CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2024-072-bijlage-9-Quickscan-flora-en-fauna.pdf

Gemeenteraad 2 juli 2024, gemeente West BetuweBij agendapunt: 10: Vaststellen bestemmingsplan Leijenburgplein 1, Heukelum6.367 woorden

Open het PDF bij de gemeente ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

GEMEENTE WEST-BETUWE T.a.v. dhr. J. H. Pos Kuipershof 2 4191 KH Geldermalsen

Datum

11 januari 2021

Kenmerk

BE/2021/956/r

Uw kenmerk

Email d.d. 23 december 2020

Auteur(s)

ir. M. Poelman

Collegiale toets

ir. ing. K.J. Rebergen

Quickscan Wet natuurbescherming Leyenburgplein 1 & 2 te Heukelum Aan de Leyenburgplein 1 & 2 te Heukelum is een perceel gesitueerd met de bebouwing van voormalige basisschool ‘’De Wegwijzer’’ en een gymzaal. Tevens zijn er twee kleine schuren aanwezig. Ten noorden van de basisschool ligt een speelplaats met een zandbak en twee speeltoestellen. Rondom de bebouwing zijn gras, hagen, struikgewas en diverse bomen aanwezig. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren ten behoeve van diverse grondgebonden woningen en appartementen. Onder de appartementen komt een medisch centrum. Het bestemmingsplan voorziet niet in de beoogde ontwikkeling en dient derhalve te worden gewijzigd. De beoogde ontwikkeling heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna (soortenbescherming), beschermde natuurgebieden (gebiedsbescherming) en/of beschermde houtopstanden. Ten behoeve van de beoogde ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijke effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggend ecologisch oriënterend onderzoek is de (potentiële) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van de planlocatie voor deze soorten in kaart gebracht. De gemeente West-Betuwe heeft Blom Ecologie B.V.

verzocht de planlocatie te onderzoeken op aanwezigheid van beschermde flora en fauna en deze vervolgens te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en het geldende bestemmingsplan. Onderzoeksdoelen Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: • Is het bestemmingsplan dat wordt opgesteld voor het project zoals hiervoor omschreven uitvoerbaar zoals het bepaalde in de Wro (art. 3.1.6 Bro)? • Welke, krachtens de Wet natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig op de planlocatie? • Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de beoogde ruimtelijke ingreep? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op het de instandhoudingsdoelen van Natura 2000-gebieden of de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk of een Groene Ontwikkelingszone? • Heeft de beoogde ruimtelijke ingreep een negatief effect op houtopstanden die middels de Wet natuurbescherming zijn beschermd? • Dienen er vervolgstappen in het kader van de Wet natuurbescherming te worden genomen, en zo ja, welke?

Planlocatie De planlocatie is gelegen aan de Leyenburgplein 1 & 2 te Heukelum (figuur 1). Het betreft een perceel met de bebouwing van voormalige basisschool ‘’De Wegwijzer’’ en een gymzaal. Tevens zijn er twee kleine schuren aanwezig. Ten noorden van de basisschool ligt een speelplaats met een zandbak en twee speeltoestellen. Rondom de bebouwing zijn gras, hagen, struikgewas en diverse bomen aanwezig. Hieronder volgt een omschrijving van de diverse gebouwen. In figuur 2 en bijlage 1 zijn een aantal foto’s opgenomen die een impressie geven van de diverse gebouwen op de planlocatie en de directe omgeving hiervan. Gebouw A: Een voormalige basisschool opgetrokken uit gemetselde muren met spouw. Aan de bovenkant van de meeste gevels is houten betimmering aanwezig. Het heeft een plat dak bedekt met bitumen. Gebouw B: Een kleine schuur opgetrokken uit stenen muren en een plat dak bedekt met bitumen. Gebouw C: Een kleine schuur opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en plat dak bedekt met bitumen. Er is tevens een open kap gedeelte aanwezig met een metalen steunbalk en een houten overkapping. Gebouw D: Een gymzaal opgetrokken uit gemetselde muren met spouw. Delen van de gevels zijn bedekt met damwandplaten. Het heeft een plat dak bedekt met bitumen.

De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door de bebouwde kom van Heukelum omringd door agrarische velden en de rivier De Linge ten noorden op circa 230 m. De N848 ligt op circa 1,1 km ten oosten. Ten westen zijn twee waterlichamen gelegen en daar voorbij op circa 1,5 km ligt wederom De Linge.

C

B A

D

Figuur 1

2

De planlocatie (rood omkaderd) is gelegen aan de Leyenburgplein 1 & 2 te Heukelum (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

A

B

C

D

Figuur 2

Fotografische indruk van de diverse gebouwen op de planlocatie en de directe omgeving hiervan.

Functieverandering en effecten De beoogde ingrepen zijn permanent van karakter. De beoogde ontwikkeling betreft de sanering van de bebouwing van de voormalige basisschool ‘’De Wegwijzer’’, de gymzaal en de twee kleine schuren. Tevens worden diverse grondgebonden woningen en een appartementencomplex met daaronder een medisch centrum gerealiseerd. Er worden enkele bomen gekapt. De functie van het perceel dient te wijzigen. Onderstaand volgt een korte opsomming van de ingrepen en effecten: • • • • • •

3

saneren van de bestaande bebouwing: algemene sloopwerkzaamheden en afvoer sloopmateriaal; kappen van enkele bomen: kapwerkzaamheden en afvoer hout; verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen: graafwerkzaamheden, transport (afvoer) van materiaal en groen; egaliseren terrein: graafwerkzaamheden en grondtransport; realisatie nieuwbouw: algemene bouwwerkzaamheden; revitalisatie terrein en aanleg verharding: allerhande (straat- en hoveniers) werkzaamheden.

Figuur 3 Visuele representatie van de beoogde situatie (bron: Elias stedenbouw).

Methode Dit oriënterend onderzoek verkent alle relevante vakgebieden met betrekking tot de Wet natuurbescherming. Hierbij wordt een beoordeling gegeven van de aanwezigheid van specifieke potentie voor beschermde flora en fauna op de planlocatie, de betekenis van de planlocatie voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. Dit onderzoek bestaat uit een veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige flora en fauna. Tijdens het veldbezoek is de planlocatie nauwkeurig onderzocht, waarbij ook gelet werd op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 4-1-2021 en is uitgevoerd door ir. M. Poelman. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; lichte regen, 8/8 bewolkt, 4 Celsius en windkracht 1-2 (Bft). Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een planlocatie en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door de Nationale Database Flora en Fauna (NDFF). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en biedt daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.

Wet natuurbescherming Per 1 januari 2017 zijn drie voormalige wetten; de Flora- en faunawet samen met de Boswet en de Natuurbeschermingswet 1998, vervangen door de Wet natuurbescherming (Wnb). Bevoegdheden zijn met het ingaan van deze wet overgedragen van het rijk naar de provincie. Algemene zorgplicht In de Algemene zorgplicht (art. 1.11) wordt voorgeschreven dat nadelige gevolgen voor flora en fauna voorkomen moet worden. Het uitgangspunt van de Algemene zorgplicht is dat het doden, verwonden, verontrusten of beschadigen van flora en fauna wordt vermeden. Deze zorgplicht geldt voor iedereen.

4

(a) Soortenbescherming De soortenbescherming is opgedeeld in de volgende beschermingsregimes: Vogelrichtlijnsoorten (art. 3.1), Habitatrichtlijnsoorten (art. 3.5) en Andere soorten (art. 3.10). Hierin worden ook rust- en voortplantingsverblijfplaatsen en het functioneel leefgebied beschermd. Bij negatieve effecten op soorten in de specifieke soortenbescherming geldt een ontheffingsplicht. Van de verboden als bedoeld in Andere soorten art. 3.10 eerste lid kan door bevoegd gezag vrijstelling verleend worden voor het opzettelijk doden of vangen van individuen en voor het opzettelijk beschadigen of vernielen van vaste voortplantingsplaatsen of rustplaatsen voor bepaalde soorten. In de omgevingsverordening Ruimte van de provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland. Aardmuis

Gewone bosspitsmuis

Ondergrondse woelmuis

Bastaardkikker

Gewone pad

Ree

Bosmuis

Haas

Rosse woelmuis

Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis

Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn

Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos

Egel

Meerkikker

Woelrat

(b) Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000gebieden en het Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000-gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. (c) Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaand melding te doen bij gedeputeerde staten.

Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden. Het vellen van houtopstanden is niet meldingsplichtig in het kader van de Wnb als het één van de volgende typen houtopstanden betreft: a) houtopstanden binnen de bij besluit van de gemeenteraad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom; b) houtopstanden op erven of in tuinen; c) fruitbomen en windschermen om boomgaarden; d) naaldbomen, kennelijk bedoeld om te dienen als kerstbomen, indien niet ouder dan twintig jaar; e) kweekgoed; f) uit populieren of wilgen bestaande: (1) wegbeplantingen, (2) beplantingen langs waterwegen en/of (3) éénrijige beplantingen langs landbouwgronden; g) het dunnen van een houtopstand;

h)

5

i) uit populieren, wilgen, essen of elzen bestaande beplantingen die kennelijk zijn bedoeld voor de productie van houtige biomassa, indien zij: (1) ten minste eens per tien jaar worden geoogst, (2) bestaan uit minstens tienduizend stoven per hectare per beplantingseenheid, zijnde een aaneengesloten beplanting die niet wordt doorsneden door onbeplante stroken breder dan twee meter, en (3) zijn aangelegd na 1 januari 2013.

Beoordeling (a) soortenbescherming Op basis van het veldbezoek en de bureaustudie wordt per soortgroep besproken wat de potentie van de planlocatie en de directe omgeving daarvan voor het voorkomen van soorten is, en welke effecten daarop te verwachten zijn ten gevolge van de beoogde ontwikkeling. Voor een aantal van de nationaal beschermde soorten (beschermingsregime ‘Andere soorten’) geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie soortenbescherming). In de voorliggende beoordeling is specifiek gelet op de potentiële aanwezigheid van beschermde soorten waarvoor geen vrijstelling geldt c.q. soorten waarvoor een ontheffingsplicht noodzakelijk is. Vaatplanten Binnen een straal van circa 2 km van de planlocatie is het voorkomen van beschermde vaatplanten niet bekend (NDFF 2010-2020). De planlocatie is voor een groot deel bebouwd of verhard. Op de muren van de bebouwing is geen (beschermde) muurvegetatie aangetroffen. Op de onverharde delen is voornamelijk gras of zand (op de speelplaats) aanwezig. Op overige delen is slechts sprake van inheemse of aangeplante vaatplanten zonder beschermde status. Enkele waargenomen soorten betreffen: buxus, gewone braam, gewone es, gewone esdoorn, hulst, klimop, laurierkers, madeliefje, paardenkastanje, plataan, reigersbek, ruwe berk, en sneeuwbes. De aanwezigheid van gewone braam duidt op een hoge stikstof concentratie.

Dit is ongunstig voor het gros van de beschermde soorten. De beoogde ontwikkeling leidt niet tot aantasting van beschermde en/of kwetsbare vegetatie. Beschermde planten stellen over het algemeen specifieke eisen aan hun milieu, zoals kalkhoudende schrale grond of stikstofarme blauwe graslanden. Hier is geen sprake van op de planlocatie. Gelet op de functie, ligging en het gebruik van het perceel in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan niet verwacht. Daarnaast zijn beschermde planten niet aangetroffen gedurende het veldbezoek, waarmee negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten derhalve kunnen worden uitgesloten. Grondgebonden zoogdieren Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende zoogdieren: bever, bosmuis, bruine rat, bunzing, egel, haar, hermelijn, huisspitsmuis, konijn, mol, ree, veldmuis, vos, wezel, wild zwijn en woelrat (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: bever, bunzing, hermelijn, wezel en wild zwijn. Bevers leven in het overgangsgebied tussen water en land, zoals in moerassen, langs beken, rivieren, meren en kanalen. Dit habitat is niet aanwezig op de planlocatie of binnen de invloedssfeer daarvan.

Negatieve effecten op de bever zijn uitgesloten. Kleine marterachtigen (bunzing, hermelijn en wezel) leven voornamelijk in structuurrijke kleinschalige natuur- en cultuurlandschappen met voldoende schuilmogelijkheid. Vaak betreffen het landschappen met afwisselend graslanden, akkerlanden, struweel en bosschages. Hermelijn en, in mindere mate, bunzing prefereren daarnaast waterrijke gebieden. Bunzing en in minder mate wezel worden ook wel in bebouwde omgeving en tuinen met voldoende geschikt groen aangetroffen, maar de hermelijn vermijdt bebouwing. Nest- en rustplaatsen kunnen allerlei goed beschutte structuren zijn als takkenhopen, rommelhoeken, holen van andere dieren en holle boomstammen. Verder bevinden kleine marterachtigen zich veelal in bescherming biedende structuren als (oever) begroeiingen, houtwallen, bosranden, akkerranden, heggen en droge sloten (Zoogdiervereniging handleiding kleine marters, 2017; Zoogdiervereniging, 2020). In de directe omgeving van de planlocatie is een dergelijk kleinschalig landschap niet aanwezig. Er is veel sprake van verstoring door menselijke activiteiten, gezien de planlocatie midden in een woonwijk ligt. Voldoende geschikte dekking biedende vegetatie ontbreekt evenals gunstige migratie mogelijkheden in de omgeving.

6

De planlocatie biedt derhalve geen geschikte mogelijkheden voor het voorkomen van rust- en/of verblijfplaatsen, essentieel foerageergebied of een essentiële migratieroute van kleine marterachtigen. Negatieve effecten op de soortgroep kunnen worden uitgesloten. Het wild zwijn komt voor in droge en natte voedselrijke loofbossen en gemengde bossen. Hier is geen sprake van op de planlocatie of in de directe omgeving daarvan. Negatieve effecten op de soort zijn uitgesloten. Gelet op het gebruik van de locatie en de afwezigheid van gunstige migratieroutes in de directe omgeving van de locatie is het aannemelijk dat soorten van de Habitatrichtlijn en niet vrijgestelde Andere soorten niet op de locatie voorkomen. De planlocatie heeft enkel mogelijk een functie voor algemene soorten zoals egel, konijn, mol en veldmuis. Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Bovendien geldt voor dergelijke algemene soorten vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Op en rondom de planlocatie zijn geen holen, nesten of sporen aangetroffen die duiden op de aanwezigheid van beschermde zoogdiersoorten die buiten de Omgevingsverordening van de provincie vallen (zie Wnb art 3.10). Effecten op beschermde zoogdieren zijn uitgesloten.

Vleermuizen Binnen een straal van circa 2 km is het voorkomen bekend van de volgende vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, rosse vleermuis, ruige dwergvleermuis en watervleermuis (NDFF 2010-2020). Onder de Wet natuurbescherming zijn alle in Nederland voorkomende vleermuizen als Habitatrichtlijnsoorten beschermd. Laanvormige bomenrijen, oude bomen met gaten en scheuren, (oude) gebouwen met kieren en spleten en/of structuurrijke groenelementen kunnen een functioneel onderdeel zijn van een vleermuishabitat (BIJ12 kennisdocument Gewone dwergvleermuis, 2017; Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). Op de planlocatie zijn alle bomen geïnspecteerd op de aanwezigheid van geschikte naar boven ingerotte boomholten welke kunnen dienen als rust- en/of verblijfplaats voor vleermuizen Dergelijke holten zijn niet aangetroffen. Aantasting rust- en/of verblijfplaatsen van boom bewonende vleermuizen is derhalve uitgesloten. De te slopen bebouwing is nauwkeurig geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiële verblijfplaatsen en geschikte invliegopeningen.

Alle gevels en daken van de betreffende bebouwing zijn gecontroleerd op eventuele openingen als open stootvoegen, kierende daklijsten, ontbrekende/scheefliggende dakpannen, ontbrekende specie en overige gevelafwerkingen die vleermuizen toegang kunnen verlenen tot een open dakruimte en/of spouwmuur waar ze een verblijfplaats zouden kunnen vinden. Een dergelijke verblijfplaats moet voldoen aan een geschikt microklimaat, met een constante (lage) temperatuur, een hoge luchtvochtigheid en weinig invloed van weersomstandigheden. De gymzaal (gebouw D) is potentieel geschikt als verblijfplaat voor vleermuizen. Er zijn een flink aantal openingen aanwezig die vleermuizen toegang geven tot de spouw, waaronder open stootvoegen kierende dakranden en kieren naast kozijnen (figuur 4). Gebouw A is eveneens (beperkt) geschikt, gezien er op een aantal plekken kieren aanwezig zijn onder de aluminium dakrand, en in het dakoverstek (figuur 4). Op gebouw C zijn enkele trespa platen aanwezig waar kieren tussen zitten. Tevens is er een licht kierende aluminium dakrand aanwezig. De geschiktheid van gebouw C is beperkt, mede door de beperkte hoogte, echter dient deze volledigheidshalve meegenomen te worden in aanvullend onderzoek. Gebouw B is ongeschikt voor vleermuizen.

Om aan- of afwezigheid van gebouw bewonende vleermuizen zoals de gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis vast te stellen, dient aanvullend onderzoek plaats te vinden middels 5 veldbezoeken in de periode april-september (zie Vervolgstappen). Naast de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als vaste rust- en/of verblijfplaats, bestaat de mogelijkheid dat vleermuizen de planlocatie gebruiken als foerageergebied en/of vliegroute. In de luwte van opgaande vegetatie of bebouwing kunnen vliegbewegingen en foerageeractiviteiten van vleermuizen plaatsvinden. Hierbij kan sprake zijn van tijdelijke verstoring van vleermuizen ten gevolge van werkzaamheden of lichtgebruik. Vleermuizen jagen op insecten waarbij ze opportunistisch gebruik maken van een groot netwerk aan jachtgebieden. Gedurende het foerageren verspreiden vleermuizen zich diffuus over het

7

landschap waarbij veelal gebruik wordt gemaakt van bosranden, bomenlanen, oeverzones of andere structuurrijke zones. Het is goed mogelijk dat er vleermuizen foerageren op de planlocatie, gezien er open ruimte tussen bomen aanwezig is. Er zal echter geen sprake zijn van een essentiële vliegroute. Er zal tevens geen sprake zijn van (aantasting van) een essentiële vliegroute, gezien er geen rechtlijnige elementen als bomenrijen of andere structuurijke zones aanwezig zijn die leefgebieden met elkaar kunnen verbinden. Vleermuizen kunnen verblind en daardoor gedesoriënteerd raken als gevolg van felle verlichting. Sterk verlichte locaties worden gemeden door vleermuizen. Tijdens en na de beoogde ontwikkeling dient bij voorkeur geen verlichting te worden toegepast. Bij voorkeur de werkzaamheden uitvoeren tussen zonsopkomst en zonsondergang. Mocht verlichting noodzakelijk zijn wordt vleermuisvriendelijke verlichting geadviseerd. 1

2

3

4

5

Figuur 4

De bebouwing op de planlocatie bevat geschikte invliegopeningen voor vleermuizen. 1 & 2) kieren daklijsten en open stootvoegen in gebouw D; 3) kierende daklijsten in gebouw A; 4) Kieren in het dakoverstek in gebouw A; 5) kieren tussen trespa platen in gebouw C.

Amfibieën Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de volgende amfibieënsoorten: bastaardkikker, bruine kikker, gewone pad, heikikker, kamsalamander, kleine watersalamander, meerkikker, poelkikker en rugstreeppad (NDFF 2010-2020). Voor de volgende soorten geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en dat er geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: heikikker, kamsalamander, poelkikker en rugstreeppad. Er is geen oppervlaktewater aanwezig op de planlocatie of de directe omgeving daarvan. Amfibieën leven in zowel een aquatisch (m.n. lente/zomer) als een terrestrisch (m.n. herfst/winter) habitat. Beide habitatonderdelen dienen op korte afstand van elkaar te liggen. De kamsalamander wordt vooral waargenomen in bosrijk gebied met houtwallen of struweel en geschikt voortplantingswater. De heikikker en poelkikker komen met name voor in vennen,

8

poelen en watergangen in hoogveengebieden en in de uiterwaarden (Ravon, 2020). Op de planlocatie of in de nabijheid daarvan is geen geschikt habitat aanwezig voor de heikikker, poelkikker en kamsalamander, mede gezien de afwezigheid van oppervlaktewater. Negatieve effecten zijn uitgesloten. De rugstreeppad is een pionierssoort die vooral voorkomt op ruig, onbeschaduwd terrein met lage tot geen vegetatie zoals braakliggende bouwterreinen, zandafgravingen en duingebieden. Het voorplantingswater is ondiep en warmt snel op, en bij voorkeur zonder vegetatie en concurrentie van andere amfibieën (BIJ12 kennisdocument Rugstreeppad, 2017; Creemers & Van Delft, 2009). De planlocatie zal eveneens niet van essentiële betekenis zijn voor de rugstreeppad. Er is geen oppervlaktewater aanwezig op de planlocatie of de directe omgeving daarvan. Daarnaast is de planlocatie niet geschikt als foerageer- en/of overwinteringsgebied van de soort. Bovendien is de bereikbaarheid slecht, gezien de planlocatie wordt omringd door bebouwing en verharding waaronder diverse wegen. Negatieve effecten op de rugstreeppad kunnen derhalve worden uitgesloten. Het is niet uit te sluiten dat algemene soorten, zoals de bruine kikker en gewone pad, gedurende de terrestrische (herfst/winter) periode voorkomen binnen de planlocatie.

Deze dieren vallen echter onder de vrijstelling voor ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming). Negatieve effecten op beschermde amfibieën zijn derhalve uitgesloten. Reptielen Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid van inheemse reptielen niet bekend (NDFF 2010-2020). Voor alle inheemse reptielen geldt dat deze beschermd zijn onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Reptielen zijn over het algemeen verbonden aan structuurrijke en weinig verstoorde biotopen als heidevelden, bosgebied en natuurlijke oevers. Gezien de afwezigheid van structuurrijke biotopen en de hoge mate van menselijke verstoring is het voorkomen van beschermde reptielen binnen het plangebied uitgesloten. Negatieve effecten op beschermde reptielen zijn derhalve uitgesloten. Vissen Op de planlocatie en binnen de invloedssfeer van de beoogde ontwikkeling bevindt zich geen oppervlaktewater. Negatieve effecten op (beschermde) vissen zijn uitgesloten. Insecten en andere ongewervelden Binnen een straal van circa 2 km is de aanwezigheid bekend van de beschermde grote vuurvlinder (NDFF 2010-2020). De grote vuurvlinder komt met name voor in laagveenmoerasgebieden. De aanwezigheid van een grote oppervlakte moerasgebied met een mozaïek van ijl veenmosrietland, rietland en hooiland is essentieel.

Waterzuring is een geschikte waardplant voor de soort (Vlinderstichting, 2021). Er is geen geschikt habitat aanwezig voor de grote vuurvlinder op de planlocatie. Negatieve effecten zijn uitgesloten. Op de planlocatie is geen sprake van oud hout, zure vennetjes of andere specifieke omstandigheden die duiden op de mogelijke aanwezigheid van beschermde insecten of andere ongewervelden. Negatieve effecten op de soortgroep zijn uitgesloten. Vogels Op de planlocatie en de directe omgeving hiervan zijn tijdens het veldbezoek de volgende soorten waargenomen: merel, houtduif, koolmees, stadsduif en zwarte kraai. Vogels - Jaarrond beschermde nestlocaties (cat. 1 t/m 4) De huismus broedt vrijwel altijd bij bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen, onder golfplaten, kieren/gaten in de muur en in spantconstructies. Vanuit de nestlocatie en/of vanaf een uitzichtpunt moet de huismus zijn omgeving kunnen zien. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene struiken of heesters, plaatsen met stof en grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017).

De bebouwing op de planlocatie is ongeschikt voor huismussen, gezien er geen pannendaken, golfplaten daken of andere potentieel geschikte structuren aanwezig zijn waar huismussen een nest kunnen bouwen.

9

Het voorkomen van nestlocaties van huismus op de planlocatie kan derhalve uitgesloten worden. De beoogde ontwikkeling leidt tot beperkte aantasting van groene delen, maar resulteert niet in afname van essentieel leefgebied van huismussen, gezien er geen jaarrond groene struiken verdwijnen. Van aantasting van nestlocaties en functioneel leefgebied van de huismus is derhalve geen sprake. De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017). In de bebouwing op de planlocatie zijn geen geschikte invliegopeningen aangetroffen die naar een potentiële nestruimte voor gierzwaluwen zouden kunnen leiden. Hierdoor kan de aanwezigheid van gierzwaluw op de planlocatie uitgesloten worden. De bebouwing is ongeschikt voor uilen met jaarrond beschermde nesten (kerkuil en steenuil). Er zijn geen grote nesten of horsten aangetroffen in de bomen op en rondom de planlocatie. De aanwezigheid van verblijfplaatsen van in bomen broedende soorten als buizerd, sperwer en ransuil kan uitgesloten worden. Op de planlocatie is geen sprake van essentieel functioneel leefgebied van uilen en roofvogelsoorten. Er zijn diverse waarnemingen van roeken bekend op de planlocatie. De roek is een honkvaste koloniebroeder. De laatst bekende waarnemingen zijn gedaan in 2016.

Tijdens het veldbezoek zijn geen nesten aangetroffen in de bomen op de planlocatie. Mogelijk is de kolonie verplaatst. Er is in ieder geval geen sprake van het wegnemen van verblijfplaatsen van roeken. Van overtreding van verbodsbepalingen ten aanzien van vogels met jaarrond beschermde nestlocaties en functioneel leefgebied is geen sprake. Vogels - Algemene broedvogels en categorie 5 (beschermde nestlocatie gedurende broedperiode en bij ecologisch zwaarwegende redenen) De planlocatie voorziet in beperkt voedselaanbod en structuurrijke schuilgelegenheden voor algemene soorten. De struiken, bomen en bebouwing vormen voor algemene broedvogels zoals merel, duiven en kleine zangvogels geschikte nestlocaties. Tevens zijn er diverse kleine nestkasten aangetroffen. Gedurende het broedseizoen zijn de nesten en de functionele leefomgeving van voornoemde soorten beschermd. Het broedseizoen vangt aan onder bepaalde klimatologische omstandigheden en betreft indicatief de periode 15 maart t/m 15 augustus. Ten aanzien van algemene broedvogels en categorie 5 soorten kunnen de werkzaamheden worden opgestart buiten het broedseizoen en/of na het ongeschikt maken van de planlocatie. De nestkasten mogen niet verwijderd worden als ze in gebruik zijn door vogels.

Indien de beoogde werkzaamheden in het broedseizoen worden opgestart dient de locatie voorafgaand aan de werkzaamheden geïnspecteerd te worden door een ter zake deskundige.

10

Beoordeling (b) gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura 2000 en het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone. Op een afstand van circa 200 m ligt het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied & Diefdijk-Zuid’ (figuur 5) Op een afstand van circa 220 m ligt het Gelders Natuurnetwerk en op een afstand van circa 200 m ligt een Groene ontwikkelingszone (figuur 6).

200 m

Figuur 5

De planlocatie ligt op een afstand van circa 200 m tot het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’ (bron: nationaal Georegister PDOK).

220 m 200 m

Figuur 6

11

De planlocatie ligt op een afstand van circa 220 m tot het Gelders Natuurnetwerk Natuurnetwerk en op een afstand van circa 200 m van een Groene ontwikkelingszone (bron: gelderland.maps.arcgis.com).

Ondanks dat de beoogde ontwikkeling buiten een beschermd gebied uitgevoerd wordt, kunnen er nog steeds effecten optreden. Voor een aantal effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) geldt dat de afstand tot de omliggende Natura 2000-gebieden voldoende groot is om significante negatieve effecten uit te kunnen sluiten. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk en de Groene ontwikkelingszone geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van stikstofdepositie in stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden te beoordelen middels de AERIUS Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. In sommige gevallen kan op voorhand negatieve effecten ten aanzien van stikstofdepositie worden uitgesloten, wegens de grote afstand tot stikstofgevoelige habitattypen binnen Natura 2000-gebieden, een afname in stikstofemissie of een beperkte ingreep. De beoogde ontwikkeling betreft de realisatie van diverse grondgebonden woningen en appartementen. Ten opzichte de huidige situatie leidt de beoogde ingreep tot een toename in het aantal verkeersbewegingen. De nieuwbouw zal zonder gasaansluiting in de gebruiksfase geen stikstofuitstoot hebben.

Gedurende de aanlegfase kan er een beperkte en tijdelijke stikstofemissie verwacht worden ten gevolge van het gebruik van mobiele werktuigen en transportbewegingen (het ‘projecteffect’). In de handreiking ‘woningbouw en AERIUS’ (Rijksoverheid januari 2020) wordt uitgegaan van de volgende kengetallen: • • •

Emissie woning tijdens gebruiksfase: geen; Emissie uit verkeer tijdens gebruiksfase: 0,27 kg NOx per woning; Emissie uit de aanlegfase (mobiele werktuigen en transport): 3 kg NOx per woning.

Gezien er een geringe afstand (200 m) is tussen het plangebied en het Natura 2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-Zuid’, wordt geadviseerd om een berekening met de AERIUS Calculator uit te voeren. Hiermee kan inzichtelijk gemaakt worden of er sprake is van een verhoging van de stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000gebieden.

Beoordeling (c) houtopstanden In de beoogde ingreep zijn geen kapwerkzaamheden voorzien aan (i) zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer of (ii) een rijbeplanting met meer dan 20 bomen. Een meldingsplicht in het kader van Wnb is niet noodzakelijk. Naast het landelijk en provinciaal beleid waar deze beoordeling op wordt getoetst hebben gemeenten echter vaak een eigen beleid omtrent het kappen dan wel vellen van bomen en struiken. Dit is vaak opgenomen in een Algemene Plaatselijke Verordening (APV). Gemeentelijke Verordeningen mogen niet strijdig zijn met landelijk/provinciaal beleid. Het is derhalve aanbevelingswaardig om in de voorbereidende fase de bepalingen in de APV af te stemmen met de gemeente om conflicterende situaties in een later stadium te voorkomen.

12

Conclusies Samenvatting (a) Soortenbescherming Er dient aanvullend onderzoek uitgevoerd te worden naar gebouw bewonende vleermuizen. De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels welke niet beschermd zijn (behoudens de Algemene zorgplicht) onder de Wet natuurbescherming. (b) Gebiedsbescherming De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Gelders Natuurnetwerk of een Groene Ontwikkelingszone. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura 2000-gebieden geen sprake. Een Voortoets en/of ‘nee, tenzij’-toets is niet noodzakelijk. De effecten omtrent stikstofemissie dienen inzichtelijk gemaakt te worden. Dit kan middels een AERIUScalculatie. (c) Houtopstanden Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een meldingsplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Tabel 2

Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is. Soortenbescherming Soortgroep Beschermings- Soortspecifiek Mogelijk functie regime Wet nb onderzoek plangebied Vaatplanten Grondgebonden zoogdierenn Vleermuizen Amfibieën Reptielen Vissen Insecten en andere ongewervelden Vogels

13

Artikel 3.5

Nee Nee Ja Nee Nee Nee Nee Nee

Verblijfplaatsen

Tabel 3

Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied. Vleermuissoort Potentie Boom Gebouw Onderbouwing bewonend bewonend Gewone dwergvleermuis

Ja

Ja

Ja

(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis

Nee

n.v.t.

n.v.t.

Ja

Ja

Ja

Laatvlieger

Ja

Nee

Ja

Meervleermuis

Ja

Nee

Ja

Watervleermuis

Nee

Ja

Nee

Franjestaart

Nee

Ja

Nee

Baardvleermuis

Nee

Ja

Ja

Gewone grootoorvleermuis

Nee

Ja

Ja

Rosse vleermuis

Nee

Ja

Nee

Tweekleurige vleermuis

Nee

Nee

Ja

Vleermuizen algemeen Essentiele vliegroute

Nee

n.v.t.

n.v.t.

Essentieel foerageergebied

Nee

n.v.t.

n.v.t

Geen lijnvormige structuren of structuurrijke zones die leefgebieden verbinden Geen houtopstanden met struweel en oppervlaktewater in de buurt

Tabel 4 Overzicht van de potentie type verblijfplaats per soort. Vleermuissoort Zomer Kraam

Paar

Winter

Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger Meervleermuis

Ja Ja Ja Ja

Nee Nee Nee Nee

Tabel 5

Ja Ja Ja ja

Ja Ja Ja Ja

Overzicht van de Gebiedsbescherming.

Gebiedsbescherming

afstand

effecten

nader onderzoek

Natura 2000

200 m

stikstof

AERIUS

Gelders Natuurnetwerk

220 m

geen

n.v.t.

Groene Ontwikkelingszone

200 m

geen

n.v.t.

Tabel 6

14

Potentiële openingen in bebouwing Geen hoge bebouwing (> 10 m) met bufferend vermogen Potentiële openingen in bomen én bebouwing Potentiële openingen van voldoende grootte in bebouwing Aanwezigheid groot oppervlaktewater in de omgeving Geen geschikte boomholten, forten of kerkzolders aanwezig Geen boomholte(s) met voldoende inrotting Geen uitgestrekte, donkere bosgebieden aanwezig Geen agrarisch gebied en veel lichtverstoring Geen boomholte(s) met voldoende inrotting Geen hoge bebouwing met meerdere bouwlagen.

Overzicht van de Houtopstanden.

Houtopstanden

aanwezig

kap

melding

Struiken

ja

ja

n.v.t.

Bomen

ja

ja

n.v.t.

Uitvoerbaarheid De beoogde ontwikkeling leidt niet tot overtreding van houtopstanden in het kader van de Wnb. Voorafgaand aan de werkzaamheden dient met aanvullend onderzoek te worden vastgesteld of de te slopen bebouwing een relevante functie heeft voor vleermuizen (soortenbescherming). Indien er sprake is van overtreding van verbodsbepalingen van de Wet natuurbescherming kan bevoegd gezag onder voorwaarden een ontheffing verlenen. De voorwaarden betreffen: er is geen andere bevredigende oplossing, er is sprake van een wettelijk belang (vleermuizen: er is sprake van een reden van sociale of economische aard) en er wordt geen afbreuk gedaan aan de gunstige staat van instandhouding van de soort (een robuust en ruim maatregelenpakket van tijdelijke en permanente voorzieningen wordt hiertoe voorgesteld en uitgevoerd). Gezien het voorgaande onderzoek is er geen reden om aan te nemen dat eventueel benodigde ontheffingen, mits de juiste maatregelen worden getroffen, er sprake is van een gedegen alternatievenafweging en een wettelijk belang kan worden aangevoerd, niet verkregen zouden kunnen worden. Om negatieve effecten omtrent gebiedsbescherming uit te sluiten, dient vooraf een berekening door middel van de AERIUS Calculator uitgevoerd te worden.

Tijdens de uitvoering van de werkzaamheden dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen, rugstreeppadden en algemene broedvogels (in het kader van Algemene Zorgplicht). Voor deze soorten dienen maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen.

Conclusie De realisatie van grondgebonden woningen, appartement en een medisch centrum aan de Leyenburgplein 1 & 2 te Heukelum is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (art. 3.1.6 Bro).

Vervolgstappen • Voor de beoogde ontwikkeling dient aanvullend onderzoek naar vleermuizen uitgevoerd te worden. Een aanvullend onderzoek naar vleermuizen wordt uitgevoerd middels vijf gerichte veldbezoeken in de periode 15 april t/m 30 september, conform het Vleermuisprotocol 2017. Hiervan dienen 3 rondes in het voorjaar (15 april – 15 juli) en 2 in het najaar (augustusseptember) plaats te vinden. De planlocatie heeft potentie voor zomer-, kraam- en paarverblijfplaatsen van gewone dwergvleermuis, laatvlieger en ruige dwergvleermuis. Van essentieel foerageergebied of een essentiële vliegroute is geen sprake. • Voor de beoogde ontwikkeling dient rekenkundig inzichtelijk te worden gemaakt of er sprake is van een verhoging van stikstofdepositie binnen stikstofgevoelige habitattypen van Natura 2000-gebieden. Dit kan middels de AERIUS-calculator.

15

Te treffen maatregelen • Tijdens de werkzaamheden moet voorzichtig worden gehandeld met alle voorkomende flora en fauna (Algemene zorgplicht). • Wanneer ondanks zorgvuldig handelen, onderzoek en advies schade lijkt te ontstaan voor beschermde flora en fauna, dient direct contact opgenomen te worden met een ter zake deskundige. • Alle aanwezige vegetatie of bodemmateriaal (takken, stronken) gefaseerd verwijderen. Dit om bodembewonende dieren de kans te bieden in de nabijgelegen omgeving een ander leefgebied te benutten. • Er wordt gelegenheid gegeven aan dieren, die tijdens de werkzaamheden worden gevonden, te vluchten of zich te verplaatsen naar een schuilplaats buiten het bereik van de werkzaamheden. • De planlocatie tijdens de werkzaamheden en in de nieuwe situatie bij voorkeur niet verlichten en in de periode april-oktober de werkzaamheden tussen zonsopgang en zonsondergang uitvoeren (buiten schemerperiodes). Mocht verlichting noodzakelijk zijn hierbij een vleermuisvriendelijke verlichtingswijze toepassen (amberkleurig licht, lichtbundel nederwaarts richten, toepassen geconvergeerde lichtbundel). • De werkzaamheden opstarten/uitvoeren buiten het broedseizoen van vogels (medio maart t/m medio augustus). Als de werkzaamheden in het broedseizoen worden uitgevoerd dient voor de aanvang door een ter zake deskundig gecontroleerd te worden of er broedvogels aanwezig zijn. E.e.a.

op aanwijzing van deskundige. Als dit niet mogelijk is dienen de potentiële nestlocaties buiten het broedseizoen ongeschikt gemaakt te worden.

16

Literatuur BIJ12, 2017. Kennisdocument Gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Gierzwaluw Apus apus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Huismus Passer domesticus, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Poelkikker Rana lessonae, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Rugstreeppad Epidalea calamita (voorheen Bufo calamita), versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. BIJ12, 2017. Kennisdocument Ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii, versie 1.0. Publicatie: BIJ12, Utrecht. Broekhuizen, S., K. Spoelstra, J.B.M. Thissen, K.J. Canters & J.C. Buys (redactie) 2016. Atlas van de Nederlandse zoogdieren. – Natuur van Nederland 12. Naturalis Biodiversity Center & EIS Kenniscentrum Insecten en andere ongewervelden, Leiden. Creemers, R.C.M & J.J.C.W. van Delft (RAVON) (redactie), 2009. De amfibieën en reptielen van Nederland. -Nederlandse fauna 9. Nationaal Natuurhistorisch Museum Naturalis, European Invertebrate Survey - Nederland, Leiden. Diepenbeek, A., 1999. Veldgids Diersporen. KNNV Uitgeverij 5e druk 2015, Zeist. Dietz, C., O. von Helversen, D. Nill & P.H.C. Lina, 2011. Vleermuizen: alle soorten van Europa en Noordwest-Afrika: biologie, kenmerken en bedreigingen. Tirion Natuur, Utrecht. Limpens, H., K. Mostert & W.

Bongers, 1997. Atlas van de Nederlandse vleermuizen. Onderzoek naar verspreiding en ecologie. KNNV Uitgeverij, Utrecht. Geraadpleegde websites www.arcgis.com www.bij12.nl www.gelderland.maps.arcgis.com www.nationaalgeoregister.nl www.natura2000.eea.europa.eu www.ndff.nl www.ravon.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.synbiosys.alterra.nl www.verspreidingsatlas.nl www.vlinderstichting.nl www.vleermuisprotocol.nl www.wilde-planten.nl www.zoogdiervereniging.nl

17

We hopen u met deze rapportage voldoende te hebben geïnformeerd. Mochten er desondanks vragen zijn kunt u vrijblijvend contact opnemen. Met vriendelijke groet,

Blom Ecologie B.V., ir. M. Poelman Auteur

Blom Ecologie B.V., ir. ing. K.J. Rebergen Collegiale toets

Bijlage 1 Fotografische impressie Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming

© BLOM ECOLOGIE B.V. ZANDWEG 46A - 4181 PM WAARDENBURG Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld. Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V.

18

Bijlage 1 Fotografische impressie

19

Figuur 1

De planlocatie is gelegen aan de Leyenburgplein 1 & 2 te Heukelum en bestaat uit een voormalige basisschool en een gymzaal.

Figuur 2

Het gebied ten westen van de basisschool.

20

Figuur 3

Het gebied ten oosten van de bebouwing.

Figuur 4

Een deel van de speelplaats ten noorden van de basisschool.

Bijlage 2 Vervolgstappen Wet natuurbescherming Als uit het oriënterend onderzoek is gebleken dat effecten op beschermde soorten naar aanleiding van de beoogde ingreep niet uitgesloten zijn, dient een vervolgonderzoek te worden uitgevoerd. Uit dit vervolgonderzoek blijkt of desbetreffende soort aanwezig is en welke functie de planlocatie al dan niet heeft voor de soort. Met onderstaand stappenplan, overgenomen uit ‘Soortenbescherming bij ruimtelijke ingrepen’ van het Ministerie van Economische Zaken, wordt inzichtelijk gemaakt welke consequenties dit heeft voor het project.

21

Stap 4b. Is er sprake van een wettelijk belang? Vogelrichtlijnsoort In het kader van de Vogelrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.3, lid 4b).

Habitatrichtlijnsoort In het kader van de Habitatrichtlijn zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.8, lid 5b).

22

Andere soort Ten aanzien van Andere soorten zijn een aantal belangen waarvoor een ontheffing kan worden aangevraagd. De beoogde ingreep/ontwikkeling dient een dergelijk belang te dienen (Schema 4b ja/nee). De belangen zijn onderstaand weergeven (conform Wet natuurbescherming art. 3.10, lid 2).

23

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij de gemeente is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/673/documents/16022