RV2025-028-bijlage-5-bijlagen-bij-toelichting.pdf
Tekst van het document
Landbouwers (vanaf de nieuwe steentijd) Met de introductie van landbouw in de loop van de nieuwe steentijd stelde de mens geleidelijk andere eisen aan zijn landschappelijke omgeving. De locatiekeuze werd steeds meer bepaald door de mate 314 RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2
waarin gronden geschikt waren voor de akkerbouw. De eerste landbouwers hadden nagen oeg geen technische middelen om de bodemstructuur en -vruchtbaarheid te verbeteren (de oudst bekende zeer primitieve ploeg dateert bijv. uit de ijzertijd). Oogstrisico’s werden direct bepaald door de fysische eigenschappen van het landschap. Belangrijke pa rameters waren grondwaterregime, natuurlijke vruchtbaarheid, bewerkbaarheid van de bodem en areaal geschikte landbouwgrond. Tot de gebieden met een hogere archeologische verwachting voor sporen van de vroegere landbouwgemeenschappen moeten in de eerste plaats de relatief hooggelegen fossiele meandergordels worden gerekend. In het rivierengebied worden de meandergordels over het algemeen gekenmerkt door een hoge dichtheid aan archeologische vindplaatsen uit de prehistorie en latere archeologische perioden. Over het algemeen geldt tevens een middelmatige tot hoge verwachting voor gebieden met relatief hooggelegen oeverafzettingen en crevasse-systemen (de oeverwallen). In sommige delen van het rivierengebied geldt ten aanzien van de oeverzones een sterke relati e tussen bewoningsdichtheid (en archeologische verwachting) en afstand tot de corresponderende meandergordel. Dit doet zich met name voor in gebieden met grote kommen en een eenduidig patroon van meandergordels met belendende oeverzones.
In het geval van W est Betuwe, met een wirwar van elkaar kruisende fossiele rivierlopen en crevasse-systemen, is dit verband minder duidelijk. Naast reliëf en bodemkwaliteit kan de aanwezigheid van voormalig open water in de vorm van restgeulen worden genoemd als locatiekeuz efactor. In het rivierengebied zijn resten van bewoning uit de IJzertijd en Romeinse tijd met name te vinden langs restgeulen, die fungeerden als natuurlijke, bevaarbare verbindingen tussen bewoningsconcentraties. 24 Behalve de zandige meandergordels (beddingafzettingen) en de hieraan grenzende oeverzones (samen de stroomgordel) vormden in het rivierengebied ook de hoger gelegen rivierduinen aantrekkelijke locaties voor bewoning en beakkering. Binnen de gemeente West Betuwe zijn deze echter zeer geïsoleerd en van zeer beperkte omvang en lijken deze van weinig betekenis te zijn geweest voor landbouwactiviteiten. Komgebieden vormden vanaf de introductie van de landbouw veel minder aantrekkelijke locaties voor bewoning. In deze van oudsher laaggelegen en natte ge bieden is de dichtheid aan (bekende) archeologische vindplaatsen in het algemeen dan ook veel geringer, uitgezonderd specifieke activiteiten zoals het eendenkooien. Het rivierengebied heeft een grote dichtheid aan eendenkooien gekend. De eendenkooien (‘vogelkoyen’) voorzagen de toenmalige bevolking van eiwitrijk en redelijk goedkoop voedsel.
Grote hoeveelheden gevangen eenden vonden hun weg via Maas, Waal, Lek en Linge naar de snel groeiende steden in het westen van Holland. In de Tielerwaard en met name in de huidige gemeente West Betuwe lagen de kooien mannetje aan mannetje. Indien zandige oeverafzettingen in de kom voorkomen, neemt de geschiktheid voor bewoning sterk toe. Een specifiek voorbeeld hiervan zijn de crevasse-afzettingen. Deze afzettingen zijn vaak diep in komgebieden doorgedrongen, waarbij ze smalle, hoger gelegen en relatief zandige ruggen kunnen vormen te midden van kleiige komafzettingen. In sommige gevallen zijn crevassen langere tijd watervoerend geweest en kunnen ze worden beschouwd als kleine stroomgordels. Door hun geringe omvang zijn waarschijnlijk veel crevassen binnen de gemeente West Betuwe nog niet in kaart gebracht.
24
Van der Heijden 2020; Van der Heijden & Verhelst 2020 315
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2
3.2.6
De archeologische verwachtingen
Binnen de gemeente West Betuwe kan op basis van de ouderdom van individuele stroomgordels, de geologische ontstaansgeschiedenis, geomorfologie en bodemgesteldheid, onderscheid worden gemaakt in vier landschapstypen met een eigen karakter en periode-specifieke archeologische verwachting (kaartbijlage 1): - rivierduinen; - fossiele rivierbeddingen en restgeulen; - gebieden met oeverafzettingen en crevassen; - komgebieden. Rivierduinen Pleistocene terrasresten en rivierduinen vormen in het rivierengebied op veel plaatsen de hoogste en oudste landschappelijke eenheden. Ze kunnen gedurende duizenden jaren hooggelegen terreinen hebben gevormd die aantrekkelijk waren als vestigingslocatie. Op de meeste markante pleistocene opduikingen in het rivierengebied zijn archeologische vindplaatsen bekend. Binnen de gemeente West Betuwe is dit vooralsnog niet het geval. In het algemeen kan gesteld worden dat naarmate de opduikingen hoger en groter zijn, de dichtheid aan (bekende) vindplaatsen toeneemt. Voor de (bekende) pleistocene opduikingen binnen het gemeentegebied van West Betuwe geldt een hoge archeologische verwachting voor vindplaatsen uit alle archeologische perioden.
Fossiele rivierbeddingen Op basis van de gunstige geomorfologische en bodemkundige kenmerken kan aan de verschillende fossiele rivierbeddingen (in jargon: meandergordels) van West Betuwe in principe een middelmatige tot hoge archeologische verwachting worden toegekend. In de eerste plaats vormden de fossiele meandergordels relatief hoge zones in het holocene rivierenlandschap met een relatief lage overstromingsfrequentie. Ze fungeerden als veilige woonlocatie en natuurlijke verbindingsroute. In de tweede plaats waren (en zijn) de relatief zandige afzettingen gunstige landbouwgronden met een hoge natuurlijke bodemvruchtbaarheid en een goede bewerkbaarheid. Een derde gunstige locatiekeuzefactor betreft de aanwezigheid van restgeulen. Behalve het belang van de nabijheid van open water (drinkwater, waswater, etc.), kunnen de restgeulen gezien worden als natuurlijke transport- en verbindingsroutes in het rivierenlandschap. De specifieke archeologische verwachting voor een meandergordel is met name afhankelijk van de ouderdom van de afzettingen en de mate waarin die zijn afgedekt door jongere afzettingen (figuur 8 en figuur 9). Van de zeer oude en diep gelegen meandergordels zijn geen archeologische vindplaatsen bekend.
Indien archeologische sporen zich hier voordoen, zullen deze betrekking hebben op het vroeg Neolithicum of mogelijk zelfs laat Mesolithicum (figuur 8): een periode waarvan tot op heden in het rivierengebied relatief weinig bekend is en waarvan het aantal vindplaatsen op één hand te tellen is. Mogelijk speelt de geringere bevolkingsdichtheid hierbij een rol, hoewel vooral de diepe ligging goed gedocumenteerde waarnemingen vrijwel onmogelijk maken. De verschillende prehistorische meandergordels in het noordelijke komgebied (Schaik, Schoonrewoerd) worden gekenmerkt door slechts enkele bekende vindplaatsen. Wel liggen ze door de ondiepe vaste zandondergrond als hogere zandige ruggen in het landschap (§3.1) en lijken als zodanig toch aantrekkelijk te zijn geweest voor bewoning. Een enkele bekende vindplaats, geeft aan dat deze zones inderdaad gedurende een lange periode (Neolithicum-Middeleeuwen) bewoonbaar moeten zijn geweest. Het
316 RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2
tot op heden vrijwel ontbreken van structureel archeologisch onderzoek op de meandergordels in de noordelijke kom lijkt een belangrijke verklaring voor de geringe vindplaatsdichtheid. De meandergordels van Schoonrewoerd en Schaik geraken in het Laat Neolithicum buiten werking en liggen dan als hoog opgeworpen zandige ruggen in het landschap. Deze zijn dan ook aantrekkelijk voor bewoning vanaf de gevorderde nieuwe steentijd, wat bevestigd wordt door tijdens structureel archeologisch onderzoek vastgestelde archeologische vindplaatsen. Voor Eigenblok betreft het de onderzoeken in het kader van de Betuweroute. Voor de Schoonrewoerd betreft het archeologische onderzoeken in het kader van woningbouw in het aangrenzende Culemborg. Terwijl de beide meandergordels tot in de IJzertijd goed bewoond lijken, is onduidelijk in hoeverre deze in de Romeinse tijd en Middeleeuwen nog aantrekkelijk waren voor bewoning (bekende vindplaatsen uit deze perioden ontbreken). Van de Schoonrewoerdse stroomgordel is het op grond van vastgestelde diep wegduikende vondstlagen bij een nederzettingsterrein in het Culemborgse deel waarschijnlijk dat de restgeul in ieder geval nog in de IJzertijd open water bevatte.
Net als in de vroege fase van de nieuwe steentijd is vooral ook in de ijzertijd een en groot aantal rivierlopen actief binnen de gemeentegrenzen van West Betuwe (figuur 8) en dan voornamelijk in het gebied ten zuiden van de jongere Lingestroomgordel. Uitgaande van optimale bewoningsmogelijkheden vanaf het moment dat een geul over zijn bloeifase heen is, zijn deze meandergordels qua archeologische verwachting sterk vergelijkbaar: er komt een relatief hoge dichtheid aan vindplaatsen op voor uit de ijzertijd en Romeinse tijd. Hoewel het landbouwareaal beperkt was, vormde de aanwezigheid van open water in de vorm van restgeulen vermoedelijk een doorslaggevende factor in de exploitatie van de smalle meandergordels in de zuidelijke kom van West Betuwe in de Romeinse tijd. In hoeverre deze laat-prehistorische meandergordels nog aantrekkelijk waren voor bewoning in de middeleeuwen, is niet met zekerheid te zeggen. Eenduidige vroeg- of laatmiddeleeuwse vindplaatsen ontbreken nagenoeg en de bewoning lijkt zich over het algemeen nadrukkelijk te concentreren in dorpskernen langs de Linge. Ook het ontbreken van laatmiddeleeuwse kasteelterreinen op grotere afstand van de Linge is opvallend. Uitzondering vormt het meandergordelcomplex Meteren-Bommel met omliggende oeverzones.
In dit omvangrijke gebied met potentieel akkerareaal lijkt sprake te zijn geweest van een intensieve, gespreide bewoning gedurende de middeleeuwen, naast bewoning in de dorpskernen van Geldermalsen en Meteren. Meandergordel van de Linge De Linge betreft een zeer jong riviersysteem, dat na de ontwikkeling vanaf ca. 190 BCE tot in de laat Romeinse tijd (tot ca. 325 CE.) een korte maar hevige actieve fase kende. De Linge vormde gedurende die bloeifase als enige actieve riviertak in de omgeving van Tiel dé benedenloop van de zuidelijke Rijnloop. De overige in de Late IJzertijd nog actieve meandergordels raakten met de totstandkoming van de Linge definitief buiten werking, met uitzondering van een tijdelijke reactivering van restgeulen van deze meandergordels tot in de Romeinse tijd. 25 De meandergordel van de Linge heeft een gemiddelde breedte van ca. 800 m, hetgeen indicatief is voor de kracht waarmee de meanderbochten enkele eeuwen actief zijn geweest. Grote delen van de eerder gevormde meandertreinen zijn hierbij opgeruimd. Verschillende Romeinse schepen uit de 3e eeuw na Chr. zijn langs de Linge gevonden (Kapel -Avezaath, Kerk-Avezaath, Tiel) wat aangeeft dat de rivier toen bevaarbaar was. 26 Een van de schepen heeft een datering tussen AD 124-257. Er zijn ook sporen van Karolingische leeftijd en vroege tot late
25
Törnqvist 1994: 142; Berendsen 1990; Gouw & Erkens 2007
26
Van der Heijden 2020; Van der Heijden & Verhelst 2020 317
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2
middeleeuwen. Ten noordoosten van Kapel-Avezaath ligt een gedeelte van een meandergordel waarvan de genese op grond van onder andere morfologie en archeologische vindplaatsen lijkt samen te hangen met de ontwikkeling van de Linge in een vroege fase. Hier komen diverse vindplaatsen voor waaronder nederzettingsterreinen uit de Romeinse tijd t/m de Late Middeleeuwen. 27 Met de ontwikkeling van de Waalstroomgordel stroomafwaarts van Tiel in de Laat Romeinse tijd (ca. AD 325.) was het gedaan met de functie van de Linge als hoofdafvoer van de zuidelijke Rijnloop hoewel de rivier in de eerste helft van de 8e eeuw CE een kortstondige, maar heftige reactivering gekend heeft. 28 Hierbij is onder meer (de crevassegeul) de Daver bij Kerk -Avezaath ontstaan, maar wellicht ook de ‘rivier’ De Soel (in en noordelijk van Zoelen), die in 788-789 als Solina in een oorkonde van Echternach voorkomt. 29 Een andere crevasse van de Linge is gedateerd tussen AD 882 -1021. Na die tijd raakte de Linge geleidelijk buiten werking, hetgeen uiteindelijk werd bezegeld met de afdamming van de rivier tussen 1259 en 1304 en de bedijking van het winterbed (13e/14e eeuw). 30 Als een van de weinige restgeulen in het rivierengebied is de restgeul van de Linge nog steeds watervoerend en bevaarbaar, hoewel deze daarvoor wel actief wordt opengehouden.
Restgeulen Restgeulen vormen binnen de meandergordels een bijzondere landschappelijke eenheid met een zeer specifieke archeologische verwachting. Hoewel de kans op het voorkomen van nederzettingssporen hier in principe laag is, dient met name in de oeverzones rekening te worden gehouden met de aanwezigheid van zeer goed geconserveerde resten van nabijgelegen nederzettingen (o.a. afvalzones, kadewerken en beschoeiingen). Daarnaast is er in restgeulen een relatief hoge kans op het voorkomen van (resten van) vaartuigen. 31 Deze verwachting is van toepassing voor alle restgeulen, onafhankelijk van de datering. Ook in het brede dal van de Linge, dus niet alleen in de huidige waterloop, kunnen belangrijke goed geconserveerde resten uit de Romeinse tijd en Middeleeuwen voorkome n. Dit is met name het geval in de nabijheid van de middeleeuwse dorpskernen en de vroegere nederzettingsterreinen. Oeverafzettingen en crevassen De oeverafzettingen buiten de meandergordels zijn de overgangszones tussen de meandergordels en de komgebieden. Vooral in zones direct tegen de meandergordel kunnen de oeverafzettingen relatief hoog liggen ten opzichte van de omgeving.
Deze zones direct grenzend aan de meandergordels hebben vergelijkbaar gunstige geomorfologische en bodemkundige eigenschappen als de oeverafzettingen binnen de meandergordels; hiervoor geldt in principe dan ook een hoge archeologische verwachting. Bij de kartering van de meandergordels is met name gebruik gemaakt van de detailbodemkarteringen en de gegevens uit het proefschrift van Harm-Jan Pierik (Pierik 2017). De lagere kleiige delen van de oeverzones kennen een lagere dichtheid aan archeologische vindplaatsen. Op veel plaatsen langs vooral de oudere meandergordels kan geen oeverzone worden gedefin ieerd en ontbreken archeologische vindplaatsen volledig. In het middendeel van de zuidelijke kom liggen diverse nederzettingsterreinen daarentegen op relatief grote afstand van de meandergordels, waar vooralsnog geen duidelijke
27
Niet uitgesloten kan worden dat het een restant van een oudere fossiele meandergordel betreft (bijvoorbeeld de Bommelse meandergordel).
28
Zie over deze fase ook W illemse 2019 : 313; Toonen et al. 2013 29 Mondelinge mededeling E.M.P. Verhelst. 30
Wientjes 2001
31
Van der Heijden 2020; Van der Heijden & Verhelst 2020 318
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2
landschappelijke verklaring voor is te geven. Vermoedelijk liggen hier nog niet gekarteerde crevasse systemen aan ten grondslag, waarlangs of waarop deze nederzettingen zijn gesitueerd. De periode-specifieke archeologische verwachting voor oeverafzettingen wordt bepaald door de ouderdom van de afzettingen en de afstand tot de meandergordel. Daarnaast zijn op veel plaatsen in de gemeente West Betuwe de oeverzones opgebouwd uit meerdere fasen van stroomgordels (figuur 8). Hierdoor is op veel plaatsen geen eenduidig onderscheid te maken in stroomgordelspecifieke oeverzones. Crevassen Crevassen, ook wel oeverwaldoorbraakafzettingen genoemd, liggen in dezelfde landschappelijke zones als de oeverafzettingen. Evenals oeverafzettingen zijn de crevasse-afzettingen relatief zandig. Behalve door hun ontstaanswijze, onderscheiden crevassen zich van de oeverafzettingen op grond van geomorfologische kenmerken (langgerekte vorm dwars op de ligging van de meandergordel) en (in veel gevallen) de aanwezigheid van een crevassegeul van waaruit deze is opgebouwd. Mede door de vaak iets hogere ligging en meer zandige textuur vormen de crevassen binnen de zones met oeverafzettingen de meest kansrijke zones voor het voorkomen van bewoningssporen uit het verleden.
Voor reeds bekende crevassen dient derhalve te worden uitgegaan van een hoge archeologische verwachting, waarbij de specifieke datering afhankelijk is van de ouderdom van de corresponderende meandergordel. Komgebieden De komgebieden zijn de laagst gelegen delen van het rivierenlandschap met een van oorsprong hoge grondwaterstand en een kleiige profielopbouw. Binnen het holocene rivierenlandschap vormden de komgebieden ongeschikte locaties voor bewoning. Andere activiteiten, zoals van militaire aard of activiteiten die te maken hadden met jacht/voedselvoorziening en grondstofwinning (hout, riet, klei) vonde n hier wel plaats Aan komgebieden is echter in principe een lage verwachte dichtheid aan archeologische (bewonings)resten toegekend. Meer nog dan voor de oeverafzettingen geldt echter voor de komgebieden dat rekening moet worden gehouden met een intact onderliggend pleistoceen rivierenlandschap (vanaf circa 6 tot 8 m -Mv en dieper, zie figuur 1): een landschap dat tot in het Vroeg Neolithicum dagzoomde en het jachtterrein en leefgebied vormde voor de toen rondtrekkende jager-verzamelaars. Ter hoogte van markante zandopduikingen en nabij geulinsnijdingen moet rekening worden gehouden met de aanwezigheid van vindplaatsen uit de Steentijd.
De ligging van mogelijke afgedekte pleistocene opduikingen in komgebieden is aan de hand van de beschikbare gegevens echter onvoldoende nauwkeurig aan te geven. Oude woongronden en woerdgronden Oude woongronden zijn de woonplaatsen uit de ijzertijd, Romeinse tijd en middeleeuwen die in bodemkundige worden gekenmerkt door een grijs tot zwart gekleurde laag met veel houtskool, aardewerkscherven en dierlijk bot. Ze zijn soms met het blote oog zichtbaar als lage welvingen in het landschap: heuvels van enkele decimeters tot anderhalve meter hoogte. Deze kunnen tot op heden bebouwd zijn met huizen, liggen soms midden in dorpen, of vormen de stille getuige van een bewogen verleden in onbebouwde akkers en boomgaarden. Woerdgronden (bodemkundig: hofee rdgronden) zijn bodems die zijn ontstaan op de akkers rondom de nederzettingen en die door intensief gebruik een donkere bovengrond hebben verkregen, soms vermengd met bemestingsafval. Vooral de o ude woongronden worden daarom vaak gekenmerkt door het voorkomen van bewoningsresten (huisplattegronden en andere erfstructuren, begraafplaatsen) uit zowel de late prehistorie als de Romeinse tijd en de middeleeuwen. De
319 RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2
oude woongronden zijn deels gekarteerd tijdens de bodemkarteringen voor de ruilverkavelingen, waarbij een donker gekleurde humeuze laag is herkend. Soms betreft het archeologische bodemkarteringen.
3.3 Thematische laag historische nederzettingslocaties Aan het kaartbeeld van de nieuwe archeologische vindplaatsen- en verwachtingenkaart (kaartbijlage 2) zijn - op basis van de historische kaartinventarisatie - bouwblokken, stads- of dorpskernen, kasteelterreinen en andere elementen toegevoegd die een archeologische relevantie hebben. Deze zijn zoals eerder vermeld niet opgenomen in de vindplaatscatalogus . Wel is voor deze gebieden een nieuwe verwachtingseenheid, die van de zeer hoge archeologische verwachting, aan de verwachtingslaag toegevoegd. Reden is de sterke correlatie tussen deze terreinen en elementen en het voorkomen van archeologische resten. 32 De (vaak) middeleeuwse kernen worden gekenmerkt door een hoge bewoningsdichtheid gedurende vele eeuwen. De kans op het voorkomen van bewoningssporen uit de middeleeuwen en de periode van 1500 (nieuwe tijd) is hier dan ook zeer hoog. Op tal van historische en in veel gevallen monumentale boerderijlocaties gaat de bewoningsgeschiedenis vermoedelijk terug tot in de 16e eeuw of zelfs vroeger; per locatie zal dit echter aan de hand van historisch onderzoek nader dienen te worden onderzocht. De relevante terreinen van kaartbijlage 4 zijn op de geactualiseerde vindplaatsen- en verwachtingenkaart integraal overgenomen opgenomen.
In het GIS-bestand van het kadastrale minuutplan zijn allereerst alle relevante percelen met ‘ja’ gemarkeerd (attribuut arch_rel=ja) met ‘ja ’ gemarkeerd. Het gaat dan vooral om erven met achterliggende (moes)tuinen, grachten en dijken. Uit het bestand GENL4_landschappen_vlak zijn de buitengrenzen van de buitenplaatsen, kasteelterrein, geconcentreerde bebouwing, forten en steenfabrieksterreinen opgenomen. Uit de bestanden GENL4_waterstaat komen de historische dijken en kades en de locaties van bruggen, poldermolens, sluizen, stuwwen en gemalen alsmede de ligging van de opgehoogde woonplaatsen (woonheuvels/pollen).Uit het bestand GENL4_militair_punt zijn alle puntlocaties overgenomen, samen met de loopgraven, grachten, stadsmuren en inundatiedijken en zones met (mogelijk) militaire resten. Zie voor de beschrijving en achtergronden van de verschillende historische elementen het rapportdeel 3, hoofdstuk 4.
32
De Groot e.a. 2011 320
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2
3.4 Aangeleverde gistabellen Bestandsnaam
Toelichting
WestBetuwe_vp_punt
vindplaatsenbestand
WestBetuwe_TAW0420
contouren van de AMK-terreinen (bron: RCE)
WestBetuwe_RM0420
contouren van de archeologische rijksmonumenten (bron: RCE)
WestBetuwe _overslaggronden
zone met dijkdoorbraakwaaiers
WestBetuwe _restgeulen
zone met rivierrestegeulen
WestBetuwe _afgegraven
contouren bodemverstoringen
WestBetuwe _vw_12mei2020
vlakbestand met de bodemkundige landschappen en verwachtingswaarden
GENL4_histned_sel GENL4_landschappen_vlak GENL4_waterstaat
punt, lijn en vlakbestanden met historische elementen worden in rapportdeel 3 besproken
GENL4_militair Tabel 9. Aangeleverde GIS-bestanden voor de kaartbijlagen 1 en 2.
321 RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2
4 Archeologische beleidskaart 4.1 Status, doel en inhoud De archeologische beleidskaart (kaartbijlage 3) is een beleidsmatige uitwerking van de geactualiseerde bodemkundige landschappenkaart (kaartbijlage 1) en de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart (kaartbijlage 2). De archeologische beleidskaart dient als afwegingsinstrument (onderlegger) bij processen in de ruimtelijke ordening. De beleidskaart kan juridis ch-planologisch worden verankerd bij het opstellen van (nieuwe) bestemmingsplankaarten en beheersverordening conform de Wro.
4.2 Totstandkoming De archeologische beleidskaart is tot stand gekomen in samenwerking met RAAP Archeologisch Adviesbureau. De inhoud van de archeologische beleidskaart en deze rapportage is besproken met dhr. drs. H.J. van Oort, regioarcheoloog voor de Regio Rivierenland en mw. Th. De Groot, adviseur cultuurhistorie van de gemeente West Betuwe.
4.3 Beleidsuitgangspunten gemeente West Betuwe 4.3.1
Uitgangspunten
De gemeenteraad dient bij de vaststelling van een bestemmingsplan (straks: omgevingsplan) of een beheersverordening bij de bestemming van gronden altijd rekening te houden met de in de grond aanwezige dan wel te verwachten archeologische mon umenten (archeologische waarden). Deze bestemmingsplanverplichting brengt met zich mee dat de gemeente het kader moet stellen voor de archeologische monumentenzorg. Initiatiefnemers van projecten die kleiner zijn dan 100 m² kunnen op basis van landelijke regelgeving niet worden belast met archeologische onderzoeksplicht. Afwijking van de ondergrens van 100 m² is zowel in opwaartse als in neerwaartse zin mogelijk. 33 Op advies van de regioarcheoloog, drs. H.J. van Oort, is in samenspraak met de gemeente beslot en de hieronder in de tabel 10 aangegeven oppervlakte- en dieptematen te hanteren. Deze oppervlakte- en dieptematen komen grotendeels overeen met wat in de Regio Rivierenland tot op heden gebruikelijk is, maar zijn iets aangepast op basis van ervaringsgegevens.
33
Zie verder ook De Groot et al. 2011, hoofdstuk 7: Effecten van vrijstellingen voor archeologisch erfgoed 322
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2
Beleidszones
West Betuwe grenswaarden ingreepdiepte/-oppervlakte diepte cm
omvang m2
terreinen met gewaardeerde archeologische resten archeologische rijksmonumenten
0
0
gemeentelijke monumenten
0
0
historische kern 1832
30
100
AMK-terreinen 34
30
50
30
50
historische vindplaats met 25 m bufferzone voor puntlocaties
30
100
ARCHIS3-vindplaats met 25 m buffer (hoge verwachting)
30
100
oude woongronden
30
100
hoge verwachting
30
500
hoge verwachting, diep gelegen
150
2.500
middelhoog
30
2.500
lage verwachting
30
5.000
rivierrestgeulen
50
2.500
rivierbed Waal
30
10.000
terreinen met archeologische resten
BATO-terreinen
35
verwachtingszones
overig reeds opgegraven/vrijgegeven terreinen
geen regels
diep verstoord
geen regels
Tabel 10. Voorstel grenswaarden onderzoekplichtige activiteiten.
4.3.2
Legenda-eenheden op de beleidskaart
Op de archeologische beleidskaart is geen onderscheid gemaakt in archeologische perioden en wordt de archeologische verwachting aangeduid met de termen ho ge, middelhoge en lage verwachte dichtheid aan archeologische resten en de specifieke verwachtingswaarden ‘rivierrestgeulen’, ‘rivierbed van de Waal en Linge’ en ‘diepgelegen prehistorische stroomgordels’. Op de archeologische beleidskaart staat kort aangegeven wat het gewenste beleid is, hetgeen in dit hoofdstuk beknopt verder is uitgewerkt. Op de archeologische beleidskaart zijn de volgende vier categorieën onderscheiden. 1. Terreinen met gewaardeerde archeologische resten; 2. Terreinen met (niet-gewaardeerde) archeologische resten; 3. Archeologische verwachtingsgebieden; 4. Vrijgegeven terreinen.
34
AMK-terreinen zijn vastgestelde/begrensde archeologische terreinen op de vroegere Archeologische MonumentenKaart van de rijksoverheid, waarvan het hier om de niet -beschermde gaat. Het voeren van beleid daarop is overgedragen aan de gemeente. 35
BATO-terreinen zijn archeologische vindplaatsen die zijn vastgesteld en begrensd door de BATO (Beoefenaren Archeologie in Tiel en Omgeving). 323 RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021
Erfgoed in de gemeente W est Betuwe. Een actualisatie van de archeologische vindplaatsen - en verwachtingskaart en cultuurhistorische waardenkaart: deel 2
4.3.3
Terreinen met gewaardeerde archeologische resten
Het op de verbeelding van het bestemmingsplan plaatsen van bekende en onbekende archeologische waarden is een belangrijke stap om het belang van archeologie in de ruimtelijke ordening aan te geven. Van terreinen met gewaardeerde archeologische resten weet men (globaal) wat er aanwezig is, wat daarvan de waarde is (inhoudelijk en fysiek) en vaak is sprake van een duidelijke, vaak kadastrale, begrenzing. Binnen deze categorie scharen we de Rijksbeschermde monumenten als Waarde archeologie 1 maar ook enkele op basis van de erfgoedverordening beschermde terre inen (gemeentelijke monumenten) waarvan de fysieke resten vooral voorkomen in de bodem (bodemarchiefwaarden) Rijksmonumenten (Waarde-archeologie 1) Voor de rijksmonumenten geldt een wettelijke bescherming van de Monumentenwet 1988. Binnen het gemeentegebied van West Betuwe bevinden zich 304 monumenten waaronder 4 archeologische terreinen met een wettelijke bescherming (https://cultureelerfgoed.nl/monumentenregister ). Voor het wettelijk beschermde monument wordt geadviseerd deze met vermelding van de wettelijk beschermde status op te nemen in het gemeentelijk bestemmingsplan (aanduiding op de verbeelding en vermelden in de toelichting). Daarnaast heeft een aantal gemeentelijke monumenten feitelijk het karakter van een archeologisch terrein. Het gaat om de locaties van het Huis Neerijnen (mon.nr.
05 -07), het verdwenen Huis Tieflaar (mon.nr. 05-01), het voormalige adellijke huis Hellouw (mon.nr. 04-04), het Huis Tuil of Nieuw Klingelenburg (mon.nr. 08-02), het Huis Opijnen (mon.nr. 07-05); een terpencomplex waarop de oude boerderij Karnheuvel stond (mon.nr. 01 -06) en de terp van de voormalige boerderij Avenhaar (gem. mon. nr. 06-11). Voor het veranderen van een gebouwd rijksmonument of een bouwwerk binnen een beschermd gezicht is in veel gevallen een omgevingsvergunning nodig. Ook het inwendige van een monument valt onder de vergunningplicht, net als de niet-gebouwde elementen van het rijksmonument zoals tuinen, parken etc. Voor het verstoren van een archeologisch rijksmonument is altijd een monumentenvergunning nodig. De monumentenvergunning is onderdeel van het Overgangsrecht in de Erfgoedwet. Deze vergunning moet eerst zijn verleend voordat een omgevingsvergunning van kracht wordt voor een activiteit die (ook) een beschermd archeologisch rijksmonument raakt. Dit Overgangsrecht blijft gelden totdat de Omgevingswet in werking treedt. Meer informatie over de monumentenvergunning is te vinden op de website archeologieinnederland.nl.
4.3.4
Terreinen met (niet-gewaardeerde) archeologische resten
Op basis van archeologische kennis en fysieke kenmerken van het landschap zijn in het verleden verschillende terreinen (waaronder de terreinen die als AMK -terrein op de archeologische monumentenkaart voorkwamen) onderscheiden waarbinnen archeologische resten voorkomen. In tegenstelling tot de voornoemde terreinen met gewaardeerde archeologische resten (Waarde archeologie 1) zijn de archeologische resten in deze gebieden niet gewaardeerd (er heeft geen formeel waardestellend onderzoek plaatsgevonden). Wel is de verwachte dichtheid aan (en de ligging, omvang en conservering van) archeologische resten dusdanig groot (zeer hoge verwachting) dat het risico op informatieverlies een zeer beheerste omgang met deze terreinen noodza kelijk maakt. 36
36
De Groot e.a. 2011 324
RAAP-rapport 4150 / versie 15-07-2021