CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

t_NL.IMRO.1960.VURZijl2-VSG1__103431__.pdf

Gemeenteraad 26 januari 2021, gemeente West BetuweBij agendapunt: 10: Gewijzigd vaststellen bestemmingsplan "Zijl 2 te Vuren"14.245 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen · deel 2 van 2

28

5.3 Bedrijven- en milieuzonering Beleidskader De Wet op de ruimtelijke ordening (Wro) bepaalt dat overheden bij het vaststellen van bestemmingsplannen moeten aantonen dat sprake is van een goede ruimtelijke ordening (Wro artikel 3.1 lid 1). Onderdeel hiervan is het zorgen voor een goede milieuzonering: de overheid dient er op toe te zien dat er voldoende afstand in acht wordt genomen tussen enerzijds functies die hinder of gevaar veroorzaken (bijvoorbeeld bedrijven) en anderzijds functies die daar last van hebben (bijvoorbeeld woningen). In de praktijk wordt gebruikgemaakt van de handreiking “Bedrijven en Milieuzonering” van de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG, editie 2009). Deze handreiking beveelt per standaard bedrijfstype een afstand aan tot woningen of andere 'kwetsbare' functies. De afstand hangt onder meer af van de aard van de omgeving: een rustige woonwijk verdient een hoger beschermingsniveau dan een gebied waar al enige hinder is van bedrijven of infrastructuur (gemengd gebied). In de onderstaande tabel zijn de afstanden weergeven.

Tabel 2: Richtafstanden per milieucategorie (bron: VNG-handreiking Bedrijven en Milieuzonering Milieucategorie Rustige woonwijk Gemengd gebied 1 10 m 0m 2 30 m 10 m 3.1 50 m 30 m 3.2 100 m 50 m 4.1 200 m 100 m 4.2 300 m 200 m 5.1 500 m 300 m 5.2 700 m 500 m 5.3 1.000 m 700 m 6 1.500 m 1.000 m Onderzoek Het plan betreft de nieuwbouw van twee vrijstaande woningen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is het plan getoetst aan de richtafstanden van het VNG-Handboek Bedrijven en milieuzonering (editie 2009). In de directe omgeving van het plangebied zijn de in onderstaande tabel aangegeven bedrijven en milieubelastende activiteiten gelegen. Tabel 3: Bedrijf- en milieuhinder van omliggende bedrijven Adres Functie MilieuRichtafstand (SBI 1993) categorie conform VNG (zwaarste) Sportlaan 2 Veldsportcomplex 3.1 50 meter Sportlaan 8 Glastuinbouw2.0 30 meter bedrijf (bloemen) Zijl 4 Tennisbanen 3.1 50 meter Graaf Agrarisch bedrijf 1 3.2 100 meter Reinaldweg 2 Waaldijk 130 Agrarisch bedrijf 2 3.2 100 meter

Werkelijke afstand 240 meter 255 meter 260 meter 340 meter 160 meter

De vrijstaande woningen worden op minimaal 160 meter van de omliggende bedrijven en milieubelastende activiteiten gerealiseerd. Hiermee wordt voldaan aan de gestelde richtafstanden. Op basis hiervan kan worden gesteld dat er sprake is van een acceptabel woon- en leefklimaat en dat de bedrijfsvoering van de omliggende bedrijven niet worden beperkt als gevolg van dit plan. De toelichting over het aspect milieuzonering is beoordeeld en akkoord bevonden door de Omgevingsdienst Rivierenland.

29

Afstand tot agrarisch bedrijf 1: 340 meter Afstand tot glastuinbouwbedrijf: 255 meter

Afstand tot Tennisbanen: 260 meter

Nieuwe vrijstaande woningen

Afstand tot veldsportcomplex: 240 meter Afstand tot agrarisch bedrijf 2: 160 meter

Afbeelding 15: Afstanden tot omliggende bedrijven/milieubelastende activiteiten

Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect bedrijf- en milieuhinder geen belemmeringen.

30

5.4 Bodem Beleidskader Het beleid is erop gericht zorg te dragen dat de bodemkwaliteit geschikt dient te zijn voor het geplande gebruik. Hiervoor is het bij nieuwe ontwikkelingen verplicht een verkennend bodemonderzoek uit te laten voeren. De provincie hanteert de richtlijn dat bij de beoordeling van ruimtelijke plannen tenminste het eerste deel van het verkennend bodemonderzoek, het historisch onderzoek, moet worden verricht. Indien uit het historisch onderzoek wordt geconcludeerd dat op de betreffende locatie sprake is geweest van activiteiten met een verhoogd risico op verontreiniging dan dient het volledig verkennend bodemonderzoek te worden verricht. Onderzoek Om de kwaliteit van de bodem voor het toekomstige gebruik ‘Wonen’ in kaart te brengen is een verkennend bodemonderzoek uitgevoerd. De conclusies uit dit bodemonderzoek luiden: • • •

‘De bovengrond op het onderzochte terreindeel is geheel schoon voor alle parameters uit het standaard NEN 5740-pakket; De ondergrond is geheel schoon voor alle parameters uit het standaard NEN 5740-pakket; In het grondwater uit peilbus 1 overschrijdt het gehalte aan barium de streefwaarde. Dit is een gangbare, niet relevante verhoging.

Op grond van het uitgevoerde onderzoek vormt de bodemkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen bouw van 2 woningen.’ Het bodemonderzoek en de toelichting over het aspect bodem zijn beoordeeld en akkoord bevonden door de Omgevingsdienst Rivierenland. Het bodemonderzoek is uitgevoerd conform de NEN 5725 en NEN 5740 door een erkende instelling en veldwerker. Conclusie Het plan ondervindt wat betreft het aspect bodemkwaliteit geen belemmeringen.

31

5.5 Natuur Beleidskader Bij ruimtelijke ingrepen moet rekening worden gehouden met de natuurwaarden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Gebiedsbescherming kan volgen uit de aanwijzing van een gebied. Voor wat soortenbescherming betreft is de Wet Natuurbescherming toepassing. Hier wordt onder andere de bescherming van plant- en diersoorten geregeld. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet worden getoetst of er sprake is van negatieve effecten op de aanwezige natuurwaarden. Indien hiervan sprake is, moet ontheffing of vrijstelling worden aangevraagd. 5.5.1 Soortenbescherming Om de invloed van de geplande bouw- en sloopwerkzaamheden op de eventueel aanwezige flora en fauna in kaart te brengen is een ecologische quickscan uitgevoerd. De conclusie uit dit onderzoek luidt: ‘De beoogde ontwikkeling leidt, mits enkele algemene maatregelen worden getroffen ten aanzien van de Algemene zorgplicht, foeragerende vleermuizen en algemene broedvogels, niet tot overtreding van de Wet natuurbescherming. De conclusie is dan ook dat de ontwikkeling aan de Zijl 2 te Vuren uitvoerbaar is zoals bepaald in de Wro (art.

3.1.6 Bro).’ Tijdens de werkzaamheden dient voorzichtig te worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht) en de werkzaamheden dienen te worden opgestart/uitgevoerd buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio juli). 5.5.2 Gebiedsbescherming Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk. Op een afstand van circa 0,7 km tot het Natura2000 gebied Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem en op 2,9 km het Natura2000 gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Een gedeelte van de uiterwaarden van de Waal maken deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. De provincie Gelderland heeft om haar biodiversiteit veilig te stellen het Gelders Natuurnetwerk (GNN) in haar beleid opgenomen. Het Gelders Natuurnetwerk is een samenhangend netwerk van bestaande en te ontwikkelen natuur van internationaal, nationaal en provinciaal belang. Dit Gelders Natuurnetwerk bestaat uit alle terreinen met een natuurbestemming binnen de voormalige EHS en bevat tevens een zoekgebied van 7.300 ha voor de te realiseren 5.300 ha nieuwe natuur. In het Gelders Natuurnetwerk mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. Het plangebied valt buiten de grenzen van het Gelders Natuurnetwerk.

Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is.

32

Afbeelding 16: Plangebied in relatie tot Gelders Natuurnetwerk

Afbeelding 17: Plangebied in relatie tot Natura 2000-gebieden

33

5.5.3 Stikstofdepositie Een toename in stikstofdepositie kan een effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Van de Natura2000-gebieden in de omgeving van het plangebied is het gebied ‘Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem’ het dichtstbij gelegen gebied met kwetsbare en gevoelige habitattypen (pas.natura2000.nl). De beoogde ontwikkeling betreft het slopen van bestaande bebouwing (met daarin twee woningen) de realisatie van twee vrijstaande woningen. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd voor de gebruiks- en aanlegfase. Uit de berekening blijkt dat de stikstofdepositie op de Natura 2000-gebieden niet hoger is dan 0,00 mol/ha/jaar. Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage. Het stikstofdepositieonderzoek is beoordeeld en akkoord bevonden door de Omgevingsdienst Rivierenland. Conclusie Er is geen sprake van vergunningplicht op grond van de Wet natuurbescherming. Mits de gestelde maatregelen worden getroffen ondervindt het plan wat betreft flora en fauna geen belemmeringen.

34

5.6 Archeologie en cultuurhistorie Beleidskader Ter bescherming van de cultuurhistorische en archeologische waarden in Nederland dient er volgens de Erfgoedwet, sinds 1 juli 2016 van kracht, bij nieuwe ontwikkelingen te worden gekeken naar de aanwezige waarden. Samen met de nieuwe Omgevingswet maakt de Erfgoedwet een integrale bescherming van ons cultureel erfgoed mogelijk. Gemeentelijk archeologiebeleid In opdracht van de voormalige gemeente Lingewaal heeft in 2008 RAAP Archeologisch adviesbureau uit Amsterdam een archeologische waardenen verwachtingskaart in combinatie met een archeologische beleidskaart opgesteld. De archeologische waarden- en verwachtingskaart en de archeologische beleidskaart zijn in 2011 door Vestigia Archeologie en Cultuurhistorie geactualiseerd. De archeologische waarden- en verwachtingskaart geeft een overzicht van de archeologische vondsten, verwachtingen en vindplaatsen in de gemeente. De archeologische waarden- en verwachtingskaart vormt de basis voor de archeologische beleidskaart. De archeologische beleidskaart geeft het gemeentelijk beleid weer. Op deze beleidskaart en in de begeleidende tekst staat verwoord hoe in het planproces moet worden omgegaan met de verschillende bekende archeologische terreinen en met de verwachtingszones, in het bijzonder in relatie tot ruimtelijke ontwikkelingen.

In de beleidsregels zijn vrijstellingsgrenzen opgenomen voor de oppervlakte en diepte van de voorgenomen ingreep. Indien een plangebied groter is dan de gestelde oppervlakte-ondergrens en de ingreep dieper gaat dan de diepte-ondergrens dient archeologisch onderzoek conform de Archeologische Monumentenzorgcyclus (AMZ-cyclus) te worden uitgevoerd. Op de beleidsadvieskaart is te zien dat het: • Plangebied een middelmatige archeologische verwachting (AWV categorie 8) heeft. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 500 m2 en/of dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. • Plangebied een hoge archeologische verwachting (AWV categorie 6) heeft. Bij ingrepen groter dan of gelijk aan 100 m2 en/of dieper dan 30 cm is archeologisch onderzoek noodzakelijk. Cultuurhistorische waarden Het plangebied is gesitueerd in een cultuurhistorisch waardevolle omgeving (kerngebied van de Nieuwe Hollandse Waterlinie, nabij de Waaldijk en de rivier de Waal). Het Fort Vuren ligt op geruime afstand. Het rivierenlandschap wordt in zijn algemeenheid gekenmerkt door de grote openheid met agrarisch gebied en waterlopen met rechte verkaveling. De Zijl kenmerkt zich echter door een kleinschalig besloten karakter met bestaande woningen met groene besloten tuinen, grote bomen en diverse landschappelijke beplantingen rond het wiel (waterpartij). Hiermee is sprake van een unieke situatie.

De geplande nieuwe woningen zijn gericht naar het cultuurhistorisch en historisch-geografische waardevolle Wiel te Vuren. Tussen het Wiel en de plangebied woningen zit voldoende afstand (doordat de weg Zijl er tussen ligt en ruime groenstroken). Belangrijk is dat de woningen qua nok- en goothoogte aansluiten bij de bestaande bebouwing in de omgeving. De cultuurhistorische waarden van het gebied zijn daarmee gewaarborgd.

35

Deelgebied 1

Nieuwbouw twee solitaire woningen Deelgebied 2

Afbeelding 18: Archeologische beleidsadvieskaart

36

Onderzoek Voor plan is door ADC ArcheoProjecten een bureau- en inventariserend veldonderzoek in de vorm van een booronderzoek uitgevoerd. In deelgebied 2 vinden geen bodemingrepen plaats. Op basis hiervan is deelgebied 2 niet meegenomen in dit onderzoek. De conclusie van dit onderzoek luidt: ‘ADC ArcheoProjecten adviseert om het westelijk deel van het plangebied vrij te geven voor de voorgenomen ontwikkeling, omdat binnen dit terreindeel geen archeologische vindplaats(en) wordt verwacht.’ Het oostelijk deel van het plangebied zal worden ingericht als tuin/grasland. Eventuele bodemingrepen zullen niet dieper reiken dan de bouwvoor. Daarom is dit terreindeel niet onderzocht middels een booronderzoek. Indien wordt afgeweken van de genoemde bestemming wordt alsnog inventariserend veldonderzoek noodzakelijk geacht.’ De resultaten, conclusies en aanbevelingen uit het archeologisch onderzoek zijn beoordeeld en akkoord bevonden door het bevoegd gezag. Op basis van het advies van de Omgevingsdienst Rivierenland (ODR) zijn de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting 1 en 3’ opgenomen op het oostelijke deel van het plangebied.

Waarde Archeologische verwachting 3

Waarde Archeologische verwachting 1

Afbeelding 19: Dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting 1 en 3’ op het oostelijk deel van het plangebied

Conclusie Het plan ondervindt wat betreft archeologie en cultuurhistorie geen belemmeringen. Conform artikel 5.10 en 5.11 van de Erfgoedwet dient de uitvoerder van het grondwerk archeologische vondsten te melden bij het bevoegd gezag.

37

5.7 Waterparagraaf Beleidskader Het Waterschap Rivierenland is beheerder van de waterkwantiteit- en waterkwaliteitsbeheerder, de vaarwegbeheerder, de beheerder van de primaire en secundaire waterkeringen, beheerder van de rioolwaterzuiveringsinstallaties en wegbeheerder van de wegen buiten de bebouwde kom, niet zijnde rijks- of provinciale wegen. De watertoets heeft als doel het voorkomen dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in strijd zijn met duurzaam waterbeheer. Waterschapsbeleid Met ingang van 27 november 2015 is het Waterbeheerprogramma 2016-2021 ‘Koers houden, kansen benutten’ bepalend voor het waterbeleid. Met dit programma blijft het Waterschap Rivierenland op koers om het rivierengebied veilig te houden tegen overstromingen, om voldoende en schoon water te hebben en om afvalwater effectief te zuiveren. De speerpunten hierin zijn: • Een veilig rivierengebied. Verbeteren en versterken dijken en boezemkades. Met daarnaast oog voor oplossingen door een aangepast ruimtelijke inrichting en door risicobeheersing (bijv. evacuatie); • Anticiperen op klimaatveranderingen. Een robuust en ecologisch gezond watersysteem dat voldoende water van goede kwaliteit biedt aan landbouw, natuur, stedelijk gebied en recreatie; • Het duurzaam en doelmatig zuiveren van afvalwater door o.a. centralisatie van zuiveringen en van slibverwerkingen.

Verordening ‘de Keur’ Het waterschap Rivierenland heeft als regelgeving haar verordening de Keur. Deze verordening is bedoeld om watergangen, wateren, onderhoudspaden, kaden en dijken te beschermen tegen beschadiging. In de Keur is geregeld dat langs A- en B-watergangen een beschermingszone in acht dient te worden genomen. Voor een A- en een B-watergang gelden een beschermingszone van 5 en 1 meter. Dit houdt in dat binnen de beschermingszone van een A- of B-watergang niet zonder toestemming van het Waterschap Rivierenland werkzaamheden mogen plaatsvinden die schade kunnen aanbrengen aan de watergang. De genoemde bepaling beoogt te voorkomen dat de stabiliteit van het profiel en/of veiligheid wordt aangetast, de aan- en/of afvoer en/of berging van water wordt gehinderd dan wel het onderhoud wordt gehinderd. Het onderhoud en de toestand van de watergangen worden tijdens de jaarlijkse schouw gecontroleerd en gehandhaafd. Ook voor werkzaamheden in de nabijheid van waterkeringen en in boezemgebieden gelden bepalingen uit de Keur. Werkzaamheden binnen de kern- en beschermingszones zijn vergunnings- en/of meldingsplichtig. Onderzoek Voor het plan is de digitale watertoets doorlopen (Dossiercode 20191217-922090). De uitkomsten van de digitale watertoets zijn in dit hoofdstuk uitgewerkt.

Watergangen Aan de noordzijde van het plangebied liggen vier B-watergangen 025322, 025318, 0250281 en 025282. Aan de oost- en westzijde liggen drie C-watergangen 076989, 077339 en 076896. Voor het plan wordt de C-watergang 076896 omgelegd. Het omleggen van de watergang resulteert in een toename aan oppervlaktewater met circa 74 m2. Er wordt circa 205 m2 aan oppervlaktewater gedempt en circa 279 m2 aan nieuw oppervlaktewater gegraven. Voor het omleggen van de C-watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland.

38

Afbeelding 20: Uitsnede Legger Wateren

Te dempen oppervlaktewater (ca. 205 m2)

Nieuw oppervlaktewater (ca. 279 m2)

Afbeelding 21: Omleggen watergang (extra oppervlaktewater)

39

Peilgebied Het plangebied is gelegen in een peilgebied met een zomerpeil van -0,25 NAP en een winterpeil van -0,45 NAP. Ten aanzien van de drooglegging geldt voor het maaiveld een drooglegging van 0,7 meter, voor het straatpeil een drooglegging van 1,0 meter en voor het bouwpeil een drooglegging van 1,3 meter. Waterberging en -compensatie Het realiseren van nieuwbouw op niet verharde grond heeft effecten voor de waterhuishouding. De mogelijkheden van afkoppelen dienen zoveel mogelijk benut te worden. Schoon dak- en terreinwater (mits geen uitlogende materialen worden toegepast) kan direct naar het oppervlaktewater afgevoerd worden, om belasting van de afvalwaterzuivering te verminderen. Indien er een toename van het bestaande verhard oppervlak (bebouwing, bestrating, e.d.) plaats vindt, dient compensatie in het kader van waterberging plaats te vinden. Voor gebieden in het landelijk gebied is compensatie noodzakelijk indien het verhard oppervlak toeneemt. Om te bereken welke hoeveelheid watercompensatie noodzakelijk is heeft het Waterschap Rivierenland voor dit gebied de vuistregel dat er 436 m 3 waterberging moet worden gerealiseerd bij een toename van het verhard oppervlak van 10.000 m2. Eventueel kan gebruik worden gemaakt van een eenmalige vrijstelling voor particulieren wanneer deze nog niet eerder is benut.

In het landelijk gebied geldt een eenmalige particuliere vrijstelling van 1500 m2. Het plan voorziet in de sloop van ca. 335 m2 aan bestaande bebouwing en de nieuwbouw twee vrijstaande woningen. Voor de woningen is uitgegaan van 250 m2 per woning (incl. bijgebouwen) + 150 m2 erfverharding (400 m2 per woning). Op basis hiervan is sprake van een toename aan verharding (ca. 465 m2). Gezien de initiatiefnemer nog niet eerder gebruik heeft gemaakt van de particuliere vrijstelling voor het realiseren van watercompensatie wordt voor het plan gebruik gemaakt van deze vrijstelling. Op basis hiervan is het uitvoeren van watercompenserende maatregelen niet vereist. De afdeling Vergunningen van het waterschap Rivierenland zal beoordelen of er gebruik gemaakt kan worden van de eenmalige vrijstelling van de compensatie voor verhard oppervlak. Indien dit niet het geval is, bedraagt de benodigde waterberging bedraagt 465 m2 x 0,0436 m3/ha = 20,27 m3. Uitgaande van een toelaatbare peilstijging van 0,3 meter betekent dit een te realiseren extra waterberging van 67,6 m2. Ter afscheiding van de woonpercelen wordt de C-watergang 076896 omgelegd. Het omleggen van de watergang resulteert in een toename aan oppervlaktewater met circa 74 m2. Hiermee wordt voldaan de eventuele compensatieplicht.

Voor het omleggen van de C-watergang dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland. Primaire waterkering Het plangebied is gelegen in de beschermings- en buitenbeschermingszone van een primaire waterkering. Binnen de beschermingszone van de waterkering geldt een bouwprincipe van ja, mits er geen nadelige gevolgen zijn voor de waterkering. Veelal betekent dit dat de ontwikkeling buiten het profiel van vrije ruimte (pvvr) moet blijven. Activiteiten in de beschermingszone van een waterkering zijn vergunningsplichtig. In deze buitenbeschermingszone zijn de volgende zaken niet toegestaan zonder vergunning: afgravingen en seismische onderzoeken, werken met een overdruk van 10 bar en explosiegevaarlijk materiaal of explosiegevaarlijke inrichtingen. Onder de noemer afgravingen worden diepe ontgravingen verstaan en daaronder valt ook ondergronds bouwen. Uitgangspunt hierbij is dat de ontgrondingen geen nadelige invloed mogen hebben op de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding.

40

De bouw van de woningen vindt plaats binnen de buitenbeschermingszone. De bouwwerkzaamheden hebben geen nadelige invloed voor de functie van de waterkering, alsmede de waterhuishouding. De sloopwerkzaamheden vinden plaats buiten de buitenbeschermingszone. De garage (in deelgebied 2) is gelegen in de beschermingszone van de waterkering. Ter plaatse vinden geen fysieke werkzaamheden plaats. Op basis van de Barro (2012) worden voor de beschermings- en buitenbeschermingszone van de waterkering de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszone dijk 1’ en ‘vrijwaringszone – dijk 2’ opgenomen. Deze gebiedsaanduidingen beschermen de waterkering door de bouwmogelijkheden van de onderliggende bestemming te beperken. Te slopen bebouwing Bestaande hoofdwoning Beoogde bouwlocatie

Garage (geen bouw- en sloopwerkzaamheden

Afbeelding 22: Primaire waterkering

Riolering Conform de Leidraad Riolering en het waterschapsbeleid is het voor nieuwbouw gewenst een gescheiden rioleringsstelsel aan te leggen zodat schoon hemelwater niet bij een rioolzuiveringsinstallatie terecht komt. Afvalwater wordt aangesloten op de bestaande gemeentelijke riolering. Voor hemelwater wordt de volgende voorkeursvolgorde aangehouden: • Het gebruiken van het hemelwater; • Het opvangen van het hemelwater op een vegetatiedak; • Het infiltreren van het hemelwater zonder overloop; • Het infiltreren van hemelwater met overloop naar oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar het oppervlaktewater; • Het afvoeren van het hemelwater naar rioolwaterzuiveringsinstallatie. Het beleid van het Waterschap Rivierenland is erop gericht om hemelwater van dak- en wegoppervlakken af te koppelen van de riolering en af te voeren naar het oppervlaktewater. Ter voorkoming van diffuse verontreinigingen van water en bodem geldt een verbod op het toepassen van zink, lood, koper en PAK'shoudende bouwmaterialen. Met de inwerkingtreding van het Besluit lozen buiten inrichtingen per 1 juli 2011, worden door het waterschap geen voorschriften meer gesteld voor het zuiveren van afvloeiend hemelwater. Conform artikel 3.3 en 3.4 van dit besluit is het lozen van hemelwater op het oppervlaktewater toegestaan.

Indien schoon hemelwater vervuild wordt door het oppervlak waar het over afstroomt kan maatwerk mogelijk blijven.

41

Rondom het plangebied is voldoende oppervlaktewater om het schoon dak- en terreinwater naar af te voeren. Vuil water zal worden afgevoerd via het bestaande gescheiden rioleringsstelsel van de gemeente West Betuwe. De vrijstaande woningen zullen worden aangesloten op het bestaande rioleringsstelsel. In het plangebied ligt geen rioolwaterpersleiding van het Waterschap Rivierenland. Wegbeheer Het Waterschap Rivierenland is in dit gebied geen wegbeheerder. Ter plaatse van de nieuwe inrit wordt een dam met duiker aangelegd. Voor de aanleg van de dam dient een watervergunning te worden aangevraagd bij het Waterschap Rivierenland Natuur Het plangebied valt (deels) in een gebied met specifieke natuurdoelen. Als algemeen criterium geldt in deze gebieden het stand-stillbeginsel. Dit beginsel houdt in dat ontwikkelingen niet mogen leiden tot achteruitgang van de huidige situatie, tenzij de negatieve effecten (op bijvoorbeeld ecologie of waterkwantiteit) volledig worden gecompenseerd. In hoofdstuk 5.6 ‘Flora en fauna’ is nader onderbouwd dat het plan niet leidt tot een achteruitgang van de huidige situatie. Conclusie Het plan heeft geen negatieve gevolgen voor het waterhuishoudkundige systeem.

42

5.8 Externe veiligheid Beleidskader Externe veiligheid heeft betrekking op locaties waar een ongeval met gevaarlijke stoffen kan plaatsvinden, waardoor personen die geendirecte relatie hebben tot de risicovolle activiteit zouden kunnen komen te overlijden. Bij een ruimtelijke besluit voor het toelaten van (beperkt) kwetsbare objecten moet worden getoetst aan risiconormen en veiligheidsafstanden. Dit is met name relevant op korte afstand van risicobronnen. Indien een (beperkt) kwetsbaar object wordt toegelaten binnen het invloedsgebied van een belangrijke risicobron, moet ook het groepsrisico worden verantwoord. Bovendien is het van belang om af te wegen in hoeverre nieuwe risicobronnen binnen een plangebied worden toegestaan. Voor de beoordeling van een ruimtelijk plan moet voor externe veiligheid worden vastgesteld of het plangebied is gelegen binnen het invloedsgebied van specifieke risicovolle inrichtingen, relevante transportroutes voor het vervoer van gevaarlijke stoffen of relevante buisleidingen. Toetsingskaders zijn het "Besluit externe veiligheid inrichtingen” (Bevi), het "Besluit externe veiligheid transportroutes" (Bevt) en het "Besluit externe veiligheid buisleidingen" (Bevb).

Daarnaast zijn in het Vuurwerkbesluit en het Activiteitenbesluit milieubeheer veiligheidsafstanden genoemd die rond stationaire risicobronnen, niet zijnde een Bevi-inrichting, moeten worden aangehouden. Onderzoek Volgens de risicokaart van de provincie Gelderland bevinden zich in de omgeving van het plangebied een viertal inrichtingen waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt. Het betreft ten eerste de inrichting ‘Propaan Roza’ (Molenweg 3), een bovengrondse propaantank met een reservoir van 3000 liter. Voor deze inrichting geldt een 10-6 per jaar contour van 10 meter. Het plangebied is gelegen op circa 1200 meter en valt daarmee ruimschoots buiten 10-6 per jaar contour. Ten tweede een aardgasreduceerstation en chemicaliënopslag (Zeiving 35). Voor deze inrichtingen geldt een 10-6 per jaar contour van 15 meter voor het aardgasreduceerstation en een 10-6 per jaar contour van 0 meter voor de chemicaliënopslag. Het plangebied is gelegen op circa 1175 meter en valt daarmee ruimschoots buiten de grootste 10-6 per jaar contour. Tenslotte is ten zuidwesten van het plangebied tevens een aardgasreduceerstation gelegen (Waaldijk 97). Voor deze inrichtingen geldt tevens een 10-6 per jaar contour van 15 meter. Het plangebied is gelegen op circa 1125 meter en valt daarmee ruimschoots buiten de grootste 10-6 per jaar contour.

Hieruit kan worden geconcludeerd dat er in de directe omgeving van het plangebied geen Bevi-inrichtingen of inrichtingen zijn waar opslag van gevaarlijke stoffen plaatsvindt die een bedreiging kunnen vormen voor het plan.

43

Propaantank: 1200 meter Plangebied

Aardgasreduceerstation: 1125 meter

Aardgasreduceerstation: 1175 meter

Chemicaliënopslag: 1175 meter

Afbeelding 23: Uitsnede Risicokaart

Invloed transport gevaarlijke stoffen, Buisleidingen Ten westen, noorden en oosten van het plan zijn verschillende buisleidingen gelegen van de Nederlandse Gasunie (aardglasleidingen NEN 3650-leidng). Voor deze buisleidingen geldt geen PR 10-6 per jaar contour. De dichtstbijzijnde buisleiding is gelegen ten zuidwesten van het plangebied op 475 meter. Het plangebied valt daarmee ruimschoots buiten het invloedsgebied. Invloed transport gevaarlijke stoffen Uit de regionale signaleringskaart externe veiligheid blijkt dat het aspect externe veiligheid alleen relevant is vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal en de Betuweroute. Het plangebied ligt namelijk binnen het invloedsgebied van deze transportroutes, waarbij personen kunnen overlijden als rechtstreeks gevolg van een zwaar ongeval met toxische stoffen. Het plangebied ligt echter buiten een veiligheidszone, een plasbrandaandachtsgebied en (deels) buiten de meest relevante zones voor het groepsrisico (de 200 meter zones). Het plangebied ligt net wel binnen de 200 meter zone van de Waal. De kortste afstand is hier ongeveer 180 meter. Omdat het aannemelijk is dat het groepsrisico, gelet op de beperkte verandering van de dichtheid van personen, met niet meer dan tien procent toeneemt en de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden kan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico worden volstaan.

Op grond van artikel 7 van het Bevt moet hierdoor worden ingegaan op de mogelijkheden voor: - De bestrijdbaarheid van een zwaar ongeval op deze transportroutes en - De zelfredzaamheid met betrekking tot nog niet aanwezige (beperkt) kwetsbare objecten binnen het plangebied. Volgens artikel 9 van het Bevt moet de veiligheidsregio in de gelegenheid worden gesteld om hierover een advies uit te brengen. Veiligheidsregio Gelderland-Zuid heeft op 2 februari 2017 aangegeven dat in dit geval de onderstaande verantwoordingstekst kan worden gehanteerd. Relevant hierbij is ook dat het ruimtelijke besluit geen betrekking heeft op het mogelijk maken van een (nog niet aanwezig) "bijzonder kwetsbare object", bestemd voor verminderd zelfredzame personen.

44

Bestrijdbaarheid van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, zal de brandweer inzetten op het beperken of voorkomen van effecten. Deze inzet zal voornamelijk plaatsvinden bij de bron. De brandweer richt zich dan niet direct op het bestrijden van effecten in of nabij het plangebied. De mogelijkheden voor bestrijdbaarheid worden daarom niet verder in beschouwing genomen. Mogelijkheden tot zelfredzaamheid Bij een calamiteit, waarbij toxische stoffen (kunnen) vrijkomen, is het belangrijk dat de aanwezigen in het plangebied worden geïnformeerd hoe te handelen bij dat incident. Hiervoor wordt gebruik gemaakt van de zogenaamde waarschuwings- en alarmeringspalen (WAS-palen) of NL-alert. Bij het genoemde incidentscenario is het advies om te schuilen in een gebouw en de ramen, deuren en ventilatieopeningen te sluiten. In het plangebied zijn voldoende mogelijkheden aanwezig om dit advies tijdig op te volgen. De toelichting voor het aspect externe veiligheid is voorgelegd en akkoord bevonden door de veiligheidsregio. Conclusie Het aspect externe veiligheid is alleen relevant vanwege het vervoer van gevaarlijke stoffen over de Waal en de Betuweroute. Gelet op de hiervoor genoemde overwegingen zijn er voldoende mogelijkheden voor de zelfredzaamheid bij een zwaar ongeval op deze transportroutes.

Dit betekent dat geen nadere eisen aan het plan gesteld hoeven te worden in het kader van het aspect externe veiligheid.

45

5.9 Technische infrastructuur (kabels en leidingen) Beleidskader Planologisch relevante leidingen en hoogspanningsverbindingen dienen te worden gewaarborgd. Tevens dient rond dergelijke leidingen rekening te worden gehouden met zones waarbinnen mogelijke beperkingen gelden. Onderzoek Binnen de grenzen van het plangebied of in de directe omgeving zijn geen planologisch relevante leidingen gelegen zoals rioolpersleidingen, waterleidingen, hoogspanningslijnen of straalpaden. De uitvoering van het plan levert om die reden geen bijzondere aandachtspunten op ten gevolge van aanwezige kabels en leidingen. Conclusie Geconcludeerd wordt dat het aspect kabels en leidingen de uitvoering van het plan niet in de weg staat.

46

5.10 Milieueffectrapportage (vormvrije m.e.r) Beleidskader In het Besluit milieueffectrapportage (m.e.r.) wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r.-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Onderzoek De activiteit, het realiseren van woningen, wordt genoemd in de bijlage onderdeel D 11.2 van het besluit m.e.r. Het plan betreft een kleinschalige woningbouwontwikkeling langs de Zijl te Vuren. Er is geen directe m.e.r-plicht voor het opstellen van milieueffectrapportage of m.e.r.-beoordeling. Bij de nieuwbouw van twee woningen, onder de grenswaarde van 2.000 woningen waarvoor een direct m.e.r-plicht geldt, geldt wel de vergewisplicht. Voor de vergewisplicht dient voor de voorgenomen activiteit te worden beoordeeld of er vanwege de activiteit belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen optreden. Kenmerken van het plan Middels het plan worden twee verouderde woningen vervangen door twee nieuwe en gasloze woningen.

Er vinden op de locatie geen productiewerkzaamheden plaats. Er is geen sprake van de productie van afvalstoffen, anders dan regulier huisafval. Behoudens de standaard toegestane aan-huis-gebonden beroepen en bedrijven zullen er geen andere bedrijfsactiviteiten plaatsvinden. Ligging van het plangebied Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park, Nationaal Landschap of Natuurnetwerk Nederland. Op een afstand van circa 0,7 km tot het Natura 2000 gebied ‘Loevestein, Pompveld & Kornsche Boezem’ en op 2,9 km het Natura2000 gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’. Op circa 75 meter liggen de uiterwaarden van de Waal welke deel uit van het Gelders Natuurnetwerk. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd. Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingsplan. Kenmerken van de potentiële effecten van het plan Als gevolg van de ontwikkeling zal het aantal verkeersbewegingen niet toenemen ten opzichte van de bestaande situatie. Het aantal wooneenheden blijft gelijk. Gezien de kleinschaligheid van het plan zullen geen van de toenames leiden tot significante negatieve effecten op het milieu.

Conclusie Op grond van artikel 7.17 lid 1 van de Wet milieubeheer (Wm) heeft het college van B&W van de gemeente West-Betuwe besloten dat bij de voorbereiding van het bestemmingsplan “Zijl 2”, Vuren, geen milieueffectrapportage (MER) hoeft te worden opgesteld. Het m.e.r-beoordelingsbesluit is toegevoegd in de bijlage. Gezien de kleinschaligheid van de ontwikkeling kan worden volstaan met een vormvrije m.e.r. beoordeling. In het kader van de vormvrije m.e.r. heeft een beoordeling plaats gevonden van diverse milieuaspecten. In de voorgaande hoofdstukken zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Er is geconcludeerd dat hier geen sprake is van belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu zoals omschreven in artikel 17.7 van de Wet milieubeheer.

47

De vormvrije m.e.r.-beoordeling (paragraaf 5.10), de uitgevoerde milieuonderzoeken en de overige milieuparagrafen uit deze toelichting kunnen gezamenlijk worden beschouwd kunnen als de m.e.r.-aanmeldnotitie. Hiermee wordt voldaan aan de eisen die genoemd zijn in artikel 7.16, lid 2 en 3 van de Wet milieubeheer.

48

6 Juridische planopzet 6.1 Inleiding Het bestemmingsplan ‘Vuren, Zijl 2’ bestaat uit drie delen de verbeelding en regels, vergezeld van een toelichting. De verbeelding en de regels vormen het juridisch bindende deel van het bestemmingsplan. De verbeelding heeft de rol van visualisering van de bestemmingen. De regels regelen de gebruiksmogelijkheden van de gronden, de bouwmogelijkheden en de gebruiksmogelijkheden van de aanwezige en/of op te richten bebouwing. De toelichting heeft weliswaar geen bindende werking, maar heeft wel een belangrijke functie bij de weergave en onderbouwing van het bestemmingsplan en bij de uitleg van de verbeelding en regels. In dit hoofdstuk wordt de systematiek van de regels uiteengezet en wordt een uitleg per bestemming gegeven. De systematiek van het bestemmingsplan sluit aan bij de gestandaardiseerde opbouw uit de Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP 2012). Het voorliggende bestemmingsplan ‘Vuren, Zijl 2’ is conform de landelijke RO-standaarden (2012) opgesteld. Het plan voldoet daarmee aan de digitale verplichting.

6.2 Systematiek van de regels Voor wat betreft de regels van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de bestemmingsplannen ‘Reparatieplan 2014’ en ‘Buitengebied Parapluplan Nieuwe Hollandse Waterlinie’. Middels dit bestemmingsplan wordt de agrarische bestemming ter plaatse van de nieuwe vrijstaande woningen gewijzigd naar ‘Wonen-1’ (incl. bouwvlak). In het noordelijk deel wordt de bestemming ‘Wonen-2’ gewijzigd naar ‘Wonen-1’ en het bouwvlak verkleind. De regels van het bestemmingsplan bestaan uit vier hoofdstukken, waarin achtereenvolgens de inleidende regels, de bestemmingsregels, de algemene regels en de overgangsen slotregels aan de orde komen.

6.3 Bestemmingen Agrarisch Het agrarisch grasland ten oosten van de woningen behoudt de bestemming ‘Agrarisch’. Ter plaatse van de bestemming ‘agrarisch’ is geen bouwvlak opgenomen, waarmee de bouwmogelijkheden beperkt zijn. Wonen-1 Ter plaatse van de nieuwe vrijstaande woningen wordt de agrarisch bestemming gewijzigd naar ‘Wonen-1’. Ter plaatse van de bestaande hoofdwoning wordt de bestemming ‘Wonen-2’ gewijzigd naar ‘Wonen-1’. Het bouwvlak ter plaatse van de bestaande woningen en kantoorruimte, wordt verkleind tot de te handhaven woning met garage, ten behoeve van de verbetering van de ruimtelijke kwaliteit. Waarde – Archeologische verwachting 1 en 3 Ter bescherming van de archeologische waarden zijn op het oostelijk deel van het plangebied de dubbelbestemmingen ‘Waarde – Archeologische verwachting 1 en 3’ opgenomen. Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie Ter bescherming van de cultuurhistorische waarden van het gebied is, conform het vigerende bestemmingsplan de dubbelbestemming ‘Waarde – Nieuwe Hollandse Waterlinie’ opgenomen.

49

6.4 Aanduidingen Functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – nevenactiviteit’ Ter plaatse van het woonbestemmingsvlak van de bestaande hoofdwoning blijft de functieaanduiding ‘specifieke vorm van wonen – nevenactiviteit’ ongewijzigd. Functieaanduiding ‘garage’ Ter plaatse van de bestaande garage/berging in deelgebied 2 wordt de functieaanduiding ‘garage’ opgenomen. Gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk 1 en 2’ Ter bescherming van de waterkering wordt ter plaatse van de beschermingszone en buitenbeschermingszone van de Waaldijk de gebiedsaanduidingen ‘vrijwaringszone – dijk 1’ en ‘vrijwaringszone – dijk 2’ gelegd. Gebiedsaanduiding ‘openheid’ Ter plaatse van het agrarisch grasland is de gebiedsaanduiding ‘openheid’ opgenomen ter bescherming van de openheid van het gebied. Bouwaanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' Ter plaatse van deelgebied 1 wordt de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - 1' opgenomen.

50

7 Economische uitvoerbaarheid 7.1 Exploitatie Vanwege het private initiatief komt het onderzoek naar de economische uitvoerbaarheid van het bestemmingsplan, voor verantwoordelijkheid van de opdrachtgever, welke aangeeft dat de financiële haalbaarheid gewaarborgd is. Ter zekerheid voor de gemeente is er een anterieure overeenkomst met de initiatiefnemer getekend, waarin onder andere is geregeld dat eventuele planschade voor rekening van de initiatiefnemer komt. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.

8 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 8.1 Vooroverleg ex. art. 3.1.1 Het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) artikel 3.1.1 geeft aan dat een gemeente bij de voorbereiding van een ruimtelijke ontwikkeling overleg moeten plegen met haar overlegpartners. In het kader van het vooroverleg is het plan door de voormalige gemeente Lingewaal voorgelegd aan de Provincie Gelderland en het Waterschap Rivierenland. De provincie Gelderland en het Waterschap Rivierenland hebben destijds geen opmerkingen gegeven op het bestemmingsplan. In het kader van een goede ruimtelijke ordening heeft de gemeente West-Betuwe het geactualiseerde ontwerp-bestemmingsplan in mei 2020 opnieuw opgestuurd naar de provincie Gelderland en het waterschap Rivierenland. De provincie Gelderland en het waterschap Rivierenland hebben juni 2020 aangegeven dat het ontwerp-bestemmingsplan in overeenstemming is met provinciaal beleid en het beleid van het waterschap Rivierenland.

8.2 Inspraak Het college van de voormalige gemeente Lingewaal hebben op 10 mei 2017 bekend gemaakt (Staatscourant 2017, 26624) dat het voorontwerp-bestemmingsplan ‘Vuren, Zijl 2’ (imro-codering: NL.IMRO.0733.BpVrnZijl2-VO01) vanaf 11 mei 2017 voor zes weken ter inzage heeft gelegen, t/m 21 juni 2017. Tijdens de terinzagelegging is er één inspraakreactie ingediend. De inspraakreactie is door de voormalige gemeente Lingewaal samengevat en beantwoord in een Nota Inspraak en Overleg. De Nota Inspraak en Overleg is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingsplan. De inspraakreactie heeft geleid tot een gewijzigd landschappelijk inrichtingsplan. De woonpercelen/ woonbestemmingsvlakken van de twee nieuwe bouwkavels/vrijstaande woningen zijn verkleind.

51

8.3 Zienswijzen Het college van de voormalige gemeente Lingewaal hebben op 21 februari 2018 bekend gemaakt (Staatscourant 2018, 10379) dat het ontwerp-bestemmingsplan ‘Vuren, Zijl 2’ (imro-codering: NL.IMRO.0733.BpVrnZijl2-OW01) vanaf 22 februari 2018 voor zes weken ter inzage heeft gelegen, t/m 4 april 2018. Tijdens de terinzagelegging zijn er twee zienswijzen ingediend, waarvan één zienswijze van het waterschap Rivierenland. De zienswijze van het waterschap Rivierenland heeft geleid tot een aanpassing van de toelichting (Waterparagraaf), de regels en de verbeelding van het bestemmingsplan. De gebiedsaanduiding ‘vrijwaringszone – dijk – 1’ (artikel 11) is aangepast. Het waterschap Rivierenland heeft vervolgens aangegeven akkoord te zijn met de doorgevoerde wijzigingen. Met de indiener van de tweede zienswijze heeft overleg plaatsgevonden op het gemeentehuis. Dit heeft echter niet geleid tot een overeenstemming. De zienswijze heeft, behoudens enkele tekstuele wijzigingen in de toelichting van het bestemmingsplan, niet geleid tot aanpassingen van het bestemmingsplan. Op 28 juni 2018 is het bestemmingsplan ‘Vuren, Zijl 2’ behandeld tijdens de vergadering van de gemeenteraad van de voormalige gemeente Lingewaal. Deze gemeenteraad heeft destijds besloten dit bestemmingsplan niet vast te stellen.

De reden hiervoor is dat de raad van mening was dat vaststelling van het gevraagde bestemmingsplan niet in overeenstemming was met een goede ruimtelijke ordening. Op verzoek van de voormalige gemeente Lingewaal heeft een ander stedenbouwkundig bureau een nieuw schetsplan gemaakt. Per 1 januari 2019 is de gemeente Lingewaal gefuseerd met de gemeenten Geldermalsen en Neerijnen tot de gemeente West-Betuwe. De nieuwe gemeente West Betuwe heeft d.d. 29 oktober 2019 besloten: 1. In te stemmen met het nieuwe schetsplan voor de locatie Zijl 2 te Vuren; 2. Op basis van dit schetsplan een geactualiseerd bestemmingsplan als ontwerp ter inzage te leggen onder voorwaarde dat een stikstofdepositieberekening (op basis van het nieuwe Aerius-model) wordt toegevoegd waaruit blijkt dat stikstofdepositie onder de wettelijke drempelwaarde blijft. Het bestemmingsplan is geactualiseerd op basis van het nieuwe schetsplan. Voor het plan is een stikstofdepositieberekening uitgevoerd (op basis van het nieuwe Aerius-model). Uit de berekening blijkt dat er geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Het stikstofdepositieonderzoek is toegevoegd in de bijlage van het bestemmingsplan.

Het college van de gemeente West-Betuwe hebben op 27 mei 2020 bekend gemaakt (Staatscourant 2020, 131833) dat het geactualiseerde ontwerpbestemmingsplan ‘Vuren, Zijl 2’ (imro-codering: NL.IMRO.1960.VURZijl2-ONT2) en bijbehorende stukken, waaronder het besluit vormvrije m.e.r.-beoordeling, vanaf 28 mei 2020 voor zes weken ter inzage heeft gelegen, t/m 8 juli 2020. Tijdens de terinzagelegging is er één zienswijze ingediend. De zienswijze is inhoudelijk behandeld en van een antwoord voorzien in een ‘Zienswijzennota’. De ‘Zienswijzennota’ is toegevoegd in de bijlage. De zienswijze heeft geleid tot één ambtshalve wijziging: Ambtshalve wijziging De bouwvlakken van de twee nieuwe bouwkavels/vrijstaande woningen zijn verkleind.

52

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/289/documents/6001