16.2 Rapport Toekomstscenario kind en gezinsbescherming
Tekst van het document
Afbeelding 3 - Vervolgaanpak
32
Professionals van de Raad voor de Kinderbescherming, de Gecertificeerde Instellingen en Veilig Thuis worden samengebracht in Regionale Veiligheidsteams. De professionals in deze veiligheidsteams krijgen dezelfde kerntaken, er worden tegenspraak en checks and balances georganiseerd, zodat wordt voorkomen dat er ongefundeerde beslissingen worden genomen en de handelwijze voor het gezin niet transparant en navolgbaar is. Er wordt bij voorkeur één toezichthouder aangesteld om door middel van een uniform en procesmatig normenkader toezicht te houden op de veiligheidsteams. Lokale netwerken worden georganiseerd om gezinsgericht en integraal te interveniëren en te begeleiden. Geregeld wordt dat professionals die betrokken zijn bij het gezin worden gesteund door juristen, vertrouwensartsen en gedragsdeskundigen. Er is toegang tot de geestelijke gezondheidszorg (ggz) voor volwassenen en er wordt een gezamenlijke verantwoordelijkheid gecreëerd voor het bieden van passende hulp en ondersteuning. Een expertise platform voor netwerken van en voor professionals wordt ontwikkeld om al snel professionals en bestuurders op de inhoud van het dagelijks werk samen te brengen. Dit platform kan worden ingeroepen voor complexe en specialistische casuïstiek, de doorontwikkeling van kennis en voor kwaliteitsbevordering. Hierbij wordt verbinding gelegd met bestaande kennis- en expertisenetwerken.
30
Hiervoor is een ondersteunende, landelijke programmastructuur nodig, commitment van alle partijen om conform het scenario te (mogen) werken met financiële ondersteuning, action learning onderzoek, experimenteerruimte en begeleiding van zowel de teams als de betrokken bestuurders. Bij het werken in de ontwikkelhubs zijn de ervaringen van kinderen, gezinnen en andere betrokkenen onderdeel van het leren en het ontwikkelen. De hubs zijn zowel koploper, als ontdekker én hoeder. Het toekomstscenario moet meer in detail uitgewerkt worden op het gebied van processen, taken, verantwoordelijkheden en rollen. De ketenprocesmodellen Jeugdbescherming en Jeugdstrafrecht, kunnen hiervoor als uitgangspunt worden gebruikt.30 Onderdeel van een informatievoorzieningsstrategie is een ‘foto’ van de huidige informatievoorzieningssituatie bij de ketenpartners en een schets van de gewenste informatievoorziening-situatie. Van daaruit ontstaat een transitieplan. Er wordt een vernieuwende communicatiestrategie neergezet. Verschillende communicatieve instrumenten die bij het scenario horen, worden ingezet om het advies breed uit te dragen bij de verschillende doelgroepen en stakeholders.
Het ketenprocesmodel Jeugdbeschermingsketen bijvoorbeeld, biedt een overzicht van de jeugdbeschermingsketen op hoofdlijnen, bevat een schets van de bijdrage en rol van de ketenpartners binnen de jeugdbeschermingsketen en bevat een uitwerking van de deelprocessen van het ketenprocesmodel. Voor ieder deelproces wordt concreet aangegeven welke stappen er worden doorlopen en welke informatie (op hoofdlijnen) wordt uitgewisseld.
33
3.4
Fase 2: Evaluatie en besluitvorming Wat
ontwikkelen
Leren en
Politieke besluitvorming over financierings- en governance vraagstukken. Opstarten wetgevingstraject. Uitwerken financiering en verantwoording. Uitbreiding en opschalen van (bijgestelde) werkwijze hubs. Plan van aanpak voor transitie van (direct) betrokken organisaties.
3.5
Fase 3: Landelijk implementeren en verankeren
ontwikkelen
Leren en
Wat Overgang van organisaties. Implementatie wetgeving. Implementatie financiering en verantwoording. Implementatie informatievoorziening-ICT.
34
Bijlage 1 - Opdracht Opdracht In juli 2020 gaven de VNG en de ministeries van VWS en JenV opdracht voor de kwartiermakersfase ‘Effectieve kind- en gezinsbescherming’. De opdrachtgevers beoogden een vereenvoudiging van de jeugdbescherming en willen hiermee bereiken dat kinderen en gezinnen, waar een veelvoud van factoren heeft geleid tot ontwikkelingsbedreiging en onveiligheid, tijdig de juiste hulp en steun ontvangen. Ook willen ze bereiken dat deze hulp en steun voor de gezinnen begrijpelijk is en bijdraagt aan herstel van het gewone leven, of aan het compenseren van beperkingen. De opdracht was om, aan de hand van deelopdrachten, te komen tot een toekomstscenario inclusief organisatorische consequenties, fasering en tijdpad van realisatie. Deze deelopdrachten zijn (samengevat): A. Opstellen van een inhoudelijk normenkader/beoordelingskader, bedoeld als richtsnoer voor het gewenste resultaat van deze ontwikkeling en als beslissingskader bij het kiezen van het uiteindelijke scenario. B. In beeld brengen van de lessen uit het buitenland (internationale vergelijking) en van de Nederlandse aanpak van de afgelopen periode.
31
C. Identificeren werkzame bestanddelen van de huidige pilots, van andere praktijkvoorbeelden en aanpakken die elders in het land worden ontwikkeld. D. Verkennen mogelijkheden/wenselijkheid van nieuw juridisch instrumentarium. Het gaat hierbij over het inventariseren in hoeverre nieuwe wettelijke mogelijkheden kunnen worden ontwikkeld voor een gezinsgerichte aanpak (‘gezinsmaatregel’) en welke aanpassingen in wet- en regelgeving nodig zijn voor de nieuwe gewenste samenwerking rondom de veiligheid van kinderen en gezinnen. Daarnaast moet worden nagegaan welke andere wettelijke aanpassingen nodig zijn voor professionals om een kinderbeschermingsmaatregel uit te kunnen voeren zonder ‘knip’ in hulp en regie.31 E. Op basis van A, B en C en D uitwerken van de geschetste hoofdscenario’s voor de realisatie van de verschillende functionaliteiten en weging van scenario’s op basis van het ontwikkelde beoordelingskader. Dit omvat: nadere verkenning van de scenario’s in termen van (financiële) randvoorwaarden, verantwoordelijkheden, sturings- en toezichtmechanismen, gewenste schaalgrootte en IV/IT. F. In kaart brengen benodigde vervolgstappen na december 2020 en schetsen van een aanpak voor de realisatie van het gekozen toekomstscenario.
Uiteraard met inachtneming van het advies van de RSJ en de RVS: Intensieve vrijwillige hulp. Heldere grenzen aan drang in de jeugdzorg (Den Haag, november 2019).
35
Bijlage 2 - Onderbouwing en verantwoording Deze bijlage geeft een overzicht van de consultaties en (wetenschappelijke) bronnen waarop het Toekomstscenario is gebaseerd en die relevant (kunnen) zijn voor de verdere uitwerking van een effectieve kind en gezinsbescherming. De reden om te komen tot het toekomstscenario is een aantal knelpunten in het huidige stelsel. De minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport en de minister voor Rechtsbescherming hebben die benoemd (Kamerstukken II, 31 839, 2019/20, nr. 732), mede op basis van inspectierapporten en recent wetenschappelijk onderzoek.32 In hun gezamenlijke Kamerbrief Perspectief voor de Jeugd (20 maart 2020) schetsten de bewindspersonen de contouren van een nieuwe blik op de toekomst van de kind- en gezinsbescherming.33 In juli 2020 gaven de VNG en de ministeries van VWS en JenV opdracht voor de kwartiermakersfase. Drie vraagstukken waren leidend. Hoe kan de kind- en gezinsbescherming eenvoudiger gemaakt worden? Hoe kan er effectief en systematisch vanuit het perspectief van het kind en het gezin worden gewerkt? Wat hebben de betrokken professionals nodig om het gezin op een passende manier te kunnen ondersteunen?34
2.1
Werkwijze: samen ontwerpen
Parallel en in samenhang met het ontwerp van het toekomstscenario hebben een afvaardiging van de opdrachtgevers en de betrokken partijen ook samengewerkt aan de totstandkoming van een beoordelingskader c.q. de vier basisprincipes van het toekomstscenario. De basis hiervoor is gelegd in een werkdocument dat het NJi heeft opgesteld.35 Betrokken partijen en opdrachtgevers hebben inbreng geleverd. Voorts zijn tal van verdiepende individuele en groepsgesprekken gevoerd met specialisten en kennisdragers vanuit de praktijk en de wetenschap om hun visie op de huidige jeugdbeschermingsketen, het beoordelingskader, of (onderdelen van) het scenario te leren kennen. Hiervoor is onder meer een ‘week van reflectie’ georganiseerd, waar cliënten, professionals, juridische deskundigen en andere experts uitvoerig met elkaar spraken en reflecteerden op de drie vraagstukken. Een bijzondere rol hebben de leden van het bestuurlijke kernoverleg vervuld. Dit zijn direct belanghebbenden van de jeugdbeschermingsketen, bestaande uit de drie opdrachtgevers,
32
IGJ, Kwetsbare kinderen onvoldoende beschermd (2019), Signalement Jeugdbeschermingsketen in gevaar (2019). Voor een verdere toelichting en onderbouwing, zie Nederlands Jeugdinstituut (2020). Veiligheid in gezinnen. Een zaak voor iedereen. Steketee, M. et al. (2020). Kan huiselijk geweld en kindermishandeling echt stoppen? Kwestie van lange adem. Utrecht: Verweij-Jonker instituut. 33 Kamerbrief over perspectief voor de jeugd. 34 Het SCP ziet een discrepantie tussen de verwachtingen van de wetgever en de ervaringen van de uitvoeringspraktijk als het gaat om eigen kracht, (zelf- en samen-) redzaamheid en de zorgzame samenleving. Sociaal en Cultureel Planbureau, Sociaal domein op koers 2020. 35 Nederlands Jeugdinstituut (2020). Nieuwe opzet bescherming jeugd en gezin. Ideeën voor een beoordelingskader.
36
leden van de Associatie Wijkteams, Jeugdzorg Nederland, (het Landelijk Netwerk) Veilig Thuis, de Gecertificeerde Instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming. Hun rol was de opdrachtgevers te adviseren over het ontwerp van een scenario voor kind- en gezinsbescherming.
2.2
Inspiratiebronnen
Er zijn in Nederland veel initiatieven in uitvoering, die we kunnen gebruiken bij het ontwikkelen van een nieuwe structuur en manier van werken in de kind- en gezinsbescherming. Te denken valt bijvoorbeeld aan de pilots ‘Onder één dak’36 en de pilots ‘centra huiselijk geweld’,37 de MDA++, of de ‘Ontwikkelagenda Veiligheid Voorop!’, waarin het Landelijk Netwerk Zorg Straf concrete verbeterstappen ontwikkelt voor de samenwerking tussen de zorgen strafrechtketens vanaf het eerste begin van een (straf)zaak.38 Denk ook aan de pilot ‘Geïntegreerde aanpak huiselijk geweld’ van de rechtbank Rotterdam en ‘Huis van recht’ in Limburg.39 Daarnaast zijn er initiatieven als de ‘wijk- en regelrechter van de rechtspraak’ die is gericht op samenwerking, aanpak van multiproblematiek en het vinden van duurzame oplossingen voor problemen.40 Deze experimentele aanpakken laten zien wat de meerwaarde is van integrale samenwerking tussen professionals ten behoeve van veiligheid in gezinnen.
Een belangrijke inspiratiebron vormden de pilots jeugdbescherming in zes regio’s, die het Athena Instituut (Vrije Universiteit Amsterdam) heeft geëvalueerd.41 Hieruit leerden we, dat het bundelen van expertise zorgt voor meer onderling begrip, bijvoorbeeld over werkwijze en bevoegdheden. Daarnaast biedt het verbinden van expertise, gecombineerd met één vast aanspreekpunt dat betrokken blijft bij het gezin, de mogelijkheid om samen passende hulp in te zetten in en om het gezin. Gezinsgericht werken helpt bovendien om patronen van gedrag en beleving beter te doorbreken, alsook om gerichter aandacht te geven aan de kwetsbare groepen mensen in Nederland, die volgens het SCP die aandacht nadrukkelijk nodig hebben.42 Transparantie naar gezinnen, ten slotte, bevordert de samenwerking met het gezin. 2.2.1
Verdragsrechtelijk kader
De bescherming van kind en gezin ligt ingebed in internationale verdragen, zoals het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en het Verdrag van Istanboel. Bij het ontwerp van het toekomstscenario is dit verdragsrechtelijke kader als richtsnoer gebruikt. Deze verdragen regelen onder meer het recht op bescherming van kinderen en volwassenen tegen alle vormen van lichamelijk of geestelijk geweld.
36
Zie de vijfde voortgangrapportage van het programma Geweld Hoort Nergens Thuis. Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport (2020). Online Magazine Centrum huiselijk geweld en kindermishandeling Rotterdam Rijnmond. 38 In het Landelijk Netwerk Zorg Straf verenigen zich de politie, het Openbaar Ministerie, de reclassering, de Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis. 39 Raad voor de Rechtspraak: Combinatiezitting straf- en civiele zaken maakt onderliggende problemen huiselijk geweld beter zichtbaar. 40 Raad voor de Rechtspraak: Wijk- en regelrechter vergroten toegankelijkheid rechtspraak. 41 Zes regionale pilots; Zorg voor de jeugd, pilots jeugdbeschermingsketen. Athena Instituut, VU Amsterdam (2020), Een lerende evaluatie van 6 pilots jeugdbescherming. 42 Sociaal en Cultureel Planbureau, Sociaal domein op koers 2020. 37
37
Daarnaast zijn er ook procedurele waarborgen beschreven, die het gezin beschermen tegen onvoldoende gefundeerd ingrijpen door de overheid. Deze verdragen waarborgen immers ook het recht op respect voor privé- en familieleven (artikel 8 EVRM) en het recht om door de eigen ouders te worden opgevoed en verzorgd (artikel 9 IVRK). Als professionals aanleiding zien die de inperking van deze rechten rechtvaardigt, moet terdege worden aangetoond dat de inperkende maatregelen dienen om het kind of het gezin te beschermen. De rechter moet erop kunnen vertrouwen, dat het onderzoek waarmee het verzoek tot een maatregel is onderbouwd rechtmatig tot stand is gekomen. Het is de verantwoordelijkheid van de Nederlandse overheid om dit proces goed te borgen. Het is nadrukkelijk een publieke en essentiële taak om te borgen dat het voor het gezin duidelijk is wanneer er sprake is van vrijwillige en wanneer van gedwongen hulpverlening. 2.2.2
jeugdbescherming in Duitsland, Denemarken en Zweden. Het NJI heeft daar verkennend onderzoek naar gedaan.43 In deze landen zijn kerntaken als het verlenen van hulp aan het gezin en het beschermen van het kind belegd bij één organisatie met duidelijke landelijke kaders en wet- en regelgeving. Hierdoor is het stelsel meer overzichtelijk, eenvoudig en voorspelbaar. Ook de expliciet gezinsgerichte benadering is in de jeugdbeschermingsstelsels van deze landen in praktijk gebracht. Daar wordt gekeken naar de oplossingsmogelijkheden binnen het gezin zelf. Professionals gaan pas in de allerlaatste fase over tot gedwongen interventie en blijven ook dan betrokken bij het gezin. De behoefte om te leren en reflecteren is in deze landen veelal terug te zien in de inrichting van een landelijke entiteit ter ondersteuning en kwaliteitsverbetering.44 Net als in Nederland is de discussie over het stelsel van jeugdbescherming ook in het buitenland steeds onderhevig aan inzichten en ontwikkelingen.
Buitenlandse voorbeelden
Veel recent wetenschappelijk onderzoek ondersteunt deze zienswijzen. In de praktijk worden ze soms ook al toegepast in de landen om ons heen. Het samenbrengen van expertise op veiligheid en van bevoegdheden, sluit aan bij de inzichten over
43 44
Nederlands Jeugdinstituut (2020). Jeugdbescherming, inzichten uit Duitsland, Denemarken en Zweden . Idem.
38
Bijlage 3 - Beoordelingskader en basisprincipes 3.1
Opdracht en functie beoordelingskader
De minister van Volksgezondheid Welzijn en Sport en de minister voor Rechtsbescherming willen komen tot een toekomstscenario vereenvoudiging jeugdbescherming, inclusief (organisatorische) consequenties en tijdpad voor realisatie. De Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) en de ministeries van Volksgezondheid Welzijn en Sport en Justitie en Veiligheid fungeren als gezamenlijk opdrachtgever. De kwartiermaker en diens projectteam is in dat kader gevraagd een beoordelingskader op te leveren voor de toetsing van de kwaliteit van het scenario.
3.2
Doel beoordelingskader
Met de beoogde vereenvoudiging van de jeugdbescherming willen de opdrachtgevers bereiken dat kinderen en gezinnen tijdig de juiste hulp en steun ontvangen. Deze hulp en steun moet voor hen begrijpelijk zijn en bijdragen aan herstel van het gewone leven of het compenseren van beperkingen.
Het beoordelingskader is een richtsnoer om te komen tot een vereenvoudiging van de kind- en gezinsbescherming: het geeft weer welke uitgangspunten en randvoorwaarden nodig zijn om dit doel te bereiken. Dit helpt bij het ontwikkelen en concretiseren van het scenario tot een uiteindelijk ontwerp op het niveau van functionaliteiten.
3.3
Werkwijze totstandkoming beoordelingskader
Bij de ontwikkeling van het beoordelingskader en de randvoorwaarden zoals genoemd in de opdrachtbrief is het Nederlands Jeugdinstituut en de bestuurlijke kerngroep betrokken. De bestuurlijke kerngroep bestaat uit direct belanghebbenden van de jeugdbeschermingsketen; de drie opdrachtgevers, leden van de Associatie Wijkteams, Jeugdzorg Nederland, (het Landelijk Netwerk) Veilig Thuis, de Gecertificeerde Instellingen en de Raad voor de Kinderbescherming.
39
3.4
Het beoordelingskader
Het beoordelingskader omvat vier belangrijke uitgangspunten van de toekomstige kind- en gezinsbescherming: 3.4.1
Gezinsgericht45
Gezinsgericht −−
De blik is breed, kind en volwassenen van 0-100.
−−
De inzet draait om het kind, broers en zussen en overige gezinsleden, om hun zorgen en voorgeschiedenis.
−−
Bij (ernstige) zorgen over de thuissituatie is het belang van het kind altijd de eerste afweging.
−−
Integraal werken is het uitgangspunt: combinaties van hulp, (V-GGZ) zorg, bestaanszekerheid en gedwongen maatregelen, met steun uit het eigen netwerk.
−−
Beslissingen worden genomen in samenspraak met het kind en het gezin.
De inrichting van de kind- en gezinsbescherming draait om het kind, broers en zussen en overige gezinsleden, om hun zorgen en voorgeschiedenis. Omdat problemen van de ouders vaak onderliggend zijn aan zorgen over de veiligheid en ontwikkelingsmogelijkheden van een kind, is een brede blik noodzakelijk wil de bescherming van
het kind effectief zijn. Bekeken wordt welke hulp en steun nodig is voor het gehele gezin, inclusief, of juist met nadruk op, de ouders. Dit betekent dat er geen leeftijdsgrens zit aan de inzet van ondersteuning en hulp bij kind- en gezinsbescherming. Integraal werken is dan ook het uitgangspunt. Dit sluit aan bij het principe ‘van 0-100 jaar’. Hiermee wordt ook beoogd aandacht te hebben voor het intergenerationele effect van complexe gezinsproblematiek. De ondersteuning en hulp wordt zoveel mogelijk vormgegeven met steun uit het eigen netwerk van het gezin. Onderzoek toont aan dat het betrekken van het eigen netwerk van het gezin aantoonbaar effectief is in het kunnen wegnemen van zorgen over veiligheid of ontwikkelingsbedreiging.46 De notie van het SCP dat een discrepantie bestaat tussen de verwachtingen van de wetgever en de ervaringen van de uitvoeringspraktijk als het gaat om eigen kracht, zelf- en samenredzaamheid en de zorgzame samenleving, leert daarbij dat tijdig dient te worden herkend welke rol dit netwerk kan spelen.47 Als dat nodig is, kan worden ingezet op combinaties van hulp zoals (V-GGZ) zorg, ondersteuning in de bestaanszekerheid of als het niet anders kan gedwongen maatregelen. Deze inzet staat steeds in het teken van de veiligheid en ontwikkelingsmogelijkheden van het kind.
Bij het inzetten van hulp en ondersteuning bij ernstige zorgen over de thuissituatie is het belang van het kind altijd de eerste afweging.
45
Als we het hebben over ‘gezin’ dan bedoelen we al die samenlevingsvormen waarin kinderen en jongeren opgroeien. En we bedoelen het gezin als geheel, maar ook de kinderen, jongeren en ouders afzonderlijk. Met ‘ouders’ bedoelen we de volwassenen die het ouderlijk gezag dragen. 46 Zie overzicht van bronnen NJI, ‘Veiligheid in gezinnen, een zaak voor iedereen’ (2020). 47 Sociaal en Cultureel Planbureau, ‘Sociaal domein op koers’ 2020.
40
3.4.2
Rechtsbeschermend en transparant
Rechtsbeschermend en transparant −−
De rechtsbescherming en rechtsgelijkheid is geborgd. De procedures bij het gedwongen kader en klachten zijn transparant en navolgbaar. Besluiten komen zorgvuldig tot stand met hoor en wederhoor.
−−
De kennis en visie hoe te handelen bij zorgen over onveiligheid en bij ontwikkelingsbedreiging, is eenduidig en beschikbaar.
−−
Deskundige en onafhankelijke cliëntondersteuning is beschikbaar.
−−
Het is helder waar (jong)volwassenen en kinderen in de eigen lokale structuur terecht kunnen voor advies, en bij vragen en zorgen.
−−
Praten en schrijven is feitelijk en gebeurt in begrijpelijke en duidelijke taal.
−−
Er is één gezamenlijk en actueel dossier voor het gezin waar betrokken professionals mee werken.
Een stelsel waarin kwetsbare mensen op zoek zijn naar hulp, mag niet complex en ondoorzichtig zijn. Het is van belang dat voor kinderen en ouders begrijpelijk en transparant is waar zij terecht kunnen voor advies, vragen en zorgen, wie waarvoor verantwoordelijk is en welke procedures er zijn. Het is daarom helder waar (jong)
volwassenen en kinderen in de eigen lokale structuur terecht kunnen. Een belangrijke basisconditie is de rechtsgelijkheid als het gaat om de inzet van kennis en hulp over veiligheid en ontwikkelingsbedreiging. Dit geldt ook voor de gang naar de rechter die met rechtswaarborgen omkleed moet zijn. Het is voor kind en gezin steeds duidelijk hoe deskundige en onafhankelijke cliëntondersteuning te benaderen is. Ook procedures bij (onvrijwillige) hulp en klachten zijn transparant en navolgbaar. Besluiten komen zorgvuldig tot stand met hoor en wederhoor van het kind en het gezin. Kind en gezin(sleden) hebben recht op bescherming, en zijn op de hoogte van de procedures, hun rechten of weten waar informatie hierover beschikbaar is.Dit betekent ook dat de kennis en visie van organisaties en professionals over hoe te handelen bij zorgen over veiligheid of een ontwikkelingsbedreiging, eenduidig en beschikbaar is. Een belangrijke factor voor een duidelijke en transparante hulpverlening is het taalgebruik. Dit is niet alleen begrijpelijk en duidelijk, maar ook feitelijk. Dit is nodig voor een goede aansluiting bij kind en (jong)volwassenen, én om interpretatieverschillen tussen professionals zo klein mogelijk te maken. Er wordt ingezet op een structuur waarin sprake is van één dossier dat steeds geactualiseerd is.
Hiermee wordt extra administratieve last binnen de verschillende organisaties voorkomen en is het voor het gezin en de gezinsleden altijd duidelijk waar het dossier is en wie aanspreekbaar is bij vragen over dit dossier.
41
3.4.3
Eenvoudig
Eenvoudig −−
Er is een vaste professional betrokken bij het kind en het gezin, die hulp en ondersteuning biedt.
−−
Er zijn geen overdrachten.
−−
Veiligheids- of andere expertise wordt toegevoegd en is zo lang als nodig betrokken.
−−
Dichtbij en toegankelijk georganiseerd.
−−
Toezicht, sturing en financiering van het stelsel is passend bij de eenvoud van het systeem.
Een zo eenvoudig mogelijk ingerichte kind- en gezinsbescherming vraagt om daarbij passende toezichts-, sturings- en financieringsstructuren. Dit houdt in dat rapportage- en verantwoordingsverplichtingen richting toezichthouders en stelselverantwoordelijkheden proportioneel zijn en dat de beschikbaarheid van zorg niet afhankelijk kan zijn van de vraag uit welk potje het gefinancierd wordt. 3.4.4
Lerend −−
De drempel naar hulp is zo laag mogelijk. Daarom is deze hulp dichtbij, toegankelijk en eenvoudig georganiseerd. De inzet is dat er geen overdracht is tussen professionals en dat er vaste aanspreekpunten voor het gezin zijn. De organisatorische structuren binnen het stelsel faciliteren dit. Daar waar extra hulp en expertise noodzakelijk is voor het gezin, wordt dit door de vaste professional naar het gezin gebracht. Deze extra inzet is zo kort- of langdurig betrokken als de situatie vraagt. Meer generieke vormen van hulp en regie kunnen meer in één hand komen te liggen, waardoor naar verwachting ook eerder daadwerkelijke hulp voor het gezin op gang kan komen.
Lerend
Continu (reflectief) leren om steeds beter te worden is onderdeel van het dagelijks werk voor alle betrokkenen in het werkveld van kind- en gezinsbescherming.
−−
Daarbij hoort ook ruimte voor innovatie en doorontwikkeling van het vak, bijvoorbeeld in pilots en proeftuinen.
−−
Er ligt een stevige verbinding tussen praktijk en structureel onderzoek (feiten en cijfers inzichtelijk), met onderwijs en wetenschap.
De professionals die met het gezin aan de slag gaan, werken in een veilige omgeving. Zij hebben ruimte om te leren en steeds beter te worden in hun vak om zo steeds beter het gezin en kind te kunnen helpen. Dit vereist dat continu (reflectief) leren om steeds beter
42
te worden in alle ‘lagen’ van de kind- gezinsbescherming wordt gepraktiseerd: uitvoerend professionals, teams, organisaties, bestuur en politiek. De kind- en gezinsbescherming is allesbehalve statisch, álle betrokkenen moeten zich daarom uitgedaagd voelen het beste uit zichzelf en anderen te halen. Hiervoor is ruimte nodig voor innovatie en doorontwikkeling van het vak in de vorm van pilots en proeftuinen. Om te ontdekken welke ontwikkelingen op grotere schaal daadwerkelijk bijdragen aan veiligheid binnen gezinnen en aan het verminderen van ontwikkelingsbedreiging van kinderen, is een stevige verbinding nodig tussen praktijk en structureel onderzoek (feiten en cijfers inzichtelijk) en met opleidingen en wetenschap. Een uitdagende werkomgeving waar professionals gewaardeerd worden, waar zij de ruimte krijgen om zich te ontwikkelen en waar geen reden is voor risicomijdend gedrag. Dit draagt bij aan doorontwikkeling van kennis en effectiviteit, het behoud van plezier en ambitie in het werk en een vermindering van verloop van professionals.
43
Bijlage 4 - Kerntaken effectieve kind- en gezinsbescherming Deze bijlage bevat een puntsgewijze beschrijving van de kerntaken van een doelmatig en doeltreffend functionerende kind- en gezinsbescherming. De basis hiervoor is gelegd in een werkdocument van het NJI,48 waarover betrokken partijen en opdrachtgever, samen met specialisten en kennisdragers vanuit de praktijk en de wetenschap van gedachten hebben gewisseld.
4.1
Preventie, (vroeg)signalering en informele steun
Allereerst is het een taak van burgers en professional om onveiligheid in gezinnen en/of op ontwikkelingsbedreiging bij kinderen te voorkomen (preventie). Er zijn verschillende soorten preventie: −− Bij primaire preventie wordt ingezet op het verkleinen van de kans op het ontstaan van ontwikkelingsbedreiging van kinderen, onveiligheid in gezinnen en/of de zorgen daarover. −− Bij secundaire preventie gaat het om het verminderen van deze zaken. −− Tertiaire preventie voorkomt dat ontwikkelingsbedreiging van kinderen, onveiligheid in gezinnen en/of zorgen daarover terugkomen, nadat er al hulp is geboden.
48
−− (Vroeg)signalering is het (vroegtijdig) signaleren en onderkennen van ontwikkelingsbedreiging van kinderen en/of onveiligheid in gezinnen. Vroegsignalering is vooral gekoppeld aan secundaire en tertiaire preventie en gaat daaraan vooraf. −− Informele steun is de steun die gezinnen ontvangen van hun eigen netwerk, zoals familie, vrienden of buren. Zij kunnen bijvoorbeeld hun zorgen over de ontwikkelingsbedreiging van kinderen of onveiligheid in gezinnen bespreekbaar maken of hulp bieden. Ook andere burgers en professionals in de lokale infrastructuur, zoals docenten, huisartsen of sportcoaches, kunnen steun bieden en zo direct bijdragen aan preventie. Mensen kunnen via preventieprogramma’s gemotiveerd worden om in hun nabije omgeving informele steun te geven.
Nederlands Jeugdinstituut (2020). Nieuwe opzet bescherming jeugd en gezin. Ideeën voor een beoordelingskader.
44
4.2
Vragen en zorgen ontvangen en het geven van informatie en advies
Het is belangrijk dat er herkenbare plekken zijn waar kinderen, jongeren, ouders, andere burgers en alle professionals terecht kunnen met hun vragen over opvoeden en opgroeien, met problemen die zij ervaren en met zorgen over ontwikkelingsbedreiging van kinderen of over onveiligheid in gezinnen. Op deze plekken kan vervolgens worden besloten over welke vervolgstap(pen) moeten worden gezet. Alle burgers en professionals die met vragen, problemen en zorgen zitten, moeten hier de informatie en het advies kunnen krijgen, dat hen ondersteunt zo te handelen, dat hun vragen worden beantwoord, hun zorgen afnemen, of dat ze passende vervolgstappen kunnen zetten. Op deze plekken kunnen ook meldingen van zorgen over ontwikkelingsbedreiging bij kinderen en/of acute of structurele onveiligheid in gezinnen worden aangenomen.
4.3
Het doen van een eerste en een uitgebreid onderzoek
−− Wat de zorgen zijn en bij wie die bestaan, als het gaat om de ontwikkelingsbedreiging van in een gezin aanwezige kinderen, of om de onveiligheid in het gezin zelf. −− Of de ouder(s) zelf, dan wel met hulp en steun van anderen, de zorgen willen verminderen. −− Of te verwachten is dat de ouders (met eventueel hulp of steun) ook echt en op tijd die zorgen zullen verminderen. −− Of de zorgen zijn te verminderen via: оо Het bieden van informele steun. оо Het geven van informatie en advies. оо Het organiseren en verstrekken van vindbare en toegankelijke professionele hulp. оо En/of het inzetten van gedwongen maatregelen. −− Of dat sprake is van spoed en directe veiligheid georganiseerd moet worden. Grofweg maken we bij die informatieverzameling onderscheid in twee soorten onderzoek.
Vragen en zorgen dienen soms nader onderzocht te worden. Het doen van onderzoek betreft het verzamelen van informatie dat een oordeel mogelijk maakt over:
45
4.3.1
Een eerste onderzoek
Een eerste onderzoek begint met het verzamelen van informatie samen met het betrokken gezin of gezinsleden, die moet leiden tot een eerste beslissing over de vraag: welke feiten zijn er die maken dat er zorgen zijn over de acute of structurele onveiligheid in het gezin en/of een ontwikkelingsbedreiging bij het kind? Het antwoord op deze vraag bepaalt namelijk welke vervolgstap passend is. −− Als er geen feiten zijn die tot zorgen leiden, dan wordt het onderzoek afgesloten en/of krijgt het kind en/of gezin zo nodig de gewenste steun. −− Als er wel feiten zijn en het gezin lijkt er met informele of professionele steun uit te komen, dan is er geen vervolgonderzoek nodig. −− Komt het gezin er niet uit en wenst het geen hulp, terwijl dat wel nodig lijkt om de zorgen te verminderen, of blijft er onduidelijkheid bestaan over de situatie, dan volgt vervolgonderzoek. 4.3.2
Een uitgebreid onderzoek
van een uitgebreid onderzoek kan een (familie)netwerkberaad georganiseerd worden om deze vragen te beantwoorden. Dit beraad moet weer leiden tot een beslissing over de vervolgstappen. De informatieverzameling vindt ook hier zoveel mogelijk samen met het gezin plaats, maar er kan ook zonder toestemming van het gezin informatie worden bijeengebracht. −− Als er geen feiten meer zijn, of als er grote kans is dat het gezin er zelf uitkomt – al dan niet met informele steun of vrijwillige hulp – dan zijn er geen verdere stappen nodig. −− Als er nog steeds feiten zijn, de zorgen groot blijven en de betrokken gezinsleden en professionals het niet eens worden over of het goed komt en wat er moet gebeuren, dan kan het gezin, of een reeds betrokken professional een onafhankelijke deskundige inschakelen om mee te kijken: waarom is er geen overeenstemming en hoe moeten we verder? −− In het geval dat er onduidelijkheid blijft bestaan en de zorgen onverminderd voortduren, kan het Regionaal Veiligheidsteam de daartoe bevoegde instantie (bijvoorbeeld de rechter) vragen om een beslissing te nemen over de inzet van een gedwongen maatregel.
Een vervolgonderzoek bestaat uit een uitgebreide informatieverzameling en besluitvorming. Centraal staan twee vragen. Wat er aan de hand is en waarom er geen overeenstemming bestaat over wat er nodig is om de zorgen te verminderen. Als onderdeel
46
4.4
Vindbare en professionele (vrijwillige en gedwongen) hulp organiseren en verstrekken
Het organiseren en verstrekken van vindbare en professionele hulp betreft het tijdig inzetten van hulp voor kinderen en gezinnen waar sprake is van zorgen over ontwikkelingsbedreiging of onveiligheid. De hulp is eerst gericht op het wegnemen, terugdringen of sterk verminderen van die zorgen. Uiteraard met oog voor de mogelijke oorzaken van de ontwikkelingsbedreiging bij kinderen en/of onveiligheid in gezinnen. In tweede instantie is de hulp gericht op het herstel of beperken van de negatieve gevolgen van de ontwikkelingsbedreiging of onveiligheid. Als de zorgen lijken samen te hangen met problematiek van de ouders moeten ook die problemen aandacht kunnen krijgen. Ouders wordt dan passende ondersteuning geboden, met daarnaast voldoende aandacht voor de betrokken kinderen en wat zij nodig hebben. Er kunnen in het gezin verschillende soorten hulp worden georganiseerd en verstrekt, variërend van bijvoorbeeld een maatwerkvoorziening, specialistische jeugdhulp, GGZ-zorg, huisverbod, bestaanszekerheid, of de inzet van een gedwongen maatregel die door de rechter wordt uitgesproken.
Het gaat hierbij kort samengevat om doelen stellen, de invulling van de hulp afspreken, de hulp uitvoeren, het monitoren van de resultaten en – waar nodig – de overdracht naar andere professionals en/of het eigen netwerk van het gezin. Tijdens de uitvoering is samenwerking belangrijk, ten behoeve van de coördinatie en inhoudelijke afstemming van de ingezette hulp en (informele) steun.
4.5
Bij spoed directe veiligheid organiseren
Bij spoed moet het mogelijk zijn om directe veiligheid te organiseren. Het gaat dan om snel handelen in situaties van acute onveiligheid, teneinde: −− De acute onveiligheid af te wenden, ofwel een groot risico op ernstig letsel of trauma tot een aanvaardbaar niveau terug te brengen. −− Ruimte te maken voor het werken aan het wegnemen of terugdringen van de oorzaken van de ontwikkelingsbedreiging bij kinderen en/of onveiligheid in gezinnen.
Voorafgaand aan en tijdens het organiseren en verstrekken van hulp wordt één plan gemaakt, dat vervolgens de aanpak ondersteunt.
47
4.6
Het verzoeken om gedwongen maatregelen
Soms worden de professionele hulpverlener(s) en het gezin, of leden van het gezin het niet met elkaar eens over wat er aan de hand is, of wat er moet gebeuren om de zorgen te verminderen. Dan kan het nodig zijn de rechter (of de burgemeester) te vragen om knopen door te hakken. Dat kan ertoe leiden, dat de rechter (of de burgemeester) besluit om een maatregel/vorm van gedwongen hulp in te zetten. Het is de taak van de professionals om een zaak bij de rechter (of de burgemeester) goed voor te bereiden en helder te onderbouwen waarom een maatregel passend is. Juridische expertise is beschikbaar voor professionals om hen te adviseren over welke maatregel mogelijk is en wat de procedure is om over de inzet van die maatregel te beslissen.
4.7
Toetsen en tegenspraak organiseren
Bij de uitvoering van maatregelen die een vorm van gedwongen hulp inhouden, is het belangrijk om blinde vlekken en tunnelvisie te voorkomen. Zulke ingrijpende beslissingen – zoals het voorleggen van een zaak aan de rechter – dienen met tegenspraak te worden getoetst. Is dat wat is bedacht, ook echt de beste oplossing voor het gezin? Volgt de beslissing uit de verzamelde informatie, en
is er voldoende (juridische) onderbouwing voor een gedwongen maatregel? Deze toetsing en tegenspraak wordt zoveel als mogelijk dichtbij de professionals georganiseerd, die betrokken zijn bij het gezin. Tegenspraak organiseren omvat ook de mogelijkheid om contraexpertise in te roepen door de rechter.
4.8
Het beslissen en uitspreken van gedwongen maatregelen
Indien geoordeeld wordt dat een gedwongen maatregel passend is in een specifieke situatie, dan beslist de rechter (of de burgemeester) of de maatregel wordt ingezet. De rechter toetst of aan de wettelijke grond is voldaan en spreekt de maatregel uit. Zijn er meer maatregelen die nodig zijn of al lopen, dan wordt hierover zoveel als mogelijk door dezelfde rechter beslist. Zo nodig kan de rechter een deskundige verzoeken een contra-expertise uit te voeren, of nadere informatie te verzamelen die nodig is om een tot een afgewogen beslissing te komen.
48
4.9
Het bieden van rechtsbescherming aan kinderen en gezinnen
Kinderen en gezinnen waar sprake is van zorgen over hun ontwikkelingsbedreiging of veiligheid hebben te allen tijde rechtsbescherming. Er is deskundige en onafhankelijke cliëntondersteuning en/of een vertrouwenspersoon beschikbaar. Het gaat in dit geval over ondersteuning met informatie, advies en bemiddeling, en kennis van zaken. Daarnaast is voor vragen over de noodzaak van de inzet van gedwongen maatregelen rechtsbijstand beschikbaar voor ouders. Er zijn transparante en navolgbare klachtprocedures. Gezinnen die behoefte hebben aan ondersteuning bij het indienen van een klacht kunnen hiervoor bijvoorbeeld terecht bij het Advies- en Klachtenbureau Jeugdzorg (AKJ).
49
Bijlage 5 - Juridische implicaties Het samenvoegen van functionaliteiten van de Gecertificeerde Instellingen, de Raad voor de Kinderbescherming en Veilig Thuis heeft organisatorische, arbeidsrechtelijke, juridische en financiële gevolgen. Met elkaar moet tot een nieuwe governance, werkklimaat en cultuur worden gekomen. Sommige veranderingen vragen om aanpassing, om het samenvoegen van, of mogelijk om volledig nieuwe wet- en regelgeving. Sommige consequenties zijn nu al duidelijk. Andere zullen gedurende de doorontwikkeling van het scenario zichtbaar gaan worden.49
5.1
Van allemaal eigen naar gezamenlijke (wettelijke) kaders
Het is moeilijk om op voorhand goed te kunnen overzien welke wet- en regelgeving straks voor de regionale veiligheidsteams zou moeten gelden. De huidige organisaties kennen allemaal hun eigen wet- en regelgeving, protocollen, kwaliteits- en beleidskaders en werkprocessen. Zo zijn de wettelijke taken van Veilig Thuis neergelegd in de Wmo 2015; die van de Raad voor de Kinderbescherming, Gecertificeerde Instellingen en jeugdhulpaanbieders in de Jeugdwet en andere
49 50
wetten. Ook de bijbehorende rechtsbescherming is verschillend. Deze omstandigheid maakt samenwerken niet evident. Het leidt tot vragen over wat er mogelijk is en over welke regelgeving en rechtsbescherming geldig is. Soms blijkt er op grond van de wet meer mogelijk dan gedacht en zijn het vooral eigen ontwikkelde werkwijzen, protocollen en cultuur die belemmerend werken. Iedere professional en organisatie is er bij de uitoefening van de werkzaamheden op gericht om te voldoen aan de eigen kaders. Begrijpelijk, want bij een (tucht)klacht wordt van een professional verwacht, dat die kan laten zien binnen die kaders te hebben gehandeld. De organisaties waar zij werken, moeten zich ten aanzien van hun toezichthouders verantwoorden voor het voldoen aan de wet- en regelgeving die op de organisatie van toepassing is. Een (stapsgewijze) harmonisatie en aanpassingen van bestaande wet- en regelgeving is nodig om tot een eenduidig wettelijk kader voor de veiligheidsteams te komen. Ook de samenwerking tussen het Lokaal Team en het Regionaal Veiligheidsteam moet duidelijk in (wettelijke) kaders zijn verankerd. Een eerste verkenning van welke kaders er zijn per organisatie kan helpen om inzichtelijk te maken wat hiervoor nodig is. Ten behoeve van de pilots jeugdbescherming is hiervoor een eerste aanzet gedaan.50
Een lerende evaluatie van 6 pilots jeugdbescherming. Zoektochten in beeld, Vrije Universiteit Athena Instituut. Zie Overzicht wettelijke kaders, juridische vraagstukken en rechtsbescherming cliënten, waarin inzichtelijk is gemaakt welke wet- en regelgeving nu op de verschillende organisaties van toepassing is..
50
5.2
(Wettelijke) taken huidige organisaties
In dit toekomstscenario is op hoofdlijnen weergegeven hoe het toekomstscenario van de kind- en gezinsbescherming eruit zou kunnen gaan zien. Wat dit concreet betekent voor de huidige taken van de verschillende organisaties en voor de werkprocessen die hierbij horen, zoals op het gebied van het jeugdstrafrecht en de samenwerking met de politie en het Openbaar Ministerie, moet nog nader in kaart worden gebracht. Daarnaast constateert het Sociaal en Cultureel Planbureau (SCP) dat de afbakening tussen de wetten in het zorglandschap niet altijd duidelijk is.51 Met het Regionaal Veiligheidsteam wordt expliciet een verbinding gelegd tussen het zorg- en het veiligheidsdomein. Hiervoor is een goede infrastructuur nodig. Bij de verdere ontwikkeling van het scenario kan hiervoor aansluiting worden gezocht bij bestaande structuren waar verbinding plaatsvindt tussen zorg en veiligheid, zoals de Zorg- en Veiligheidshuizen, die met de Wet gegevensverwerking door samenwerkingsverbanden (Wgs) van een wettelijke basis zijn voorzien als het gaat om een grondslag voor de gegevensverwerking.52
5.3
Knip regie en hulpverlening
Op grond van de huidige wetgeving kunnen kinderbeschermingsmaatregelen53 en jeugdreclassering54 alleen worden uitgevoerd door een Gecertificeerde Instelling.55 Daarnaast is in de Jeugdwet vastgelegd dat de Gecertificeerde Instelling mag bepalen welke jeugdhulp nodig is, maar niet zelf jeugdhulp mag verlenen.56 In de toelichting bij de Jeugdwet staat als reden voor deze scheiding, dat de (gezins)voogdijwerker en de jeugdreclasseerder primair casusregisseurs zijn en geen hulpverleners. En dat het daarom in de rede ligt, dat een Gecertificeerde Instelling niet tevens jeugdhulp kan aanbieden, aangezien dat zou kunnen leiden tot belangenverstrengeling, omdat de (gezins)voogdijwerker en de jeugdreclasseerder dan jeugdhulp van de eigen organisatie zouden kunnen inschakelen. Eén van de ervaren knelpunten in het huidige jeugdbeschermingsstelsel is dat veel professionals een regie- en/of onderzoeksrol hebben en hierdoor niet in het gezin zelf aanwezig zijn om hulp en ondersteuning te bieden. Een herijking van termen als regie, (gespecialiseerde) hulp, begeleiding en ondersteuning in de bestaande wet- en regelgeving kunnen duidelijkheid bieden over de kerntaken van de betrokken professionals uit het Lokaal Team en/of het Regionaal Veiligheidsteam. Ook vraagt het vertrouwen te hebben dat professionals steeds op zoek gaan naar een
51
Sociaal en Cultureel Planbureau (2020). Sociaal domein op koers? Verwachtingen en resultaten van vijf jaar decentraal beleid. Meerjarenagenda Zorg- en Veiligheidshuizen 2021-2024. 53 Artikel 1.1. Jeugdwet: kinderbeschermingsmaatregel: voogdij en voorlopige voogdij op grond van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 255, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek en voorlopige ondertoezichtstelling, bedoeld in artikel 257, eerste lid, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek. 54 Artikel 1.1. Jeugdwet: Jeugdreclassering: reclasseringswerkzaamheden, genoemd in artikel 77hh, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht, begeleiding, genoemd in artikel 77hh, tweede lid, van dat wetboek en het begeleiden van en toezicht houden op jeugdigen die deel nemen aan een scholings- en trainingsprogramma als bedoeld in artikel 3 van de Beginselenwet justitiële jeugdinrichtingen, het geven van de aanwijzingen, bedoeld in artikel 12, vijfde lid, van die wet, of de overige taken die bij of krachtens de wet aan de gecertificeerde instellingen zijn opgedragen. 55 Artikelen 1.1 en 3.2 Jeugdwet. 56 Artikel 3.5 lid 1 Jeugdwet. 52
51
combinatie van hulp en begeleiding, die bijdraagt aan verbetering van de veiligheid voor alle gezinsleden in het gezin. Conform de uitgangspunten van het toekomstscenario is het verder belangrijk dat uit de herijking blijkt dat professionals in de uitvoering voldoende tijd hebben om kinderen en gezinnen een luisterend oor te bieden en hun vragen te beantwoorden. Tevens moeten zij ruimte hebben en ervaren om te doen wat zij nodig achten om het kind en het gezin goed te ondersteunen en om zo nodig aanvullende expertise erbij te halen. Het Athena-instituut constateerde in zijn onderzoek naar de pilots jeugdbescherming frictie bij de wettelijke knip tussen regie en hulp die nu in het jeugdbeschermingsstelsel is aangebracht. Professionals ervaren deze knip als kunstmatig en niet-relevant.57 In de Jeugdwet is een experimenteerartikel (artikel 12.1) opgenomen. Dat bepaalt dat afgeweken mag worden van de bepaling dat de Gecertificeerde Instelling geen jeugdhulp mag verlenen. Deze bepaling is opgenomen om de ontwikkeling van vernieuwende organisatie- en werkvormen niet te frustreren. In het onderhavige artikel is daarom de mogelijkheid opgenomen om bij Algemene Maatregel van Bestuur, in het kader van een experiment, af te wijken van artikel 3.2, tweede lid.
Bij deze AMVB moeten de voorwaarden worden aangegeven waaronder van artikel 3.2, tweede lid, kan worden afgeweken, evenals het doel dat met het experiment wordt
57 58
beoogd. Deze voorwaarden kunnen voorkomen dat de hierboven genoemde belangenverstrengeling plaatsvindt. De toepassing van deze bepaling leidt tot het opheffen van een belemmering die nu wordt ervaren om tot een verdere ontwikkeling van een geïntegreerd Regionaal Veiligheidsteam te komen.58
5.4
Uitvoeren kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering
De kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering kunnen nu alleen worden uitgevoerd door een Gecertificeerde Instelling als bedoeld in artikel 1.1 van de Jeugdwet. De normen waaraan deze instellingen moeten voldoen, zijn door het Ministerie van Justitie en Veiligheid in samenspraak met de VNG en het werkveld geformuleerd in een Normenkader. De richtlijnen voor de certificerende instelling zijn opgenomen in het Certificatieschema voor toetsing van het kwaliteitsmanagementsysteem van uitvoerende organisaties voor Jeugdbescherming en Jeugdreclassering. Het Ministerie van Justitie en Veiligheid is eigenaar van het Normenkader en het Certificatieschema. In het nieuwe toekomstscenario zullen taken van de Gecertificeerde Instelling bij het Regionaal Veiligheidsteam worden belegd. Welke consequenties dit precies heeft voor de huidige certificeringseisen om kinderbeschermingsmaatregelen en jeugdreclassering te mogen uitvoeren, of voor het Normenkader, moet nog nader worden onderzocht en bepaald.
Een lerende evaluatie van 6 pilots jeugdbescherming. Zoektochten in beeld, Vrije Universiteit Athena Instituut. Tweede Kamer, vergaderjaar 2012-2013, 33 684, nr. 3.
52
5.5
Inzetten hulp voor ouders
De Jeugdwet stelt dat de Gecertificeerde Instelling bepaalt of en, zo ja, welke jeugdhulp nodig is bij de uitvoering van een kinderbeschermingsmaatregel of jeugdreclassering. Bij een kinderbeschermingsmaatregel wordt het ouderlijk gezag beperkt of geschorst/beëindigd als een ouder niet in staat is om op een verantwoorde wijze uitvoering te geven aan het ouderlijk gezag. De ontwikkelingsbedreiging van het kind komt meestal voort uit of hangt samen met problemen van en/of tussen de ouders. Het zijn dan de ouders die met hun problemen aan de slag moeten. Het inzetten van jeugdhulp is daarbij niet altijd passend. De effectiviteit van een kinderbeschermingsmaatregel kan worden vergroot als er ook de mogelijkheid bestaat om GGZ-hulp of andere hulp voor ouders te kunnen bepalen. Het is soms echter lastig om ouders te motiveren om dit te gaan doen. In de recent door de Tweede Kamer aangenomen motie Van Toorenburg c.s., over afdwingbare ondertoezichtstelling van opvoeders, is de regering verzocht om in het onderhavige toekomstscenario expliciet de interventiemogelijkheden binnen de civielrechtelijke kinderbescherming uit te breiden met afdwingbare ondertoezichtstelling van opvoeders. Het doel hiervan is hen te bewegen om hulp te accepteren.59
59 60
In het toekomstscenario wordt benadrukt dat met een gezinsgerichte blik hulp, begeleiding en ondersteuning wordt geboden. Dat impliceert dat als de ontwikkelingsbedreiging van een kind voortkomt uit de problemen van de ouders, het de ouders zijn die met hun problemen aan de slag moeten. Bijvoorbeeld door aan concrete doelen te werken om een eventueel opgelegde beperking van het gezag te kunnen beëindigen. Dat vraagt ook om het zo nodig toevoegen van gespecialiseerde hulp, zoals de volwassen GGZ en de eventuele inzet van een gedwongen maatregel die zich richt op de ouders. Dergelijke maatregelen kunnen door het Regionaal Veiligheidsteam worden ingezet en beperken zich niet, zoals dat nu bij de Gecertificeerde Instelling het geval is, tot alleen de inzet van jeugdhulp. De motie geeft aanleiding en mogelijkheden om afdwingbare hulp voor ouders verder te onderzoeken.
5.6
Schriftelijke aanwijzing
Binnen de huidige wettelijke kaders kan een schriftelijke aanwijzing worden ingezet om met gezag ouders te bewegen aan de slag te gaan met hun problemen. Deze schriftelijke aanwijzing kan worden bekrachtigd door de kinderrechter, waarbij de Gecertificeerde Instelling kan verzoeken om het toepassen van een dwangmiddel. De jurisprudentie biedt aanknopingspunten om de schriftelijke aanwijzing ook in te zetten om ouders te bewegen mee te werken aan bijvoorbeeld een NIFP-onderzoek.60
Tweede Kamer, vergaderjaar 2020–2021, 35 570 VI, nr. 48. Zie bijvoorbeeld Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 7 mei 2019, ECLI:NL:GHARL:2019:3940.
53
Een dialoog tussen kinderrechters en Gecertificeerde Instellingen over de inzet van een schriftelijke aanwijzing, kan jeugdbeschermers op de korte termijn al duidelijkheid geven over de mogelijkheid om ouders via deze weg te bewegen aan de slag te gaan met hun problemen. Een beperking van de huidige schriftelijke aanwijzing is dat deze nu alleen aan een ouder kan worden gegeven, die belast is met het ouderlijk gezag. Bij een gezinsgerichte aanpak is de inzet gericht op alle opvoeders. Het verdient aanbeveling bij de evaluatie van de huidige kinderbeschermingsmaatregelen aan dit punt aandacht te besteden.
5.7
Checks and balances
De Raad voor de Kinderbescherming heeft als een van haar wettelijke taken te onderzoeken, op basis van een zorgmelding over de opvoedingssituatie en ontwikkeling van minderjarige kinderen, of een kinderbeschermingsmaatregel nodig is. Zo ja, dan verzoekt de Raad aan de kinderrechter om een kinderbeschermingsmaatregel uit te spreken. Een belangrijk argument van de wetgever om de Raad voor de Kinderbescherming (en het openbaar ministerie) bevoegd te maken tot het initiëren van een kinderbeschermingsmaatregel, is
dat ingrijpen in het familie- en gezinsleven moet worden gedaan door een overheidsorgaan. En dat overheidsorgaan moet daarop rechtstreeks aangesproken kunnen worden. Een duidelijke scheiding tussen uitvoering van de maatregel en de beslissingsbevoegdheid is aangewezen, opdat kan worden geborgd dat de beslissing en het onderzoek dat erop is gericht om de noodzaak van een maatregel te kunnen onderbouwen, qua procedure en inhoudelijk rechtmatig zijn. In het toekomstscenario wordt de toetsende taak bij het Regionaal Veiligheidsteam neergelegd. Wat betekent dit voor de rechtswaarborgen voor het gezin? Bij de inzet van hulp en steun wordt altijd toetsing en tegenspraak georganiseerd. Indien de inzet van een juridische maatregel nodig wordt gevonden, doen niet bij het gezin betrokken professionals uit het Regionaal Veiligheidsteam de tegenspraak en de toetsing. Overheidsingrijpen in gezinnen door de inzet van een juridische maatregel is een zwaar middel. Adequate checks en balances zijn nodig om dit zorgvuldig te doen. Een te lichtvaardig ingrijpen, het niet voldoende luisteren naar het gezin, het niet respecteren van hun rechten, en belangenverstrengeling van professionals en organisaties, kunnen leiden tot onrechtmatig handelen van professionals en organisaties.
Daarom moet met voldoende distantie ten opzichte van het gezin en betrokken professionals, worden getoetst of het genomen besluit zorgvuldig tot stand is gekomen.
54
Deze toets kan dus ook opleveren, dat geen verzoekschrift wordt ingediend, omdat een juridische maatregel toch een te zwaar middel wordt geacht. Of dat eerst onzorgvuldigheden die zijn geconstateerd moeten worden gecorrigeerd, voordat een verzoek aan de rechter kan worden gegaan tot het uitspreken van een maatregel. Verzoekschrift en rapportages moeten begrijpelijk en goed onderbouwd zijn. Hoor en wederhoor dient te zijn toegepast, opdat de stukken door de rechter op waarde kunnen worden geschat en herkenbaar zijn voor het gezin. Hierbij is ook aandacht voor de belangen en de stem van de betrokken kinderen. Het gezin zal, ook in situaties dat er geen overeenstemming is tussen het gezin en de betrokken professionals over wat er aan de hand is en/of moet gebeuren, te allen tijde moeten kunnen vertrouwen op de checks en balances in de nieuwe samenwerking van Lokaal Team en Regionaal Veiligheidsteam.
5.8
Rechtsbescherming
De huidige wet- en regelgeving kent een diversiteit aan rechtsbescherming en rechtsgangen.61 Tegen het inzetten van jeugdhulp (alsook een maatwerkvoorziening op grond van de Wmo 2015) in het vrijwillig kader staat, bijvoorbeeld, de bestuursrechtelijke weg van bezwaar en beroep open. Dit geldt niet als jeugdhulp door
de (huis)arts of Gecertificeerde Instelling62 wordt ingezet. Welke bevoegdheden heeft het Regionale Veiligheidsteam en welke rechtsbescherming is daarbij passend? Het gezin heeft rechten als het gaat over de verwerking van hun persoonsgegevens, zoals het recht op inzage. Zowel de Jeugdwet als de Wmo 2015 kennen in aanvulling op de AVG hiervoor nadere bepalingen. Bijvoorbeeld als een cliënt het niet eens is met een (gedeeltelijke) afwijzing van het verzoek om inzage. Is dit verzoek door een bestuursorgaan afgewezen, dan staat de weg van bezwaar en beroep open. Wordt het besluit niet genomen door een bestuursorgaan, dan kan een verzoek worden ingediend bij de civiele rechter. Een Gecertificeerde Instelling fungeert ook deels als een bestuursorgaan en hiervoor is in artikel 7.3.17 Jeugdwet expliciet bepaald, dat de civiele rechter bevoegd is om te beslissen over geschillen zoals het inzagerecht. Veilig Thuis kent verschillende organisatievormen en is bijvoorbeeld een onderdeel van de GGD. Over welke rechtsbescherming dan openstaat, bestaat onduidelijkheid.63 Bij de verdere uitwerking en ontwikkeling van het toekomstscenario zal bekeken moeten worden wat een passende en eenduidige rechtsbescherming is.
61
Zie ook ‘Overzicht wettelijke kaders, juridische vraagstukken en rechtsbescherming cliënten, opgesteld t.b.v. de pilots Jeugdbescherming en andere initiatieven. Bijlage 2, artikel 1 Algemene wet bestuursrecht. 63 Mr. L.A. Huitema, ‘Leidt beleidsvrijheid van gemeenten bij de organisatie van Veilig Thuis tot rechtsongelijkheid?’, Tijdschrift voor Jeugdrecht, aflevering 1 2020. 62
55
5.9
Informatiepositie
De huidige organisaties Veilig Thuis, de Raad voor de Kinderbescherming en Gecertificeerde Instellingen hebben exclusieve bevoegdheden als het gaat om het samenbrengen van informatie. Hierbij zijn zij niet afhankelijk van de toestemming van de betrokken gezinsleden. En ook professionals hebben op grond van de wet ruimte om met doorbreking van hun geheimhoudingsplicht informatie aan deze organisaties te verstrekken. Als er sprake is van een ondertoezichtstelling is een professional zelfs wettelijk verplicht om informatie aan de jeugdbeschermer te verstrekken, indien deze informatie noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de ondertoezichtstelling.64 Het vergt nadere uitwerking hoe de bevoegdheden voor Regionale Veiligheidsteams geregeld moeten worden. De ervaringen van de pilots jeugdbescherming kunnen op dit punt worden benut.
5.10
Inzet juridische maatregelen
Zowel het Lokaal Team als het Regionaal Veiligheidsteam werkt vanuit een gezinsbreed perspectief. Er bestaat een palet aan maatregelen, zowel civiel-, bestuurs- als strafrechtelijk, zowel voor volwassenen als kinderen. De huidige juridische maatregelen kennen allemaal hun eigen wettelijke kaders, procedures en
64
bijbehorende rechtsbescherming. Ook zijn er verschillende rechters die de maatregelen kunnen uitspreken. Zo wordt een kinderbeschermingsmaatregel uitgesproken door de kinderrechter. Maar als er tussen ouders geschillen zijn over de kinderen, beslist de familierechter hierover. Een beschermingsmaatregel voor volwassenen, zoals een ondercuratelestelling, wordt door de kantonrechter uitgesproken. Verkend zou kunnen worden of het mogelijk is om in de nabije toekomst tot een harmonisatie of hybride toepassing van de diverse (wettelijke) maatregelen en rechtsgangen te komen.
5.11
Verwerken van persoonsgegevens
In het toekomstscenario wordt ingezet op – verder gaande – samenwerking en het samenvoegen van expertises en bevoegdheden. Het uitgangpunt van de Jeugdwet: ‘één gezin, één plan’ blijft van kracht. Dit betekent dat tussen het Lokaal Team en het Regionaal Veiligheidsteam persoonsgegevens van gezinnen worden verwerkt. Welke informatie over gezinnen mogen de professionals op welke momenten met elkaar delen? Hoe verhoudt zich dit tot het beroepsgeheim/de geheimhoudingsplicht? En kan gewaarborgd worden dat gezinnen adequaat kan worden uitgelegd wat er met
Artikel 7.3.11, vierde lid Jeugdwet.
56
hun persoonsgegevens gebeurt en met wie ze worden gedeeld? De ervaring leert dat dit geen eenvoudige vraagstukken zijn, temeer omdat ze kunnen leiden tot handelingsverlegenheid bij professionals en/of tot onzorgvuldige en bovenmatige verwerking van persoonsgegevens.65 Dit onderwerp vergt terdege aandacht in de eerste fase van beproeven en ontwikkelen, zo is ook terug te zien bij de pilots Jeugdbescherming. Bij de verdere uitwerking van dit onderwerp kan aansluiting worden gezocht bij het traject Uitwisseling persoonsgegevens en privacy (UPP), dat overigens ook ziet op de gegevensdeling binnen de Zorg- en Veiligheidshuizen.
5.12
Handelingsruimte
Om stapsgewijs tot de stip op de horizon te komen en een effectieve kind- en gezinsbescherming te realiseren, is handelings- en experimenteerruimte nodig. Daarom dient verkend te worden wat hiervoor nodig is.66
65 66
Privacy in het sociaal domein: het pettenvraagstuk. M.J. Jacobs ‘Experimentele wetgeving’. Zie ook bijlage 5, § 5.3 over het experimenteerartikel in de Jeugdwet.
57
Colofon Dit toekomstscenario is het resultaat van een intensieve samenwerking tussen de Vereniging van Nederlandse Gemeenten en de ministeries van Justitie en Veiligheid en Volksgezondheid, Welzijn en Sport (de drie opdrachtgevers), alsmede de bestuurlijke kerngroep en vele andere partijen, onder leiding van kwartiermaker Willemijn Helmich. Tekst: Willemijn Helmich en EMMA, Experts in Media en Maatschappij Vormgeving: Nanny van den Boogaart, Communicatie InBlik Illustraties: Lilian Leahy, De Betekenaar Noot bij de illustraties: de poppetjes in de afbeeldingen representeren mensen van alle genders en van alle culturele, religieuze en etnische achtergronden.
58