RV2025-044-bijlage-7-regels-na-vaststelling-landgoed-lingedijk.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan | Regels
Landgoed Lingedijk, Buurmalsen
Gemeente West Betuwe
Datum: 15 januari 2025 Projectnummer: 220384 ID: NL.IMRO.1960.LandgoedLingedijk-VSG1
INHOUD REGELS
1
Inleidende regels
3
Artikel 1 Artikel 2
Begrippen Wijze van meten
3 6
2
Bestemmingsregels
7
Artikel 3 Artikel 4 Artikel 5 Artikel 6 Artikel 7 Artikel 8 Artikel 9 Artikel 10 Artikel 11
Groen Natuur Tuin Wonen Leiding - Riool Waarde - Archeologie 2 Waarde - Archeologie 2a Waterstaat - Waterberging Waterstaat - Waterkering
7 9 11 12 14 15 19 23 24
3
Algemene regels
25
Artikel 12 Artikel 13 Artikel 14 Artikel 15 Artikel 16
Anti-dubbeltelregel Algemene gebruiksregels Algemene aanduidingsregels Algemene afwijkingsregels Overige regels
25 25 25 26 27
4
Overgangs- en slotregels
29
Artikel 17 Artikel 18
Overgangsrecht Slotregel
29 29
De verbeelding Verbeelding met legenda
Bijlagen: − Bijlage 1: Beeldkwaliteitplan − Bijlage 2: Beheer- en inrichtingsplan
1 Artikel 1
Inleidende regels Begrippen In deze regels wordt verstaan onder:
1.1
plan: het bestemmingsplan Landgoed Lingedijk, Buurmalsen met identificatienummer NL.IMRO.1960.LandgoedLingedijk-VSG1 van de gemeente West Betuwe;
1.2
bestemmingsplan: de geometrisch bepaalde planobjecten met de bijbehorende regels en de daarbij behorende bijlagen;
1.3
aanduiding: Een geometrisch bepaald vlak of figuur, waarmee gronden zijn aangeduid, waar ingevolge de regels regels worden gesteld ten aanzien van het gebruik en/of het bebouwen van deze gronden;
1.4
aanduidingsgrens: De grens van een aanduiding indien het een vlak betreft;
1.5
aan huis verbonden beroep: een beroep of het beroepsmatig verlenen van diensten op administratief, juridisch, medisch, therapeutisch, kunstzinnig, ontwerptechnisch of hiermee gelijk te stellen gebied, dat door zijn beperkte omvang in een woning en daarbij behorende bijbehorende bouwwerken, met behoud van de woonfunctie, kan worden uitgeoefend;
1.6
afhankelijke woonruimte: de huisvesting van een gedeelte van een huishouden uit een oogpunt van mantelzorg;
1.7
bebouwing: één of meer gebouwen en/of bouwwerken, geen gebouwen zijnde;
1.8
bed and breakfast: verhuur van kamers ten behoeve van verblijfsrecreatie in een gebouw, waarbij het gebouw in overwegende mate haar hoofdfunctie behoudt. Onder een bed and breakfast wordt niet verstaan overnachting noodzakelijk in verband met het verrichten van tijdelijk of seizoensgebonden werkzaamheden en/of arbeid of permanente kamerverhuur;
1.9
bestemmingsgrens: de grens van een bestemmingsvlak;
1.10
bestemmingsvlak: een geometrisch bepaald vlak met eenzelfde bestemming;
1.11
bijbehorend bouwwerk: uitbreiding van een hoofdgebouw dan wel functioneel met een zich op hetzelfde perceel bevindend hoofdgebouw verbonden, daar al dan niet tegen aangebouwd gebouw, of ander bouwwerk, met een dak;
3
1.12
bouwen: het plaatsen, het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een bouwwerk, alsmede het geheel of gedeeltelijk oprichten, vernieuwen of veranderen en het vergroten van een standplaats;
1.13
bouwperceel: een aaneengesloten stuk grond, waarop ingevolge de regels een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten;
1.14
bouwwerk: elke constructie van enige omvang van hout, steen, metaal of ander materiaal welke, hetzij direct of indirect met de grond verbonden is, hetzij direct of indirect steun vindt in of op de grond;
1.15
extensieve dagrecreatie: die vormen van openluchtrecreatie, waarbij in het algemeen het beleven van rust voorop staat en het aantal recreanten per oppervlakte-eenheid beperkt is. Voorbeelden zijn fietsen en wandelen, paardrijden, watersporten en dergelijke;
1.16
gebouw: elk bouwwerk, dat een voor mensen toegankelijke overdekte, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten ruimte vormt;
1.17
hoofdgebouw: een gebouw, dat op een bouwperceel door zijn constructie of afmetingen als het belangrijkste bouwwerk valt aan te merken;
1.18
kampeermiddel: 1 een tent, een tentwagen, een kampeerauto of een caravan; 2 enig ander onderkomen of enig ander voertuig of gewezen voertuig of gedeelte daarvan, voor zover geen bouwwerk zijnde een en ander voor zover deze onderkomens of voertuigen of gewezen voertuigen geheel of gedeeltelijk blijvend zijn bestemd of opgericht dan wel worden of kunnen worden gebruikt voor recreatief nachtverblijf;
1.19
kas: een gebouw, hoger dan 1,5 m, waarvan de wanden en het dak geheel of grotendeels bestaan uit glas of ander lichtdoorlatend materiaal, dienend voor het kweken van vruchten, bloemen of planten;
1.20
kernkwaliteiten van het Gelders Natuurnetwerk: aanwezige en potentiële waarden gebaseerd op de beoogde natuurkwaliteit voor het gebied zoals beschreven in de atlas kernkwaliteiten GNN en GO of de Omgevingsverordening Gelderland;
1.21
kernkwaliteiten van de Groene Ontwikkelingszone: de bestaande en te ontwikkelen kwaliteiten voor het gebied zoals beschreven in de atlas Kernkwaliteiten GNN en GO of in de Omgevingsverordening Gelderland;
4
1.22
natuurversterkingsplan: plan dat maatregelen bevat ter compensatie van het verlies aan natuurwaarden als gevolg van de bouw en het gebruik van windturbines binnen gebieden die zijn aangewezen in het kader van het Gelders Natuurnetwerk (GNN);
1.23
peil: a voor gebouwen, waarvan de hoofdtoegang onmiddellijk aan een weg of aan een bestaande dijk grenst: de hoogte van die weg of de bestaande dijk ter plaatse van de hoofdtoegang; b in andere gevallen: de gemiddelde hoogte van het aansluitende afgewerkte maaiveld;
1.24
recreatielandje: een perceel grond, gelegen aan de oever van de Linge, dat is ingericht als plaats voor kleinschalige oeverrecreatie met bijbehorende dagrecreatieve voorzieningen met een niet openbaar karakter;
1.25
seksinrichting: een voor het publiek toegankelijke besloten ruimte waarin bedrijfsmatig, of in de omvang alsof zij bedrijfsmatig was, seksuele handelingen worden verricht, of vertoningen van erotische/pornografische aard plaatsvinden. Onder seksinrichting wordt in ieder geval verstaan: een prostitutiebedrijf, alsmede een erotische massagesalon, een seksbioscoop, seksautomatenhal, sekstheater of een parenclub, als dan niet in combinatie met elkaar;
1.26
stacaravan: een kampeermiddel in de vorm van een caravan of soortgelijk onderkomen op wielen met een maximale oppervlakte van 55 m2, dat mede gelet op de afmetingen, kennelijk niet bestemd is om regelmatig en op normale wijze op de verkeerswegen ook over grotere afstand als een aanhangsel van een auto te worden voortbewogen;
1.27
verblijfsrecreatie: activiteiten ter ontspanning in de vorm van sport en spel en toerisme en educatie, waarbij overnachting is toegestaan;
1.28
voorgevel: de naar architectuur, indeling en/of uitstraling meest gezichtsbepalende gevel van een hoofdgebouw aangemerkt als voorgevel;
1.29
voorgevellijn: de lijn waarin de voorgevel van een bouwwerk is gelegen alsmede het verlengde daarvan;
1.30
vloerpeil: de bovenkant van de afgewerkte begane grondvloer;
1.31
wonen: het gebruik van een woning voor de huisvesting van één huishouden;
5
1.32
Artikel 2
woning: een (gedeelte van een) gebouw dat dient voor de huisvesting van één huishouden.
Wijze van meten Bij de toepassing van deze regels wordt als volgt gemeten:
2.1
afstand tot de zijdelingse perceelsgrens: tussen de zijdelingse grens van het bouwperceel en een bepaald punt van het bouwwerk, waar die afstand het kortst is;
2.2
bouwhoogte van een bouwwerk: vanaf het peil tot het hoogste punt van het bouwwerk; voor wat betreft gebouwen worden antennes, schoorstenen en andere ondergeschikte dakopbouwen hierbij niet meegerekend;
2.3
goothoogte van een gebouw: vanaf het peil tot de bovenkant van de goot c.q. de druiplijn, het boeibord of een daarmee gelijk te stellen constructiedeel;
2.4
inhoud van een gebouw: tussen de buitenwerkse gevelvlakken (en/of de harten van gemeenschappelijke scheidsmuren) en de dakvlakken, zulks met inbegrip van erkers en dakkapellen, en boven peil;
2.5
lengte, breedte en diepte van een gebouw: tussen (de lijnen, getrokken door) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren);
2.6
oppervlakte van een gebouw: tussen (de buitenste verticale projecties van) de buitenzijde van de gevels (en/of het hart van gemeenschappelijke scheidsmuren).
6
2 Artikel 3 3.1
Bestemmingsregels Groen Bestemmingsomschrijving De voor 'Groen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a groenvoorzieningen; met de daarbij behorende: b water en waterhuishoudkundige voorzieningen; c waterberging.
3.2 3.2.1
Bouwregels Algemeen Op de voor 'Groen' bestemde gronden mogen geen bouwwerken of bouwwerken geen gebouwen zijnde, worden gebouwd.
3.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1 ophogen, afgraven, afschuiven, ontgronden en egaliseren; 2 het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstromingsprofiel, het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen en het aanbrengen van drainage; 3 het opruimen/verwijderen van wegen en paden; 4 het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 5 het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek; 6 het bewerken van en graven, boren of roeren in de bodem dieper dan 30 cm; b Voor zover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in z'n geheel in de beoordeling betrokken.
c De onder a bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft, die: 1 het normale onderhoud tot doel hebben, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande beplantingen en de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; 2 reeds uitgevoerd of in uitvoering zijn op het tijdstip van het van inwerkingtreden van dit plan; 3 passen binnen het beheer- en inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 2; d De onder a bedoelde vergunning wordt niet verleend indien ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of functies welke het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen;
7
e Alvorens een vergunning ten aanzien van de onder a, sub 2 bedoelde werken en werkzaamheden te verlenen, winnen burgemeester en wethouders advies van de waterbeheerder in.
8
Artikel 4 4.1
Natuur Bestemmingsomschrijving De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a behoud, herstel en ontwikkeling van natuur- en landschappelijke alsmede cultuurhistorische waarden van het natuur- en bosgebied; b de instandhouding en ontwikkeling van voorkomende dan wel aan de gronden eigen natte landschaps- en natuurwaarden, meer in het bijzonder de grondwaterstand, grondwaterstroming en kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater; c water; d extensieve dagrecreatie; e wonen, uitsluitend op de verdieping en ter plaatse van de aanduiding ‘wonen’, met dien verstande dat maximaal één woning is toegestaan; f ontsluitingsvoorzieningen ten behoeve van aangrenzende woonbestemmingen met een maximale breedte van 5 m, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’; met de daarbij behorende: g toegangswegen, -paden, onverharde paden en overig verblijfsgebied; h parkeervoorzieningen, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding ‘ontsluiting’; i water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
4.2 4.2.1
Bouwregels Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a het bouwen van gebouwen is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding ‘bouwvlak’, waarbij het vloerpeil minimaal 3,20 m +NAP en maximaal 3,50 m +NAP bedraagt; b het maximum oppervlak van gebouwen mag niet meer bedragen dan 200 m2; c de goothoogte van gebouwen mag niet meer bedragen van 3 m; d de bouwhoogte van gebouwen mag niet meer bedragen dan 8 m e gebouwen worden voorzien van een kap met een dakhelling van maximaal 50°.
4.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 4 m; b de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 3 m, dan wel niet meer dan de bestaande bouwhoogte indien deze meer bedraagt.
4.3
Specifieke gebruiksregels Onder gebruik in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan: a het gebruik van gronden ten behoeve van het plaatsen of geplaatst houden van kampeermiddelen en stacaravans voor dag en/of verblijfsrecreatieve doeleinden; b het aanleggen en gebruiken van recreatielandjes.
9
4.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1 ophogen, afgraven, afschuiven, ontgronden en egaliseren; 2 het graven en dempen van sloten en andere watergangen, het vergroten of verkleinen van het doorstromingsprofiel, het aanbrengen of verwijderen van dammen en stuwen en het aanbrengen van drainage; 3 het opruimen/verwijderen van wegen en paden; 4 het aanleggen van voet-, fiets- en ruiterpaden en dagrecreatieve voorzieningen; 5 het aanleggen of verwijderen van ondergrondse leidingen; 6 het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek; 7 het bewerken van en graven, boren of roeren in de bodem dieper dan 30 cm; b Voor zover voor meerdere werken en/of werkzaamheden vergunningen worden gevraagd en deze in één (inrichtings)plan zijn ondergebracht, wordt dit plan in z'n geheel in de beoordeling betrokken.
c De onder a bedoelde vergunning is niet vereist indien het werken en/of werkzaamheden betreft, die: 1 het normale onderhoud tot doel hebben, met inbegrip van onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande beplantingen en de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande tracés van kabels en leidingen; 2 reeds uitgevoerd of in uitvoering zijn op het tijdstip van het van inwerkingtreden van dit plan; 3 passen binnen het beheer- en inrichtingsplan zoals opgenomen in bijlage 2; d De onder a bedoelde vergunning wordt niet verleend indien ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of functies welke het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen; e Alvorens een vergunning ten aanzien van de onder a, sub 2 bedoelde werken en werkzaamheden te verlenen, winnen burgemeester en wethouders advies van de waterbeheerder in.
10
Artikel 5 5.1
Tuin Bestemmingsomschrijving De voor 'Tuin' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a tuinen; met de daarbij behorende: b toegangswegen, -paden, onverharde paden en overig verblijfsgebied; c parkeervoorzieningen; d water en waterhuishoudkundige voorzieningen.
5.2 5.2.1
Bouwregels Gebouwen Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan.
5.2.2
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 6 m; b de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn niet meer dan 1 m mag bedragen.
11
Artikel 6 6.1
Wonen Bestemmingsomschrijving De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor: a wonen, met dien verstande dat het aantal woningen niet meer mag bedragen dan is aangegeven ter plaatse van de aanduiding 'maximum aantal wooneenheden'; b bij het wonen behorende bed and breakfast; met de daarbij behorende: c nutsvoorzieningen; d toegangswegen, -paden, onverharde paden en overig verblijfsgebied; e parkeervoorzieningen; f groenvoorzieningen; g water en waterhuishoudkundige voorzieningen; h erven en tuinen.
6.2 6.2.1
Bouwregels Algemeen Op de voor 'Wonen' bestemde gronden mogen uitsluitend bouwwerken ten dienste van de bestemming worden gebouwd.
6.2.2
Gebouwen Voor het bouwen van gebouwen gelden de volgende regels: a het maximum bebouwd oppervlak aan gebouwen per bouwperceel bedraagt 200 m2; b voor het bouwen van hoofdgebouwen geldt dat: 1 als hoofdgebouwen worden alleen woningen gebouwd; 2 hoofdgebouwen zijn uitsluitend toegestaan binnen het bouwvlak, waarbij het vloerpeil minimaal 3,20 m +NAP en maximaal 3,50 m +NAP bedraagt; 3 de voorgevel van het hoofdgebouw dient georiënteerd te zijn op de figuur ‘gevellijn’; 4 de inhoud van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 800 m3; 5 hoofdgebouwen worden voorzien van een kap met een dakhelling van ten minste 45° en ten hoogste 60°; 6 de goothoogte van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 3 m; 7 de bouwhoogte van het hoofdgebouw niet meer mag bedragen dan 8 m; 8 een omgevingsvergunning voor het bouwen van een hoofdgebouw uitsluitend wordt verleend als voldaan wordt aan de regels uit het in bijlage 1 opgenomen beeldkwaliteitplan; c voor het bouwen van bijbehorende bouwwerken geldt dat: 1 vrijstaande bijbehorende bouwwerken zijn niet toegestaan; 2 de bijbehorende bouwwerken worden gerealiseerd als bouwkundige eenheid met het hoofdgebouw; 3 de goothoogte niet meer mag bedragen dan 3 m; 4 de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 8 m.
12
6.2.3
Bouwwerken, geen gebouwen zijnde Voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde gelden de volgende regels: a de bouwhoogte van palen en masten mag niet meer bedragen dan 6 m; b de bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 2,5 m, met dien verstande dat de bouwhoogte van erf- en terreinafscheidingen voor zover gelegen voor de voorgevellijn niet meer dan 1 m mag bedragen.
6.3 6.3.1
Specifieke gebruiksregels Strijdig gebruik Onder gebruik in strijd met deze bestemming wordt in ieder geval verstaan: a het gebruik van (een gedeelte van) woningen voor detailhandel, anders dan is toegestaan op grond van lid 6.1 en sublid 6.3.2; b het gebruiken van bijbehorende bouwwerken bij een woning als zelfstandige woning of als afhankelijke woonruimte.
6.3.2
Aan huis verbonden beroep Voor het uitoefenen van een aan huis verbonden beroep als bedoeld in lid 6.1 gelden de volgende regels: a detailhandel is niet toegestaan, met uitzondering van een beperkte verkoop in verband met een beroepsmatige activiteit in of bij een woning; b maximaal 40% van het vloeroppervlak van de woning en de daarbij behorende bijbehorende bouwwerken mag worden gebruikt ten behoeve van beroepsmatige activiteiten, tot een maximum van 45 m2.
6.3.3
Bed and breakfast Bed and breakfast is toegestaan onder de volgende voorwaarden: a voorzieningen voor bed & breakfast zijn uitsluitend toegestaan binnen de bestaande bebouwing; b de exploitatie van de bed & breakfast wordt uitgeoefend door de hoofdbewoner van de woning; c per woning is sprake van niet meer dan 3 bed & breakfast eenheden tot een oppervlakte van maximaal 50 m2; d de woonfunctie van de woning blijft behouden; e parkeren geschiedt op eigen terrein.
6.3.4
Landschappelijke inpassing a Onder gebruik in strijd met deze bestemming wordt in elk geval gerekend het gebruik van en het in gebruik laten nemen van gebouwen overeenkomstig de bestemming, zonder de aanleg en instandhouding van de inrichtingsmaatregelen binnen de bestemming 'Natuur' conform het in bijlage 2 opgenomen beheer- en inrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing; b In afwijking van het bepaalde onder a mogen gebouwen overeenkomstig de bestemming worden gebruikt onder de voorwaarde dat binnen 2 jaar na het onherroepelijk worden van de omgevingsvergunning voor het bouwen van de eerste woning, uitvoering wordt gegeven aan de aanleg en instandhouding van de inrichtingsmaatregelen binnen de bestemming 'Natuur' conform het in bijlage 2 opgenomen beheer- en inrichtingsplan, teneinde te komen tot een goede landschappelijke inpassing.
13
Artikel 7
Leiding - Riool
7.1
Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Riool' aangewezen gronden zijn, naast de andere voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor een rioolwatertransportleiding.
7.2
Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 7.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 2,5 m.
7.3
Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 7.2 en toestaan dat in de andere bestemming bouwwerken worden gebouwd, mits: a de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen; b er geen onevenredige afbreuk wordt gedaan aan het veilig en doelmatig functioneren van de leiding en vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.
7.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Leiding - Riool' en zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1 het afgraven, ophogen en egaliseren van gronden; 2 het aanbrengen van diepwortelende beplantingen en bomen, het bebossen van gronden en het indrijven van voorwerpen in de grond; 3 het aanleggen en verharden van wegen, paden en parkeergelegenheden en het aanleggen van andere oppervlakteverhardingen; 4 het aanleggen van rioleringen, overstorten, leidingen of kabels, anders dan is bedoeld in lid 7.1; 5 het opslaan van zaken; b Het verbod als bedoeld in sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1 betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; 2 reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; 3 mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning; c De werken of werkzaamheden als bedoeld in sub a zijn slechts toelaatbaar, mits: 1 het leidingbelang niet onevenredig wordt geschaad; 2 vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende leidingbeheerder.
14
Artikel 8
Waarde - Archeologie 2
8.1
Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 2' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming van archeologische waarden.
8.2 8.2.1
Omgevingsvergunning voor bouwen Bouwwerken a Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, tenzij: 1 het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2 het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 30 centimeter onder het bestaande maaiveld; 3 het nieuw te bouwen oppervlak, in aanvulling op het bepaalde onder b, niet groter is dan 100 vierkante meter; 4 op basis van ingediend onderzoeksrapport is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn en dit tevens is getoetst en geaccordeerd door een archeologisch deskundige namens bevoegd gezag; 5 deze voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. b Een onderzoeksrapport zoals genoemd in art 8.2.1 onder a punt 4 hoeft niet te worden overlegd wanneer: 1 naar het oordeel van de archeologisch deskundige de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgelegd in andere archeologisch informatie; 2 uit een schriftelijk advies van de archeologisch deskundig blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door de bouwwerkzaamheden.
8.2.2
Aanvraagvereisten Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in artikel 8.1 genoemde bestemming en met inachtneming van het in artikel 8.2.1 gestelde: a een of meerdere (funderings)tekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben; en b een of meerdere palenplannen te overleggen waaruit blijkt het aantal palen, het type/soort, de omvang/diameter, de lengte, de onderlinge afstand tussen de rijen funderingspalen en de wijze van aanbrengen opdat de mate van verstoring bepaald kan worden.
8.2.3
Boordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen in of op de onder artikel 8.1 genoemde bestemming wordt alleen verleend als:
15
a uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 8.2.4
Vergunningsvoorschriften a Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: b de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; c de verplichting tot het verrichten van opgravingen; de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
8.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Werken en werkzaamheden Binnen de bestemming ‘Waarde - Archeologie 2Waarde - Archeologie 2’ is voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders nodig: a het afgraven, saneren, ontgronden, onderzuigen, verlagen, afplaggen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b het aanleggen, verbreden en verwijderen van verhardingen; c het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter; d het graven of vergraven, verruimen, verdiepen of dempen van watergangen en waterpartijen; e het frezen en scheuren van grasland; f het aanbrengen van diepwortelende beplantingen waaronder begrepen bos, boomgaard, zacht-fruitopstand, (boom)kwekerij en windsingel; g het rooien van diepwortelende beplantingen zoals vermeld onder f.
waarbij de stobben worden verwijderd; h het aanleggen van drainage; i het aanleggen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; j het uitvoeren van heiwerkzaamheden, het aanbrengen van verticale grondkeringen of het op een of andere wijze indrijven van objecten in de bodem; k het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; l het verwijderen van bestaande ondergrondse fundamenten, verticale grondkeringen en het verwijderen en/of uittrekken van funderingspalen; m het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek.
8.3.1
16
8.3.2
Uitzondering a Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 8.3.1is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden indien deze: 1 worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 8.2.1van toepassing is; 2 tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld gaan; 3 in aanvulling op het bepaalde onder b, geen grotere oppervlakte dan 100 vierkante meter betreft; 4 reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; 5 worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud. Hieronder vallen: − onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen; − de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande kabels- en leidingentracés waarbij de omvang en diepte ongewijzigd blijft; − het vervangen van bestaande boomgaarden door nieuwe boomgaarden met gebruikmaking van dezelfde plantgaten of bomenrij.
6 mogen worden uitgevoerd volgens een verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; 7 voor archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; 8 betrekking hebben op gronden waarvan op basis van een namens bevoegd gezag getoetst en geaccepteerd ingediend onderzoeksrapport: 9 is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden; of 10 is aangetoond dat de archeologische waarden van de gronden, die kunnen worden verstoord, naar het oordeel van he bevoegd gezag, in voldoende mate zijn vastgesteld. b Een onderzoeksrapport zoals genoemd in art. 8.3.2 a onder 8 hoeft niet te worden overlegd wanneer: 1 naar het oordeel van de archeologisch deskundige de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgelegd in andere archeologisch informatie; 2 uit een schriftelijk advies van de archeologisch deskundig blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door het werk of de werkzaamheden.
8.3.3
Aanvraagvereisten Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in artikel 8.1 genoemde bestemming en met inachtneming van het in artikelen 8.3.1 en 8.3.2 gestelde een of meerdere (funderings)tekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben.
8.3.4
Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen in of op de onder artikel 8.1 genoemde bestemming wordt alleen verleend als:
17
a. uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b. de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 8.3.5
Vergunningsvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het verrichten van opgravingen; c de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
8.3.6
Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2’: a te wijzigen in een andere in dit bestemmingsplan opgenomen archeologische bestemming indien dit op basis van de uitkomsten van nader uitgevoerd archeologisch onderzoek of naar oordeel van de archeologisch deskundige noodzakelijk is; of b geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat: 1 ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; 2 het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
18
Artikel 9
Waarde - Archeologie 2a
9.1
Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waarde - Archeologie 2aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor bescherming van archeologische waarden.
9.2 9.2.1
Omgevingsvergunning voor bouwen Bouwwerken a Op de in lid 8.1 bedoelde gronden mogen geen bouwwerken worden opgericht, tenzij: 1 het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bouwwerken, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering; 2 het bouwen gepaard gaat met bodemingrepen van niet meer dan 50 centimeter onder het bestaande maaiveld; 3 het nieuw te bouwen oppervlak, in aanvulling op het bepaalde onder b, niet groter is dan 100 vierkante meter; 4 op basis van ingediend onderzoeksrapport is aangetoond, dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn en dit tevens is getoetst en geaccordeerd door een archeologisch deskundige namens bevoegd gezag; 5 deze voor archeologisch onderzoek noodzakelijk zijn. b Een onderzoeksrapport zoals genoemd in art 9.2.1 onder a punt 4 hoeft niet te worden overlegd wanneer: 1 naar het oordeel van de archeologisch deskundige de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgelegd in andere archeologisch informatie; 2 uit een schriftelijk advies van de archeologisch deskundig blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door de bouwwerkzaamheden.
9.2.2
Aanvraagvereisten Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in artikel 9.1 genoemde bestemming en met inachtneming van het in artikel 9.2.1 gestelde: a een of meerdere (funderings)tekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben; en b een of meerdere palenplannen te overleggen waaruit blijkt het aantal palen, het type/soort, de omvang/diameter, de lengte, de onderlinge afstand tussen de rijen funderingspalen en de wijze van aanbrengen opdat de mate van verstoring bepaald kan worden.
9.2.3
Boordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen in of op de onder artikel 9.1 genoemde bestemming wordt alleen verleend als:
19
a uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 9.2.4
Vergunningsvoorschriften a Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: b de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; c de verplichting tot het verrichten van opgravingen; de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
9.3
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Werken en werkzaamheden Binnen de bestemming ‘Waarde - Archeologie 2Waarde - Archeologie 2a’ is voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders nodig: a het afgraven, saneren, ontgronden, onderzuigen, verlagen, afplaggen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b het aanleggen, verbreden en verwijderen van verhardingen; c het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter; d het graven of vergraven, verruimen, verdiepen of dempen van watergangen en waterpartijen; e het frezen en scheuren van grasland; f het aanbrengen van diepwortelende beplantingen waaronder begrepen bos, boomgaard, zacht-fruitopstand, (boom)kwekerij en windsingel; g het rooien van diepwortelende beplantingen zoals vermeld onder f.
waarbij de stobben worden verwijderd; h het aanleggen van drainage; i het aanleggen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; j het uitvoeren van heiwerkzaamheden, het aanbrengen van verticale grondkeringen of het op een of andere wijze indrijven van objecten in de bodem; k het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; l het verwijderen van bestaande ondergrondse fundamenten, verticale grondkeringen en het verwijderen en/of uittrekken van funderingspalen; m het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek.
9.3.1
20
9.3.2
Uitzondering a Een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 9.3.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden indien deze: 1 worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 9.2.1 van toepassing is; 2 tot een diepte van 50 centimeter onder het bestaande maaiveld gaan; 3 in aanvulling op het bepaalde onder b, geen grotere oppervlakte dan 100 vierkante meter betreft; 4 reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan; 5 worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud. Hieronder vallen: − onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen; − de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande kabels- en leidingentracés waarbij de omvang en diepte ongewijzigd blijft; − het vervangen van bestaande boomgaarden door nieuwe boomgaarden met gebruikmaking van dezelfde plantgaten of bomenrij.
6 mogen worden uitgevoerd volgens een verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; 7 voor archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; 8 betrekking hebben op gronden waarvan op basis van een namens bevoegd gezag getoetst en geaccepteerd ingediend onderzoeksrapport: 9 is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden; of 10 is aangetoond dat de archeologische waarden van de gronden, die kunnen worden verstoord, naar het oordeel van he bevoegd gezag, in voldoende mate zijn vastgesteld. b Een onderzoeksrapport zoals genoemd in art. 9.2.3 onder a hoeft niet te worden overlegd wanneer: 1 naar het oordeel van de archeologisch deskundige de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgelegd in andere archeologisch informatie; 2 uit een schriftelijk advies van de archeologisch deskundig blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door het werk of de werkzaamheden.
9.3.3
Aanvraagvereisten Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in artikel 9.1 genoemde bestemming en met inachtneming van het in artikelen 9.3.1 en 9.3.2 gestelde een of meerdere (funderings)tekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben.
9.3.4
Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen in of op de onder artikel 9.1 genoemde bestemming wordt alleen verleend als:
21
d. uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of e. de archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet of niet onevenredig wordt geschaad; of f. de archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 9.3.5
Vergunningsvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: a de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b de verplichting tot het verrichten van opgravingen; c de verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
9.3.6
Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming ‘Waarde - Archeologie 2a’: a te wijzigen in een andere in dit bestemmingsplan opgenomen archeologische bestemming indien dit op basis van de uitkomsten van nader uitgevoerd archeologisch onderzoek of naar oordeel van de archeologisch deskundige noodzakelijk is; of b geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat: 1 ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; 2 het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
22
Artikel 10
Waterstaat - Waterberging
10.1
Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waterstaat - Waterberging’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a de waterhuishouding; b de waterberging.
10.2
Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 10.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m; c ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag, met inachtneming van de voor de betrokken bestemmingen geldende regels, uitsluitend worden gebouwd indien het bouwplan betrekking heeft op vervanging, vernieuwing of verandering van de bestaande bouwwerken, waarbij de waterbergingscapaciteit gelijk blijft.
10.3
Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 10.2 en toestaan dat in de andere bestemming bouwwerken worden gebouwd, mits: a de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen; b de waterbergingscapaciteit niet onevenredig wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder.
10.4
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden a Het is verboden op of in de gronden met de bestemming 'Waterstaat - Waterberging' zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning van het bevoegd gezag de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: 1 het ophogen van gronden; 2 het dempen van watergangen. b Het verbod als bedoeld in sub a is niet van toepassing op werken of werkzaamheden die: 1 betrekking hebben op normaal onderhoud en beheer; 2 reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan; 3 mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende vergunning. c De werken of werkzaamheden als bedoeld in sub a zijn slechts toelaatbaar, mits: 1 de waterbergingscapaciteit tenminste gelijk blijft; 2 vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder.
23
Artikel 11
Waterstaat - Waterkering
11.1
Bestemmingsomschrijving De voor ‘Waterstaat - Waterkering’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor: a het in stand houden, het beheer, het onderhoud en de verbetering van de waterkering; b bij deze bestemming behorende voorzieningen zoals kunstwerken, dijksloten en andere waterstaatswerken.
11.2
Bouwregels Op deze gronden mag worden gebouwd en gelden de volgende regels: a op deze gronden mogen ten behoeve van de in lid 11.1 genoemde bestemming uitsluitend bouwwerken, geen gebouwen zijnde, worden gebouwd; b de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde bedraagt ten hoogste 3 m; c ten behoeve van de andere, voor deze gronden geldende bestemming(en) mag niet worden gebouwd.
11.3
Afwijken van de bouwregels Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in lid 11.2 en toestaan dat in de andere bestemming bouwwerken worden gebouwd, mits: a de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels in acht worden genomen; b het belang van de waterkering niet onevenredig wordt geschaad en vooraf schriftelijk advies wordt ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder.
24
3
Algemene regels
Artikel 12
Anti-dubbeltelregel Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
Artikel 13 13.1
Artikel 14
Algemene gebruiksregels Strijdig gebruik Onder gebruik in strijd met dit plan wordt in ieder geval verstaan: a het gebruik van gronden en bouwwerken ten behoeve van een seksinrichting.
Algemene aanduidingsregels
14.1 14.1.1
milieuzone - beschermingszone leefgebied natte dooradering Aanduidingsomschrijving Ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - beschermingszone leefgebied natte dooradering' zijn de gronden mede bestemd voor het voorkomen van verdroging van een leefgebied van natte dooradering.
14.1.2
Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden Het is verboden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werkzaamheden, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden uit te voeren: a de aanleg van drainage ongeacht de diepte ter plaatse van de aanduiding 'milieuzone - beschermingszone leefgebied natte dooradering', tenzij het gaat om vervanging van bestaande drainage; b onder a bedoelde vergunning wordt niet verleend indien: 1 ten aanzien van het werk of de werkzaamheid sprake is van onevenredige afbreuk aan de waarden en/of functies welke het plan beoogt te beschermen, dan wel hieraan door het stellen van voorwaarden niet voldoende tegemoet kan worden gekomen; 2 verdroging plaatsvindt van een leefgebied met natte dooradering.
14.1.3
Wijzigingsbevoegdheid Burgemeester en wethouders zijn bevoegd dit plan te wijzigen door de aanduiding 'milieuzone - beschermingszone leefgebied natte dooradering' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van onderzoek is aangetoond dat de natuurwaarden van het leefgebied natte dooradering niet meer aanwezig zijn.
14.2
Overige zone - gelders natuurnetwerk Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - gelders natuurnetwerk' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en de verbetering van de kernkwaliteiten van het desbetreffende gebied.
25
14.3
Overige zone - groene ontwikkelingszone a Ter plaatse van de aanduiding 'overige zone - groene ontwikkelingszone' zijn de gronden mede bestemd voor het behoud en de verbetering van de kernkwaliteiten van het desbetreffende gebied; b het verwijderen van een houtopstand als bedoeld in de Wet natuurbescherming is niet toegestaan, met uitzondering van de normale bosexploitatie.
14.4
Vrijwaringszone - dijk 1 a Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk 1' zijn de gronden, naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens aangeduid voor de bescherming, onderhoud en instandhouding van de primaire waterkering; b Ter plaatse van de aanduiding 'vrijwaringszone - dijk 1' mag niet worden gebouwd; c Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde onder b, met inachtneming van de volgende regels: 1 de bij de betrokken bestemming behorende bouwregels worden in acht genomen; 2 het belang van de waterkering wordt niet onevenredig geschaad en vooraf wordt schriftelijk advies ingewonnen bij de betreffende waterbeheerder.
Artikel 15
Algemene afwijkingsregels
15.1
Kleine nutsgebouwen en -bouwwerken Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de regels van dit plan ten behoeve van het realiseren van gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde van openbaar nut zoals gemalen, transformatorstations, telefooncellen, wachthuisjes, afvalcontainers en dergelijke, met dien verstande dat: a de inhoud van het gebouw niet meer bedraagt dan 75 m3; b de bouwhoogte van het gebouw en bouwwerken, geen gebouwen zijnde, van openbaar nut niet meer dan 3 m bedraagt.
15.2
Overschrijding goot- en bouwhoogten Bij een omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in de regels van dit plan ten behoeve van het overschrijden van de maximale toegestane goot- en bouwhoogten, mits: a de overschrijding niet meer bedraagt dan 10%; b een grotere goot- en bouwhoogte stedenbouwkundig aanvaardbaar is; c er geen sprake is van een onevenredige aantasting van: 1 de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden; 2 het bebouwings- en landschapsbeeld; 3 de verkeersveiligheid; d er niet eerder toepassing is gegeven aan een afwijkingsbevoegdheid ten behoeve van het overschrijden van de maximale toegestane goot- en bouwhoogten.
26
Artikel 16
Overige regels
16.1 16.1.1
Parkeren Algemeen a Een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor de verandering van de functie van een bouwperceel wordt slechts verleend indien is aangetoond dat wordt of zal worden voldaan aan de maximum parkeernormen, zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen', zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning en dat indien deze publicatie gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging, en met dien verstande dat: 1 het totale aantal benodigde parkeerplaatsen wordt afgerond op het dichtstbijzijnde hele getal; 2 voldaan wordt aan de in de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen' gehanteerde indeling in centrum, schil centrum, rest bebouwde kom en buitengebied, zoals weergegeven in bijlage 1 'Gebiedsindeling Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019' van de regels van het Paraplubestemmingsplan Parkeren 2019.
b Parkeerplaatsen dienen aangelegd te worden op het eigen terrein, waarbij de afmetingen per parkeerplaats ten minste voldoen aan de volgende maatvoeringen: 1 Haaksparkeren: lengte 5,0 m, breedte 2,5 m, met dien verstande dat er voldoende manoeuvreerruimte beschikbaar dient te zijn voor het kunnen functioneren van de parkeerplaatsen, dat wil zeggen minimaal 5 m achter een insteekvak voor haaksparkeren. 2 Langsparkeren: vaklengte 6,0 m, breedte 1,8 m. c Het onder a bepaalde is niet van toepassing ingeval een bouwwerk ten gevolge van een calamiteit geheel verloren is gegaan en dit bouwwerk, indien en voor zover sprake is van dezelfde functie en omvang, wordt herbouwd en op gelijke wijze in de parkeerbehoefte wordt voorzien als voor de calamiteit feitelijk het geval was, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk teniet is gegaan.
16.1.2
Vrachtauto's a Parkeerplaatsen voor vrachtauto's dienen aangelegd te worden op eigen terrein. b Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor de verandering van de functie van een bouwperceel met een behoefte voor vrachtautoparkeren moet worden voldaan aan de CROW-publicatie 327 'Handreiking vrachtautoparkeren' zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning en dat indien deze publicatie gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging.
16.1.3
Laden en lossen Bij het verlenen van een omgevingsvergunning voor het bouwen of uitbreiden van een gebouw en/of voor de verandering van de functie van een bouwperceel met een behoefte voor het laden en lossen van goederen moet zijn verzekerd dat op eigen terrein wordt voorzien in voldoende ruimte voor het laden en lossen met bijbehorende voorzieningen en manoeuvreerruimte.
27
16.1.4
Afwijken a Parkeernorm Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 16.1.1 onder a, mits: 1 ten minste wordt voldaan aan de minimum parkeernormen, zoals opgenomen in de CROW-publicatie 381 'Toekomstbestendig parkeren. Van parkeerkencijfers naar parkeernormen', zoals die gelden op het tijdstip van indiening van de aanvraag omgevingsvergunning en dat indien deze publicatie gedurende de planperiode wordt gewijzigd, rekening wordt gehouden met de wijziging, en met dien verstande dat het totale aantal benodigde parkeerplaatsen wordt afgerond op het dichtstbijzijnde hele getal; 2 de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; 3 het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad. b Geheel of gedeeltelijk afwijken parkeereis Het bevoegd gezag kan geheel of gedeeltelijk afwijken van de parkeereis toestaan. De afwijking moet goed en navolgbaar onderbouwd worden. Van het afwijken van de parkeereis kan sprake zijn bij: 1 Maatwerk: de afwijking moet onderbouwd worden aan de hand van specifieke kenmerken van de locatie, functie of doelgroep van het project. 2 Locatie: er moet sprake zijn van een locatie waar het feitelijk onmogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis te voldoen of waar het in alle redelijkheid onmogelijk of onwenselijk is (o.a.
op grond van planeconomische overwegingen) om geheel of gedeeltelijk te voldoen aan de parkeereis. c Vrijstelling parkeereis Als een ontwikkeling uit economisch oogpunt of uit het oogpunt van milieu, hinder of woonomgeving door de gemeente bijzonder gewenst is, kan volledige vrijstelling van de parkeereis worden verleend. Deze volledige vrijstelling wordt alleen in zeer uitzonderlijke gevallen verleend en een verzoek daartoe wordt uitvoerig gemotiveerd. Voor het verkrijgen van de vrijstelling wordt in ieder geval aangetoond dat het niet mogelijk is om geheel of gedeeltelijk aan de parkeereis op eigen terrein te voldoen en dat er evenmin mogelijkheden bestaan om de parkeereis geheel of gedeeltelijk in de openbare ruimte op te lossen. d Ruimte voor laden of lossen Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 16.1.3, indien en voor zover op andere wijze in de benodigde ruimte voor het laden of lossen van goederen wordt voorzien. e Eigen terrein Bij omgevingsvergunning kan worden afgeweken van het bepaalde in artikel 16.1.1 onder b en 16.1.2 onder a, mits: 1 de belangen van de eigenaren en/of gebruikers van betrokken en nabijgelegen gronden niet onevenredig worden geschaad; 2 het straat- en bebouwingsbeeld niet onevenredig worden geschaad.
28
4 Artikel 17
Overgangs- en slotregels Overgangsrecht
17.1
Overgangsrecht bouwwerken a Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1 gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2 na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van bepaalde in lid 17.1 onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld onder a met maximaal 10%. c Het bepaalde in lid 17.1 onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
17.2
Overgangsrecht gebruik a Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in lid 17.2 onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c Indien het gebruik, bedoeld in lid 17.2 onder a, na de inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d Het bepaalde in lid 17.2 onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
Artikel 18
Slotregel Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan 'Landgoed Lingedijk, Buurmalsen'.
29