RV2024-137-bijlage-4-beantwoording-vragen-adviesraad-29-oktober-2024.pdf
Tekst van het document
Adviesraad
Sociaal Domein
12 (geanonimiseerd) (geanonimiseerd) n (geanonimiseerd)
E
GELDERMALSEN
Behandeld
door
(geanonimiseerd) n (geanonimiseerd) Doorkiesnumer
(geanonimiseerd) | Datum
Kenmerk
29 oktober 2024
GZDGWB/1619949/1650375
Pagina 1 van 6
Onderwerp: reactie Adviesraad op Adviesaanvraag - Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp West Betuwe 2025
Geachte leden van de Adviesraad,
Wij danken de Adviesraad voor zijn positieve advies aan het college van burgemeester en wethouders over de concept Verordening maatschappelijke ondersteuning en Jeugdhulp West Betuwe 2025 (verder te noemen: Verordening). Ondanks de strakke tijdsplanning is de Adviesraad in de gelegenheid geweest om haar reactie tijdig aan te leveren. Onderstaand geven wij graag een reactie op de door u genoemde aanbevelingen en adviezen:
Aanbevelingen U vraagt ons kritisch te kijken naar de aangegeven tijdsduur bij het traject voor de aanvraag en uitvoering. Uw aanbeveling is volgens ons vooral een uitvoeringsvraagstuk dat wij intern verder bespreken om de werkwijze van het Team sociaal te optimaliseren. Wij houden in de verordening vast aan de termijn zoals die in de Wet algemene bestuursrecht vermeld staat (Awb artikel 4:13, lid 2). Sommige ondersteuningsaanvragen van inwoners zijn dusdanig complex en vragen meer tijd voor het uit te voeren onderzoek. Complexe vragen hebben zo is onze ervaring, meer tijd nodig dan een enkelvoudige vraag. Bijvoorbeeld wanneer er extern (medisch) advies opgevraagd moet worden. U vraagt ons daarnaast om de verordening beschikbaar te stellen in leesbare en
toegankelijke taal. Wij gaan na vaststelling van de Verordening onderzoeken of we deze meer leesbaar kunnen maken. Bijvoorbeeld door een samenvatting te maken van de meest voorkomende zaken zoals de aanvraag, het onderzoek en de toekenning.
Aandachtspunten Hieronder gaan wij puntsgewijs in op de door u geformuleerde aandachtspunten: Verordening Wmo - Hoofdstuk
2 artikel 3.1:
Uw vraag: betekent de term ‘vormvrij’ dat de inwoner zelf kan beslissen hoe die met de
gemeente communiceert? Ons antwoord: Vormvrij betekent dat de inwoner kan bepalen om de melding mondeling of schriftelijk te doen. Daarna volgt een schriftelijke bevestiging van de afspraak en wordt een afspraak gemaakt (artikel 3.2). - Hoofdstuk
2 artikel 3.2 en 3.5
Uw vraag: maak de term ‘zo spoedig mogelijk’ concreter. Ons antwoord: Het is vrijwel onmogelijk om de term zo spoedig mogelijk te concretiseren. U mag ervan uitgaan dat Team sociaal probeert zo snel als mogelijk een afspraak te maken. In spoedeisende gevallen is er sprake van hoge urgentie om een tijdelijke maatwerkvoorziening te treffen. - Hoofdstuk
2 artikel 3.3
Uw vraag: het overhandigen van het plan moet dat persoonlijk gebeuren of kan het ook (digitaal) opgestuurd worden? Ons antwoord: Het heeft de voorkeur dat de inwoner het persoonlijk plan persoonlijk te overhandigen. Op uitdrukkelijk verzoek van de inwoner kan het plan ook digitaal worden aangeleverd. Wanneer we het persoonlijk plan digitaal toesturen moeten we rekening houden met de privacy van de inwoner. Onder meer omdat het plan ook persoonlijke gegevens van de inwoner bevat. -
Hoofdstuk
7 artikel 6d.
Uw vraag: kunt u het verstrekken van de voorziening van verhuizing en inrichting concreter maken?
Ons antwoord: Het betreft hier hoofdstuk 3, artikel 7, lid 6d. Dit lid heeft betrekking op het niet verstrekken van een woonvoorziening. Lid 6d heeft voornamelijk betrekking op het niet verstrekken van een woonvoorziening wanneer er sprake is van voorzieningen in een gemeenschappelijke ruimte. Als het om andere voorzieningen gaat dan in de gemeenschappelijke ruimten dan kijkt Team sociaal naar welke beperking en mogelijkheden de inwoner heeft en zal dan een passende voorziening verhuizing en inrichting verstrekken. In de op te stellen beleidsregels zal uw vraag concreter worden uitgewerkt. - Hoofdstuk
7 artikel 12
Uw vraag: een voorziening in de vorm van een rolstoel is duidelijk, maar wat houdt een
sportvoorziening in? Ons antwoord: Het betreft hier hoofdstuk 3, artikel 12. Een sportvoorziening kan bijvoorbeeld een sportrolstoel zijn. Een sportrolstoel is een specifiek voor sportbeoefening ontwikkelde rolstoel. Zoals bijvoorbeeld een marathon- of sprintrolstoel, de basketbalrolstoel of een tennisrolstoel. Sportrolstoelen zijn meestal niet bruikbaar in een gewone Ieefsituatie. De verstrekking wordt afgestemd op het niveau van recreatiesport. De meerkosten van specifieke, duurdere sportvoorzieningen voor sportbeoefening op wedstrijdniveau komen voor rekening van de inwoner zelf.
- Hoofdstuk 7 artikel 24.5
Uw vraag: is de genoemde afstand van 25 kilometer vice versa? Ons
antwoord:
- Hoofdstuk
Het betreft hier inderdaad
25 kilometer enkele
reis.
7 artikel 25
Uw vraag: hierin staat dat er behalve een cliëntervaringsonderzoek er ook een evaluatie is met de aanbieders. Kan de Adviesraad deze evaluatie ontvangen? Ons antwoord: We hebben de uitkomsten van het cliëntervaringsonderzoek Wmo 2023 met u gedeeld. De evaluatie met de aanbieders heeft betrekking op de contractmanagementgesprekken met aanbieders. Deze gesprekken voeren de regionale contractmanagers met de gecontracteerde aanbieders. Het is niet gebruikelijk dat de gemeentelijke adviesraden de verslagen van deze gesprekken ontvangen. De reden hiervan is dat ook vertrouwelijke en bedrijfsgevoelige informatie wordt besproken. Die informatie kunnen we niet met u delen. - Hoofdstuk
7 artikel 28
Uw vraag: kan de Adviesraad de evaluatie van het college aan de gemeenteraad
ontvangen? Ons antwoord: Het college zal de evaluatie van beleid zoals bedoelt in artikel 28 delen
met de Adviesraad.
- Hoofdstuk
7 artikel 22
Uw vragen: - De vorm en waarde van blijk van waardering?
- De wijze waarop een mantelzorger in aanmerking kan komen? - Het aantal blijken van waardering? Ons antwoord: Het college is volgens artikel 22 van de Verordening verplicht om zorg te dragen voor een jaarlijkse blijk van waardering van de mantelzorgers in de gemeente West Betuwe. Het college werkt dit nader uit in de Beleidsregels. - Op basis van welke criteria kan het college nadere regels stellen over … Bij de toelichting op de Verordening Wmo - Bladzij 17 4e bullet Uw vraag: moet er ook niet worden opgenomen wat de kwaliteit is van de voorziening Ons antwoord: De kwaliteitseisen zullen volgens artikel 18 lid 2 van deze Verordening nader uitgewerkt worden in de op te stellen Beleidsregels. Verordening jeugdhulp
Op bladzijde 38 staat ‘overwegende dat het voorts wenselijk is te bepalen onder welke voorwaarden degene aan wij een persoonsgebonden budget wordt versterkt de van een persoon die behoort tot een sociaal netwerk’. Advies is om als gemeente voorzichtig te zijn met het definiëren van voorwaarden. Met de gedachte van het werken met Eigen Kracht/netwerk moet een gemeente blij zijn met deze beschikbaarheid.
Ons antwoord: Er lijken in uw vraag twee dingen door elkaar heen te lopen. Enerzijds de voorwaarden voor een pgb eigen netwerk (artikel 10,11, 12 en 13). De staan in de
Verordening genoemd. Anderzijds noemt u het werken met Eigen Kracht/netwerk. Dat staat los van het pgb eigen netwerk. Met Eigen Kracht wordt bedoeld dat inwoners daar gebruik
van maken als dat kan zodat er geen formele hulp nodig. De uitspraak van de Centrale Raad voor Beroep rondom Eigen Kracht/netwerk moet verplicht opgenomen worden in de Verordening Jeugdhulp en is als zodanig dan ook opgenomen.
Het college heeft verder de regels voor persoonsgebonden budget (verder pgb) op onderdelen moeten actualiseren. De Verordeningen vanaf 2019 en de daaropvolgende wijzigingsbesluiten bleken onvoldoende duidelijk te zijn. - Hoofdstuk
1 artikel 1h:
Uw vraag: de omschrijvingen ‘algemeen aanvaarde opvattingen’ en “in redelijkheid’ zijn twee heel vage omschrijvingen. Advies om concreter te zijn. Ons antwoord: Wij begrijpen uw punt over deze begripsbepaling over gebruikelijke hulp. Wij hebben een gangbaar begrip uit de jurisprudentie gebruikt en in de toelichting van de Verordening deze nog eens toegelicht: ‘Gebruikelijke hulp in het kader van de Jeugdwet is de hulp die naar algemeen aanvaarde opvattingen in redelijkheid mag worden verwacht van ouders en/of andere verzorgers en/of opvoeders. Onder ‘andere verzorgers of opvoeders’ kunnen ook pleegouders vallen. Jeugdhulp kan slechts ingezet worden voor de hulp die de gebruikelijke hulp te boven gaat. Dat is bepaald in deze verordening.
- Hoofdstuk 3 paragraaf 2 artikel 4.4 Uw vraag: de aanvraagperiode van max. 8 weken moet geen regel maar hooguit
uitzondering zijn. Advies is om de formulering te wijzigen in zoals geformuleerd in artikel 5-3: “de beslissing omtrent de inzet van hulp in dat geval zo snel mogelijk, doch in ieder geval binnen….. Als u de termijn in het vorige punt aanpast kan ook de tijdsduur in artikel 5-5 worden aangepast. Ons antwoord: Wij volgen hier de termijn van de Algemene wet bestuursrecht (Awb artikel 4:13, lid 2). Dat geeft de inwoners rechtszekerheid omdat duidelijk is dat een aanvraag maximaal 8 weken in beslag kan nemen. Er is nadrukkelijk gekozen voor maximaal 8 weken. Bij enkelvoudige hulpvragen kunnen we, indien mogelijk, eerder beslissen. Een en ander hebben wij ook toegelicht in de beantwoording van uw eerste aanbeveling. Wij nemen uw suggestie om dit aan te passen niet over.
- Hoofdstuk 3 Paragraaf 3 artikel 8-2d: Uw vraag: de hier gestelde omschrijving dat het college nadere regels kan stellen tot verder uitwerking van criteria genoemd in lid 1 en 2. Dat maakt het voor de ouders of het kind niet transparanter op.
Ons antwoord: Het college kiest ervoor duidelijkheid te geven bij toekenning van een individuele voorziening. Het is wettelijk verplicht om de criteria voor het verstrekken van een individuele voorziening op te nemen in de verordening (artikel 8). Belangrijk is dat er alvorens aanspraak gemaakt wordt op een individuele voorziening, conform artikel 9 van deze Verordening geprobeerd is alle andere mogelijkheden zoals de gebruikelijke hulp van
ouder(s) en/of andere verzorger(s) of opvoeder(s), boven gebruikelijke hulp, ondersteuning van het netwerk, gebruik maken van collectieve of algemene voorzieningen en de aanspraak op de zorgverzekeringswet, te benutten voordat een individuele voorziening verstrekt wordt. - Hoofdstuk 3 Paragraaf 3 artikel 9-2 Uw vraag: advies is om de term ‘verplicht’ te wijzigen in ‘verantwoordelijk'. De Adviesraad vindt dit een positievere benadering. Het lijkt ons voor de ouders van belang wanneer er een beroep op hen wordt gedaan. Ons antwoord: Helaas moeten we deze vraag technisch beantwoorden omdat deze wet- en regelgeving volgt uit bovenliggende wetgeving. Wij hopen dat deze toelichting een antwoord
geeft op de door u gestelde vraag hierover. Het college volgt daarbij de geldende wet- en regelgeving waarbij ouder(s)/verzorger(s) een zorgplicht hebben ten aanzien van hun kinderen.
De Jeugdwet heeft het doel de eigen kracht van de jeugdige en van het zorgend en probleemoplossend vermogen van diens gezin en sociale omgeving te versterken. Hierbij past een actieve rol van de ouders en de jeugdige om in eerste instantie te trachten de op hun weg komende problemen zelf of met behulp van hun eigen netwerk op lossen Deze
uitgangspunten zijn (ook) in artikel 2.1 van de Jeugdwet verankerd; de verantwoordelijkheid voor het gezond en veilig opgroeien van jeugdigen ligt allereerst bij de ouders en de jeugdige
zelf en er moet worden uitgegaan van de eigen kracht van de jeugdige, zijn ouder(s) en het sociale
netwerk.
Het college weegt bij het onderzoek mee dat ouders naast het recht ook een plicht hebben om hun minderjarig kind te verzorgen en op te voeden (art. 1:247 van het Burgerlijk Wetboek) en de kosten van die verzorging en opvoeding te dragen (art. 1:82 Burgerlijk Wetboek). Dit geldt ook als sprake is van een minderjarig kind met een ziekte, aandoening of beperking. De zorgplicht van ouder(s) strekt zich in ieder geval uit over: verzorging, toezicht, begeleiding
en opvoeding die een ouder(s) normaal gesproken geeft aan het kind passend bij de leeftijd en/of het ontwikkelingsniveau van het kind. Dat betekent ook dat als één van de ouders uitvalt, de andere ouder dit overneemt. Verder behoren ouders hun kinderen een passend
Ieefklimaat te bieden in een veilige en stimulerende opvoedomgeving. De zorgplicht van ouders voor kinderen draagt bij aan het gezond en veilig kunnen opgroeien, het groeien naar zelfstandigheid en het voldoende zelfredzaam worden en maatschappelijk kunnen
participeren. Ondanks dat de Adviesraad hier een goed punt heeft nemen wij uw advies om dit aan te passen niet over. - Hoofdstuk 3 Paragraaf 4 Uw vraag: de in artikel 10-3 en 10-4 gebruikte ‘aanvullende criteria PGB’ en de in artikel 11-2 en 3 ‘regels voor PGB' komen erg gelijkluidend over. Ons antwoord: Wij kunnen ons deze opmerking goed voorstellen. In artikel 10 lid 3 en lid 4 wordt gesproken over het budgetplan als voorwaarde om in aanmerking te komen voor een
persoonsgebonden budget (pgb). In deze twee artikelen staat welke kosten niet gefinancierd mogen worden vanuit een pgb en een uitsluitingsgrond dat personen uit het sociaal netwerk middels een pgb de begeleiding kunnen geven maar niet als het een ggz-behandeling betreft. In artikel 11 zijn de algemene regels voor een pgb opgenomen. In lid 3 is het van belang dat duidelijk is welke kosten niet uit een pgb gefinancierd kunnen worden. In lid 4 is het uitgesloten dat een ouder/verzorger een pgb ontvangt waarbij de ouder tevens optreedt als hulpverlener. Zie ook de beantwoording van uw vraag op Hoofdstuk 3 Paragraaf 3 artikel 9-2.
Ter verduidelijking hebben wij de regels omtrent een pgb opgesplitst in artikel 10, criteria en artikel 11 de algemene regels. Aanpassing verordening Bij nadere bestudering blijkt dat wij in de concept verordening onderdeel Jeugdhulp bij artikel
12 ook lid 6 abusievelijk hebben opgenomen. Dit is niet van toepassing op Jeugdhulp. Wij verwijderen artikel 12 lid 6 in de definitieve versie. Het college wil de Adviesraad nogmaals danken voor zijn reactie op de Verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp West Betuwe 2025. Wij leggen de concept verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp West Betuwe 2025 met inachtneming van uw advies ter besluitvorming voor aan de gemeenteraad.
We verwachten dat de gemeenteraad een besluit neemt over de verordening maatschappelijke ondersteuning en jeugdhulp West Betuwe 2025 op 17 december 2024. Wij hopen u hiermee voldoende te hebben geïnformeerd. Met vriendelijke groet, Burgemeester en wethouders van gemeente West Betuwe