RV2025-101-bijlage-bij-bopa-willem-de-zwijger-geldermalsen.pdf
Tekst van het document
\Zïfí-
©
… ecofect D.o
"90zi9spuousp1emunjeN WILLEM
DE
ZWIJGERWEG
12
GELDERMALSEN tuurwaardenonderzoek
Ontwikkeling terontwikkeling
Omgevingswet
- 16
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
Colofon Onderzoek
Natuurwaardenonderzoek
Document
NWOs20622
Datum
6 december 2024/ Update 27 juni 2025
Locatie
Willem de Zwijgerweg 12-16: Geldermalsen
Opdrachtgever
MB Groep
Opdrachtnemer
Ecofect BV,
Ecoloog
(geanonimiseerd) ——
Adres
(geanonimiseerd) |
Telefoon
(geanonimiseerd) |
Emait
info@ecofectnl
Internet
wowecofect nl
Kvk-nummer
87036487
Btw-identificatienr.
(geanonimiseerd)
Rekeningnummer
(geanonimiseerd) n
A®
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
INHOUD Samenvatting en advies 1 Inleiding 11
Aanleiding
12
Planlocatie
13
_ Ontwikkelingen en effecten
2. Wettelijk kader 21 22 23 24 25
o ©
Wettelijk kader Gebiedsbescherming Soortbescherming Bescherming houtopstanden Toepasbaarheid
E 10
14
15
3. Methode
16
4. Gebiedsbescherming
17
41. 42
Natura 2000 _ Natuuretwerk
43
_ Nationaal landschap
17
Nederland (NNN)
5. Soortbescherming
19 20
21
51 Habitatcheck 52 Floraen fauna 521 Flora
22
5.22 Vogelsoorten
23
523 Vleermuizen
26
524 Grondgebonden zoogdieren 525 Overige soorten 53 Houtopstanden
27
21
22
29 31
6. Conclusie
32
Verantwoording
33
Verklarende woordenlijst
Bilagen
35
Disclaimer
48
A
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
Samenvatting en advies Uit dit Natuurwaardenonderzoek
is gebleken
dat bij het
uitvoeren
van
de
geplande
werkzaamheden
er
mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit (soorten) Omgevingswet zullen plaatsvinden. Tevens dient nadere toetsing plaats te vinden of er een vergunningplicht geldt voor Natura 2000-activiteit (stikstof) Gebiedsbescherming Natura 2000
Ten aanzien van stikstof wordt er in de sloop-, aanleg- en nieuwe gebruiksfase mogelijk depositie verwacht. Een
Aerius (stikstof) berekening
wordt daarom
ook noodzakelijk geacht.
Voor de overige storingsfactoren
wordt geen externe werking verwacht. Een Voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht. Natuumnetwerk
Nederland
De planlocatie
is gelegen
buiten de Groene
ontwikkelingszone en het Gelders Natuumetwerk
Nederland.
Aangezien het plangebied buiten het Natuumetwerk valt wordt het niet noodzakelijk geacht dat een verdere toetsing,
in de vorm van ja, mits toets, aan de orde s
Nationaal landschap
Beoogde ontwikkelingen vinden plaats buiten de grenzen van het Nationaal landschap. Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd
blijven zijn wettelijke consequenties met betrekking op het Nationaal landschap niet aan de
orde.
Soortbescherming Elora
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
Vogels Mogelijk schadelijke handelingen flora & fauna activiteit n het kader van de Omgevingswet.
Nader onderzoek
huismus en gierzwaluw noodzakelijk: Vleermuizen
Mogelijk schadelijke handelingen
flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet.
onderzoek gebouwbewonende vleermuizen wordt noodzakelijk geacht
Zoogdieren Geen schadelijke handelingen flora & fauna activiteit in het kader van de Omgevingswet. Overige soorten
Geen schadelijke handelingen flora & fauna activíteit in het kader van de Omgevingswet.
Een
nader
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
Houtopstanden Er worden
geen
bomen
gekapt
zoals
bedoeld
in de
omgevingswet
die
vallen
onder
het
onderdeel
‘houtopstanden. Geen herplant- of meldingsplicht Specifieke zorgplicht Ten alle tijden geldt bij het uitvoeren van flora- en fauna-activiteiten dient de initiatiefnemer / uitvoerder van
de activiteit te kunnen aantonen hoe tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art.11.27, Bal. Zie bilagen
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
1. Inleiding 11
Aanleiding
Met de voorgenomen ontwikkelingen betreffende het plangebied gelegen aan Willem de Zwijgerweg 12-16 te Geldermalsen
heeft
MB
Groep
Omgevingswet uit te voeren t
aan
Ecofect
BV.
opdracht
gegeven
een
Natuurwaardenonderzoek
b.v. het vergunning traject en inzicht te verschaffen of de geplande uit te voeren
werkzaamheden conflicteren met de Omgevingswet. Voorliggend rapport geeft inzicht in het wettelijk kader. de gebruikte methodiek en de resultaten van het uitgevoerde onderzoek.
1.2
Planlocatie
De planlocatie is gelegen aan de Willem de Zwijgerweg 12-16 te Geldermalsen en betreft een winkelpand, Het winkelpand bestaat uit drie geschakelde opstallen. trespa boeidelen en pannendak.
De opstallen zijn opgetrokken uit spouwmuren
Een aantal opstallen hebben dakkapellen en aanbouw met plat dak. Rondom
de opstallen ligt een verhard pad met aan de achterzijde gelegenheid voor parkeren, groenstroken met wildgroei.
met
Langs het pad lopen
Rondom het winkelpand staat nieuwbouw.
Legenda D
Piankcate Aaeur:
B
EetBN.
(FDOK 2024
Figuur1 Plan- en onderzoeksgebied
Geldermalsen is een dorp binnen de gemeente West Betuwe in de Nederlandse provincie Gelderland
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
1.3 Ontwikkelingen en effecten Initiatiefnemer is voornemens
deels
getransformeerd
om
worden,
het plangebied te herontwikkelen,
De opstallen zullen deels gesloopt en
om
te realiseren.
vervolgens
10 appartementen
Bij de
panden
voorzijde van het plangebied worden enkel de begane grond getransformeerd tot appartementen. van de planlocatie zal veranderen
naar wonen
aan
de
De functie
(figuur 2). Voor inhoudelijke vragen over het ontwerp
of de
inrichting wordt verwezen naar de opdrachtgever.
VISUALISATIE
sholie
J
Foel
/
2448
J
26112024
MULLER
Figuur 2 = Inichting plantocatie.
Functieverandering en effecten De
beoogde
veranderen.
ingrepen
zijn blijvend van
karakter.
De
functie en
ecologie
van
het plangebied
zal deels
De mogelijk negatieve effecten van de ingreep in relatie tot beschermde natuurwaarden zijn:
Sloop- en Bouwwerkzaamheden
Afvoer sloopmateriaal Verwijderen van vegetatie Perceel bouwrijp maken
Herinrichting perceel bij hetwelk functie wonen verwacht kan worden Dit onderzoek
is gericht om een inschatting te maken of beschermde soorten voorkomen en gebruik maken
van de projectlocatie.
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
2. Wettelijk kader 21 Wettelijk kader Voor het uitvoeren van ruimtelijke ontwikkelingen is In deze
wet
is de
0a. Omgevingswet van kracht. Deze wetgeving vervangt
de Wet
natuurbescherming.
geregeld
Dit onderzoek beperkt zich tot de gebiedsbescherming en de soortenbescherming
bescherming
van
gebieden,
soorten
en
houtopstanden
In dit Natuurwaardenonderzoek worden de verschillende onderdelen van de omgevingswet getoetst. Omdat een
veld- en bureauonderzoek
geen
zekerheid
geeft of de omgevingswet
potentie van het object ingeschat voor wat betreft beschermde soorten.
wordt overtreden,
wordt de
Indien het object potentie heeft, zal
een aanvullend onderzoek vast moeten stellen of uit moeten sluiten of er beschermde soorten gebruik maken van de opstallen. Potentie-inschatting vindt plaats op basis van habitatkenmerken, habitatseisen en ervaring van de ecoloog.
De
Omgevingswet
is een
wet
die alle regels
omvat
met
betrekking
tot alle activiteiten
in de fysieke
leefomgeving. De wet bundelt 26 wetten die gaan over de regels met betrekking tot onder meer infrastructuur bouwwerken,
water, lucht. bodem,
milieu, cultureel erfgoed en natuur.
Het doel van de nieuwe wet is een
vereenvoudiging van de regels voor de fysieke leefomgeving en een duurzame ontwikkeling en beschermen en verbeteren van het leefmilieu. Om alle regels voor de fysieke leefomgeving op een gestructureerde manier te regelen, is er sprake van een stelsel Omgevingswet
Het stelsel Omgevingswet kent een bepaalde opbouw,
die bepalend is voor waar de relevante onderdelen
terug te vinden zijn met betrekking tot de verschillende onderwerpen van de fysieke leefomgeving, waaronder natuurbescherming.
Het
stelsel
bestaat
uit een
algemene
wettekst
- de
Omgevingswet
zelf - dat
per
procesonderdeel nader is uitgewerkt in zogenaamde uitvoeringswetten (Algemene Maatregelen van Bestuur, of AMvB's) en de Omgevingsregeling.
2.2 Gebiedsbescherming De gebiedsbescherming in de Ow bestaat uit een beschermingsregime voor Natura 2000- gebieden, voor de aanwijzing en bescherming van het Natuurnetwerk landschappen.
Nederland
regels
en bijzondere natuurgebieden
en
Hieronder zijn per gebiedscategorie de regels beknopt toegelicht
In het Bal is een
specifieke zorgplicht opgenomen
voor Natura 2000-gebieden
en bijzondere
nationaal
natuurgebieden (art. 116 Bal) ledereen di activiteiten uitvoert die verslechterende of significant verstorende gevolgen
of een
bijzonder
nationaal natuurgebied
nadelige gevolgen zoveel mogelijk voorkomen,
voor
een
Natura
2000-gebied
beperken
of ongedaan
tweede lid staat de nadere uitwerking van de specifieke zorgplicht. gevolgen
op
voorhand
op
grond
van
objectieve
gegevens
maken
kunnen
(art. 116,
hebben,
moet
1e lid Bal.
In het
Er moet worden nagegaan of nadelige
verslechterende
of significant
verstorende
gevolgen voor de instandhoudingsdoelstellingen kunnen worden uitgesloten. Als nadelige gevolgen niet te voorkomen
zijn, dan verplicht de specífieke zorgplicht om
preventieve
maatregelen
te
nemen
(art
116,
2e
lid
met
onder
betrekking
tot deze gevolgen
passende
d),
dit
passende
of,
als
niet
gaat,
om
herstelmaatregelen te treffen (art. 116 2e lid onderf). Daarnaast verplicht de zorgplicht ook dat de effectiviteit van deze
maatregelen
worden
gemonitord.
De specífieke zorgplicht geldt altijd, dus voor Natura 20008
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
activiteiten
ook
(zie
hierna)
maar
voor
activiteiten
die conform
een
Natura
2000-beheerplan
worden
uitgevoerd of activiteiten die géén kans hebben op een significant gevolg. Natura
Het
2000-activiteit
is overigens
niet zo dat
herstelmaatregelen
worden
worden gekomen.
als in het
genomen,
kader
onder
van
de
specifieke
de vergunningplicht
zorgplicht van
een
passende
Natura
preventieve
2000-activiteit
of
uit kan
Mitigatie mag namelijk niet worden meegenomen in de voortoets van een project om te
bepalen of het project leidt tot een kans op een significant gevolg en het project om die reden als een Natura 2000-activiteit moet worden
beschouwd.
De volgorde van toetsing van een voornemen
aan de specifieke
zorgplicht en de vergunningplicht zijn daarom van groot belang. Hierna wordt daar nader op ingegaan. Als de invulling van de specifieke zorgplicht niet helder is of het onduidelijk is of gedragingen onder de zorgplicht vallen.
heeft
het
bevoegd
gezag
de
ruimte
om
deze
nader
te
duiden
in
een
maatwerkvoorschrift,
vergunningvoorschrift (indien vergunning) of maatwerkregel.
Te denken valt aan een maatwerkregel in een
provinciale
de
Omgevingsverordening
waarin
staat hoe
aan
specifieke
zorgplichtbepaling
kan
worden
gehouden.
Er is een onderscheid
tussen
een
’Natura 2000-activiteit en andere
type activiteiten.
Een
'Natura 2000-
activiteit’is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 11 Omgevingswet een: ‘activiteit. inhoudende het realiseren van een project dat niet direct verband
beheer van een Natura 2000-gebied,
houdt met of nodig is voor het
maar afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten
significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied’ Een Natura 2000-activiteit is vergunning plichtig (art. 54. lid 1 Ow), tenzij er sprake is van een ‘vergunningsvrij
geval (art 1146 t/m 1121 Bal, zie hierna). Activiteiten die nodig zijn voor het beheer van Natura 2000-gebieden {om de doelstellingen te kunnen halen) of geen significante gevolgen hebben, vallen niet onder de regels voor een Natura 2000-activiteit. Er moet dan eerst worden getoetst wat de effecten zijn van een activiteitop Natura
2000-gebieden voordat duidelijk is hoe de activiteit moet worden aangeduid. Gezien de huidige praktijk. blijft er daarmee de noodzaak voor het uitvoeren van een voortoets die deze helderheid kan bieden. De uitslag van deze toets is van belang voor het vervolg van de behandeling van de activiteit.
Is er sprake van een Natura
2000-activiteit dat niet vergunningsvrij s dan is er een nader onderzoek nodig in de vorm van een passende beoordeling voordat een vergunning kan worden verleend. moet voldoen staan in art. 1653c Ow en art 8.74b BkL
De regels waar een Passende Beoordeling aan
Is er ondanks
mitigatie nog steeds sprake van een
significant gevolg, dan kan de vergunning voor het project worden verleend als de zogenaamde ADC-toets met succes is doorlopen (art. 8.74b, lid 2 en 3 Bkl. Voor nadere informatie m.bt. ADC-toets wordt verwezen naar de bijlage. Natuumnetwerk
Nederland
De wezenlijke kenmerken en waarden van de NNN worden vastgesteld per Omgevingsverordening door de provincie conform artikel 77 Bkl
waar
in
de
regel
natuurbeheertypen.
de
In de Omgevingsverordening is daartoe een natuurbeheerplan vastgesteld
bestaande
natuurwaarden
en
het
ambitieniveau
zijn
aangegeven
middels
Het hangt echter per provincie af hoe zij de wezenlijke kenmerken en waarden hebben
gedefinieerd; in tegenstelling tot het Barro ontbreekt een definitie van de wezenlijke kenmerken en waarden
n de Ow. In artikel 77, 2e lid Bkl wordt aangegeven dat deze waarden worden bepaald met inachtneming van de doelstellingen bedoeld
in artikel 248, eerste lid, onder g, van de wet
verantwoordelijkheid van de provincies om, op het gebied van natuur,
Hiermee wordt gedoeld
herstel van dier- en plantensoorten die van nature in Nederland in het wild voorkomen, habitats.
en
van
in
Nederland
voorkomende
typen
natuurlijke
op de
zorg te dragen voor het behoud
habitats,
of
van hun biotopen en
in overeenstemming
met
de 9
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
internationaalrechtelijke verplichtingen. Hieruit kan worden gehaald dat het NNN mede als doelheeft om deze taken
te
bereiken.
natuurwaarden
Daarnaast
heeft
de
wezenlijke kenmerken en waarden wezenlijke
provincie
zelf
(en de daarvoor vereiste bodem-
kenmerken
meegenomen
‘voor
(art. 77, 2e lid Bkl.
en
waarden
zover
deze
in het
de
ruimte
om
te
bepalen
en watercondities) meenemen
Barro.
die
natuurwaarden
of zij ook
potentiële
in de definiëring van de
Dit komt min of meer
overeen
ook
potentiële
waarden
licht
de
en
aangeeft
condities
dat
in
het
de
met de definitie van
van
worden
internationale
biodiversiteitdoelstellingen relevant zijn' Beschermingsregime NNN
Het beschermingsregime voor het NNN is uitgewerkt in art. 7.8. 2 e lid Bkl, dat een instructieregel betreft voor uitwerking van het beschermingsregime in de Omgevingsverordeningen van provincies: ‘De regels verzekeren
in ieder geval dat de kwaliteit en oppervlakte van het natuurnetwerk
Nederland
niet
achteruitgaan, dat de samenhang tussen de gebieden van het natuumetwerk wordt behouden en dat, als binnen
het natuumetwerkactiviteiten
wezenlijke
kenmerken
of waarden
worden
van
toegelaten die nadelige gevolgen
het natuurnetwerk,
deze gevolgen
kunnen
hebben
tijdig worden
voor de
gecompenseerd
zodanig dat de kwaliteit, oppervlakte en samenhang van het natuurnetwerk behouden blijven.” Een vergelijkbare instructieregel voor de bescherming van het NNN is opgenomen voor projectbesluiten die door
het
Riijk wordt
vastgesteld
in art
93,
1 e
lid Bkl
Voor
nadere
informatie
met
betrekking
tot het
beschermingsregime NNN wordt verwezen naar de bijlage Bizondere natuurgebieden en landschappen Het Rijk kan op basis van art. 244
bijzondere
nationale
lid 2 Ow zogeheten
natuurgebieden
kunnen
worden
bijzondere nationale natuurgebieden
aanwijzen.
De
aangewezen
aanwijzing
of
vooruitlopend
op
de
begrenzing als Natura 2000-gebied, bijvoorbeeld als het gaat om compensatie voor handelingen die leiden toteen significant gevolg of als het gaat om gebieden die nodig zijn om de doelstellingen van de Vogelrichtlijn
of Habitatrichtlijn te bereiken (art. 363 BkÙ. Daarnaast kan het Riijk ook bijzondere nationale natuurgebieden aanwijzen als de bescherming van het gebied nodig is voor de instandhouding of herstel van biotopen en leefgebieden van in Nederland van nature in het wild voorkomende soorten genoemd in bijlage ! Vogelrichtjn
of
Bijlage
,
I
IV
of
V
Habitatrichtljn.
In
die
gevallen
bevat
het
aanwijzingsbesluit
instandhoudingsdoelstellingen (art 364 Bkl. Het ministerie van LNV heeft de taak zorg te dragen dat de maatregelen
worden
getroffen
voor
het
bereiken
van
de
instandhoudingsdoelstellingen
van
deze
type
natuurgebieden (art. 249, lid 5 Ow, tenzij Gedeputeerde Staten is aangewezen om deze taak uit te voeren (art. 248 lid 1, onder g, 2', tweede streepje Ow). Voor de bescherming van bijzondere nationale natuurgebieden geldt, naast een
mogelijke toegangsbeperking,
de specífieke zorgplicht zoals genoemd
n art. 116 Bal (zie
hiervoon). De provincies kunnen zogeheten bijzondere provinciale natuurgebieden of bijzondere provinciale landschappen aanwijzen (art. 2.44, lid 5 Ow). Niet iedere provincie hanteert dezelfde juridische bescherming. Sommige
hanteren alleen een predicaat
anderen
hanteren een soort ADC-criteria (nee.
tenzij-principe) en
daarmee juridische beschermingsregime naast NNN en Natura 2000. Kijk voor de geldende regels in de van toepassing zijnde provinciale Omgevingsverordening
2.3 Soortbescherming Een ’flora- en fauna-activiteit’is volgens de definitie van het begrip zoals uitgewerkt in de bijlage bij art. 11 Omgevingswet een: 'activíteit met mogelijke gevolgen voor van nature n het wild levende dieren of planten’ 10
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
Anders dan bij een 'Natura 2000-activiteit. waarvan
pas sprake is als een activiteit leidt tot een
significante gevolgen op beschermde Natura 2000-gebieden (zie hiervoor)
kans op
is er al sprake van een lora- en
fauna-activiteit als het een mogelijk gevolg heeft voor één van nature in het wild levend dier of plant, ongeacht of deze soort beschermd is volgens de Omgevingswet Doordat n de definitie wordt verwezen naar ‘van nature' in het wild levende soorten, gaat de definitie niet op
voor niet-van nature voorkomende soorten. Met andere woorden, de regels voor flora- en fauna-activiteiten gelden niet voor soorten die buiten het natuurlijk verspreidingsgebied voorkomen of exoten, tenzij specifiek vermeld.
Als er sprake is van een flora- en fauna-activiteit, dient er rekening te worden
gehouden
met de
regels in art. 1127 Bal (specifieke zorgplicht), art. 1128 Bal (voorkomen onnodig lijden dieren) en de paragrafen 1122 t/m 1125 Bal (vergunningplicht bij schadelijke handelingen, regels vergunningsvrije gevallen). Hoewel de paragrafen 1122 t/m 1125 Bal alleen betrekking hebben op de bij wet beschermde soorten, gelden de
artikelen 1127 en 1128 ook met betrekking tot de niet-beschermde uitvoeren
van
flora-
en
fauna-activiteiten
aantonen
hoe tegemoetgekomen
van flora- en fauna-activiteiten
dient
de
initiatiefnemer
soorten.
Ten alle tijden geldt bij het
/ uitvoerder
van
de
activiteit
te
kunnen
wordt aan de specifieke zorgplicht. Ten alle tjden geldt bij het uitvoeren
dient de initiatiefnemer / uitvoerder van de activíteit te kunnen
aantonen
hoe
tegemoetgekomen wordt aan de specifieke zorgplicht (art. 1127. Bal). Voor nadere informatie met betrekking tot de specifieke zorgplicht wordt verwezen naar de bijlage.
Het benoemen
hoe aan
voldoende om
aan de algemene en specifieke zorgplichtbepalingen te voldoen.
vergunning
plichtig.
de zorgplichtbepalingen
in de Omgevingswet
dus het is niet noodzakelijk om
getoetst
het voor te leggen
is in een
rapportage,
is
De zorgplichten zijn niet
aan bevoegd
gezag.
Voor nadere
informatie met betrekking tot de zorgplicht wordt verwezen naar de bijlage De soortenbeschermingsregimes In de paragrafen 1122 t/m 1124 Bal zijn de verschillende soortenbeschermingsregimes opgenomen:
+
51122
Bal omgevingsvergunning soorten Vogelrichtijn
e
61123
Bal: omgevingsvergunning soorten Habitatrichtlijn
e
61124 Bal omgevingsvergunning andere soorten
Onder iedere paragraaf zijn de vergunning plichtige gevallen en de vergunningsvrije gevallen aangegeven.
In
de Omgevingswet wordt niet meer gesproken over verbodsbepalingen waarvoor een ontheffing of vrijstelling kan worden
inhoud
van
verleend,
de
maar over schadelijke handelingen
schadelijke
soortenbeschermingsregimes
handelingen uit de
Wnb,
die leiden tot een vergunning
komen
overeen
aangezien
deze
met
de
rechtstreeks
plichtig geval De
verbodsbepalingen
van
voortkomen
Europese
uit de
de
Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn en internationale Verdragen en betreffen de volgende schadelijke gevallen:
1
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
Tabel 1 - Europese Vogelrichtlijn en Habitatrichtlijn
Schadelijke handelingen Vogelrichtijn (art 1137 Bal: Het opzettelijk doden of opzettelijk vangen van nature in Nederland
in het wild
levende
Schadelijke handelingen
Schadelijke handelingen
Habitatrichtlijn (art. 11.46 Bal:
andere soorten (art. 11.54 Bal)
Het in hun natuurlijk
Het opzettelijk doden of vangen
verspreidingsgebied opzettelijk doden of opzettelijk vangen van
van
vogels van soorten als bedoeld
n het wild levende dieren
inart.1Vrl
bijlage IV, ondera, Bern bijlage II Bonn bijlage | ex. vogels art.1
soorten, genoemd in bijlage IX,
Vrb:
onder A
Het opzettelijk vernielen of opzettelijk beschadigen van
Hrl
in het wild levende
zoogdieren, amfibieën, reptielen, vissen, dagvlinders,
Het opzettelijk verstoren van
Het opzettelijk beschadigen of
dieren
vernielen
nesten, rustplaatsen en eieren van vogels, of het opzettelijk wegnemen van nesten van die vogels Het rapen en onder zich
hebben van eieren van vogels
libellen en kevers van de
van de vaste
voortplantingsplaatsen, rustplaatsen of eieren van dieren
Het in de natuur opzettelijk vernielen of rapen van eieren van dieren
Het opzettelijk storen van vogels*
Het beschadigen of vernielen van de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren
Het opzettelijk in hun natuurlijke verspreidingsgebied plukken n verzamelen. afsnijden, ontwortelen of vernielen van
vaatplanten van de soorten, genoemd in bijlage IX, onder B
Het opzettelijk plukken en verzamelen, afsnijden, ontwortelen of vernielen van
planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onder b Hrl of bijlage | verdrag van Bern, in hun natuurlijke
verspreidingsgebied
12
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
Vrijstelling schadelijke handelingen vogelrichtlijn
Het verbod op het opzettelijk storen van vogels. geldt niet, « _ Als het storen niet van wezenlijke invloed i op de staat van instandhouding van de vogelsoort .
Het verbod
geldt
niet als de
activiteit
uitvoering
geeft
aan
een
instandhoudingsmaatregel
geeft aan
een
instandhoudingsmaatregel
of
passende maatregel
Vrijstelling schadelijke handelingen habitatrichtlijn Het verbod
geldt
niet als de activiteit uitvoering
of passende
maatregel Vrijstelling schadelijke handelingen andere soorten
Het verbod geldt niet voor bosmuis, huisspitsmuis en veldmuis, voor zover deze dieren zich in of op gebouwen of daarbij behorende erven of roerende zaken bevinden
Het verbod
geldt
niet als de activiteit uitvoering
geeft aan
een
instandhoudingsmaatregel
of passende
maatregel
13
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
2.4 Bescherming houtopstanden Een houtopstand beslaat een oppervlakte van 10 are of meer, of bestaat uit een beplanting van twintig bomen
of meer in een rij, gerekend over het totaal aantal rijen. Buiten de bescherming houtopstanden (artikel 11.3 Bal) vallen de
Houtopstanden
binnen
door
de
gemeenteraad
vastgestelde
grenzen
van
de
bebouwde
kom
houtopstanden e _ Houtopstanden op erven of in tuinen en fruitbomen en windschermen om boomgaarden, e _ Naaldbomen bedoeld als kerstbomen en niet ouder dan twintig jaar en kweekgoed,
°
Uit
populieren
of
wilgen
bestaande
wegbeplantingen,
beplantingen
langs
waterwegen
en
beplantingen langs landbouwgronden (enkele r} e _ Hetdunnen van een houtopstand, Uit populieren, wilgen,
essen of elzen bestaande beplantingen die
zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa en die: e _ Minimaal eens e
per tien jaar worden geoogst,
Bestaan uit ten minste tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid
aaneengesloten
bestaande
uit een
beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee
meter,
e
Zijn aangelegd na1 januari 2013
Volgens artikel 5165b
Bkl is het verboden een
houtopstand
geheel of gedeeltelijk te vellen zonder daar
melding van te doen bij Gedeputeerde Staten. Dit geldt niet voor het periodiek vellen van griend- of hakhout. Binnen drie jaar moet het gevelde deel weer zijn herplant. Vrijstellingen gelden er wanneer het vellen gebeurt
middels
een
goedgekeurde
gedragscode
of
de
werkzaamheden
_ voortvloeien
_ uit
instandhoudingsdoelstellingen voor Natura2000-gebieden of nodig zijn voor aanleg en het onderhoud van brandgangen op natuurterreinen.
14
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
2.5 Toepasbaarheid Dit Natuurwaardenonderzoek is gericht op de mogelijke overtreding van de omgevingswet, niet aan andere
(natuunwetgeving.
De
resultaten
van
het
onderzoek
zijn
3 jaar
geldig.
Dit
onderzoek
kan
voor
de
opdrachtgever als bewijsstuk dienen dat natuuronderzoek is verricht. Deze rapportage kan dan ook ingediend worden
aan
belanghebbende
partijen zoals gemeente
en provincie
Op
basis van
in de deze rapportage
opgenomen projectgegevens (zie hoofdstuk 1: december 2024 s dit onderzoek uitgevoerd en een inschatting gemaakt van de effecten hiervan op de beschermde soorten en gebieden. kunnen
invloed hebben
op deze effecten en zijn dus niet opgenomen
Latere wijzigingen van het project in deze rapportage.
Er zal dan een
nieuwe beoordeling plaats moeten vinden Deze verstrekte natuurinformatie s ten behoeve van de initiatief- en ontwerpfase van de planontwikkeling. Om in de uitvoerings- en beheerfase overtreding van de omgevingswet te voorkomen,
wordt - indien nodig-
n deze rapportage aangegeven wanneer het noodzakelijk is om te werken volgens één van de volgende standaarden:
Algemeen zorgvuldig handelen
Gedragscode ruimtelijke ontwikkeling Ecologisch werkprotocol Vergunning/vrijstelling omgevingswet
15
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
3. Methode Werkwijze
Door middel van bureauonderzoek is onderzocht welke beschermde flora en fauna in de omgeving van het plangebied recentelijk zijn waargenomen.
Hierbij s gebruik gemaakt van waarnemingen uit
de Nationale Databank Flora en Fauna (NDFF). Op basis van het onderzoek in verspreidingsatlassen
en overige beschikbare natuurinformatie is een inschatting gemaakt welke soorten er redelijkerwijs zijn te verwachten in het plangebied. Op 6 december 2024
is het plangebied door A. van der Voort bezocht.
Daarbij werden
de,
in het
plangebied aanwezige. natuurwaarden geïnventariseerd en beoordeeld. Tijdens dit veldbezoek was het half bewolkt weer en ongeveer 4 graden Celsius. Er is gekeken naar mogelijke groeiplaatsen dan wel vaste
rust-
en verblifplaatsen
van
de beschermde
flora-
en fauna.
Dit is uitgewerkt
in het
hoofdstuk soortbescherming Eris een visuele inspectie met behulp van verrekijker uitgevoerd op aanwezigheid van sporen, nesten, kieren,
holten en spleten (voor zover aanwezig).
De controle is te voet uitgevoerd en waar mogelijk zijn eventuele toegankelijke holtes en spleten verkennend geïnspecteerd (met zaklamp en/of endoscoop). Bewijslast is verzameld met fotomateriaal
De ligging van het plangebied ten opzichte van nabijgelegen beschermde gebieden (Natura 2000 en NNN) werd opgezocht. Dit is uitgewerkt in het hoofdstuk gebiedsbescherming In samenspraak met de opdrachtgever is de ingreep in kaart gebracht. ©
Door middel van een nauwkeurige analyse van deze data en waarnemingen is: a
bepaald of negatieve effecten op beschermde gebieden op voorhand zijn uit te sluiten of dat hiervoor een aanvullend onderzoek noodzakelijk is,
b
een
inschatting gemaakt
van de redelijkerwijs te verwachten
negatieve effecten
op de
(potentieel aanwezige beschermde soorten en functies. < 9
bepaald of de bescherming van houtopstanden aan de orde is.
De opgestelde rapportage is gecontroleerd en beoordeeld door een tweede lezer.
16
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
4. Gebiedsbescherming 4.1. Natura 2000 In Europa is een netwerk van beschermde gebieden opgezet. Dit zijn de zogenoemde Natura 2000-gebieden. Deze gebieden zijn in de Omgevingswet strikt beschermd.
Volgens de Omgevingswet is het volgens artikel
27 lid 2 verboden zonder vergunning projecten te realiseren of andere handelingen te verrichten die, gelet op de instandhoudingsdoelstellingen voor een Natura 2000-gebied, de kwaliteit van de natuurlijke habitats of de habitats van soorten in dat gebied kunnen verslechteren of een significant verstorend effect kunnen hebben op de soorten waarvoor dat gebied is aangewezen Nabijgelegen Natura 2000-gebied(en) Dit geldt ook voor projecten die fysiek buiten het Natura 2000-gebied gelegen zijn maar wel een effect kunnen hebben op het gebied (externe werking). Het plangebied ligt nabij het Natura 2000-gebied Rijntakken op een afstand van respectievelijk 7.461 meter (figuur 3). z
f
Afstand meten
H
e
Klkop de kaart om de afstand te meten
/
S _ E
e
Dubbelkik om e stoppen.
Afstand:
7461
°,
km
Figuur 3- 7461 meter tov. Natura 2000-Rijntakken
Rüntakken
Het Natura
2000-gebied
Riijntakken
omvat
4 deelgebieden,
namelijk:
Uiterwaarden
IJssel. Uiterwaarden
Neder-Rijn, Gelderse Poort en de Waal De planlocatie is gelegen in nabij deelgebied Uiterwaarden Waal Het
deelgebied Uiterwaarden Waal omvatten het winterbed van de Waal en daarmee alle uiterwaardgebieden aan de noord- en de zuidoever van de Waal van Nijmegen tot aan Zaltbommel De rivier vormt een dynamisch systeem, een
samenspel tussen natuurlijke processen en menselijk ingrijpen.
De Waal moet in perioden met
‘hoge rivierafvoer twee derde van de Riijjnafvoer voor haar rekening nemen en is daarmee de grootste vrijafstromende Riijntak. Het is ook de meest dynamische riviertak van het Rijnsysteem.
In perioden met hoog 17
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
water vindt erosie en sedimentatie plaats en 'vormt’ de rivier het landschap. Het rivierenlandschap bestaat uit een
breed,
voornamelijk
voornamelijk
laaggelegen,
uit graslanden,
afgewisseld
geïsoleerde
oude
(strangen
kleiwinning.
In het westelijk deel van
riviertakken
hoogdynamisch
met en
enkele
geulen).
het gebied
winterbed.
akkers, Veel
De
bosjes,
uiterwaarden
liggen de
Riijswaard
reliëfrijke
uiterwaarden
bomenrijen,
moerasgebiedjes
zijn vergraven
en de Kíl van
voor
bestaan
zand
Hurwenen
en/of
met oude
riviermeanders. aangrenzende oeverlanden en stroomruggen.
Daarnaast liggen er enkele grote plassen,
ontstaan zijn door zand- en kleiwinning.
bevatten
Deze
uiterwaarden
en
die
soortenrijke glanshaverhooilanden,
stroomdalgraslanden en open water, waar deels verlanding plaatsvindt.
Externe werking U kunt te maken hebben met de zogenoemde externe werking van het Natura 2000-gebied. bijvoorbeeld denken aan mogelijke effecten op de waterhuishouding.
U moet daarbij
uitstoot van stikstof of effecten die het
gevolg zijn van een groot project zoals aanleg van windmolens, zandwinning, een woonwijk of industrie. Om te bepalen of dit het geval is moet een voortoets Natura 2000 worden uitgevoerd door een deskundig bureau Als uw activiteit een negatief effect heeft op de instandhoudingsdoelstellingen van het Natura 2000-gebied
is een vergunning nodig, voor meer info zie: vergunning Natura 2000-gebieden. Gezien de aard van de voorgenomen ontwikkeling in relatie tot de afstand tot het Natura 2000-gebied i het redelijkerwijs
uitgesloten
dat er van externe werking
sprake
is.
De
planlocatie
is immers
gelegen
n een
bebouwd gebied waardoor verstoring door mogelijke effecten zoals licht, geluid en trilling niet aan de orde zijn. Het plangebied is gelegen nabij het Natura 2000-gebied Habitat- en Vogerichtlijngebied.
habitattypen,
habitatsoorten,
Rijntakken . Deze is ter plaatse begrensd als
Voor de Natura 2000-gebieden zijn instandhoudingsdoelen opgesteld voor
broedvogelsoorten
en niet-broedvogels.
Omdat
de werkzaamheden
van het
plangebied buiten het Natura 2000-gebied plaatsvinden heeft dit geen invloed op de oppervlakte van het Natura 2000-gebied
stikstofdepositie Met betrekking tot de bepaling van mogelijke nadelige gevolgen als gevolg van de depositie van stikstof, is er met betrekking tot de toetsing van Natura 2000-activiteiten
in de wet een verplichting opgenomen
gebruik van Aerius Calculator (artikel 4.15 O. Voor toelichting mb!
tot het
het juridische kader wordt verwezen naar
de bijlagen De planlocatie is gelegen op +/- 7.481 meter van het depositiegevoelige Natura 2000-gebied Rijntakken (iguur
3). Gezien de afstand tot het depositiegevoelige Natura 2000-gebied in relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt er mogelijk stikstofdepositie verwacht in de sloop/aanleg- en nieuwe gebruiksfase. Conclusie
Natura
2000
Gezien de (effect afstand tot het Natura 2000-gebied, in relatie tot de geplande ontwikkelingen,
worden er
geen significante invloeden op de beschermde natuurwaarden of aangewezen (beheer)doelstellingen door effecten zoals licht. trilling geluid enz. verwacht.
Een voortoets Natura 2000 wordt niet noodzakelijk geacht
In relatie tot de geplande ontwikkelingen wordt er mogelijk stikstofdepositie verwacht in de sloop-, aanlegen nieuwe gebruiksfase.
Een Aeriusberekening wordt noodzakelijk geacht
18
NATUURWAARDENONDERZOEK 52962.2
EM DE
4.2
Natuurnetwerk Nederland (NNN)
Het
Natuumetwerk
natuurgebieden.
Nederland
is
het
ZWIJGERWEC
Nederlands
netwerk
GELDERMALSEN
van
bestaande
en
nieuw
aan
te
leggen
In de wet heet dit de Ecologische Hoofdstructuur (EHS). Het netwerk moet natuurgebieden
beter verbinden met elkaar en met het omringende agrarisch gebied.
In het Natuurnetwerk Nederland liggen:
* _ Bestaande natuurgebieden, waaronderde 20 Nationale Parken: « _ Nationale landschappen; « _ Gebieden waar nieuwe natuur aangelegd wordt (Groene ontwikkelingszone):
+
Landbouwgebieden, beheerd volgens agrarisch natuurbeheer;
+
Ruim
6 miljoen
hectare
grote
wateren:
meren,
rivieren, de
kustzone
van
de
Noordzee
en de
Waddenzee:
e _ Alle Natura 2000-gebieden.
u
Buurmalsen
Willem de Zwijgerweg 14,4191 WE Geldermalsen
\
NLD
Geldermalsen Emmawijk
Meteren
Figuur 4- Gelegen
Conclusie Natuurnetwerk
buiten Natuumetwerk Gelderland
Nederland
Aangezien het plangebied is gelegen buiten het Gelders natuumetwerk en de Groene ontwikkelingszone van Gelderland Zeeland (figuur 4), is nadere toetsing niet aan de orde. Een Ja, mits toetsing wordt niet noodzakelijk
geacht
19
NATUURWAARDENONDERZOEK
529622 -WILLEM
DE ZWIJGERWEG
12-16 GELDERMALSEN
4.3 Nationaal landschap De Nationale Landschappen zijn gebieden met specifieke kenmerken zoals flora en fauna, beekdalen, terpen, landbouw en waterbeheersing. In diverse regelingen is vastgelegd dat nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in deze
gebieden
doorontwikkeld
alleen
mogelijk
worden.
De
zijn als deze
provincies
kernkwaliteiten
van
het
zijn verantwoordelijk
voor
het aanhouden
landschap
behouden van
bljven
grenzen
en
of de
kernkwaliteiten.
Loeaie zoeken
e
O Wilem de zwijgerweg 14, Geldermal: x
iguur 5 - Gelegen binnen Nationaal landschap Rivierenland
Conclusie Nationaal landschap
Beoogde ontwikkelingen vinden plaats buiten de grenzen van het Nationaal landschap (figuur 5). Omdat kernkwaliteiten gewaarborgd blijven zijn wettelijke consequenties met betrekking op het Nationaal andschap niet aan
de orde.
20
ecofect
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
5. Soortbescherming 51
Habitatcheck
Toetsing aan gebiedsbescherming vindt uitsluitend plaats indien beschermde gebieden in het geding zijn. terwijl toetsing aan de soortbescherming alijd vereist is, zowel binnen als buiten beschermde gebieden,
Er is
een habitatcheck uitgevoerd met als richtpunt de natuur activiteit
Bij het raadplegen van de soortenindicator via het programma Besi,zijn de volgende resultaten (Figuur 6) naar voren gekomen.
Dit geeft de mogelijk nadelige effecten van de werkzaamheden op beschermde plant- en
diersoorten weer in het plangebied
Welke beschermde dieren en/of planten kunnen aanwezig zijn op de locatie van uw werkzaamheid?
Vogels Zoogdieren Andere diersoorten dan vogels of zoogdieren
Planten
Ja Ja _ | Ja
Nee
Zie de volgende pagina's voor meer informatie over de leefgebieden van deze wettelijk beschermde dieren en planten en een advies over hoe u met deze soorten rekening kunt houden.
Vogels Kunnen er op de locatie van uw werkzaamheid vogels aanwezig zijn waarvan het
nest het hele jaar beschermd is?
e
Kunnen er op de locatie van uw werkzaamheid vogels aanwezig zijn waarvan het | ee nest alleen tijdens het broedseizoen beschermd is?
Lees allijd de adviezen van de mogelijk aanwezige vogelsoorten. Sommige provincies hebben voor bepaalde soorten uitzonderingen.
Zoogdieren Kies alle zoogdieren die aanwezig kunnen zijn op de locatie van uw werkzaamheid.
Vleermuizen
Ja
Eekhooms
Nee
Andere marterachtige dan steenmarters
Ja
Andere zoogdieren
Ja
Steenmarters
Nee
Figuur 6- Rapport beschermde
Soorten Indicator (BeSl @ BIJ12
21
NATUURWAARDENONDERZOEK
5.2
Flora en fauna
Op
de
planlocatie
52962.2
is bebouwing
/pannendak (zie paragraaf 12).
aanwezig
in de
vorm
van
opstallen
met
stenen
muren
en
een
plat-
Naast het gebruik van de Besi is bureauonderzoek uitgevoerd door onder
andere het raadplegen van het NDFF en andere databases om
een volledig beeld te kunnen krijgen van
mogelijke beschermde flora en fauna in (de omgeving van) het plangebied.
Eerst worden (mogelijk beschermde) flora toegelicht. Vervolgens worden fauna uitgewerkt. fauna is gesplitst in enkele subgroepen, overige soorten.
namelijk: vogelsoorten,
vleermuizen,
Het onderdeel
grondgebonden zoogdieren, en
Binnen deze subgroepen zijn enkele soorten door de provincie vrijgesteld,
Deze vrijgestelde
soorten vallen onder de specifieke zorgplicht, en dienen op diervriendelijke en zorgvuldige wijze te worden behandeld
(zie
bijlage).
Daarnaast
worden
'rode
ondervinden van de voorgenomen ontwikkeling.
lijst
soorten
ook
beschreven
wanneer
deze
hinder
De instandhouding van deze soorten staat namelijk al onder
druk. Binnen dit hoofdstuk worden meerdere ecologische vaktermen gebruikt. Voor de betekenis van deze begrippen wordt verwezen naar de verklarende woordenlijst in de bijlage.
5.2.1 Flora Het perceel
is nauwkeurig
onderzocht
op inheemse
en uitheemse
(groeiplaatsen van) beschermde soorten, zoals korstmossen,
beschermde
vegetatie.
Er zijn geen
orchissen en vaatplanten aangetroffen.
Ook de
geraadpleegde databanken geven geen aanwijzingen naar beschermde soorten op de projectlocatie Advies / conclusie
Ten aanzien van flora worden
geen schadelijke handelingen
flora en fauna activiteit zoals bedoeld
in de
Omgevingswet verwacht.
22
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
5.2.2 Vogelsoorten Alle van
nature
Daarmnaast
geldt
voorkomende
voor
vogelsoorten
nestplaatsen
van
en
diverse
hun
bezette
nestplaatsen
vogelsoorten
dat
deze
in Nederland
door
zijn
beschermd
de wetgever
in provincie
Gelderland jaarrond beschermd zijn (zie tabel 2), Deze jaarrond beschermde broedvogels zijn n een tweetal categorieën opgedeeld, waarvoor de verbodsbepalingen van de omgevingswet het gehele seizoen gelden:
Categorie 1: Jaarrond beschermd nest Categorie 2: Jaarrond
beschermd
nest, tenzij is aangetoond
dat er voor de betreffende soort voldoende
alternatieve leefomgeving in de omgeving aanwezig is om zich te kunnen vestigen Tabel
Nederandsenaam
_
Bescherming
Nederandsenaam
_
Bescherming
2 - Jaarrond
beschermde
Nederandsenaam
_
nesten
| Bescherming
Boonvalk Categoret Buzerd Categore1 Gerzwakn Categoriet Grotegelekwictaat | Categoret Havik Caiegoret
Bonte viegervanger | eategore Boomktever Categore z Goomkruper Categorie z Gonit Categorie 2 Draaials Caiegorez
Nacntzwal Ooverzwatw Patris Raaf Ruigpootuit
Kerkut oetoe Ooievaar Ransal Rook Slechtvak sperwer stoenut Wespendiet Zwarte wouw Blauwe reiger Boerenzwaluw
Ganskop Caiegorez Grauwe wiegenvanger | Categore 2 Groene specht Caiegorez Grotebortespecht | categore2 Grato Caiegorez Huszwoluw Categore z Usvoget Categorie z Keinebontespeent | Categore 2 Weine viegervanger | Categorie2 Kortsnavelboornkruiper | Categore 2 Kuartet Caiegorez Middeste bonte specht | Categorie 2
Topuit Categorie2 Torenvalk Categore2 Tureuur Categore2 Vedleeuwerk Categore2 Vedt Categore2 Wulp Categoriez zooorend Categorez zuarte kaal Categorez Zuarte mees Categore2 Zeaeroodtaan | categorie2 Zwate specht Caiegorez
Huismus
Categorier
Categorie1 Categore1 Caegore1 Categore1 Caegore1 Categore1 Categoret Categoret Categoriet Categoret Caiegorez Categoriez
Gekraagderoodstaart | Categorie z
spreeuw
Gelderland
Categorez Categorez Categore2 categorez Categorez
Categorie 2
23
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
Huismus
Deze soort nestelt in bebouwing
en is daarmee sterk gebonden
geschikte bebouwing die betrokken is bij de werkzaamheden.
aan de mens.
Het plangebied
heeft geen
De winkel- en woonpanden aan de voorzijde
zullen enkel op de begane grond verbouwd worden. Het dak van de panden zijn (gedeeltelijk) een pannendak met platte pan.
De
kans dat de
huismus
gebruik
maakt
van
het pannendak
is klein,
echter om
indirecte
verstoring te voorkomen wordt het aangeraden om een nader onderzoek huismus uit te voeren. Het habitat op de planlocatie en in de omgeving (tuinen en bestrating) is geschikt voor de huismus door de aanwezigheid
van
(groenblijvende)
struiken,
straatgras,
zandbaden
en
water.
Het
habitat
zal
met
de
werkzaamheden niet verloren gaan. Het plangebied kan niet aangemerkt worden als essentieel aangezien er voldoende
alternatieven
gedaan van de huismus.
in de omgeving
aanwezig
zijn.
In de directe omgeving
zijn geen waarnemingen
Een nader onderzoek naar de huismus wordt noodzakelijk geacht
Gierzwaluw
De gierzwaluw maakt ook gebruik van menselijke bebouwing als nestplaats.
Deze 90- dagenvogel broedt
veelal onder
zijn nestplaats
dakpannen,
Een
aantal voorwaarden
stelt de gierzwaluw
aan
(kolonie).
Een
potentiële nestplaats is vrijwel nooit onder de 3 meter te vinden in verband met het aan- en afvliegen en doorgaans ook niet in de onmiddellijke omgeving van bomen. Gierzwaluwen hebben invliegopeningen nodig van ca 55 x 20 mm.
Bovendien nestelt de gierzwaluw bij voorkeur in bebouwde gebieden.
De opstallen hebben
geen vrije aanvliegroutes of openingen, uitgezonderd de nokvorst, waar deze soort gebruik van kan maken De werkzaamheden van de winkelpanden en woning zullen enkel op de begane grond plaatsvinden waardoor het dak aangetast zal worden,
Echter,
hoewel de kans op aanwezigheid van de gierzwaluw
klein is, wordt
aangeraden om een aanvullend onderzoek gierzwaluw uit te voeren. Bijhet raadplegen van NDFF kwam naar voren dat de gierzwaluw nabij de planlocatie bij bebouwing rondom, is waargenomen.
Een nader onderzoek
gierzwaluw wordt dan ook noodzakelijk geacht. Roek
De roek is een kolonievogel die met name voorkomt bij vochtige gras- en bouwlanden, met vochtige bouwlanden
in de buurt.
of parklandschappen
De nesten en verblifplaatsen bevinden zich meestal in clusters van
‘hogere bomen van 15-25 meter hoogte. De minimale nesthoogte bevindt zich op 7 meter boven het maaiveld maar het overgrote deel van de nesten bevindt zich hoger dan 14 meter. De diversiteit aan boomsoorten waarin zich roekenkolonies bevinden is zeer groot. De aanwezigheid van stevige takvorken op een minimale hoogte van enkele meters boven het maaiveld is leidend bij de keuze voor de boomsoort. verblifplaatsen zijn niet aangetroffen,
Zulke bomen met nest- en
Daarom wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht
Grote gele kwikstaart en Ooievaar
De grote gele kwikstaart maakt gebruik van de oeverzones van grote rivieren en kan dus uitgesloten worden van de planlocatie. De ooievaar is te vinden in agrarische cultuurlandschappen waar ze vaak nesten op grote ‘hoogte maken in de wei- of graslanden.
Rust- nest-. of verblijfplaatsen van deze soorten zijn niet aangetroffen.
Daarom wordt nader onderzoek niet noodzakelijk geacht Uilen en Roofvogels De steenuil maakt gebruik van kleinschalige agrarische cultuurlandschappen.
vinden
op boerenerven
(halflopen
landschappen
of in holtes van bomen met
name
agrarische
in landelijke omgeving. cultuurlandschappen.
Deze soort is dan ook vaak te
De kerkuil is een Deze
soort
vestigt
bewoner van zich
graag
in 24
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
boerenschuren
Het plangebied
of kerktorens.
verblijfplaats voor deze soort vanwege
heeft een
het ontbreken
bebouwd
van geschikt
karakter.
De opstal leent zich niet als
habitat en potentiële
verblijfplaatsen
Nader onderzoek naar de steen- en de kerkuil wordt daarom niet noodzakelijk geacht. De oehoe en slechtvalk maken beiden gebruik van oude nesten van kraaiachtige of roofvogels. De slechtvalk maakt met name gebruik van hoge bebouwing zoals flats aan de rand van stedelijke gebieden,
een voorkeur voor open, ‘beboste gebieden. het gebouw
afwisselende landschappen met weinig bebossing.
De Oehoe heeft voorkeur voor
Het plangebied is voor beide soorten niet habitatgeschikt door het pannendak, hoogte van
en stedelijk karakter van
soorten en de boomvalk, aangetroffen.
Ze hebben
buizerd,
de omgeving.
havik, sperwer,
Nesten-
of verblijfplaatsen
wespendief.
zwarte wouw
van
de eerdergenoemde
en overige soorten zijn niet
Nader onderzoek naar roofvogels wordt daarom niet noodzakelijk geacht.
Spechten en Holtebroeders
De bomen n de directe nabijheid van en op de planlocatie zijn in goede conditie. De bomen hebben geen kieren, holten of (scheur)spleten. Spechten of holtebroeders zullen niet verstoord worden.
Nader onderzoek
holtebroeders wordt dan ook niet noodzakelijk geacht Categorie 2
Van de vogels uit categorie 2 (zie tabel 2) kunnen in de omgeving meerdere soorten worden verwacht.
Het
plangebied biedt potentie als habitat voor meerdere vogelsoorten uit categorie 5. Vogels uit deze categorie
kunnen gemakkelijk uitwijken van leefgebied en zullen dan ook geen hinder ondervinden van de geplande werkzaamheden.
Rust- nest-, of verblifplaatsen van deze soorten zijn niet aangetroffen.
Nader onderzoek naar
uitwijkmogelijkheden en alternatieve verblijfplaatsen is daarom niet aan de orde. Bonn
en
Bern
Het voorkomen van vogels zoals genoemd in de verdragen van Bonn en Bern kan niet worden uitgesloten. Deze
soorten
vallen
zowel
onder
het
beschermingsregime
Vogerichtljn
als
het
beschermingsregime
Habitatrichtlijn. Voor deze soorten geldt dat ze niet opzettelijk mogen worden verstoord, ongeacht hun staat van instandhouding. eieren
of vaste
Voor alle inheemse vogelsoorten geldt een verbod op handelingen die soorten, nesten,
rust- of verblijfplaatsen
beschadigen
of verstoren.
Voor werkzaamheden
met schadelijke
effecten op broedvogels wordt veelal geen ontheffing verleend, omdat het uitvoeren van de werkzaamheden buiten het broedseizoen over het algemeen een goed alternatief vormt. In het kader van de Omgevingswet wordt voor het broedseizoen geen standaardperiode gehanteerd,
omdat deze per soort en vaak per jaar kan
verschillen. Van belang is dat een broedgeval niet wordt verstoord, ongeachtde datum. Advies
/ conclusie
Ten aanzien van vogels worden mogelijk schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de
Omgevingswet verwacht. Nader onderzoek huismus en gierzwaluw is noodzakelijk
25
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
5.2.3 Vleermuizen Het leefgebied van beschermde vleermuizen (artikel 35 Habitatrichtljn bijlage IV) bestaat uit verblijfplaatsen
vliegroutes en foerageergebieden, toegelicht
°
In de verklarende woordenlijst (zie bijlage) worden deze onderdelen nader
Bij alle typen verblifplaatsen zijn onder andere de volgende aspecten relevant:
Microklimaat: temperatuur, verschillende temperaturen binnen één object (gradiënten), snelheid van opwarmen of afkoelen (bufferwaarde) en vochtigheid.
Essentieel is dat de verblijfplaats tochtvrj is n
verband met de temperatuurregulatie en het voorkomen van uitdroging in de winter. Winterverblijven moeten daarnaast grotendeels vorstvrij zijn e _ Licht: er mag geen lichtbron vlakbij zijn
* _ Locatie en eigenschappen van de in- en uitvliegopeningen: de aanvliegroute moet vrij van obstakels als takken of bomen zijn. Ook mag de verblijfplaats niet via bijvoorbeeld een afdakje bereikbaar zijn
voor katten en dergelijke. Geen obstakels. zoals steigers,
steigerdoek of hoge begroeïing,
voor de
ingang
.
Materiaal de binnenkant moet ruw zijn (geen glad beton of hout), niet geverfd en niet op den duur
gaan rafelen e _ Ruimtegebruik en veiligheid (tegen predatoren)
« _ Ligging ten opzichte van de andere functies in het leefgebied Gebouwbewonende
soorten
Tijdens het veldbezoek is vastgesteld dat de opstal toegankelijk is voor vleermuizen door de aanwezigheid
van kierende boordplanken en open stootvoegen. Het is mogelijk dat er bij de sloop- of bouwwerkzaamheden verblifplaatsen verloren zullen gaan of aanwezige soorten verstoord of gedood worden.
Daarom wordt een
nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen noodzakelijk geacht.
Boombewonen:
rten
Op de planlocatie zijn geen bomen aanwezig met vleermuispotentie.
Hierbij kan gedacht worden aan holten
en loshangende schors hetgeen niet aanwezig is op de planlocatie. Eventueel aanwezige soorten zullen geen
hinder ondervinden van de geplande ontwikkeling en er zullen geen verblijfplaatsen verloren gaan. Een nader onderzoek boombewonende vleermuizen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht Onmisbare vliegroutes of essentieel foerageergebied
Schade
op onmisbare
vliegroutes en foerageergebieden,
verblifplaatsen
van vleermuizen
kan mogelijk
ontstaan wanneer de lijnelementen verdwijnen uit het landschap. Nabij de planlocatie zijn deze lijnelementen aanwezig dewelke behouden blijven. Het foerageergebied blijft intact. Een nader onderzoek foerageergebied is dan ook niet noodzakelijk. Advies / conclusie
Ten aanzien van vleermuizen worden mogelijk schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld
in de Omgevingswet verwacht. Nader onderzoek gebouwbewonende vleermuizen wordt noodzakelijk geacht.
26
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
5.2.4 Grondgebonden zoogdieren Soorten van Habitatrichtlijn
Tijdens
het veldbezoek
en de Verdragen van Bern en Bonn
zijn geen
vaste
verblifplaatsen
van overige
zoogdieren
die zijn opgenomen
op
Habitatrichtlijn en de Verdragen van Bern en Bonn aangetroffen Bever en otter
In het plangebied zijn geen sporen van de otter (Lutra lutra} of bever (Castor fiber) aangetroffen. Het voorkomen van
beide
soorten
kan
hiermee
redelijkerwijs
worden
verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied.
uitgesloten.
In de
diverse
databases
zijn
geen
Vanwege het karakter van het plangebied is het habitat
voor deze soort ongeschikt Hamster,
hazelmuis en noordse
woelmuis
Het verspreidingsgebied van de hamster (Cricetus cricetus) en hazelmuis (Muscardinus avellanarius)is beperkt
tot Zuid-Limburg.
Voor de noordse woelmuis (Microtus oeconomus) geldt dat deze soort een
zeer natte
kruidenrijke vegetatie behoeft en dat de verspreiding zich beperkt tot de lage, natte delen van Nederland Derhalve kan worden gesteld dat binnen het plangebied geen van de genoemde
soorten voorkomen.
In de
diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied. Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht Slaapmuizen
Het verspreidingsgebied van de eikelmuis (Eliomys quercinus) beperkt zich tot specifieke gebieden Limburg.
De
soort
kan
verspreidingsgegevens
voor
het
plangebied
worden
bekend
nabij het plangebied.
van
bosmuis
uitgesloten.
In de
Nader onderzoek
diverse
databases
n Zuidzijn
geen
wordt
dan
ook
niet noodzakelijk
flavicollis) beperkt
zich
tot de oostgrens van
geacht. Ware
muizen
Het verspreidingsgebied
de grote
(Wpodemus
Nederland en ligt ver buiten het plangebied. In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij het plangebied,
Voor de overige ware muizen geldt dat zij door de provincie voor ruimtelijke ingrepen
zijn vrijgesteld van de Omgevingswet
De specifieke zorgplicht dient in acht te worden genomen
Spitsmuizen
Het verspreidingsgebied van de veldspitsmuis (Crocidura leucodon) betreft Twente en Zeeuws-Vlaanderen. De veldspitsmuis is gebonden aan kleinschalig agrarisch cultuurlandschap dat niet te intensief beheerd wordt
Hij komt voor in overgangsvegetaties,
lintvormige
landschapselementen,
opgaande
kruidenvegetaties en
overhoekjes. En ook in aanliggende,
braakliggende of niet begraasde kruidenvegetaties, zoals boomgaarden,
kan de soort worden aangetroffen.
In gebouwen
komt hij zelden voor. Het is dan ook niet aannemelijk dat de
veldspitsmuis aanwezig is op de planlocatie. Biij het raadplegen van NDFF en dergelijke databases kwamen geen waarnemingen op en nabij de planlocatie naar voren. aan schone wateren met een rijke oevervegetatie.
plangebied voorkomen.
Voor de overige spitsmuizen geldt dat zij door de provincie voor ruimtelijke ingrepen
zijn vrijgesteld van de Omgevingswet het plangebied.
De waterspitsmuis (Neomys fodiens) is gebonden
Derhalve kan worden gesteld dat beide soorten niet in het
In de diverse databases zijn geen verspreidingsgegevens bekend nabij
Nader onderzoek wordt dan ook niet noodzakelijk geacht 27
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
Woelmuizen
De verspreiding van de molmuis (Arvicola scherman) is beperkt tot Noord-Brabant.
niet aangetroffen.
Sporen zijn van deze soort
De planlocatie [eent zich niet voor deze soort. De overige onder dit beschermingsregime
vallende woelmuizen zijn door de provincie voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet.
Een
nader onderzoek molmuis wordt niet noodzakelijk geacht Eekhoorn
Tijdens het veldbezoek werden geen nesten van de eekhoorn (Sciurus vulgaris) of knaagsporen aangetroffen Het plangebied
vertoont geen
verspreidingsgegevens
essentiële functie voor de eekhoom.
bekend
nabij het plangebied.
In de diverse databases
Nader onderzoek
wordt dan ook
zijn er geen
niet noodzakelijk
geacht Haasachtigen,
egel en vos
Sporen van deze soorten zijn niet aangetroffen. ‘bekend nabij het plangebied. Omgevingswet.
In de diverse databases zijn er geen verspreidingsgegevens
Deze soorten zijn door de provincie voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de
De specifieke zorgplicht dient echter in acht te worden genomen.
Marterachtigen
Op
het
perceel
verblijfplaatsen.
zijn
geen
Potentiële
sporen
maken
zijn niet waargenomen.
gesteld
worden
aanwezig
zijn.
Gesteld
marterachtigen openingen
aangetroffen
in
de
verbindingszones
kan worden
voor
dat marterachtigen
vorm
waar de (kleine) marters
De planlocatie kent enkele rommelhoekjes
dat ecologische
kunnen voorkomen.
van
holen/geschikte
marterachtigen
op de planlocatie
van
gebruik
prooïresten van zou
/ schuilhoeken. op
en
of
kunnen
Echter er kan
naar de planlocatie
niet
naar alle waarschijnlijkheid
niet
De drie V's (verblifplaats, veiligheid/dekking en voedsel zijn niet aanwezig.
Een nader
onderzoek marterachtigen wordt dan ook niet noodzakelijk geacht Overige zoogdieren
De in Nederland voorkomende zoogdieren betreffen of zeezoogdieren of slechts zelden in Noord-Brabantse ‘bossen waargenomen soorten (de wilde kat (Felis silvestris) en lynx (Lynx lynx) en de in Nederland gevestigde wolf (Canis lupus)) ofwel in het bos of open veld levende grote hoefdieren,
binnen
het
plangebied
geen
verspreidingsgegevens
bekend
overige
zoogdieren
nabij het plangebied.
voorkomen.
In
Nader onderzoek
Derhalve kan worden gesteld dat
de
diverse
databases
wordt dan ook
zijn
geen
niet noodzakelijk
geacht Advies / Conclusie
Ten aanzien van zoogdieren worden geen schadelijke handelingen flora en fauna activiteit zoals bedoeld in de Omgevingswet verwacht.
28
NATUURWAARDENONDERZOEK
52962.2
5.2.5 Overige soorten Amfibieën
In
Nederland
komen
een
aantal
algemeen
voorkomende
amfibieënsoorten
voor.
Dit
zijn
de
kleine
watersalamander (Líssotriton vulgaris), gewone pad (Bufo bufo), bruine kikker (Rana temporaria), bastaardkikker (Pelophylax k esculentus) en meerkikker (Pelophylax ridibundus). Deze eerdergenoemde
soorten zijn door de
provincies voor ruimtelijke ingrepen vrijgesteld van de Omgevingswet. Naast deze algemene vrijgestelde soorten komen ook een aantal zeldzame beschermde amfibieënsoorten verspreid
door
boomkikker
Nederland
(Hyla
vroedmeesterpad cristatus),
voor,
arboreo), (Alytes
de
poelkikker
(Pelophylax
lessonae),
rugstreeppad
namelijk
(Epidalea
calamita,
knoflookpad
geelbuikvuurpad
(Bombina
obstetricans),
alpenwatersalamander
vuursalamander
(lchthyosaura
alpestris,
variegata),
vinpootsalamander
heikikker
(Rana
arvais)
(Pelobatus
fuscus)
kamsalamander
(Triturus
(Lissotriton
helveticus)
en
(Salamandra salamandra)
Binnen de grenzen van het plangebied en in de nabije omgeving zijn geen watergangen, poelen, of ondiepe plassen
in
combinatie
met
natuurlijke
stroken
zoals
extensief
beheerd
grasland,
heidegebieden
of
‘houtopstanden aanwezig. Bovendien heeft de planlocatie een versteend karakter. Er zijn geen waamemingen op of nabij de planlocatie van zeldzame amfibieën bekend (NDFF, 2019-2024). van geschikt habitat uitgesloten dat de bovengenoemde
plangebied.
Het is wegens het ontbreken
soorten aanwezig zijn binnen de grenzen van het
Een nader onderzoek naar beschermde amfibieën wordt dan ook niet noodzakelijk geacht.
planlocatie heeft een ‘bouwgronden,
versteend karakter, waardoor soorten
uitgesloten
zorgplicht in acht genomen uitvoeringsfase
kunnen
worden
te worden:
van
het
als de rugstreeppad, die 0a.
plangebied.
Wel
dient
ten
voorkomen
alle tijden
de
De op
specifieke
Zorg ervoor dat n de periode van maart tot en met juli tijdens de
van de werkzaamheden,
met name
tijdens het bouwrijp
maken
en grondwverzet,
het terrein
ongeschikt of onbereikbaar wordt gehouden voor rugstreeppadden door:
« _ ondieptes waar zich regenwater in kan verzamelen (plassen) zo snel mogelijk te egaliseren of te dempen. « _ indien het in deze periode niet mogelijk is om met water gevulde ondieptes tijdig te voorkomen, rondom het plangebied paddenschermen te plaatsen. Dit kan bijvoorbeeld door het plaatsen van schermen van
stevig plastic of worteldoek van 50 centimeter hoog en minimaal 10 centimeter ingegraven in de grond. De voorzieningen die getroffen zijn om het gebied ontoegankelijk te maken. moeten zodanig geplaatst en beheerd worden dat ze hun functie ten allen tijden unnen vervullen.
e
ndien er in deze periode al langdurig plassen in het plangebied aanwezig zijn. controleer dan op kikkervisjes
_ en
laat
bij
aantreffen
_ daarvan
(https://www.rvonl/onderwerpen/buitenwerken/
een
ecologisch-deskundige)
ecologisch
_ deskundige
controleren
of
het
om
tugstreeppadden gaat en welke vervolgstappen er nodig zijn Reptielen Van
nature
voorkomende
reptielen
in Nederland
zijn
de
adder
(Vipera berus),
gladde
slang
(Coronella
austriaco), ringslang (Natrix helvetico), hazelworm (Anguis fragilis), levendbarende hagedis (Zootoca vivpara). muurhagedis (Podarcís muralis) en zandhagedis (Lacerta agilis). Met name de adder en gladde slang komen enkel
in (vochtige)
heide,
gebonden aan zandige,
veen-
en
open
bosgebieden
binnen
natuurgebieden
voor.
De
zandhagedis
is
droge open terreinen in heiden en duinen. Het natuurlijk verspreidingsgebied van de
muurhagedis beperkt zich enkel tot Maastricht Het is dan ook uitgesloten dat deze soorten zich bevinden op de planlocatie. 29
NATUURWAARDENONDERZOEK
Met
name
de ringslang,
natuurgebieden.
52962.2
levendbarende
hagedis en
hazelworm
De levendbarende hagedis komt voor in open
worden
regelmatig
aangetroffen
bossen en ruige graslanden.
buiten
Tevens wordt
deze soorten aangetroffen in bermen en in een beperkt deel van de duinen. Het is een vochtminnende soort en zoekt in het terrein dan ook de vochtige gebieden heidegebied.
op, bijvoorbeeld de oevers van plassen in vochtig
De hazelworm leeft in enigszins vochtige bosachtige gebieden met een dichte vegetatie en rjke
strooisel laag. Voorbeelden van geschikt habitat is open bos, bosranden, heide, ruderale terreinen en tuinen De ringslang is gebonden aan waterrijke habitats. Deze liggen veelal op zandgronden en op de overgangen van zandgrond naar veen- en kleigronden
Binnen de grenzen van het plangebied en in de nabije omgeving ontbreekt het aan geschikt habitat voor de ‘bovengenoemde
soorten.
Daarnaast zijn er geen
geregistreerd op de database van NDFF.
waarnemingen
op of nabij de planlocatie van reptielen
Het is daarom zeer onwaarschijnlijk dat de bovengenoemde soorten
aanwezig zijn binnen de grenzen van het plangebied
Vissen
De beschermde vissen zijn rivieroptrekkende zoutwater soorten die niet of nauwelijks in Nederland worden
aangetroffen.
De beekdonderpad (Cottus rhenanus), beekprik (Lampetra planeri), elrits (Phoxinus phoxinus) en
gestippelde alver (Alburnoides bipunctatus) zijn soorten van schone heldere continu stromende beken en zijn (grotendeels)
beperkt
tot
de
provincie
Noord-Brabant
De
beekprik
komt
ook
elders
op
de
hogere
zandgronden voor en van de elrits bevindt zich een geïsoleerde populatie op de Rijntakken. De kwabaal (Lota [ota) is een soort van grote wateren en riviertjes. De grote modderkruiper i een soort van verlandende wateren en
heeft een
voorkeur voor ondiepe
wateren
met
een
dikke
modderlaag
en
rijke waterplantenvegetatie
Dergelijke leefgebieden komen in het plangebied niet voor. Vlinders
en libellen
Beschermde dag- en nachtvlinders stellen specifieke eisen aan het voortplantingshabitat.
Bij het habitat is het
belangrijk dat aan de eisen van alle stadia van de vlindersoort wordt voldaan. Voor de beschermde soorten in Nederland geldt dat deze veelal gebonden
zijn aan zeer specifieke habitats en/of zeldzame waardplanten die
vaak alleen in natuurterreinen zijn te vinden.
Beschermde libellen en waterjuffers zijn gebonden aan zeer specifieke wateren waar de larven ontwikkelen tot imago. deze
Deze wateren zijn bijvoorbeeld voedselarme vennen in heide of hoogveen.
soorten
zich
in beschermde
beschermde
vindersoorten
aangetroffen.
Daarnaast zijn geen
natuurgebieden.
of aanwijzingen wateren
dat
Tijdens
deze
het
veldbezoek
waardplanten
aangetroffen die kunnen
aanwezig dienen
Doorgaans bevinden
zijn geen
zijn
waardplanten
op
de
van
planlocatie
als voortplantingswater voor
beschermde libellen en waterjuffers. Het is daarom uitgesloten dat er binnen de planlocatie geschikt habitat
aanwezig
is
voor
een
(deelpopulatie
van
een
beschermde
vlinder-
of
libellensoort
Overige ongewervelden
Het oeveraas (Palingenia longicauda), de juchtleerkever (Osmoderma eremita) en Bataafse stroommossel (Unio crassus) zijn uit Nederland verdwenen. Van de vermiljoenkever (Cucujus cinnaberínus) is slechts een populatie nabij Maarheeze (Noord-Noord-Brabant) bekend.
Omdat veensloten en vennen met schoon water ontbreken