RV2024-109-Bijlage-3-Planregels-Uilenburgsestraat-31B.pdf
Tekst van het document
4.2.4 Vergunningvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. De verplichting tot het verrichten van opgraving; c. De verplichting de activiteit die tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
4.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 4.3.1 Werken en werkzaamheden Binnen de bestemming 'Waarde - Archeologie 3' is voor de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, of werkzaamheden een omgevingsvergunning van burgemeester en wethouders nodig: a. het afgraven, saneren, ontgronden, onderzuigen, verlagen, afplaggen, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en/of anderszins ingrijpend wijzigen van de bodemstructuur; b. het aanleggen, verbreden en verwijderen van verhardingen; c. het ophogen van de bodem met meer dan 1 meter; d. het graven of vergraven, verruimen, verdiepen of dempen van watergangen en waterpartijen; e. het frezen en scheuren van grasland; f. het aanbrengen van diepwortelende beplantingen waaronder begrepen bos, boomgaard, zacht-fruitopstand, (boom)kwekerij en windsingel; g. het rooien van diepwortelende beplantingen zoals vermeld onder f. waarbij de stobben worden verwijderd; h. het aanleggen van drainage; i. het aanleggen of verwijderen van ondergrondse transport-, energie- of telecommunicatieleidingen en daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur; j. het uitvoeren van heiwerkzaamheden, het aanbrengen van verticale grondkeringen of het op een of andere wijze indrijven van objecten in de bodem; k.
het uitvoeren van werkzaamheden ter verhoging of verlaging van de grondwaterstand; l. het verwijderen van bestaande ondergrondse fundamenten, verticale grondkeringen en het verwijderen en/of uittrekken van funderingspalen; m. het zoeken naar delfstoffen in de vorm van seismisch onderzoek of exploratieonderzoek. 4.3.2
Uitzonderingen 1. een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 4.3.1 is niet vereist voor werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden indien deze: a. worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop artikel 4.2.2 van toepassing is; b. tot een diepte van 30 centimeter onder het bestaande maaiveld gaan; c. in aanvulling op het bepaalde onder b, geen grotere oppervlakte dan 500 vierkante meter betreft; d. reeds legaal in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van het geldende archeologische bestemmingsplan; e. worden uitgevoerd in het kader van het normale beheer en onderhoud. Hieronder vallen: 1. onderhouds- en vervangingswerkzaamheden van bestaande bestratingen en beplantingen; 2. de aanleg van nieuwe en de vervanging van bestaande kabels en leidingen binnen bestaande kabels- en leidingtracés waarbij de omvang en diepte ongewijzigd blijft; 24
3. het vervangen van bestaande boomgaarden door nieuwe boomgaarden met gebruikmaking van dezelfde plantgaten of bomenrij. f. Mogen worden uitgevoerd volgens een verleende omgevingsvergunning of een ontgrondingvergunning; g. Voor archeologisch onderzoek worden uitgevoerd; h. Betrekking hebben op gronden waarvan op basis van een namens bevoegd gezag getoetst en geaccepteerd ingediend onderzoeksrapport: 1. Is aangetoond dat er zich geen archeologische waarden (meer) bevinden; of 2. Is aangetoond dat de archeologische waarden van gronden, die kunnen worden verstoord, naar het oordeel van het bevoegd gezag, in voldoende mate zijn vastgesteld. 2. Een onderzoeksrapport zoals genoemd in art. 4.3.2 lid 1 onder h hoeft niet te worden overlegd wanneer: a. Naar het oordeel van de archeologisch deskundige de archeologische waarden van de gronden al afdoende zijn vastgelegd in andere archeologische informatie; b. Uit een schriftelijk advies van de archeologisch deskundig blijkt dat de archeologische waarden niet of niet onevenredig geschaad zullen worden door het werk of de werkzaamheden.
4.3.3 Aanvraagvereisten Voor het bouwen overeenkomstig de regels voor de andere op deze gronden voorkomende bestemmingen is de aanvrager van een omgevingsvergunning verplicht ten behoeve van in artikel 4.1 genoemde bestemming en met inachtneming van het in artikelen 4.3.1 en 4.3.2 gestelde een of meerdere (funderings-)tekeningen te overleggen waaruit blijkt welke omvang (in breedte, diepte, lengte en/of hoogte) de ingrepen en verstoringen zullen hebben. 4.3.4 Beoordelingsregels Een omgevingsvergunning voor het bouwen in of op de onder artikel 4.1 genoemde bestemming wordt alleen verleend als: a. Uit het bij de aanvraag gevoegde archeologisch onderzoeksrapport blijkt dat er op de locatie van de bouwactiviteit geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; of b. De archeologische waarden naar het oordeel van het bevoegd gezag niet of niet onevenredig wordt geschaad; of c. De archeologische waarden kunnen worden behouden door aan de omgevingsvergunning voorschriften te verbinden. 4.3.5 Vergunningvoorschriften Burgemeester en wethouders kunnen aan de omgevingsvergunning een of meerdere van de volgende voorwaarden verbinden: a. De verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor de archeologische waarden in de bodem kunnen worden behouden; b. De verplichting tot het verrichten van opgravingen; c.
De verplichting de activiteit tot een bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een archeologisch deskundige.
4.3.6 Wijzigingsbevoegdheid
25
Burgemeester en wethouders zijn bevoegd betreffende de dubbelbestemming ‘Waarde – Archeologie 3’: a. Te wijzigen in een andere in dit bestemmingsplan opgenomen archeologische bestemming indien dit op basis van de uitkomsten van nader uitgevoerd archeologisch onderzoek of naar oordeel van de archeologisch deskundige noodzakelijk is; of b. Geheel of gedeeltelijk te verwijderen indien uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat: 1. Ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn; 2. Het niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.
ARTIKEL 5 – LEIDING – HOOGSPANNINGSVERBINDING 5.1 Bestemmingsomschrijving De voor 'Leiding - Hoogspanningsverbinding' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de aanleg, de instandhouding en bescherming van 26
bovengrondse hoofdtransportleidingen, met een strook van 25 m ter weerszijden van de aangeduide 'hartlijn leiding - hoogspanningsverbinding'
5.2 Bouwregels Binnen deze dubbelbestemming mogen gebouwen en bouwwerken geen gebouwen zijnde, zoals hoogspanningsmasten, ten behoeve van deze dubbelbestemming worden gebouwd. Voor de hoogspanningsmasten geldt dat de maximale hoogte niet meer mag bedragen dan 30m.
5.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden 5.3.1 Omgevingsvergunning Het is verbonden zonder of in afwijking van een omgevingsvergunning de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren: n. Het aanbrengen van hoogopgaande beplanting of bomen; o. Het aanbrengen van bovengrondse constructies, installaties of apparatuur hoger dan 5m; p. Het opslaan van materialen of stoffen, die onder bepaalde omstandigheden gevaar van brand of explosie kunnen leveren; q. Het veranderen van het huidige maaiveldniveau door ontginnen, bodem verlagen, egaliseren, afgraven of ophogen. 5.3.2 Uitzonderingen Het in lid 5.3.1 vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke: b. Noodzakelijk zijn voor het uitvoeren van een bouwplan, waarvoor op grond van lid 5.2 een vergunning is verleend; c. Het normale onderhouden betreffen overeenkomstig de overige bestemming van deze gronden, dan wel van ondergeschikte betekenis zijn; d. Reeds in uitvoering zijn, dan welk krachtens een verleende vergunning reeds mogen worden uitgevoerd op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan. 5.3.3
Toelaatbaarheid 3. De in 5.3.1 genoemde omgevingsvergunning kan slechts worden verleend, indien het behoud van een veilige ligging in de continuïteit van de hoogspanningsverbinding zijn gewaarborgd. 4. Het bevoegd gezag dient schriftelijke advies te hebben ingewonnen bij de betreffende beheerder van de hoogspanningsverbinding.
ARTIKEL 6 – OVERIGE ZONE – OEVERWAL-STROOMRUG Ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – oeverwal-stroomrug’ zijn de gronden, naast de voor die gronden aangewezen bestemmingen, tevens bestemd voor het behoud, herstel en ontwikkeling van de aanwezige landschappelijke elementen van de rivieroeverwallen en stroomruggen.
27
HOOFDSTUK 3 ALGEMENE REGELS ARTIKEL 7 ANTI-DUBBELTELREGEL Grond die eenmaal in aanmerking is genomen bij het toestaan van een bouwplan waaraan uitvoering is gegeven of alsnog kan worden gegeven, blijft bij de beoordeling van latere bouwplannen buiten beschouwing.
ARTIKEL 8 ALGEMENE BOUWREGELS 8.1 Maatvoering In die gevallen dat de goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte en/of de afstand tot enige aanduiding van bouwwerken, die in overeenstemming met het bepaalde in de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht tot stand zijn gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan minder dan wel meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt die goothoogte, bouwhoogte, oppervlakte, inhoud, horizontale dan wel verticale diepte en/of afstand in afwijking daarvan als minimaal respectievelijk maximaal toegestaan.
8.2 Bebouwingspercentages In die gevallen dat een bebouwingspercentage, dat in overeenstemming met een verleende vergunning tot stand is gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedraagt dan in de bouwregels in hoofdstuk 2 van deze regels zijn voorgeschreven, geldt dat bebouwingspercentage in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
ARTIKEL 9 ALGEMENE GEBRUIKSREGELS 9.1 Algemene gebruiksregels In die gevallen dat het bestaande gebruik, dat in overeenstemming met een verleende vergunning tot stand is gekomen, op het tijdstip van terinzagelegging van het ontwerp van het plan meer bedraagt dan in de gebruiksregels in hoofdstuk 2 van deze regels is voorgeschreven respectievelijk toegestaan, geldt dat gebruik in afwijking daarvan als maximaal toegestaan.
9.2 Strijdig gebruik Onder strijdig gebruik wordt in ieder geval verstaan: a. gebruik van gronden, gebouwen, bouwwerken en onderkomens ten behoeve van een seksinrichting en/of escortbedrijf, raamprostitutie en straatprostitutie; b. het gebruik van bijgebouwen bij een woning als zelfstandige woningen en als afhankelijke woonruimte; c. het gebruiken, laten gebruiken of in gebruik geven van gronden en bebouwing als opslag- of bergplaats van gebruikte, afgedankte c.q. aan de oorspronkelijke bestemming onttrokken goederen, voorwerpen of materialen, behoudens voor zover noodzakelijk in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; d. het gebruiken, laten gebruiken of in gebruik geven van gronden voor het storten of lozen van vaste of vloeibare afvalstoffen, behoudens voor zover dat noodzakelijk in verband met het op de bestemming gerichte gebruik van de grond; e. het gebruiken van gebouwen ten behoeve van de huisvesting van de verzorgers van paarden;
f.
evenementen tenzij uitdrukkelijk toegestaan.
ARTIKEL 10 ALGEMENE AFWIJKINGSREGELS 10.1 Algemene afwijkingen Het bevoegd gezag kan een omgevingsvergunning verlenen voor het afwijken:
28
a. Van de in deze regels gegeven maten, afmetingen en percentages, met uitzondering van de inhoud van een (bedrijfs)woning, tot niet meer dan 10% van die maten, afmetingen en percentages. b. Van deze regels en toestaan dat de afstand van gebouwen tot de as van de weg niet minder mag bedragen dan 10 m, met dien verstande dat: 1. de afwijking stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is; 2. er geen onevenredige hinder ontstaat voor omliggende functies. c. Van deze regels en toestaan dat de afstand van gebouwen tot de perceelsgrens met derden niet minder mag bedragen dan 2 m, met dien verstande dat: 1. de afwijking stedenbouwkundig en landschappelijk aanvaardbaar is; 2. er geen onevenredige hinder ontstaat voor omliggende functies. d. Van deze regels en toestaan dat het beloop of het profiel van wegen of de aansluiting van wegen onderling in geringe mate wordt aangepast, indien de verkeersveiligheid en/of – intensiteit daartoe aanleiding geeft. e. Van deze regels en toestaan dat het bouwvlak in geringe mate wordt overschreden, indien een meetverschil daartoe aanleiding geeft. f. Van deze regels ten behoeve van de overschrijding van de voorgevellijn of voorgevelrooilijn voor de bouw van een luifel aan de voorgevel van een hoofdgebouw, geen woning zijnde, met dien verstande dat: 1. de overschrijding van de voorgevellijn of voorgevelrooilijn niet meer mag bedragen dan 2 m; 2.
de bouwhoogte van de luifel niet meer mag bedragen dan de eerste bouwlaag van het hoofdgebouw; 3. er geen bezwaren bestaan vanuit het oogpunt van verkeersveiligheid. g. Van deze regels en toestaan dat openbare nutsgebouwtjes, wachthuisjes ten behoeve van het openbaar vervoer, telefooncellen, gebouwtjes ten behoeve van de bediening van kunstwerken, toiletgebouwtjes, en naar aard daarmee gelijk te stellen gebouwtjes worden gebouwd, met dien verstande dat: 1. de inhoud per gebouwtje niet meer dan 50 m3 mag bedragen; 2. de bouwhoogte niet meer dan 3,5 m mag bedragen; h. Van deze regels ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, en toestaan dat de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, wordt vergroot: 1. ten behoeve van kunstwerken, geen gebouwen zijnde, tot niet meer dan 40 m; 2. ten behoeve van waarschuwings- en/of communicatiemasten tot niet meer dan 50 m; 3. ten behoeve van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde, tot niet meer dan 10 m; i. Van deze regels ten aanzien van de maximaal toegestane bouwhoogte van gebouwen ten behoeve van een overschrijding van deze maximaal toegestane bouwhoogte voor plaatselijke verhogingen, zoals schoorstenen, luchtkokers, liftkokers, lichtkappen en technische ruimten, met dien verstande dat: 1.
de maximale oppervlakte van de vergroting niet meer mag bedragen dan 10% van het betreffende platte dakvlak of de horizontale projectie van het schuine dakvlak; 2. de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan 1,25 maal de maximaal toegestane bouwhoogte van het betreffende gebouw.
ARTIKEL 11 ALGEMENE WIJZIGINGSREGELS 11.1 Wijzigen Waarde - Archeologie 1/2/3/4 Burgemeester en wethouders zijn bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen door:
29
b. de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde - Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3' of 'Waarde - Archeologie 4' geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen archeologische waarden (meer) aanwezig zijn; c. aan gronden alsnog de dubbelbestemmingen 'Waarde - Archeologie 1', 'Waarde Archeologie 2', 'Waarde - Archeologie 3' of 'Waarde - Archeologie 4' toe te kennen indien uit aanvullend en/of definitief archeologisch onderzoek blijkt dat de begrenzing van de gronden met deze medebestemming, gelet op ter plaatse aanwezige archeologische waarden, aanpassing behoeft.
11.2 Wijziging naar de bestemming Bos, Natuur en/of Water Burgemeester en wethouders zijn bevoegd de gronden binnen dit bestemmingsplan te wijzigen in de bestemming 'Bos', 'Natuur' en / of 'Water' ten behoeve van behoud en / of ontwikkeling van bos, natuur en / of water, waarbij moet worden voldaan aan de volgende voorwaarden: a. De wijziging mag uitsluitend plaatsvinden voor de realisatie van waterberging, de ecologische hoofdstructuur, ecologische verbindingszones en / of landschappelijk raamwerk ten behoeve van bos- natuur- of landschapscompensatie aansluitend aan deze zones. b. De wijziging pas plaatsvindt nadat aankoop / overdracht in voldoende mater is verzekerd of al heeft plaatsgevonden. c. De wijziging is uitsluitend toegestaan als de aanwezige gebiedswaarden niet onevenredig worden aangetast.
ARTIKEL 12 OVERIGE REGELS 12.1 Verwijzing naar andere wettelijke regelingen Waar in dit plan wordt verwezen naar andere wettelijke regelingen, wordt geduid op de regelingen zoals die luidden op het tijdstip van de terinzagelegging van het ontwerp van het bestemmingsplan.
12.2 Van toepassing verklaring Het bestemmingsplan de Uilenburgsestraat 31b te Ophemert met identificatienummer NL.IMRO.1960.BUIUilenburgses31b-ONT1, welke alsdan wordt vastgesteld door de gemeenteraad van de Gemeente West Betuwe. Op de verbeelding zijn de volgende bestemmingen en aanduidingen opgenomen: • •
• • • •
Enkelbestemming o Agrarisch Functieaanduiding o Specifieke vorm van agrarisch – teelt van bessen, aardbeien en noten o Specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen Dubbelbestemming o Leiding - Hoogspanningsverbinding Bouwvlak Waarde – Archeologie 4 Gebiedsaanduiding o Overige zone – oeverwal-stroomrug
Ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan vinden de volgende veranderingen plaats: 30
• • • •
Verwijderen functieaanduidingen ‘Glastuinbouw’ en ‘specifieke vorm van agrarisch – teeltondersteunende voorzieningen’ Het vergroten van het bouwvlak met circa 4.000 m2 Toevoegen van functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – specifieke vorm van agrarisch – teelt van bessen, aardbeien en noten’ ter plekke van het uitgebreide bouwvlak Toevoegen van functieaanduiding ‘specifieke vorm van agrarisch – ‘teelttafels’ op perceel aansluitend op het bouwvlak en perceel aan de overzijde.
HOOFDSTUK 4 OVERGANGS- EN SLOTREGELS ARTIKEL 13 OVERGANGSRECHT 13.1 Overgangsrecht bouwwerken a. Een bouwwerk dat op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan aanwezig of in uitvoering is, dan wel gebouwd kan worden krachtens een omgevingsvergunning voor het bouwen, en afwijkt van het plan, mag, mits deze afwijking naar aard en omvang niet wordt vergroot, 1. gedeeltelijk worden vernieuwd of veranderd; 2. na het teniet gaan ten gevolge van een calamiteit geheel worden vernieuwd of veranderd, mits de aanvraag van de omgevingsvergunning voor het bouwen wordt gedaan binnen twee jaar na de dag waarop het bouwwerk is teniet gegaan. b. Het bevoegd gezag kan eenmalig in afwijking van het bepaalde onder a een omgevingsvergunning verlenen voor het vergroten van de inhoud van een bouwwerk als bedoeld in het bepaalde onder a met maximaal 10%.
c.
Het bepaalde onder a is niet van toepassing op bouwwerken die weliswaar bestaan op het tijdstip van inwerkingtreding van het plan, maar zijn gebouwd zonder vergunning en in strijd met het daarvoor geldende plan, daaronder begrepen de overgangsbepaling van dat plan.
13.2 Overgangsrecht gebruik a. Het gebruik van grond en bouwwerken dat bestond op het tijdstip van inwerkingtreding van het bestemmingsplan en hiermee in strijd is, mag worden voortgezet. b. Het is verboden het met het bestemmingsplan strijdige gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, te veranderen of te laten veranderen in een ander met dat plan strijdig gebruik, tenzij door deze verandering de afwijking naar aard en omvang wordt verkleind. c. Indien het gebruik, bedoeld in het bepaalde onder a, na het tijdstip van inwerkingtreding van het plan voor een periode langer dan een jaar wordt onderbroken, is het verboden dit gebruik daarna te hervatten of te laten hervatten. d. Het bepaalde onder a is niet van toepassing op het gebruik dat reeds in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan, daaronder begrepen de overgangsbepalingen van dat plan.
ARTIKEL 14 SLOTREGEL Deze regels worden aangehaald als: Regels van het bestemmingsplan “Uilenburgsestraat 31B, Ophemert”. 31
32