12.1 gewijzigd Concept APV 2022
Tekst van het document
Artikel 5:29 Reddingsmiddelen Het is verboden een voor het redden van drenkelingen bestemd en daartoe bij het water aangebracht voorwerp te gebruiken voor een ander doel dan wel voor dadelijk gebruik ongeschikt te maken.
Artikel 5:30 Veiligheid op het water 1. Het is aan een ieder die zich als bader of zwemmer in het openbaar water ophoudt, verboden zich zodanig te gedragen dat het scheepvaartverkeer daarvan hinder of gevaar kan ondervinden. 2. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door het Binnenvaartpolitiereglement, de Waterwet of de Vaarwegverordening Gelderland 2009.
Artikel 5:31 Overlast aan vaartuigen 1. Het is verboden zonder redelijk doel zich vast te houden aan een vaartuig in openbaar water, daarop te klimmen of zich daarop of daarin te begeven of te bevinden. 2. Het is aan degene die daartoe niet bevoegd is verboden een vaartuig, liggend in of aan een openbaar water, los te maken. Afdeling 6A Gebruik van het openbaar water in de Gouden Ham Artikel 5:32a Begripsbepalingen In deze afdeling wordt verstaan onder: a. De Gouden Ham: het gebied gelegen binnen de door de bolletjeslijn op de bestemmingsplankaart aangegeven grenzen van het bestemmingsplan “De Gouden Ham/ De Schans” plankaart 10248d; b. openbaar water: het- al dan niet met enige beperkingen- voor het publiek toegankelijke water binnen “De Gouden Ham”; c. motorvaartuig: elk vaartuig, dat uitsluitend of mede door een mechanische kracht op of aan dat vaartuig aanwezig wordt voortbewogen of bestemd is om op een zodanige wijze te worden voortbewogen; d. waterskiën: het zich op ski’s of op een plank of soortgelijke wijze door of onder het water langs mechanische weg doen of laten voortbewegen; e. valschermzweven: het zich door middel van mechanische kracht doen of laten voortbewegen door of over het water teneinde uit het water op te stijgen en met een valscherm te dalen.
Artikel 5:32b Motorvaartuigen 1. Het is verboden op of in openbaar water: a. met een motorvaartuig te varen met een snelheid hoger dan 9 km per uur;
41
b. met enig vaartuig zodanig te varen, dat er hinder of gevaar voor andere gebruikers van het openbaar water kan worden veroorzaakt; c. de motor(en) van motorvaartuigen te laten draaien met ingeschakelde schroef (schroeven), terwijl het vaartuig ligt afgemeerd, althans stil ligt aan een steiger of in een haven, zodanig dat de afstand van de schroef tot de steiger of oeverlijn aanleiding kan geven tot beschadiging van oevers, steigers en andere waterbouwkundige werken, alsmede van de oeverbeplanting; d. met de motor(en) van motorvaartuigen onnodig lawaai te veroorzaken en de motor(en) van motorvaartuigen tijdens het stilleggen onnodig in werking te hebben; e. te waterskiën; f. te valschermzweven. 2. De eigenaar van een vaartuig is verplicht er zorg voor te dragen dat daarmee niet in strijd met deze verordening wordt gevaren. 3. Van het in het eerste lid onder a, e en f gestelde kan door het college een ontheffing worden verleend. Afdeling 7 Crossterreinen en gemotoriseerd en ruiterverkeer in natuurgebieden Artikel 5:33 Vervallen.
Artikel 5:34 Crossterreinen 1. Het is verboden op enig terrein, geen weg zijnde, met een motorvoertuig of een bromfiets te crossen buiten wedstrijdverband, een wedstrijd dan wel, ter voorbereiding van een wedstrijd, een trainings- of proefrit te houden of te doen houden dan wel daaraan deel te nemen, dan wel een motorvoertuig of een bromfiets met het kennelijke doel daartoe aanwezig te hebben. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen plaatsen. Het college kan daarbij nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen of beperken van overlast; b. de bescherming van het uiterlijk aanzien van de omgeving en ter bescherming van andere milieuwaarden; c. de veiligheid van de deelnemers van de in het eerste lid bedoelde wedstrijden en ritten of van het publiek. 3. Het verbod in het eerste lid is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht, het Besluit omgevingsrecht, de Zondagswet of het Besluit geluidproduktie sportmotoren.
Artikel 5:35 Beperking verkeer in natuurgebieden 1. Het is verboden binnen voor publiek toegankelijke natuurgebieden, parken, plantsoenen of voor recreatief gebruik beschikbare terreinen te rijden of zich te bevinden met een motorvoertuig, een bromfiets, een fiets of een paard. 2. Het verbod is niet van toepassing op door het college aangewezen terreinen. Het college kan nadere regels stellen voor het gebruik van deze terreinen in het belang van: a. het voorkomen van overlast; b. de bescherming van natuur- of milieuwaarden; c. de veiligheid van het publiek. 3. Het verbod is niet van toepassing op motorvoertuigen, bromfietsen, fietsen en paarden: a. ten dienste van politie, brandweer en geneeskundige hulpverlening en van andere krachtens artikel 29, eerste lid Reglement Verkeersregels en verkeerstekens 1990 door de bevoegde minister aangewezen hulpverleningsdiensten; b. die worden gebruikt in verband met beheer, onderhoud of exploitatie van de terreinen als in het eerste lid bedoeld;
42
c. die worden gebruikt in verband met werken die krachtens wettelijk voorschrift moeten worden uitgevoerd; d. van de zakelijk gerechtigden, huurders en pachters van percelen die gelegen zijn binnen de terreinen als in het eerste lid bedoeld; e. voor het verkeer ten behoeve van bezoek en van de verzorging van de onder d bedoelde personen. 4. Het verbod is voorts niet van toepassing: a. op wegen die gelegen zijn binnen de in het eerste lid bedoelde gebieden of terreinen; b. binnen de bij of krachtens de Omgevingsverordening Gelderland aangewezen stiltegebieden ten aanzien van motorrijtuigen die bij of krachtens die verordening zijn aangewezen als 'toestel'. 5. Het college kan ontheffing verlenen van het verbod. Afdeling 8 Vuurverbod Artikel 5:36 Verbod afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen of anderszins vuur te stoken 1. Het is verboden in de openlucht afvalstoffen te verbranden buiten inrichtingen in de zin van de Wet milieubeheer of anderszins vuur aan te leggen, te stoken of te hebben. 2. Mits er geen sprake is van gevaar, overlast of hinder voor de omgeving, is het verbod niet van toepassing op: a. verlichting door middel van kaarsen, fakkels en dergelijke; b. sfeervuren zoals terrashaarden en vuurkorven, indien geen afvalstoffen worden verbrand; c. vuur voor koken, bakken en braden. 3. Het college kan van dit verbod ontheffing verlenen. 4.
Onverminderd het bepaalde in artikel 1:8 kan de ontheffing worden geweigerd ter bescherming van de flora en fauna. 5. Het verbod is niet van toepassing op situaties waarin wordt voorzien door artikel 429, aanhef en onder 1’ en 3’, van het Wetboek van Strafrecht of de Omgevingsverordening Gelderland. Afdeling 9 Verstrooiing van as Artikel 5:37 Begripsbepaling In deze afdeling wordt verstaan onder incidentele as verstrooiing: ‘het verstrooien van as als bedoeld in de Wet op de lijkbezorging op een door de overledene of nabestaande(n) gewenste plek buiten een permanent daartoe bestemd terrein’.
Artikel 5:38 Verboden plaatsen 1. Incidentele as verstrooiing is verboden op: a. verharde delen van de weg; b. gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 2. Het college kan voor een bepaalde termijn verbieden dat op andere plaatsen dan die genoemd in het eerste lid as verstrooiing plaatsvindt. 3. Het college kan op verzoek van de nabestaande die zorg draagt voor de urn op grond van bijzondere omstandigheden ontheffing verlenen van het verbod uit het eerste lid, behoudens de gemeentelijke begraafplaatsen en crematoriumterreinen. 4. Op de aanvraag van de ontheffing is paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht (positieve fictieve beschikking bij niet tijdig beslissen) van toepassing.
Artikel 5:39 Hinder of overlast Incidentele as verstrooiing is verboden indien daardoor hinder of overlast wordt veroorzaakt voor derden.
43
Hoofdstuk 6 Sanctie-, overgangs- en slotbepalingen Artikel 6:1 Sanctiebepaling 1. Overtreding van het in deze verordening bepaalde en van de op grond van artikel 1:4 daarbij gegeven voorschriften en beperkingen, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste drie maanden of geldboete van de tweede categorie. 2. In geval van overtreding van de krachtens artikel 3, derde lid, van de Wet veiligheidsregio’s gestelde regels kan het college een bestuurlijke boete opleggen van ten hoogste de geldboete, bedoeld in artikel 64, eerste lid van de Wet veiligheidsregio’s. 3. In afwijking van het eerste en tweede lid is artikel 1a van de Wet op de economische delicten van toepassing op overtreding van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 2:10 en 2:11 als sprake is van een omgevingsvergunningplichtige activiteit, 2:12, eerste lid en 4:11, tweede lid. Artikel 6:2 Toezichthouders 1. Met het toezicht op de naleving van het bij of krachtens deze verordening bepaalde zijn belast: a. de opsporingsambtenaren genoemd in de artikelen 141 en 142 van het Wetboek van Strafvordering; b. functionarissen van de sector brandweer van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid; c. functionarissen werkzaam bij de gemeente West Maas en Waal die door het bevoegd gezag daarvoor zijn aangewezen; d. functionarissen die door het bevoegd gezag zijn aangewezen als toezichthouder of buitengewoon opsporingsambtenaar. 2.
Het college dan wel de burgemeester kan daarnaast andere personen met dit toezicht belasten. 3. Onverminderd het eerste en tweede lid zijn de ambtenaren van de politie, bedoeld in artikel 141, onder b, van het Wetboek van Strafvordering, eveneens belast met het toezicht op de naleving van de bij of krachtens deze verordening gegeven voorschriften. Artikel 6:3 Binnentreden woningen Zij die belast zijn met het toezicht op de naleving of de opsporing van een overtreding van de bij of krachtens deze verordening, gegeven voorschriften welke strekken tot handhaving van de openbare orde of veiligheid of bescherming van het leven of de gezondheid van personen, zijn bevoegd tot het binnentreden in een woning zonder toestemming van de bewoner. Artikel 6:4 Intrekking oude verordening en inwerkingtreding nieuwe verordening 1. De Algemene Plaatselijke Verordening West Maas en Waal 2017 wordt ingetrokken. 2. Deze verordening treedt in werking op de dag na die waarop zij is bekend gemaakt. Artikel 6:5 Overgangsbepaling Besluiten, genomen krachtens de verordening bedoeld in artikel 6:4, eerste lid, die golden op het moment van de inwerkingtreding van deze verordening en waarvoor deze verordening overeenkomstige besluiten kent, gelden als besluiten genomen krachtens deze verordening.
Artikel 6:6 Citeertitel Deze verordening wordt aangehaald als: Algemene Plaatselijke Verordening West Maas en Waal 2022. Aldus vastgesteld in de openbare vergadering op 27 januari 2022. De raad van West Maas en Waal, K.M. (Katinka) Vons griffier
V.M. (Vincent) van Neerbos voorzitter
44