CConstaterende datWest Betuwe
Koppel je AI →
Document · PDF

RV2024-072-bijlage-11-Vleermuisonderzoek.pdf

Gemeenteraad 2 juli 2024, gemeente West BetuweBij agendapunt: 10: Vaststellen bestemmingsplan Leijenburgplein 1, Heukelum3.481 woorden

Open het PDF bij iBabs ↗Naar de vergadering →

Tekst van het document

Uit het bestand gehaald, zonder opmaak, tabellen en afbeeldingen

Vleermuisonderzoek aan de Leyenburgplein 1 & 2 te Heukelum Aanvullend onderzoek in het kader van de Wet natuurbescherming

1

Colofon

Status:

Definitief

Project:

BE/2021/039

Datum:

15 oktober 2021

Samensteller(s):

ing. J. Dekkers

Collegiale toets:

ir. ing. K.J. Rebergen

Opdrachtgever:

KLEURRIJK WONEN Laan van Westroijen 6 4003 AZ Tiel Contactpersoon:

Dhr. J. Veldhuis

Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © Blom Ecologie B.V./ Kleurijk Wonen Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.

2

Inhoud

1 Inleiding ......................................................................................................................................... 4 1.1 Aanleiding en doel

4

1.2 Plangebied

5

1.3 Werkzaamheden

6

1.4 Mogelijk aanwezige soorten

6

1.5 Kader Wet natuurbescherming

8

2 Methode .......................................................................................................................................... 9 2.1 Theoretisch kader

9

2.2 Praktische uitvoering

9

2.3 Inventarisaties

12

2.4 Specifieke omstandigheden

12

3 Resultaten ..................................................................................................................................... 13 3.1 Vleermuizen

13

3.2 Overige soorten

14

4 Conclusie ...................................................................................................................................... 16 4.1 Vleermuizen

16

4.2 Overige soorten

16

5 Bronnen ......................................................................................................................................... 17 Bijlage 1 Overzicht waarnemingen ............................................................................................. 18

3

1 Inleiding 1.1

Aanleiding en doel Aan de Leyenburgplein 1 & 2 te Heukelum is een perceel met bebouwing van de voormalige basisschool ‘De Wegwijzer’ en een gymzaal gesitueerd Tevens zijn er 2 kleine schuren aanwezig. De initiatiefnemer is voornemens de bestaande bebouwing op de planlocatie te saneren ten behoeve van nieuwbouw. Gezien de beoogde ingreep mogelijk leidt tot de aantasting van beschermde natuurwaarden is een oriënterend onderzoek uitgevoerd naar de potentie van de planlocatie en mogelijke negatieve effecten ten gevolge van de beoogde ingreep (Poelman, M., 2020).

C

B A

D

Figuur 1.1

Het plangebied is gelegen aan de Leyenburgplein 1 & 2 te Heukelum (bron kaartmateriaal: arcgis.com).

Op basis van het oriënterende onderzoek kon de aanwezigheid van vaste rust- en verblijfplaatsen van gebouwbewonende vleermuizen niet worden uitgesloten. Om vast te stellen of de bebouwing op de planlocatie daadwerkelijk een functie heeft voor vleermuizen was aanvullend onderzoek noodzakelijk. Kleurijk Wonen heeft Blom Ecologie B.V. verzocht dit aanvullend onderzoek uit te voeren. In voorliggende rapportage worden de bevindingen beschreven.

4

Onderzoeksdoel In dit aanvullende onderzoek zijn de volgende onderzoeksvragen centraal gesteld: •

Zijn vleermuizen aanwezig in het plangebied?

•

Op welke wijze maken de vleermuizen gebruik van het plangebied? Zijn in het plangebied vaste rust- en verblijfplaatsen aanwezig?

•

Hebben de voorgenomen activiteiten een negatief effect op de voorkomende soorten en/of de functionaliteit van verblijfplaatsen van vleermuizen?

1.2

Plangebied De planlocatie is gelegen aan de Leyenburgplein 1 & 2 te Heukelum (figuur 1.1). Het betreft een perceel met de bebouwing van voormalige basisschool ‘’De Wegwijzer’’ en een gymzaal. Tevens zijn er twee kleine schuren aanwezig. Ten noorden van de basisschool ligt een speelplaats met een zandbak en twee speeltoestellen. Rondom de bebouwing zijn gras, hagen, struikgewas en diverse bomen aanwezig (figuur 1.2). Hieronder volgt een omschrijving van de diverse gebouwen: Gebouw A: Een voormalige basisschool opgetrokken uit gemetselde muren met spouw. Aan de bovenkant van de meeste gevels is houten betimmering aanwezig. Het heeft een plat dak bedekt met bitumen. Gebouw B:

Een kleine schuur opgetrokken uit stenen muren en een plat dak bedekt met bitumen.

Gebouw C: Een kleine schuur opgetrokken uit gemetselde muren zonder spouw en plat dak bedekt met bitumen. Er is tevens een open kap gedeelte aanwezig met een metalen steunbalk en een houten overkapping. Gebouw D: Een gymzaal opgetrokken uit gemetselde muren met spouw. Delen van de gevels zijn bedekt met damwandplaten. Het heeft een plat dak bedekt met bitumen. De directe omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door de bebouwde kom van Heukelum omringd door agrarische velden en de rivier De Linge ten noorden op circa 230 m. De N848 ligt op circa 1,1 km ten oosten. Ten westen zijn twee waterlichamen gelegen en daar voorbij op circa 1,5 km ligt wederom De Linge.

5

Figuur 1.2

De bebouwing op de planlocatie betreft een voormalige basisschool en gymzaal welke zijn opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en een plat bitumen dak (A & D). Schuren opgetrokken uit gemetselde muren en een plat bitumen dak (B & C).

1.3

Werkzaamheden De werkzaamheden zullen op hoofdlijnen bestaan uit: 1. 2. 3. 4. 5.

1.4

Saneren van bebouwing; Verwijderen terreininrichting, waaronder gedeelte van het groen; Egaliseren terrein; Realisatie nieuwbouw; Revitalisatie terrein en aanleg verharding.

Mogelijk aanwezige soorten Uit het oriënterend onderzoek (Poelman, M., 2020) is gebleken dat de bebouwing op de planlocatie geschikt is als verblijfplaats van vleermuizen (tabel 1.1). Middels kierende daklijsten, open stootvoegen en kieren in het dak overstek en tussen trespa platen kunnen vleermuizen toegang krijgen tot binnenruimtes waardoor potentie voor vleermuizen niet uitgesloten kan worden (figuur 1.3).

6

Tabel 1.1

Overzicht van de Soortenbescherming. Voor de benoemde soorten geldt dat aanvullend onderzoek benodigd is (Poelman, M., 2020). Soortenbescherming

Soortgroep

Beschermingsregime Wet nb

Soortspecifiek onderzoek

Vaatplanten

n.v.t.

Nee

Grondgebonden zoogdieren

n.v.t

Nee

Vleermuizen

Artikel 3.5

Ja

Amfibieën

n.v.t.

Nee

Reptielen

n.v.t.

Nee

Vissen

n.v.t.

Nee

Insecten en andere

n.v.t.

Nee

Vogels

n.v.t.

Nee

Tabel 1.2

Mogelijk functie plangebied

Verblijfplaatsen

Overzicht van de potentie voor verblijfplaatsen van de verschillende vleermuissoorten (soortenbescherming) en essentiële vliegroute en/of foerageergebied (Poelman, M., 2020).

Vleermuissoort

Potentie

Boom bewonend

Gebouw bewonend

Onderbouwing

Gewone dwergvleermuis

Ja

Ja

Ja

Potentiële bebouwing

(Massa)winterverblijfplaats gewone dwergvleermuis

Nee

n.v.t.

n.v.t.

Geen hoge bebouwing met bufferende vermogen

Ruige dwergvleermuis

Ja

Ja

Ja

Potentiële bebouwing

openingen

in

Laatvlieger

Ja

Nee

Ja

Potentiële openingen voldoende grootte bebouwing

van in

Meervleermuis

Ja

Nee

Ja

Aanwezigheid oppervlaktewater omgeving

openingen

in

in

groot de

Watervleermuis

Nee

Ja

Nee

Geen geschikte boomholten, forten of kerkzolders aanwezig

Franjestaart

Nee

Ja

Nee

Geen boomholte(s) voldoende inrotting

Baardvleermuis

Nee

Ja

Ja

Geen uitgesterkte, donkere bosgebieden aanwezig.

Gewone grootoorvleermuis

Nee

Ja

Ja

Geen agrarisch gebied en veel lichtverstoring

Rosse vleermuis

Nee

Ja

Nee

Geen boomholte(s) voldoende inrotting

Tweekleurige vleermuis

Nee

Nee

Ja

Geen hoge bebouwing met meerdere bouwlagen.

Tabel 1.3

met

met

Overzicht van de potentie type verblijfplaats per soort (Poelman, M., 2020).

Vleermuissoort

Zomer

Kraam

Paar

Winter

Gewone dwergvleermuis

Ja

Ja

Ja

Nee

Ruige dwergvleermuis

Ja

Ja

Ja

Nee

Laatvlieger

Ja

Ja

Ja

Nee

Meervleermuis

Ja

Ja

Ja

Nee

7

Figuur 1.3

Middels kierende daklijsten, open stootvoegen en kieren in het dak overstek en tussen trespa platen kunnen vleermuizen toegang krijgen tot binnenruimtes waardoor potentie voor vleermuizen niet uitgesloten kan worden.

1.5

Kader Wet natuurbescherming De soortenbescherming van Wet natuurbescherming valt op grond van internationale verdragen

en

nationaal

beschermde

soorten,

uiteen

in

drie

verschillende

beschermingsregimes. Deze beschermingsregimes betreffen de Vogelrichtlijn (art. 3.1), Habitatrichtlijn (art. 3.5) en de nationaal beschermde soorten (art. 3.10). Vleermuizen vallen onder de bescherming van de Habitatrichtlijn. Naar aanleiding van de beoogde ingreep (paragraaf 1.3) kan overtreding van de volgende verbodsbepalingen optreden: Wnb, art 3.5 lid 2 en 4 (Habitatrichtlijnsoorten) Lid 2: Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren Lid 4: Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid (alle vleermuissoorten) te beschadigen of te vernielen.

8

2 Methode 2.1

Theoretisch kader Ten behoeve van ecologische onderzoek naar een aantal beschermde soorten in Nederland zijn door experts richtlijnen opgesteld. Deze richtlijnen zijn in zekere mate juridische kaders gaan vormen bij de toetsing van onderzoeken op juistheid en volledigheid. Voor vleermuizen geldt het Vleermuisprotocol (NGB, 2021) als richtlijn. De richtlijnen worden met enige regelmaat door de opstellers geëvalueerd en indien noodzakelijk aangepast. De uitgangspunten zoals deze zijn geformuleerd in de richtlijnen vormen de basis voor het soortspecifieke onderzoek wat wordt uitgevoerd door Blom Ecologie B.V. In tabel 2.1 wordt voor de desbetreffende beschermde gebouwbewonende soorten beknopt weergeven wat de onderzoeksperioden en methode zijn. Tabel 2.1 Samenvatting van de uitgangspunten ten behoeve van vleermuisonderzoek zoals deze zijn geformuleerd in het Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Vleermuizen Kraamverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (10 mei) 15 mei t/m 15 juli (20 juli) (3x veldbezoek), waarvan minimaal 1 veldbezoek in juni. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector.

Zomerverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (1 april) 15 mei t/m 15 augustus (1 december) (2x veldbezoek). Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. Paarverblijfplaats: Aantoonbaar door onderzoek in de periode (15 juli) 15 augustus t/m 1 oktober (1 november) (2x veldbezoek). De periode is sterk afhankelijk van de soort. Onderzoek is visueel en gericht op in- of uitvliegende individuen, territoriaal gedrag en sociale geluiden. Onderzoek wordt uitgevoerd m.b.v. een batdetector. (Kennisdocument gewone dwergvleermuis, BIJ12 & Vleermuisprotocol, januari 2021)

2.2

Praktische uitvoering De praktische uitvoering valt uiteen in standaardprocedure tijdens elk veldbezoek, de reactieve onderzoekswijze die gehanteerd wordt en, indien van toepassing, de aanvullende onderzoeksmethodes. Procedure Op basis van de te verwachten soorten en de relatieve potentie voor deze soorten binnen het plangebied wordt het aanvullende onderzoek ingericht. Voorafgaand aan de daadwerkelijke uitvoering wordt bekeken vanaf welke posities de planlocatie (gevels/daken/dakranden met potentie) het meest efficiënt (strategisch) kan worden onderzocht. 9

De strategische punten, looproute en zichtlijnen zijn afhankelijk van de aanwezigheid van obstructies, struiken/bomen, verlichting en diverse typen van bebouwing. Tevens zijn deze afhankelijk van de te onderzoeken soortgroep. In figuur 2.1 worden de strategische punten en de meest gebruikte looproutes weergeven.

Figuur 2.1

10

Overzicht van de strategische punten en de meest gebruikte looproutes op de planlocatie.

De procedure voor ieder veldbezoek is als volgt: 1. Bepalen strategische punten voorafgaand aan start onderzoek. 2. Overleg met collega(‘s) over bezetting strategische punten en looproutes. Als het een vervolgronde betreft worden de resultaten van de eerdere rondes hierin meegenomen; 3. Controle gevels op aanwezigheid van uitwerpselen onder en/of tegen de gevels. Eventueel navraag bij bewoners op (recente) activiteit van vleermuizen1; 4. Start/uitvoering onderzoek/bezetting strategische punten en uitvoering conform reactieve onderzoekswijze; 5. Afronding onderzoek, bespreken met collega(’s) van tussentijds resultaat, eventuele onduidelijkheden over verblijfplaatsen en waarnemingen worden in dit stadia goed ondervangen. 1 Op basis van uitwerpselen kan vaak een goede eerste indruk worden verkregen waar grotere verblijfplaatsen van

vleermuizen aanwezig zijn.

Reactieve onderzoekswijze Binnen de kaders van het Vleermuisprotocol (tabel 2.1) is de onderzoekswijze vormvrij. Afhankelijk van omstandigheden zoals de relatieve potentie, ervaring, moment van onderzoek

het

aantal

onderzoekers,

en

dergelijke,

worden

door

de

diverse

onderzoeksbureaus op verschillende wijze onderzoek uitgevoerd. Aangezien de te onderzoeken soorten veelal voorkeur hebben voor bepaalde type verblijfsplaatsen en leefgebied wordt door Blom Ecologie B.V. reactief onderzoek uitgevoerd. Dit type onderzoek houdt vast aan strategische punten en looproutes waarbij het geobserveerde gedrag van de te onderzoeken soort en de lokale omstandigheden leidend zijn voor de keuze van de strategische punten of looproute en de verblijfsduur per punt. De strategische punten worden bepaald op locatie voorafgaand aan de start van een onderzoek door een visuele beoordeling op de actuele potentie voor de soort in kwestie. Deze punten kenmerken zich door goed overzicht binnen het plangebied en zicht op zoveel mogelijk potentiële in- of uitvliegopeningen. Het aanvullend vleermuisonderzoek wordt uitgevoerd door een combinatie van strategische punten en looproutes. Tijdens het eerste veldbezoek (zowel in het voorjaar als najaar) worden strategische punten ingenomen. Op het moment dat er sprake is van uitvliegende vleermuizen beweegt de onderzoeker zich in tegenovergestelde richting (dus de vleermuis tegemoet) naar het volgende strategische punt om zo een eventueel tweede of daaropvolgende uitvliegend individu, en uiteindelijk zo mogelijk de kolonieverblijfplaats, te lokaliseren. Hierbij blijft de nadruk op de bebouwing die binnen het plangebied valt.

Tijdens de vervolgonderzoeken wordt per seizoen de strategische punten ingenomen waar op dat moment de hoogste trefkans is. Afhankelijk van het doel van het aanvullend onderzoek (e.g. kraamverblijfplaatsen, functioneel leefgebied e.d.) wordt de nadruk gelegd op strategische punten (zomerverblijfplaatsen, vliegroutes) of strategische looproutes (paarverblijfplaatsen, winterzwermverblijfplaatsen). Voor alle onderzoeken geldt dat tijdens de rondes de keuze van strategische punten en/of looproutes beïnvloed worden door veranderende omstandigheden. Dit kan zijn een plotselinge verandering van windrichting, sterke toename of afname van windkracht, defecte straatverlichting en dergelijke. Het aantal factoren dat bepaalt waarom een onderzoeker juist de ene richting meer op kijkt dan de andere of er juist voor kiest af te wijken van een gebruikelijke route (door bijv. buurtbewoners die de onderzoeker aan de praat houden, bewoners die honden uitlaten of dergelijke) zijn niet of nauwelijks definieerbaar. 11

De wijze van onderzoek verschilt, met in achtneming van de randvoorwaarden van het Vleermuisprotocol, dus per datum, per loopronde en per moment. Er is derhalve geen sprake van vaste transecten maar veel eerder van diverse looproutes naar strategische punten waarbij de frequentie van stilstaan en beweging afhankelijk zijn van de omstandigheden op dat moment.

2.3

Inventarisaties Veldbezoeken De planlocatie is 5x bezocht door medewerkers van Blom Ecologie B.V. (tabel 2.2). Tijdens deze bezoeken zijn de planlocatie en de directe omgeving onderzocht op de aanwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek is met name gelet op foeragerende/communicerende vleermuizen. Tevens is gelet op de veelgebruikte structuren door vleermuizen voor het bepalen van het functioneel leefgebied. Tabel 2.2

Veldbezoeken op de planlocatie, met per veldbezoek welke functies onderzocht worden en het aantal waarnemers dat is ingezet. De weersomstandigheden voldeden aan de minimumcriteria zoals opgenomen in het Vleermuisprotocol (2021).

Veldbezoek

Functie

Aantal pers.

Datum

Zon ▼ ▲

Tijd

Weersomstandigheden

Vleermuizen 1 Vleermuizen 2 Vleermuizen 3 Vleermuizen 4 Vleermuizen 5

Kraam + zomer Kraam + zomer Kraam + zomer Paar Paar

2 2 2 1 1

03-06-2021 08-07-2021 12-07-2021 07-09-2021 28-09-2021

21.51 05.32 21.55 20.12 19.24

21.45-00.00 02.30-05.45 21.45-23.45 23.00-01.00 20.30-22.30

5/8, droog, 0-1 Bft, 21˚C 2/8, droog, 1 Bft, 14˚C 4/8, droog, 0-1 Bft, 20˚C 0/8, droog, 1 Bft, 18˚C 7/8, droog, 1 Bft, 13˚C

Gebruikte materialen Het vleermuisonderzoek is uitgevoerd met behulp van een verrekijker en batdetector, type Petterson D-200x of Petterson D-240x. Dit laatste type batdetector is heterodyne en heeft een time expansion functie. De time expansion functie maakt het mogelijk de geluidopnames te vertragen waardoor nauwkeurige analyse van de hoogfrequent geluiden uitgevoerd kunnen worden. Geluidswaarnemingen zijn eventueel opgenomen met een opnameapparaat van het merk Roland, type R-07. Indien inventarisatie in het veld niet mogelijk was zijn geluiden geanalyseerd met behulp van de software BATSOUND.

2.4

Specifieke omstandigheden Tijdens de uitvoering van het onderzoek kan er sprake van dusdanig omstandigheden dat er mogelijk een vertekend beeld optreedt van de verzamelde resultaten. Hiermee wordt niet bedoeld het gemotiveerd afwijken van uitgangspunten zoals geformuleerd in het Vleermuisprotocol. Tijdens het onderzoek was er (voor zover de onderzoekers hebben kunnen nagaan) geen sprake van omstandigheden die mogelijk effect sorteren op de onderzoeksresultaten.

12

3 Resultaten 3.1

Vleermuizen Waarnemingen, soorten en aantallen Tijdens de onderzoeksrondes zijn in totaal een drietal soorten waargenomen binnen of in de directe nabijheid van het plangebied (tabel 3.1). Waargenomen soorten betreffen de gewone dwergvleermuis

(Pipistrellus

pipistrellus),

laatvlieger

(Eptesicus

serotinus)

en

ruige

dwergvleermuis (Pipistrellus nathusii). De meest waargenomen soort betrof de gewone dwergvleermuis. Tijdens piekmomenten tijdens de voorjaarsrondes zijn in totaal 5 individuen waargenomen, tijdens de najaarsrondes betrof dit circa 2 individuen. De ruige dwergvleermuis is enkel waargenomen in het najaar. Tijdens piekmomenten waren er circa 5 individuen binnen of in de directe omgeving van het plangebied. Tabel 3.1

Waarnemingen en aantallen van vleermuizen gedurende de veldbezoeken.

Veldbezoek

Soort

Vleermuis 1 03-06-21

Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Laatvlieger

Aantal 3 4 2 2

Gedrag Foeragerend Overvliegend Foeragerend Overvliegend

Vleermuis 2 08-07-21

Gewone dwergvleermuis Laatvlieger

1 1

Foeragerend Overvliegend

Vleermuis 3 12-07-21

Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Laatvlieger Laatvlieger

4 4 1 3

Foeragerend Overvliegend Overvliegend Foeragerend

Vleermuis 4 07-09-21

Gewone dwergvleermuis Gewone dwergvleermuis Ruige dwergvleermuis Laatvlieger

2 1 1 1

Foeragerend Overvliegend Overvliegend Overvliegend

Vleermuis 5 28-09-21

Gewone dwergvleermuis Laatvlieger

2 1

Overvliegend Overvliegend

Verblijfplaatsen Gedurende het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. Mannetjes met territoria zijn waargenomen op 3 verschillende locaties buiten de planlocatie. In figuur 3.1 worden de ruimtelijke spreiding van de paarterritoria weergeven. In bijlage 1 is een grotere afbeelding met een totaaloverzicht van alle aanwezige soorten opgenomen.

13

Figuur 3.1

Overzicht van de paarterritoria van vleermuizen in de directe omgeving hiervan. Het waargenomen baltsgedrag duidt erop dat de verblijfplaatsen buiten de planlocatie aanwezig zijn (verantwoording: het kaartmateriaal is vervaardigd in QGIS).

Vliegroutes en foerageergebieden Gedurende het vleermuisonderzoek is geen essentiële vliegroute en/of foerageergebied vastgesteld. Op basis van het aantal waargenomen individuen is de aanwezigheid van een veel gebruikte vliegroute uitgesloten. De waargenomen individuen verspreidden zich diffuus door het plangebied, waardoor er geen sprake is van de aanwezigheid van een vaste vliegroute. Foeragerende vleermuizen zijn waargenomen ter hoogte van de groenstructuren welke zijn gelegen tussen de Leyenburgplein 1 en 2 en de Voorste Gewind 2-8. Tijdens piekmomenten was hier sprake van 4 foeragerende gewone dwergvleermuizen en 3 laatvliegers. Aanwezigheid van vleermuizen in dit foerageergebied is gedurende 4 van de 5 veldbezoeken vastgesteld. De vleermuizen foerageerden niet gedurende de gehele tijd van de veldbezoeken. Gezien de (in)frequente aanwezigheid van foeragerende vleermuizen blijkt dat dit foerageergebied niet van essentieel belang is voor de soorten.

3.2

Overige soorten Naast de te onderzoeken soorten waarvoor het voorliggend onderzoek is uitgevoerd zijn tijdens de veldbezoeken overige soorten waargenomen. De volgende vogelsoorten zijn gedurende de veldbezoeken waargenomen: blauwe reiger, gierzwaluw, kerkuil, merel, nijlgans, ooievaar, scholekster en zwarte kraai. Deze waarnemingen bestaan met name uit overvliegende, rustende of foeragerende vogels. In de directe omgeving van de planlocatie is een actief nest van een ooievaar geconstateerd. Tevens zijn de volgende zoogdieren waargenomen: egel. In enkele gevallen zijn nesten of verblijfplaatsen van deze soorten waargenomen (zie tabel 3.2). In figuur 3.2 worden de ruimtelijke spreiding van de nesten weergeven. Het actieve nest van de ooievaar bevindt zich op een afstand van circa 22 m ten noorden van de planlocatie.

14

Wanneer er werkzaamheden plaatsvinden welke grove trillingen veroorzaken, zoals heien, binnen een straal van 50 m van een ooievaarsnest dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen van de ooievaar plaats te vinden. Deze vindt indicatief plaats van medio maart - augustus. In bijlage 1 is een grotere afbeelding met een totaaloverzicht van alle aanwezige soorten opgenomen. Tabel 3.2 Locaties nesten en verblijfplaatsen van overige soorten. Per soort wordt het beschermingsregime weergegeven. VRL: vogelrichtlijn (Wnb, art. 3.1). Omschrijving

Soort

Boom westzijde Voorste Gewind 2

Ooievaar

Figuur 3.2

Aantal

Bescherming

1

VRL, cat. 3.

Overzicht van het nest van de ooievaar in de directe omgeving van de planlocatie (verantwoording: het kaartmateriaal is vervaardigd in QGIS).

Figuur 3.3

De actieve nestplaats van de ooievaar bevindt zich in een boom circa 22 m ten noorden van de planlocatie (bron: google maps). 15

4 Conclusie 4.1

Vleermuizen In de periode mei – september 2021 is onderzoek uitgevoerd naar de aanwezigheid van vleermuizen binnen het plangebied. Het onderzoek is uitgevoerd conform de bepalingen in het Vleermuisprotocol (NGB, 2021). Tijdens het onderzoek zijn geen verblijfplaatsen van vleermuizen vastgesteld. De beoogde ingreep leidt niet tot overtreding van een verbodsbepaling van de Wet natuurbescherming art 3.5, lid 4 (wegnemen vaste rust- en/of verblijfplaatsen). Er dient geen ontheffing van de Wet natuurbescherming voorhanden te zijn alvorens de beoogde ingreep uitgevoerd kan worden.

4.2

Overige soorten Het onderzoek beperkte zich in beginsel tot het vaststellen van de aan- dan wel afwezigheid van vleermuizen. Tijdens het onderzoek is tevens gelet op nesten en/of verblijflocaties van andere soorten op de planlocatie. Er zijn geen nesten van vogelsoorten aangetroffen binnen het plangebied. Wel is er binnen een straal van 50 m van de planlocatie een ooievaarsnest aangetroffen. Zoals beschreven staat in de Vogelrichtlijn zijn alle vogels in Nederland beschermd tijdens het broedseizoen, voor de ooievaar betreft dit indicatief de periode medio maart t/m augustus). Om overtreding van de Wet natuurbescherming te voorkomen dienen werkzaamheden welke grove trillingen veroorzaken buiten het broedseizoen van de ooievaar uitgevoerd te worden.

16

5 Bronnen BIJ12, 2017. Kennisdocument gewone dwergvleermuis Pipistrellus pipistrellus. BIJ12, Utrecht BIJ12, 2017. Kennisdocument ruige dwergvleermuis Pipistrellus nathusii. BIJ12, Utrecht NGB, Zoogdiervereniging en GaN, 2021. Vleermuisprotocol, versie januari 2021 Poelman, M., 2020. Quickscan Wet natuurbescherming Leyenburgplein 1 & 2 te Heukelum. Blom Ecologie. B.V., Waardenburg.

Gebruikte websites www.arcgis.nl www.ruimtelijkeplannen.nl www.sovon.nl www.vleermuisprotocol.nl

17

Bijlage 1 Overzicht waarnemingen

18

19

20

De tekst is automatisch uit het bestand gehaald en kan afwijken van het origineel (kolommen, tabellen en koppen lopen door elkaar). Het officiële stuk bij iBabs is leidend. Bron: https://gemeenteraad.westbetuwe.nl/api/v1/meetings/673/documents/16024