Waal heeft een bijzondere ligging tussen de Maas en de Waal. Het buitengebied van West Maas en Waal is voor een belangrijk deel gevormd door de invloed van de rivieren op het landschap. Deze invloed heeft geleid tot de herkenbare opdeling in drie deelgebieden: het komgebied, de oeverwallen en de uiterwaarden. De dorpen zijn (bijna) allemaal gepositioneerd langs de dijken in het oeverwallengebied. Er is een grote connectie met de rivieren, er zijn meerdere recreatiegebieden aan het water en er zijn diverse molens en gemalen. Dwars door de gemeente loopt de Grote Wetering, die Nijmegen met de Maas verbindt. Verder zijn de wegverbindingen met name oost-west of noord-
zuid georiënteerd en gaan de hoofdwegen 'buitenom' langs de rand van het komgebied. Het Land van Maas en Waal heeft een zeer groot komgebied dat niet wordt doorsneden door snelwegen of spoorlijnen. Hierdoor is het mogelijk vanaf de stroomrug van de Waal tot die van de Maas door de openheid te fietsen. Bij de ruilverkaveling is het zeer open landschap met opzet doorsneden met opgaand groen, door laanbomen langs de wegen te planten. Desondanks is sprake van een zeer weids landschap. De oeverwallen vormen een groot contrast met het komgebied en betreffen een kleinschaliger landschap met boomgaarden en dorpen.
Definitief
Verandering van ons landschap is van alle tijden. Er kan zelfs gezegd worden dat verandering de enige constante factor van ons landschap is. Samen voegen we steeds een nieuwe laag toe aan onze geschiedenis. De door de mens aangebrachte veranderingen hebben verschillende achtergronden, zoals militaire betekenis (linies, forten en innundatiegebieden), landbouwverbetering (ruilverkaveling), maar ook de vraag naar energie is hier al eeuwen een aanleiding voor. In de veengebieden werd turf gewonnen om vervolgens de ontstane meren met windenergie en later stoomgemalen droog te malen. Op de Utrechtse Heuvelrug werden bossen gekapt voor bouwmateriaal en brandhout. Later zijn hier weer bomen voor de mijnbouw teruggeplant. Nederland is dus in de afgelopen eeuwen voortdurend op de schop gegaan om onze honger naar energie te stillen. Dit is mooi zichtbaar in de digitale tijdlijn die de RCE ontwikkelde om de ruimtelijke effecten van vijf eeuwen energiewinning in beeld te brengen. Veel van die ingrepen hebben gebouwen en gebieden opgeleverd die we nu om hun schoonheid waarderen. Het Nederlandse landschap zal in de komende decennia ook transformeren door grote opgaves: duurzame energie, woningbouw en nieuwe wegen, het (verder) voorkomen van overstromingen. veranderingen in de landbouwstructuur en de bevolkingskrimp in delen van het land.
Daarom werkt de RCE sinds 2012 aan het programma Erfgoed en Ruimte en is betrokken bij de RES. Ontwerp van het ruimtelijke gebied wordt daarbij gezien als één van de belangrijkste aandachtspunten van de komende decennia. Het erfgoed en cultuurlandschap kunnen voor ontwerpers, planmakers en gemeenten een grote bron van inspiratie zijn. Niet om plannen tegen te houden, maar juist om plannen vorm te geven. Het landschap is de basis!
Waal
oeverwal rivierduin
wederopbouwlandschap
kom uiterwaarden
Maas Landschapstypen in West Maas en Waal
11
Wederopbouwgebied
Definitief
In de jaren 1949-1970 heeft in West Maas en Waal een grote ruilverkaveling plaatsgevonden, waarbij boerderijen werden verplaatst naar het komgebied en de komgronden werden verbeterd. Naast een betere verkaveling werden er ook nieuwe ontsluitingswegen aangelegd en werd de waterhuishouding verbeterd. De ruilverkaveling van Maas en WaalWest was ambitieus van opzet. Dat had niet alleen te maken met de omvang – met 8.500 hectare de grootste tot dusver – maar ook omdat er meerdere doelen mee gediend waren. Naast een betere verkaveling, de aanleg van ontsluitingswegen en verbetering van de waterhuishouding, was het ook de bedoeling om een deel van de gronden een andere bestemming te geven. Dankzij ingrijpende aan passingen kregen veel kleigebieden een nieuwe functie als volwaardig agrarisch land. Voorheen waren ze alleen geschikt als hooiland. Nieuwe agrarische bedrijven vestigden zich in het gebieden. Bestaande boerderijen kregen deels een nieuwe locatie. In het middengebied van Maas en WaalWest kwamen speciale boerderijstraten te liggen met aan weerszijden tientallen boerderijen, vaak groter dan ze op hun oude stek waren. Een deel van de kleinere bedrijven werd gesaneerd. Daarvoor in de plaats kwamen boerderijen terug van minimaal 10 tot 12 hectare. Kenmerkend voor deze periode zijn de variatie in boerderijtypen en de rijke erfbeplanting.
Na de enorme ingreep is er een halfopen landschap ontstaan, dankzij beplanting van bestaande dijken en de aanleg van nieuwe wegen. De maatvoering en de vormen van de kavels zijn sterk gewijzigd. Karakteristieke bestaande elementen, zoals een aantal eendenkooien en boscomplexen, zijn behouden. De bossen zijn onderdeel van de groenstructuur geworden. Die structuur wordt verder bepaald door markante boomsingels rond boerderijen en accentuering van de wegen door rijen bomen erlangs. De vroegtijdige aanvraag en grootschalige aanpak maakten van dit project een landelijk belangrijke en invloedrijke ruilverkaveling. In het geldende provinciale beleid wordt in het algemeen voor de komgebieden ingezet op het behouden en versterken van karakteristieke landschapselementen, zoals het orthogonale patroon van de weteringen, sloten, kavels, bomenrijen en wegen zoals de boerderijstraten. Verder worden, naast eendenkooien, grienden en beeldbepalende bospercelen, ook de openheid van het komgebied (‘kamers’) en de rivierduin ten westen van Altforst genoemd als cultuurhistorische 12
Ruilverkaveling tijdens de wederopbouwperiode
waarden die behouden en versterkt moeten worden. Naast landschapselementen moet ook monumentale en karakteristieke bebouwing worden beschermd, zoals monumenten, landhuizen, dijkwoningen, de Korenmolen én de meest waardevolle ruilverkavelingsboerderijen inclusief de karakteristieke groene windsingels rond de erven. In de Rijksvisie ‘Erfgoed en ruimte - kiezen voor karakter’ (2011) is West Maas en Maal aangewezen als één van de dertig wederopbouwgebieden in Nederland. Dit is vervolgens opgenomen in de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte als onderdeel van Nationaal belang 10, zijnde: ‘ruimte voor behoud en versterking van (inter)nationale unieke cultuurhistorische en natuurlijke kwaliteiten’. In 2016 hebben het Rijk en de colleges van burgemeester en wethouders van de dertig wederopbouwgebieden, waaronder ook het college van burgemeester en wethouders van West Maas en Waal, een ‘Intentieverklaring Toonbeelden van de Wederopbouw’ ondertekend. De bedoeling van deze intentieverklaring is dat partijen zich over en weer zullen inspannen om de cultuurhistorische waarden uit de wederopbouwperiode als onderdeel van een ontwikkelingsgerichte bescherming te borgen in ruimtelijk beleid. De betreffende kernkwaliteiten kunnen als inspiratiebron dienen bij ruimtelijke ontwikkelingen als transformatie en revitalisatie.
Hierbij is het uitdrukkelijk de bedoeling om in kansen te denken en niet in beperkingen.
Uiterwaarden
Oeverwal •
Uiterwaarden
• •
De uiteindelijke vorming van de uiterwaarden is pas voltooid na aanleg van de dijken. De karakteristieke steenfabrieken langs de rivier zijn inmiddels grotendeels verdwenen, maar de open waterplassen en tichelgaten herinneren nog aan de winning van zand en klei. In de uiterwaarden vindt nog steeds zandwinning plaats in combinatie met natuurontwikkeling. De uiterwaarden van de Waal en de Maas zijn in gebruik als extensief beheerd grasland, natuurgebied en water. De uiterwaarden van de Maas hebben daarnaast ook een belangrijke, recreatieve functie. De uiterwaarden zijn landschappelijk en ecologisch van grote betekenis. Natuurontwikkeling staat hier voorop, samen met de mogelijkheid tot rivierverruimende maatregelen. Ook is nog op beperkte schaal sprake van agrarisch gebruik. Waal: • Grootschalige, robuuste structuren van opgaande struwelen, ooibossen, waterplassen en de weidsheid van de ruigere graslanden; • Doordat de uiterwaarden op sommige plekken erg breed zijn is de Waal niet beleefbaar vanaf de dijk; • Langs de Waal is klei- en zandwinning gestopt. Maas: • De uiterwaarden hebben een opener karakter dan de uiterwaarden van de Waal;
Door kanalisatie zijn oude armen afgesneden waardoor de uiterwaarden sterk wisselen in hun omvang; Langs de Maas is grootschalige zandwinning nog gaande; Voormalige waterplassen worden nu gebruikt voor intensieve recreatiegebieden.
Aandachtspunten uit het Landschapsontwikkelingsplan (LOP): • Versterken natuurwaarden, de instandhouding en ontwikkeling van struwelen, ooibossen, hooilanden, ruigtes en plas-drassituaties; • Recreatieve beleefbaarheid vergroten d.m.v. struinpaden en ommetjes; • Ruimte bieden aan de grote wateropgave langs de rivieren in het kader van Ruimte voor de Rivier.
Definitief
Landschapstypen
Oeverwal
De oeverwallen zijn parallel aan de rivieren gelegen en door hun hogere en droge ligging werd hier al vroeg landbouw bedreven en ontstonden verschillende bebouwingslinten en dorpskernen. Karakteristiek is het kleinschalig halfopen landschap, waar wonen, werken en agrarische activiteiten sterk met elkaar zijn verweven. Het huidig beleid ten aanzien van het landschap is gericht op handhaving van kleinschalige landschapselementen en het behoud van groene ruimten tussen de kernen. Kenmerkend zijn de bosschages, waterpartijen en lanen als onderdeel van (voormalige) kastelen en landgoederen, de oude wielen en kolken die herinneren aan dijkdoorbraken en de vele boomgaarden. De dijken tussen de oeverwal en de uiterwaarden vormen duidelijk herkenbare lijnen in het landschap. Ook de 13
Kom
Definitief
relaties en zichtlijnen naar het achterliggende landschap van het komgebied zijn belangrijke kenmerken van de oeverwallen. Waal: • De oeverwal langs de Waal is veel breder waardoor ook de dorpen langs de Waal groter werden en ook meer van de dijk af liggen. Maas: • De oeverwal langs de Maas is smal met kleine kernen direct langs de dijk; • Langs de Maas zijn er grootschalige recreatieve ontwikkelingen. Aandachtspunten uit LOP: • Het mozaïekachtige karakter, de afwisseling van verschillende functies, open weides, boomgaarden en bebouwing vormen de basis voor de toekomstige ontwikkelingen; • Versterken en beleefbaar maken van bestaande landschapselementen; • Realisatie nieuwe landschapselementen; • Voorkomen dat de dorpskernen aan elkaar groeien; • Zichtlijnen (ruimtelijke relatie) tussen oeverwal en kom handhaven, zodat het verschil tussen beide landschapstypen zichtbaar is; toevoegen beplanting om ‘grens’ te markeren.
Komgebied
De Waal- en Maaskommen worden - in tegenstelling tot de andere landschapstypen - gekenmerkt door een grote mate van openheid en grootschaligheid. De Waalkommen zijn rationeel verkaveld, grootschalig en 14
Rivierduin rechthoekig van karakter en haaks op de waterlopen door het gebied. De agrarische percelen in de Waalkommen zijn hoofdzakelijk in gebruik als weiland, dit in tegenstelling tot de Maaskommen, waar sprake is van een meer divers gebruik. De verkaveling in de Maaskommen is ook minder grootschalig en bestaat uit blokken en stroken (overwegend) haaks op de Maas. De kavelstructuur in de Maasen Waalkommen is duidelijk groter dan op de oeverwal met een kavelmaat van gemiddeld 8 ha (6 tot soms 15 ha). Aandachtspunten uit LOP: • Handhaven openheid en grootschalige robuuste structuren, beplanting dient als oriëntatie in het open landschap. • Behouden en versterken waardevolle en karakteristieke landschapselementen. • Aandacht voor erfbeplanting. • Versterken van het contrast tussen de kom en de beslotenheid en kleinschaligheid van de rivierduin. • Het waterschap streeft naar natuurvriendelijke oevers ten behoeve van waterberging. • Natuurontwikkeling langs de Grote Wetering.
Rivierduin
Bijzonder element binnen het komgebied is de rivierduin bij Altforst. Dit hoger gelegen gebied is eerder ontgonnen dan de kom. Het is een uitloper van een reeks rivierduinen die verder naar het oosten doorlopen in gemeente Druten en Wijchen. De bebouwing en verkavelingsstructuur zijn dan ook cultuurhistorisch waardevolle elementen.
Definitief 15
5
Belemmeringen en kansen De gemeente West Maas en Waal wil ruimte bieden aan duurzame vormen van energieopwekking. Dit betekent echter niet dat zonnevelden zonder meer overal zijn toegestaan of mogelijk zijn. Enerzijds omdat vanuit wet- en regelgeving en beleid randvoorwaarden gelden om bewoners te beschermen en de veiligheid te waarborgen. Anderzijds omdat er een veelvuldige vraag naar ruimte is en de verschillende ruimteclaims moeten worden afgestemd, om bewust om te gaan met de beschikbare ruimte en de mogelijkheden die het netwerk biedt.
Definitief
Belemmeringen
Het is onmogelijk om grootschalige zonne-energieprojecten zonder enig effect op de omgeving uit te voeren. Denk aan geluid, veiligheid en effecten op de natuur en het landschap. Al deze effecten moeten worden afgewogen, waarbij een onderscheid bestaat tussen harde en zachte beperkingen. Harde beperkingen zijn dusdanige belemmeringen dat nieuwe initiatieven niet mogelijk zijn. Voor zachte beperkingen geldt dat projecten in basis zijn uitgesloten, tenzij aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan of effecten nader zijn onderzocht.
Provinciale wet – en regelgeving en beleid
combineren zijn met de kernkwaliteiten van de ruimtelijke functie van het gebied. Voornamelijk voor natuurgebieden ziet de provincie grote belemmeringen voor het ontwikkelen van grote zonneparken. Vanwege de doelen en kwaliteiten voor natuur en de natuurwetgeving ter plaatse van het Gelders Natuurnetwerk (GNN) is het niet mogelijk om grote zonneparken te ontwikkelen. Hetzelfde geldt voor weidevogelgebieden en rustgebieden voor winterganzen. In de oranje gebieden wordt de ontwikkeling van grote zonneparken niet uitgesloten, mits een combinatie met ter plaatse aanwezige ruimtelijke functies mogelijk is. Het gaat onder andere om waterwingebieden, de Groene Ontwikkelingszone (GO), waardevol open gebied, dagrecreatieterreinen en nationaal landschap. Voor deze gebieden gelden randvoorwaarden of aanvullende ontwerpeisen. In december 2020 hebben Gedeputeerde Staten alle Gelderse gemeenten, waaronder West Maas en Waal, een brief gestuurd om aandacht te vragen voor de locatiekeuze van zonne-energie in Gelderland. Steeds meer van dergelijke projecten raken provinciale belangen als natuur, landschap en ruimtelijke ordening. In de brief roepen zij gemeenten op om locaties voor zonne-energie zorgvuldig af te wegen en te borgen in bestemmingsplannen en kaders
Omgevingsverordening Gelderland
Gelderland heeft in haar Omgevingsverordening gebieden aangewezen die van belang zijn voor natuur en landschap. Deze gebieden zijn onderverdeeld in het Gelders Natuur Netwerk (GNN) en de Groene Ontwikkelingszone (GO). Onderdeel van het GNN zijn de Europees beschermde Natura 2000-gebieden. Het GO zijn vooral zones tussen natuur. Met name de uiterwaarden en delen van de aangrenzende recreatiegebieden zijn in West Maas en Waal aangewezen als GNN of GO. Ook langs de Grote Wetering is een ruime zone aan de zuidoever aangewezen als GO, met hier en daar een stukje GNN. Ook de oude eendenkooien vallen onder GNN. Met name in GNN zijn er weinig mogelijkheden voor grootschalige zonneparken, in de GO is onder strenge voorwaarden het een en ander mogelijk.
Omgevingsvisie Provincie Gelderland - zonneparken
In de Omgevingsvisie van de Provincie Gelderland is een kaart opgenomen waarin de mogelijkheid voor het ontwikkelen van zonneparken worden verbeeld. In de rode gebieden worden grote zonneparken niet kansrijk geacht, omdat ze niet te 16
Omgevingsvisie Provincie Gelderland - zonneparken
voor vergunningverlening. Ook geven Gedeputeerde Staten aan dat zij in de verschillende regionale energiestrategieën een regionale zonneladder willen uitwerken die moet leiden tot regionaal gekozen locaties voor opwek van zonneenergie. De Gedeputeerde Staten wil in samenspraak met Provinciale Staten bezien of en hoe zorgvuldige locatiekeuze voor zonne-energie in de provinciale Omgevingsverordening opgenomen kan worden.
(Geluids)gevoelige bestemmingen
Definitief
Op basis van de VNG publicatie ‘Bedrijven en milieuzonering’ geldt een richtafstand van 30 m tussen een transformatorstation en de dichtstbijzijnde woning, vanwege het aspect geluid. Een transformatorstation dient voor de aansluiting van een zonnepark op het elektriciteitsnet. De richtafstand is een richtlijn, waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. Bijvoorbeeld door aan te tonen dat de transformatoren zelden hoorbaar zijn op meer dan enkele meters afstand. De geluidsoverlast zal in ieder geval nooit in de avond- en nachturen optreden, wanneer met de zonnepanelen geen elektriciteit wordt opgewekt.
Karakteristieke landschapselementen
In het LOP worden karakteristieke landschapselementen benoemd die van waarde zijn voor de kenmerkende landschapstypen in West Maas en Waal. Voorbeelden voor bijvoorbeeld het komgebied van West Maas en Waal zijn de openheid, de grootschalige robuuste structuren, de eendenkooien, de laanbeplanting langs de wegverbindingen en de populierenbossen. Het LOP geeft ook handreikingen voor landschapselementen die versterkt kunnen worden. Bij de inpassing van zonne-energieprojecten is het belangrijk om rekening te houden met het behoud en het versterken van de kenmerken van het landschap en de aanwezige landschapselementen.
Ondergrondse en bovengrondse leidingen
Ten aanzien van gasleidingen en hoogspanningsverbindingen gelden bebouwingsvrije zones waarbinnen geen zonneparken opgericht mogen worden. Ook loopt dwars door West Maas en Waal het Voorkeurstracé buisleidingen. Dit tracé is door het Rijk in het Rarro vastgelegd om ruimte te reserveren voor toekomstige ondergrondse buisleidingen voor gevaarlijke stoffen.
Ondergrondse en bovengrondse leidingen
Stroomvoerend regime van Maas en Waal
In het stroomvoerend regime van de Maas en de Waal zijn in principe alleen specifiek omschreven 'rivier-gebonden' activiteiten toegestaan ('Ja, mits'). Niet-riviergebonden activiteiten zijn niet toegestaan, alleen voor specifiek omschreven activiteiten zijn uitzonderingen mogelijk ('Nee, tenzij') , waaronder voor de opwekking van zonne-energie, als de activiteit niet redelijkerwijs buiten het rivierbed kan worden gerealiseerd. Alle activiteiten moeten voldoen aan rivierkundige voorwaarden.
17
Kansen
De realisatie van grootschalige zonne-energie kent uiteraard niet alleen belemmeringen, maar biedt ook kansen. Deze zullen we hieronder bespreken.
Combinatie zon en wind
Eén van de kansen is het combineren van zon en wind. Beide energievormen vullen elkaar aan en waar zonnepanelen en windmolens dicht bij elkaar staan, is maar één aansluiting nodig in plaats van twee. Door gebruik te maken van zowel windturbines als zonnepanelen is er een gelijkmatiger aanbod van energie op het net en is de energievoorziening minder kwetsbaar. Over het algemeen schijnt de zon harder als de wind niet waait en andersom.
De kansen vanuit de landbouwstructuur
Agrarische bedrijfsvoering maakt onlosmakelijk onderdeel uit van het buitengebied van West Maas en Waal. Bij de beoordeling van de aanvragen voor zonneparken wordt daarom niet alleen gekeken naar de individuele percelen, maar ook het functioneren (en de ontwikkeling) van het landbouwgebied als geheel. Clustering van zonneparken en situering vooral aan de randen van aaneengesloten landbouwstructuren strekt daarbij vanuit dit belang tot aanbeveling. Het is belangrijk om boeren en tuinders aan de voorkant mee te laten denken om gezamenlijk tot de juiste locatie en inpassing te komen. Met name voor boeren die geen opvolging hebben en/of met asbestsanering te maken hebben kan het beschikbaar stellen van hun gronden voor zonnepanelen een uitkomst bieden. Door het benutten van de dakvlakken en onbebouwde gronden (al dan niet na sloop bebouwing) binnen het bouwvlak van het agrarisch bedrijf biedt dit financiële mogelijkheden om oneigenlijk gebruik van de bebouwing/gronden (ondermijning) te voorkomen. Zo mogelijk kunnen de agrarische bedrijven met elkaar worden verbonden (een zogenaamd smartgrid). Bij de realisatie van zonneparken is het van belang aandacht te besteden aan het bodemleven, zodat de gronden na het weghalen van het zonnepark zo snel als mogelijk weer agrarisch gebruikt kunnen worden. 18
De gemeente vraagt initiatiefnemers daarom om niet alleen met omwonenden, maar ook met de in de omgeving aanwezige agrarische bedrijven en grondeigenaren in gesprek te gaan. Indien in een bepaald gebied meerdere initiatiefnemers een zonnepark willen realiseren, vinden deze gesprekken bij voorkeur gecombineerd plaats om zo gezamenlijk tot de meest ideale oplossing te komen. Door ook een totaalplan te maken voor de gehele levenscyclus worden afspraken gemaakt over de situatie na de ontmanteling.
De kansen vanuit het energienetwerk
De komende jaren moet de schaarse ruimte op het elektriciteitsnet zo efficiënt mogelijk worden benut. Dat draagt bij aan de haalbaarheid en betaalbaarheid van de energietransitie. Netwerkbeheerder Liander is daarom een belangrijke partner bij de uitvoering van goed getimede, betaalbare en haalbare ontwikkeling van duurzame energieprojecten in de gemeente. Daarvoor is het van belang de netbeheerder vroegtijdig te betrekken bij beleid en de ontwikkeling van initiatieven, zodat gezamenlijk kan worden gestreefd naar optimalisatie van de plannen in relatie tot de aanwezige, dan wel de noodzakelijke uitbreidingen/ verzwaringen van het netwerk. Korte termijn – rekening houden met gewenst verzorgingsgebied en omvang ontwikkeling Voor de korte termijn heeft Liander weinig capaciteit voor aansluitingen op onderstation Druten. Mogelijk kan nog een kleine hoeveelheid zon in het oostelijke deel van de gemeente, binnen een afstand van 5 tot circa 7 km vanaf onderstation Druten (het gewenste verzorgingsgebied van dit onderstation) worden aangesloten. Méér hectares kunnen, tegen maatschappelijk aanvaardbare kosten, pas op (middel)lange termijn worden aangesloten. Daarvoor moet namelijk eerst nieuwe infrastructuur worden aangelegd (uitbreiding van bestaande of het bouw van nieuwe stations).
Voor het westelijke deel van de gemeente biedt de huidige infrastructuur niet of nauwelijks mogelijkheden tot het aansluiten van grootschalige initiatieven. Initiatieven kunnen in dit deel van de gemeente alleen worden aangesloten tegen hoge (maatschappelijke) kosten voor de initiatiefnemer en/of netbeheerder.
Lange termijn - afstemming en timing Voor de (middel)lange termijn is het van belang de komst van grootschalige initiatieven in de pas te laten lopen met de uitbreiding van de infrastructuur. Maar ook andersom: het is van belang om de uitbreiding van de infrastructuur zó te laten verlopen dat die goed past bij beleidsplannen op langere termijn. Om te voorkomen dat er te weinig of juist teveel capaciteit wordt aangelegd is het van belang Liander goed te blijven betrekken bij de ontwikkeling en uitvoering van het lokale beleid.
aanleggen van natuur- en landschapselementen. Er kan een bijdrage worden geleverd aan ecologische verbindingszones en de biodiversiteit van het gebied kan worden vergroot.
Concentratie van opwek en cablepooling De netbeheerder heeft een voorkeur voor geconcentreerde grootschalige zonne- en windparken. Zonne- en windenergie zijn immers complementair aan elkaar. Ook cablepooling – de combinatie van initiatieven op dezelfde aansluiting - wordt zoveel mogelijk gestimuleerd. Dit kan alleen als ontwikkellocaties dicht bij elkaar liggen (tot een afstand van 1 kilometer). Als gemeente zoeken we naar mogelijkheden om de kans op cablepooling te vergroten.
Een initiatief kan ook bijdragen aan het behouden of restaureren van cultuurhistorische waardevolle landschapselementen, bebouwing of beeldbepalende gebieden. Door ergens een nieuwe functie aan te geven kunnen financiële middelen vrijgemaakt worden om te investeren in cultuurhistorie. Een nieuw gebruik van een gebied kan ook leiden tot het aanleggen van extensieve recreatieve voorzieningen zoals een nieuw wandel- of struinpad of het herstellen van een oud wandelpad. Hierdoor kan het gebied toegankelijker en beleefbaarder gemaakt worden voor recreanten en omwonenden.
Ook kan er een bijdrage geleverd worden aan de klimaatadaptatie van een gebied, bijvoorbeeld door het opvangen en langer vasthouden van water en het vergroenen van de omgeving. Door het aanplanten van bomen en andere vormen van groen, wordt bijgedragen aan het opslaan en omzetten van CO2.
Definitief
Meervoudig ruimtegebruik
Op percelen waar grootschalig energie wordt opgewekt kan gedacht worden aan meervoudig ruimtegebruik. Hierdoor wordt schaarse grond optimaal benut. Het is bijvoorbeeld mogelijk om fruit of andere gewassen te telen onder (beweegbare) zonnepanelen. Ook het laten grazen van schapen of kippen zorgt voor een nuttig gebruik van de ruimte onder de zonnepanelen. Daarnaast worden ook andere vormen van meervoudig ruimtegebruik gestimuleerd, zoals de ontwikkeling van nieuwe natuur. Hierbij kan gedacht worden aan extensief beheerd grasland en het aantrekken van insecten (zoals bijen en vlinders) door de toepassing van bloemrijk grasland. Eventueel kunnen ook geluidsschermen of -wallen langs wegen, dijken en andere structuren gebruikt worden voor het plaatsen van zonnepanelen. Het toepassen van zonnepanelen boven parkeervoorzieningen is eveneens mogelijk.
Kwaliteitsverbetering van het landschap
De ontwikkeling van een zonnepark biedt de kans een kwaliteitsverbetering van het landschap te realiseren. Daarbij kan gedacht worden aan het herstellen en 19
20
Definitief
6
Visie op zonne-energie Ambitie
De gemeente heeft een sterke voorkeur voor het opwekken van zonne-energie op daken. De invloed van gemeenten hierop is echter relatief beperkt en daarom zal er ook gekeken moeten worden naar de ontwikkeling van zonneparken om de doelstellingen te halen.
Er zijn twee concepten om grootschalige energie-opwekking in het landschap te realiseren. Het eerste concept neemt de bestaande landschapsstructuur als basis (contextuele inpassing) en voegt daar een extra laag aan toe. Het tweede concept gaat uit van de realisatie van een energielandschap. De energie-opwekking vormt dan een autonoom gebied of object in het landschap. Met een nieuwe structuur wordt een geheel nieuwe identiteit aan het landschap verleend. Gezien de voorliggende opgave in West Maas en Waal wordt ingestoken op het eerste concept (contextuele inpassing); het bestaande landschap is de basis. In het vorige hoofdstuk zijn de verschillende belemmeringen en kansen voor de ontwikkeling van zonneparken inzichtelijk gemaakt. Dit heeft geleid tot een visiekaart met zones waar grootschalige zon (on)mogelijk is. Van belang om hierbij te vermelden is dat de ontwikkeling van duurzame energie in veel gevallen maatwerk blijft, waardoor in voorkomende gevallen gemotiveerd afgeweken kan worden van het kaartbeeld.
Definitief
Om wildgroei van zonneparken te voorkomen en aandacht te houden voor andere belangen (o.a. voedselproductie, omwonenden, natuur en landschap) en innovaties, maakt de gemeente de realisatie van zonneparken tot 2023 (vergunningverlening tot 2025) van in totaal 20 ha netto mogelijk (exclusief inpassingsmaatregelen en met een afwijkingsmogelijkheid van 25%). Dit is de zogeheten eerste tranche. In de periode daarna wordt deze eerste tranche geëvalueerd en zal de gemeente onderzoeken of in een tweede tranche aanvullend 50 ha netto zonnepark kan worden gerealiseerd, wellicht in combinatie met andere vormen van duurzame energie-opwekking. Het is wenselijk om deze toekomstige ontwikkeling integraal te benaderen. Deze 50 ha strookt met de ambities en noodzaak vanuit de regio om het bod ten opzichte van RES 1.0 te verruimen. Deze oppervlakte wordt voor deze periode als overzichtelijk, uitvoerbaar en landschappelijk haalbaar geacht. Een oppervlak van 20 ha + 50 ha komt overeen met 0,81 % van het oppervlakte van de gemeente. Het hanteren van beleidsdrempels zorgt voor een fasegewijze ontwikkeling en daarmee voor meerdere evaluatie- en bijstellingsmomenten.
Visiekaart
In de rode gebieden in de visiekaart worden zonneparken uitgesloten of niet kansrijk geacht. Ook in de gele gebieden zijn zonneparken niet mogelijk, tenzij er redenen zijn om hier van af te wijken. Deze gebieden vragen extra aandacht om een initiatief goed te kunnen keuren, aangezien er bijvoorbeeld sprake is van een natuurgebied. In de groene gebieden met stippels zijn zonneparken mogelijk als aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Dat heeft te maken met de verschillende belangen die hier samenkomen, zoals bijvoorbeeld de afstand tot de bebouwde kom en de karakteristieke landschapskenmerken van het desbetreffende landschapstype. In de groene gebieden zijn zonneparken mogelijk, mits voldaan wordt aan de eisen van het toetsingskader.
21
Zon Visiekaart
Joa rekening houden met inpassingsmaatregelen -> verwijzen naar bijlge
Zonneparken niet kansrijk/ uitgesloten Zonneparken niet mogelijk, tenzij... (aandachtsgebied) Zonneparken onder voorwaarden mogelijk
Definitief
Zonneparken mogelijk, mits...
22
Combineer en concentreer
Concentratie van duurzame energieprojecten kan vanuit landschappelijk oogpunt verrommeling en versnippering voorkomen. Dit is echter mede afhankelijk van het landschapstype en de specifieke omgevingskenmerken. De gemeente kiest ervoor om geen specifiek gebied aan te wijzen waar zonneparken geconcentreerd moeten worden, maar de plaatsingsmogelijkheden te bepalen aan de hand van de maat en schaal van het landschap, alsmede de aanwezige kansen en belemmeringen. Op deze manier blijft het mogelijk om maatwerk te leveren, afhankelijk van de mogelijkheden die het netwerk en de landbouwstructuur bieden. Ook kunnen de lasten en de lusten worden verdeeld. Maar in het algemeen kan wel gesteld worden dat bundeling zorgt voor minder ruimtelijke belasting, een groter energetisch opbrengstenpotentieel en daarmee betere mogelijkheden voor (landschappelijke) maatregelen en financiële compensatie, dan meerdere kleinere, losse projecten. Bundeling moet dus breder worden opgevat en hoeft er dus niet toe te leiden dat zonneparken direct naast elkaar worden gerealiseerd, maar bijvoorbeeld geconcentreerd in een bepaalde zone. Van belang is in ieder geval dat er zonneparken worden gerealiseerd die passen bij de maat en schaal van het landschap en de kenmerken en kwaliteiten van die omgeving.
Voorbeelden van landschappelijke kwaliteitsverbetering
Landschappelijke inpassing
Zonneparken zijn in basis inpasbaar in meerdere landschapstypen. Gezien de schaal en omvang van de verschillende landschapstypen, gecombineerd met de schaal van de opgave, bestaat er een nadrukkelijke voorkeur om grootschalige zonneparken in het komgebied te realiseren. Dat neemt niet weg dat er redenen kunnen zijn een zonnepark (deels) in het oeverwallengebied te realiseren, bijvoorbeeld in geval van een dorpsinitiatief met 100% eigenaarschap bij de bewoners. Een ligging nabij het dorp is kostentechnisch voordeliger (minder lange kabel). Bovendien wordt de eigen duurzame energie-opwekking zichtbaarder gemaakt en kan dit een bijdrage leveren aan de identiteit van een dorp. In bijlage 2 worden de algemene uitgangspunten en inpassingsmaatregelen per specifiek landschapstype weergegeven. De landschappelijke inpassing wordt bij de beoordeling van een initiatief meegenomen.
Voorbeelden van landschappelijke inpassing oeverwal
23
7 Uitvoering
Zodra de beleidsvisie op zonne-energie is vastgesteld is het tijd voor de uitvoering. Hierbij worden verschillende fases doorlopen. De gemeente gaat in eerste instantie aan de slag met 20 ha grootschalige zon (met afwijkingsmogelijkheid tot 25%). De gemeente hanteert hierbij het principe van uitnodigingsplanologie; de gemeente stuurt op kwaliteit en faciliteert initiatieven vanuit de markt en de omgeving om initiatiefplannen vorm te geven. Dit gebeurt door middel van een selectieleidraad.
Definitief
In een later stadium bekijkt de gemeente, in lijn met RES 2.0, of er mogelijkheden zijn voor het uitbreiden van het aantal zonneparken met 50 ha. Het is wenselijk om deze toekomstige ontwikkeling integraal te benaderen waarbij ook de mogelijkheden voor andere vormen van duurzame energie-opwekking worden onderzocht.
In de selectieleidraad is een helder kader en zorgvuldige procedure voor de toetsing en beoordeling van initiatiefplannen uitgewerkt. Hierin staat beschreven aan welke voorwaarden initiatieven voor zonneparken in ieder geval moeten voldoen. Dit geeft initiatiefnemers een helder beeld om te komen tot een kwalitatief hoogwaardig plan voor een zonnepark. Een beoordelingscommissie beoordeelt aan de hand van een scoringsmatrix de initiatiefplannen en stelt een rangorde op. De initiatieven die het hoogst zijn geëindigd (tot het maximum van ongeveer 20 ha) worden dan uitgenodigd voor de ruimtelijke procedure. Deze initiatiefnemers kunnen dan een omgevingsvergunning aanvragen. De beoogde planning voor de selectieprocedure staat in de selectieleidraad weergegeven.
Selectieleidraad zonne-energie
Gemeente West Maas en Waal staat, onder voorwaarden, positief tegenover de ontwikkeling van zonneparken en nodigt initiatiefnemers uit om plannen in te dienen. Het gaat hierbij om zonneparken met een omvang van 2 tot ongeveer 10 ha. Het huidige beleidsplafond voor de ontwikkeling van zonneparken bedraagt circa 20 ha. Dit is gelijk aan onze lokale inbreng bij RES 1.0 en bevat een afwijkingsmogelijkheid tot 25%. Het is belangrijk rekening te houden met de vele belangen in de gemeente. Denk daarbij aan de belangen van inwoners, agrariërs en bedrijven, maar ook aan waarden zoals landschap en ecologie, cultuurhistorie, archeologie en het agrarische karakter van onze gemeente. De beoordeling van concrete initiatieven is dan ook sterk afhankelijk van de gekozen locatie: matcht het initiatief met de eigenschappen en kwaliteiten van de betreffende plek? De beoordeling van een concreet initiatief is altijd maatwerk. Om hier sturing aan te geven is een selectieleidraad voor grootschalige zonneparken (bijlage 3) ontwikkeld. Daarbij is het noodzakelijk om niet alleen ruimtelijke regels te hanteren, maar ook de wijze waarop aspecten als participatie, landschap en technische ontwerp een rol spelen.
24
Toetsingskader en beoordeling initiatieven
Deze selectieleidraad is een openbare uitnodiging. De leidraad wordt daarom breed gepubliceerd op TenderNed en de website van gemeente West Maas en Waal.
Toetsingskader
Aspecten waarop de initiatieven worden beoordeeld zijn: 1. Levenscyclus- en technisch ontwerpplan Hoe is netinpassing, aanleg, onderhoud, beheer, afbraak en recycling van het initiatief geregeld? 2. Landschappelijk inpassingsplan Hoe wordt rekening gehouden met onder meer landschap, ecologie en cultuurhistorie? 3. Omgevingsdialoog en procesparticipatie Hoe is de omgeving betrokken en hoe wordt samengewerkt met andere initiatiefnemers en energiecoöperatie tijdens de voorbereiding, ontwikkel- en exploitatiefase.? 4. Financiële participatie Hoe en in welke mate vloeien de opbrengsten (deels) terug in de omgeving?
Uitgebreide voorbereidingsprocedure
De gemeente West Maas en Waal beschouwt de uitkomst van deze selectieprocedure ten aanzien van de ingediende initiatieven als een principebesluit. De geselecteerde initiatieven worden uitgenodigd om binnen zes maanden een omgevingsvergunning (25 jaar) aan te vragen middels een uitgebreide voorbereidingsprocedure op grond van afdeling 3.4 Awb (26 weken). Na vergunningverlening kan het zonnepark gedurende 25 jaar geëxploiteerd worden.
Overeenkomst met initiatiefnemers
Met de geselecteerde initiatiefnemers sluiten we een anterieure overeenkomst. Daarin leggen we verschillende zaken vast, zoals: de landschappelijke inpassing en nakomen ervan, de participatiemogelijkheden, afdracht omgevingsfonds en opruimen van de installatie. Ook sluiten we een planschade overeenkomst.
Definitief 25
Bijlage 1
Infographic digitale enquête grootschalige energie
Definitief
(december 2020)
26
Definitief 27
Definitief
"Landschappelijke inpassing is maatwerk en moet aansluiten bij de schaal en het karakter van het landschap." 28
Bijlage 2
Landschappelijke inpassing en kwaliteitsverbetering Landschappelijke inpassing - Algemeen
Initiatiefnemers voor zonneparken moeten voorzien in een landschappelijk inpassingsplan. Het realiseren van deze landschappelijke inpassing zal als voorwaardelijke verplichting gekoppeld worden aan de omgevingsvergunning.
Bij de specifieke inpassing zijn de bestaande landschappelijke (kavel) structuren en -patronen leidend. Bij het ontwerpen van zonneparken moet verder rekening gehouden worden met de bestaande landschaps- en bebouwingskarakteristieken zoals landschapselementen als houtwallen, sloten, eendenkooien, beplantingssoorten, waardevolle historische bebouwing of beeldbepalende gebieden en de mate van openheid. Daarbij zijn de hoogte en oriëntatie van het zonnepark, de zichtlijnen vanuit de omgeving en eventuele afscherming door beplanting van minder fraaie delen belangrijke aandachtspunten en moeten altijd passend bij de landschapskenmerken en de inpassingsmaatregelen zijn. Verder zijn de opstelling van de panelen, ontsluiting, transformatorstations, erfscheidingen en andere technische vereisten onderdeel van de integrale ontwerpopgave. In het ontwerp moet een eenduidig en dus rustige inpassing en opstelling terugkomen.
Definitief
Landschappelijke inpassing is maatwerk en moet aansluiten bij de schaal en het karakter van het betreffende landschapstype en de specifieke omgevingskenmerken ter plaatse. Dat begint al bij de juiste locatiekeuze, op zichzelf staand en ten opzichte van andere zonneparken. Van belang is dus een goede omgevingsanalyse. Daarbij zal ten eerste een zonnepark aan moeten sluiten bij de korrelgrootte van het landschap. Vervolgens is van belang dat het cumulatieve effect van (meerdere) zonneparken in elkaars nabijheid inzichtelijk wordt gemaakt. Afgewogen moet worden of de draagkracht, het maximum laadvermogen van een landschap niet overschreden wordt en de toevoeging van extra zonneparken de identiteit van het landschap niet te zeer aantast. In een grootschalig open landschap passen enkele grote parken beter dan meerdere kleine, in een kleinschalig landschap geldt het omgekeerde. De (maatschappelijke) kosten worden relatief lager indien een zonnepark een grootschaliger karakter krijgt.
Een zuid-opstelling geeft de grootste energie-opwekking op het moment dat de zon het hoogst staat en daarmee ook een hogere piek(opwekking). De energie-opwekking van oost-west opstellingen is meer verspreid over de dag, maar de rijen moeten wel relatief dicht op elkaar staan voor een vergelijkbare opwekking. Maar de keuze voor de opstelling levert, naast invloed op de business-case, ook een ander landschappelijk beeld op en moeten dus in samenhang worden ontworpen en afgewogen. Een zuid-opstelling laat doorgaans meer licht- en hemelwaterinval toe dan een oost-westopstelling of platte opstelling, zodat er nog vegetatie tussen de rijen kan groeien. Een verticale opstelling biedt dus de meeste kans op een hoge biodiversiteit tussen de panelen. Een platte opstelling geeft zo min mogelijk zicht op een zonnepark. In basis geldt dat hoe hoger, breder, robuuster de inpassing is en kan zijn binnen een landschapstype, hoe hoger de opstelling kan zijn (en omgekeerd). En hoe kleiner de ruimte tussen de panelen, des te breder de landschappelijke inpassing langs de randen. Hierbij geldt als uitgangspunt wel dat er altijd enige ruimte over moet blijven voor licht- en hemelwaterinval t.b.v. vegetatie, waarbij bij voorkeur het zonnepark zo wordt ingericht dat hiermee een bijdrage wordt geleverd aan de biodiversiteit die aansluit op ecologische structuren buiten het zonnepark.
Een zonnepark moet afsluitbaar zijn. Daarbij heeft natuurlijke, gebiedseigen afscheiding rond zonnevelden (bijvoorbeeld een haag, struweel, greppel of sloot) heeft vanuit landschappelijk en ecologisch oogpunt de voorkeur boven hekwerken. Wanneer een hekwerk/omheining noodzakelijk blijkt, dan wordt deze zoveel als mogelijk landschappelijk ingepast en ingepakt. Hierbij rekening houdende met het passeerbaar maken voor zoogdieren. In het vervolg van deze paragraaf wordt per landschapstype beschreven op welke wijze voorzien van worden in een hoogwaardige landschappelijke inpassing. Tevens kan inspiratie gevonden worden in de Gelderse Zonnewijzer.
Onderdeel van de integrale ontwerpopgave is ook de keuze voor een zuid- of oost-westopstelling (‘dakjes’) en dient locatie-specifiek afgewogen te worden. 29
Landschappelijke inpassing op de Maas- en Waaloeverwallen
Houtsingel / bosje
Knip- en scheerhaag (meidoorn)
De Waal- en Maasoeverwallen zijn landschappelijk fraai en recreatief zeer aantrekkelijk door de diversiteit, kleinschaligheid en de groene uitstraling. Het kleinschalige samenspel van bebouwingslinten, dorpen, weiden en boomgaarden in onregelmatige patronen is uitgangspunt bij nieuwe ontwikkelingen, evenals de zeer groene uitstraling door erfbeplanting, hagen en wegbeplantingen. Bij de realisatie van een nieuw zonnepark in het oeverwalgebied is de landschappelijke inpassing van groot belang. Om het kleinschalige karakter van de oeverwallen te behouden en te versterken zijn zonneparken op de oeverwal niet groter dan één kavel. De inpassing kan op verschillende manieren vorm krijgen:
Definitief
• Uitgroeiende (struweel)haag
Bomenrij
Voorbeelden van landschappelijke inpassing
• • •
de aanleg van een houtsingel / bosje met gebiedseigen beplanting (o.a. hazelaar, wilg, els, veldesdoorn, haagbeuk, liguster, sleedoorn, hondsroos, egalantier of Gelderse roos); de aanleg van een bomenrij met gebiedseigen soorten (eik, kastanje, noot of hoogstamfruit); een gebiedseigen knip-en scheerhaag (veldesdoorn, liguster, beuk of meidoorn), evt. in combinatie met de aanleg van een recreatieve route; de aanleg van een natuurvriendelijke oever.
Specifiek voor de Waaloeverwallen: • de aanleg van een windsingel (meidoorn, els); Specifiek voor de Maasoeverwallen: • de aanleg van een uitgroeiende (struweel)haag / maasheggen (meidoorn, sleedoorn, veldesdoorn, liguster, hondsroos, egelantier, zomereik, es, wilde peer);
Voorbeelden van landschappelijke inpassing oeverwal
30
Afhankelijk van de exacte locatie en reeds aanwezige landschapskenmerken en - structuren kan gekozen worden voor één of meerdere van de voorgenoemde wijzen van landschappelijke inpassing. Uitgangspunt is dat alle zijden van het zonnepark landschappelijk worden ingepast. De voorgenoemde opsomming is niet uitputtend. De landschappelijke inpassing van zonneparken is immers maatwerk. Voor meer inspiratie en informatie wordt verwezen naar het Landschapsontwikkelingsplan van de gemeente West Maas en Waal.
Landschappelijke inpassing binnen de komgebied