RV2024-047-Bijlage-Engweg-5-7-9-Toelichting.pdf
Tekst van het document
Wat betreft het aspect geluid wordt, zoals reeds omschreven in de uitgangspunten, het goede akoestisch woon- en leefklimaat ter plaatse van de gevoelige bestemmingen in de omgeving van het plangebied geborgd door middel van de specifieke gebruiksregels in het bestemmingsplan. Door op het buitenterrein activiteiten uit te sluiten in de avond- en nachtperiode worden ook overschrijdingen van de LA-max normen vermeden zoals blijkt uit de akoestische onderzoeken uit bijlage 1 en 2. Het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau LAr,LT dat in deze onderzoeken wordt berekend, bedraagt ten hoogste 48 dB(A) etmaalwaarde als gevolg van het aannemersbedrijf Van Roon en ten hoogste 45 dB(A) etmaalwaarde als gevolg van Van Steijn. Hiermee wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden die in stap 2 van de VNG-publicatie worden gesteld in een gemengd gebied. Ook wordt voldaan aan de standaard geluidvoorschriften uit het Activiteitenbesluit, wat voor de ruimtelijke procedure niet relevant is maar wel bevestigd dat er sprake is van een 30/40 - ontwerp - NL.IMRO.1960.ASPEngweg5tm9-ONT2 -
activiteit die passend is in deze omgeving. Bovendien wordt, met uitzondering van één beoordelingspunt ter plaatse van de bestaande (bedrijfs)woning Engweg 3, ook aan de geluidgrenswaarden die in stap 2 van de VNG-publicatie worden gesteld in een rustige woonwijk, waar in onderhavig geval dus geen sprake van is. Conclusie Op basis van het uitgevoerde onderzoek bedrijven en milieuzonering en de toetsing aan het stappenplan uit de VNG-publicatie wordt geconcludeerd dat: ter plaatse van gevoelige bestemmingen in de omgeving van het plangebied sprake zal zijn van een goed (akoestisch) woon- en leefklimaat en dat dit als gevolg van de specifieke gebruiksregels in het bestemmingsplan voldoende geborgd is; op deze manier tegelijk aan de aanwezige bedrijven zekerheid wordt geboden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen blijven uitoefenen. Samengevat kan worden gesteld dat met het bestemmingsplan Engweg 5-7-9 Asperen sprake is van een goede ruimtelijke ordening en dat het aspect bedrijven en milieuzonering geen belemmering vormt voor vaststelling van het plan.
6.3 Geluidhinder Algemeen In paragraaf 6.2 is, in het kader van het onderzoek bedrijven en milieuzonering, aangetoond dat de bedrijfsactiviteiten van Van Roon, Van Steijn en VSB ter plaatse van woningen en gevoelige bestemmingen in de omgeving (ook de nog te realiseren woningen aan de Perendreef) niet zullen resulteren in ontoelaatbare geluidhinder noch tot een aantasting van het akoestisch woon- en leefklimaat in de directe omgeving van het plangebied. Naast de wettelijke systematiek vanuit bedrijven en milieuzonering is met ingang van 7 oktober 2021 het gemeentelijk geluidbeleid voor het gehele grondgebied van de gemeente West Betuwe van toepassing. Voor 7 oktober 2021 was het geluidbeleid van de voormalige gemeente Lingewaal van toepassing. Dit gemeentelijk geluidsbeleid kent een andere gebiedsindeling dan hetgeen gehanteerd wordt in het kader van bedrijven en milieuzonering. In dit beleid wordt de onderstaande onderverdeling gehanteerd.
De omgeving rond het bedrijventerrein Engweg 5-7-9 is niet te typeren als een bedrijventerrein en wordt derhalve volgens het lokale geluidbeleid gekarakteriseerd als ‘dorps wonen/rustige woonwijk’ met een ambitiewaarde van 45 dB(A) en een bovengrens van 50 dB(A). Bij ruimtelijke 31/40 - ontwerp - NL.IMRO.1960.ASPEngweg5tm9-ONT2 -
ontwikkelingen toetst men de bedrijfsactiviteiten van een bedrijf eerst aan de ambitiewaarde. Wanneer niet wordt voldaan aan de ambitiewaarde, kan gemotiveerd worden afgeweken tot de bovengrens van 50 dB(A). Uit de uitgevoerde berekeningen (Bijlage 1 en Bijlage 2) volgt dat bij de nieuwbouw Peerendreef, binnen een afwijking van 1 dB aan de ambitiewaarde uit het lokale geluidbeleid wordt voldaan. De berekende waarde vanwege de immissierelevante bedrijven Van Roon en Steijn bedraagt gezamenlijk 45,5 dB(A). Bij de woningen aan de Engweg 3 en de Leerdamsestraat 47 wordt de ambitiewaarde van in de avond- en nachtperiode tot maximaal 4 dB overschreden. Om die reden zijn bedrijfsactiviteiten tijdens de avond- en nachtperiode op het zuidelijk deel van het buiten terrein uitgesloten. De stalling en het vertrek vindt dan ook plaats vanaf het noordelijk deel van het bedrijventerrein. Hiervoor is de woning Engweg 3, welke direct naast het bedrijventerrein is gelegen maatgevend. Echter de maximale waarde van 50 dB volgens het lokale geluidbeleid, wordt niet overschreden. Gezien de omgeving met naast de bedrijfsactiviteiten en de woningen ook de recreatieve activiteiten en de teambuildingsactiviteiten wordt deze overschrijding van de voorkeurswaarde acceptabel geacht.
Daarnaast is hier reeds jarenlang sprake van een gemengd gebied en is er, mede door de specifieke regeling ten aanzien van de locatie en tijdstip van uit te oefenen bedrijfsactiviteiten, in de omgeving slechts sprake van een zeer geringe overschrijding van de voorkeursgrenswaarde die ruimschoots onder de bovengrens blijft. Derhalve wordt gemotiveerd afgeweken van de voorkeurswaarde zoals geformuleerd in het gemeentelijk geluidsbeleid voor de in dit bestemmingsplan mogelijk gemaakte activiteiten. Conclusie Het aspect geluidhinder vormt, ook gezien de gemotiveerde afwijking van de voorkeurswaarde, dan ook geen belemmering voor het planvoornemen.
6.4 Luchtkwaliteit 6.4.1 Niet in betekenende mate Bij de besluitvorming in het kader van een ruimtelijke plan dient het bevoegd gezag de luchtkwaliteitsaspecten die samenhangen met het plan in acht te nemen. Dit betekent dat de gevolgen voor de luchtkwaliteit die samenhangen met de nieuwe functies getoetst dienen te worden aan de luchtkwaliteitseisen uit de Wet milieubeheer ook wel de Wet luchtkwaliteit genoemd. Ingevolge de systematiek van deze wet vormen de luchtkwaliteitseisen in ieder geval geen belemmering voor een ontwikkeling indien deze niet in betekenende mate (hierna NIBM) bijdraagt aan de concentraties luchtverontreinigende stoffen. Dit is het geval indien aan één van de volgende voorwaarden is voldaan: er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van een grenswaarde; een project leidt - al dan niet per saldo – niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit; een project draagt “niet in betekenende mate” bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit, hetgeen inhoudt dat door het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert; een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit), of binnen een regionaal programma van maatregelen. De 3%-grens van een project dat 'niet in betekenende mate bijdraagt', is ook omgezet in een getalsmatige grens.
Als deze getalsmatige grens (hieronder) niet wordt overschreden, wordt deze 3%-grens gerespecteerd. kantoorlocaties: 100.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 1 ontsluitingsweg, 200.000 m2 bruto vloeroppervlak bij 2 32/40 - ontwerp - NL.IMRO.1960.ASPEngweg5tm9-ONT2 -
ontsluitingswegen. (voorschrift 3A.1); woningbouw: 1.500 woningen netto bij 1 ontsluitingsweg, 3.000 woningen bij 2 ontsluitingswegen (voorschrift 3A.2). In dit geval worden geen nieuwe gebouwen maar enkel extra verharding gerealiseerd. Deze verharding is niet ten behoeve van nieuwe parkeervoorzieningen, maar ten behoeve van het efficient benutten van de beschikbare ruimte en het beter beschermen van de relatief smalle Engweg. Zoals opgenomen in paragraaf 4.3 is de parkeerbehoefte en de verkeersaantrekkende werking van de in dit bestemmingsplan opgenomen bedrijfsactiviteiten lager dan de voorheen al toegestane activiteiten. Gezien de omschreven bedrijfsactiviteiten en de toegestane bedrijfsactiviteiten in de relatief lage milieucategorie 2 en de onderbouwde verkeersaantrekkende werking, is duidelijk dat deze ontwikkeling ruim onder de hiervoor vermelde drempel valt, wat inhoudt dat het project de luchtkwaliteit met minder dan 3% verslechtert. Conclusie Op grond van artikel 5.16 lid 1 onder c. Wm jo. artikel 5.16 lid 4 Wm jo. artikel 4 lid 1 Besluit niet in betekenende mate jo. bijlage 4a voorschrift 3A.2, draagt het voorliggend plan niet in betekenende mate bij aan een verslechtering van de luchtkwaliteit.
6.5 Bodem 6.5.1 Algemeen In het kader van een nieuw bestemmingsplan dient te worden aangetoond dat de bodem geschikt is (of geschikt te maken) is voor de nieuwe of aangepaste bestemming. Dit vloeit voort uit artikel 3.1.6 Besluit ruimtelijke ordening (Bro). De bodemkwaliteit kan namelijk van invloed zijn op de beoogde functie van het plangebied. Het voorliggend plan voorziet in de mogelijkheid tot vestiging van bedrijven met categorie 2. Tevens blijft op de omliggende gronden parkeren en opslag mogelijk. Onderdeel van het plan is de uitbreiding van voorzieningen voor parkeren. Deze uitbreiding vindt plaats in de vorm van het plaatsen/installeren van stelconplaten die tegen elkaar aan worden gelegd. Stelconplaten zijn bouwmaterialen die vormvast zijn en zich niet vermengen met de onderliggende bodem waarop ze worden geplaatst. Stelconplaten worden op de bestaande bodem aangebracht en er hoeft hiervoor geen grond afgevoerd te worden; deze worden aangebracht door de bestaande bodem te egaliseren. Stelconplaten zijn producten waarvan de kwaliteit in certificaten is vastgelegd, deze tonen aan dat wordt voldaan aan de vereisten van het Besluit bodemkwaliteit. Dit impliceert automatisch dat de stelconplaten geen voorziening zijn met een bodembedreigend karakter. De platen zijn uiteraard ook 'terugneembaar'. De aanleg van deze parkeervoorziening is derhalve uitvoerbaar.
Er is geen aanleiding te veronderstellen dat de parkeervoorziening wordt aangelegd op een plek waar de bodem spoedeisende bodemsanering vereist. En ook al zou dat zijn, dan nog zijn de platen eenvoudig te verwijderen en staan zij toekomstige bodemmaatregelen niet in de weg. De activiteit parkeren stelt geen bijzondere eisen aan de bodemkwaliteit, zeker niet als parkeren op deze verharding plaatsvindt en het parkeren is geen gevoeligere functie dan de voorheen aanwezige functie. De bodem is dus geschikt voor het voornemen. Conclusie De bodemkwaliteit binnen het plangebied verandert niet. Tevens heeft de bodemkwaliteit geen nadelige invloed op gewenste bestemming/functie en vomt derhalve geen belemmering voor het voorliggend bestemmingsplan.
33/40 - ontwerp - NL.IMRO.1960.ASPEngweg5tm9-ONT2 -
6.6 Flora en fauna/Groenstructuur/Landschap Algemeen Verschillende soorten planten, dieren worden beschermd in de Wet natuurbescherming. De Wet natuurbescherming voorziet in het wettelijk kader voor de bescherming van Natura 2000-gebieden, planten- en diersoorten en houtopstanden. In de Wet natuurbescherming zijn de provincies primair bevoegd gezag voor bescherming van soorten en natuurgebieden.
6.6.1 Natuur en ecologie Met vaststelling van dit bestemmingsplan vindt er geen uitbreiding van bebouwing of activiteiten plaats. Hierbij dient gekeken te worden naar de effecten op nabij gelegen Natura 2000 gebieden, waar in dit gevalhet 'Lingebied & Diefdijk-Zuid' op circa 600 meter afstand van de locatie gelegen zijn. De mogelijkheden om binnen milieucategorie 2 bedrijfsactiviteiten worden uitsluitend verbreed van enkel groothandel in lichtreclame naar algemene bedrijfsactiviteiten in milieucategorie 2. De milieu-uitstraling blijft hetzelfde aangezien dezelfde richtafstanden blijven gelden. Ten aanzien van de parkeernormen en de verwachtte verkeersaantrekkende werking geldt dat deze ten aanzien van een groothandel, wat voorheen toegestaan was, groter is dan van overige bedrijfsmatige functies in milieucategorie 2; hierdoor vindt er dan ook geen grotere verkeersaantrekkende werking plaats. Er worden in dit plan ook geen aanvullende bouwmogelijkheden opgenomen. Dit bestemmingsplan heeft derhalve geen effect op soorten of beschermde gebieden en er vindt geen wijziging in de effecten op natuur en ecologie plaats. Conclusie Dit aspect levert geen belemmering op voor de voorgenomen ontwikkelingen.
6.7 Archeologische en cultuurhistorische waarden 6.7.1 Algemeen De Erfgoedwet bundelt en wijzigt een aantal wetten op het terrein van cultureel erfgoed. De kern van deze wet is dat wanneer de bodem wordt verstoord, de archeologische resten intact moeten blijven (in situ). Wanneer dit niet mogelijk is, worden archeologische resten opgegraven en elders bewaard (ex situ). Daarnaast dient ieder ruimtelijk plan een analyse van de overige cultuurhistorische waarden van het plangebied te bevatten. Voor zover in een plangebied sprake is van erfgoed, dient op grond van voorgaande dan ook aangegeven te worden op welke wijze met deze cultuurhistorische waarden en in de grond aanwezige of te verwachten archeologie rekening wordt gehouden.
6.7.2 Cultuurhistorie De aanwezige bebouwing is niet aangewezen als gemeentelijk of rijksmonument en er wordt tevens geen nieuwe bebouwing mogelijk gemaakt in dit bestemmingsplan. Er zijn geen cultuurhistorisch waardevolle elementen in het plangebied aanwezig die speciale regeling in het bestemmingsplan behoeven. Conclusie Dit bestemmingsplan heeft geen effecten op cultuurhistorische waarden.
34/40 - ontwerp - NL.IMRO.1960.ASPEngweg5tm9-ONT2 -
6.7.3 Archeologie De gemeente West-Betuwe bestaat uit de voormalige gemeenten Geldermalsen, Lingewaal en Neerijnen. Elk van deze gemeenten had een eigen ergoedbeleid. In 2021 heeft de gemeenteraad van West-Betuwe een 'Beleidsnota Ergoed West Betuwe vastgesteld, waarin het erfgoedbeleid van de voormalige gemeenten is geactualiseerd en geharmoniseerd. Het nieuwe beleid is tegelijk ook geschikt gemaakt voor de invoering van de Omgevingswet. West Betuwe ondersteunt het landelijke beleid dat behoud in situ, behoud van een' archeologische vindplaats in de bodem, in principe de voorkeur heeft boven behoud ex situ. Tegelijk is behoud in de bodem niet altijd mogelijk, bijvoorbeeld wanneer er gebouwd wordt of natuurontwikkeling plaatsvindt. Het nieuwe beleid wordt toegepast bij nieuwe planologische ontwikkelingen, waaronder het voorliggende bestemmingsplan. Het plangebied ligt in een zone op de archeologische beleidskaart 2021 waarvoor geldt dat Archeologisch inventariserend veldonderzoek verplicht is als de oppervlakte van de ingreep groter is dan 500 m2 én de diepte van de ingreep dieper reikt dan 30 cm -Mv.
Afbeelding - uitsnede beleidskaart Archeologie met legenda. Het voorliggende bestemmingsplan maakt geen nieuwe bebouwing of grondwerkzaamheden dieper dan 30 cm mogelijk. Het bestemmingsplan maakt geen inbreuk op eventuele aanwezige archeologische waarden en archeologisch onderzoek is nu niet noodzakelijk. Om te voorkomen 35/40 - ontwerp - NL.IMRO.1960.ASPEngweg5tm9-ONT2 -
dat bij toekomstige activiteiten alsnog archeologische waarden worden verstoord, is een dubbelbestemming Waarde - Archeologie opgenomen. Conclusie Er worden in dit bestemmginsplan geen directe ingrepen mogelijk gemaakt die de eventuele archeologische verwachtingswaarden aan kunnen tasten. Ter bescherming van deze verwachtingswaarden is bovendien een dubbelbestemming opgenomen.
6.8 Waterparagraaf Sinds 1 november 2003 is voor alle ruimtelijke plannen de watertoets verplicht. Het doel van de watertoets is waterbelangen evenwichtig mee te nemen in het planvormingsproces van Rijk, Provincies en gemeenten. Hiermee wordt een veilig, gezond en duurzaam watersysteem nagestreefd. De toets omvat het gehele proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de in ruimtelijke plannen voorkomende waterhuishoudkundige aspecten. Waterbeheersplan 2022-2027 Het Waterbeheerprogramma 'Versterken, verbinden, vergroenen' beschrijft wat Waterschap Rivierenland in de planperiode 2022-2027 wil bereiken, met wie, hoe men dat wil gaan doen en waarom. In het waterbeheerprogramma zijn voor het waterbeheer de kaders gegeven en de opgaven gedefinieerd. De visie van Waterschap Rivierenland is vertaald in 8 hoofdthema's: beschermen tegen overstromingen; water eerlijk verdelen; voorbereiden op extreem weer; streven naar schoon water van een goede biologische kwaliteit; bijdragen aan een fijne leefomgeving voor mens en natuur; kwaliteitsverbetering zwemwater; toewerken naar klimaaten energieneutraliteit; toewerken naar circulariteit. Gemeentelijke verordening afvoer regen- en grondwater Op 19 mei 2021 is de gemeentelijke verordening afvoer regen- en grondwater in werking getreden.
Met deze verordening wil de gemeente wateroverlast voorkomen en op basis van deze verordening is het voor nieuwe verhardingen in de toekomst noodzakelijk om regenwater dat op daken, stoepjes en inritten valt voortaan op eigen terrein op te vangen. Bij eventuele aanvullende verhardingen zal dan ook aan deze verordening getoetst worden. Verharding De nieuwe verharde voorziening (met een afmeting van circa 400m2) biedt ruimte voor een keerlus (waarmee de relatief smalle Engweg wordt ontlast) en parkeren. Dit gaat om gewoon parkeren van personenauto's en het parkeren van vrachtauto's. Voertuigonderhoud is niet mogelijk ter plekke van de nieuwe voorziening en derhalve is het vastleggen van een nulsituatieonderzoek niet nodig. Bij de inrichting van het plangebied worden geen uitloogbare materialen gebruikt of opgeslagen. Het water dat op de nieuwe verharding valt, wordt gedeeltelijk op eigen terrein geinfiltreerd in de groenstroken rondom het terrein en het hemelwater dat op het noordelijk deel van het terrein valt, wordt afgewaterd richting de sloot die hier aanwezig is.
Ter voorbereiding op deze werkzaamheden heeft reeds in 2018 overleg met het Waterschap Rivierenland plaatsgevonden, wat uiteindelijk ook geresulteerd heeft in een vergunning die verleend is door het Waterschap (met kenmerk 2017057274/ 2017063148) voor de aanleg van de inrit die in 2019 is aangelegd (met een verhard oppervlak van circa 400 m2 ten westen van de bestaande bedrijfsbebouwing in het verlengde van de nieuwe inrit) en daarmee samenhangend het realiseren van een duiker om deze inrit mogelijk te maken. Uitkomst hiervan is ondermeer geweest dat de aanwezige sloot gedeeltelijk overkluisd is en gedeeltelijk verbreed (over een lengte van circa 10 meter en met een breedte van circa 1,5 meter) is op het terrein van Van Roon, waarmee meer retentie ruimte is gerealiseerd. Voor eventuele aanvullende bebouwing of verharding die in te toekomst gerealiseerd wordt, zal indien van toepassing volgens de keur een vergunning bij het Waterschap worden aangevraagd; 36/40 - ontwerp - NL.IMRO.1960.ASPEngweg5tm9-ONT2 -
dat is voor dit voornemen niet aan de orde. Het Waterschap Rivierenland heeft (per mail d.d. 19 april 2023) aangegeven geen opmerkingen op het plan te hebben. Conclusie Er zijn geen effecten te verwachten op het gebied van water bij vaststelling van dit bestemmingsplan.
6.9 Externe veiligheid Algemeen Het beleid voor externe veiligheid is gericht op het verminderen en beheersen van risico's van zware ongevallen met gevaarlijke stoffen in inrichtingen en tijdens het transport ervan. Op basis van de criteria zoals onder andere gesteld in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) worden bedrijven en activiteiten geselecteerd die een risico op zware ongevallen met zich mee (kunnen) brengen. Daarbij gaat het vooral om de grote chemische bedrijven, maar ook om kleinere bedrijven als LPG-tankstations en opslagen van bestrijdingsmiddelen. Daarnaast zijn (hoofd)transportassen voor gevaarlijke stoffen, zoals buisleidingen, spoor-, auto-, en waterwegen, ook als potentiële gevarenbron aangemerkt. Het externe veiligheidsbeleid heeft tot doel zowel individuele burgers als groepen burgers een minimum beschermingsniveau te bieden tegen een ongeval met gevaarlijke stoffen. Om dit doel te bereiken zijn gemeenten en provincies verplicht om bij besluitvorming in het kader van de Wet milieubeheer en de Wet op de ruimtelijke ordening de invloed van een risicobron op zijn omgeving te beoordelen. Beoordeling situatie In de directe nabijheid van het plangebied zijn geen bronnen op het gebied van externe veiligheid gelegen die invloed hebben op risico's binnen dit plangebied.
Planologische relevante leidingen zijn leidingen die bescherming in het bestemmingsplan behoeven. Dit zijn bijvoorbeeld rioolwaterpersleidingen met een grote diameter en waterleidingen met een regionale functie. Op deze leidingen zijn geen veiligheidsafstanden van toepassing, maar wordt wel rekening gehouden met een zakelijk rechtstrook van de leidingen. Door binnen deze strook een bouwverbod op te nemen, wordt beschadiging van de leiding voorkomen. De bedrijfsmatige activiteiten die uitegeoefend worden en toegestaan zijn in het plangebied betreffen activiteiten in een relatief lage milieucategorie en zijn dan ook geen Bevi inrichtingen. In de bedrijven zijn ook geen gevaarlijke stoffen aanwezig. De enige mogelijke relatie met externe veiligheid die denkbaar is vanuit het plangebied heeft betrekking op de gasflessen die aanwezig zijn. Er is in de bedrijfsbebouwing geen voorraad gasflessen aanwezig, enkel de flessen die benodigd zijn voor de werkzaamheden en dus als werkvoorraad aanwezig zijn op de laskarren. Tussen een gasflessenopslag en de erfgrens, bouwwerken en brandbare objecten binnen de inrichting moet, conform de handleiding PGS 15, voldoende weerstand tegen branddoorslag en brandoverslag (wbdbo) aanwezig zijn, waarbij het aanhouden van afstand (tot erfgrenzen of bebouwing) bijdraagt aan het voldoen aan de vereiste wbdbo.
Bij een afstand van meer dan 10 meter tussen opslag en erfgrens, bouwwerken en brandbare objecten vervallen de eisen voor de wbdbo. Op onderhavige locatie wordt voldaan aan deze voorwaarden aangezien voldaan wordt aan de 10 meter afstand. Conclusie Het aspect externe veiligheid vormt geen belemmering voor vaststelling van dit bestemmingsplan. 37/40 - ontwerp - NL.IMRO.1960.ASPEngweg5tm9-ONT2 -
6.10
Milieueffectrapportage
In de Wet Milieubeheer en in het Besluit milieueffectrapportage wordt onderscheid gemaakt tussen activiteiten, die m.e.r-plichtig zijn (de zogenaamde bijlage C activiteiten) en activiteiten, die m.e.r.-beoordelingsplichtig zijn (de zogenaamde bijlage D activiteiten). Tot slot is voor activiteiten die wel genoemd zijn bij bijlage D, maar die niet voldoen aan de gestelde drempelwaarde, de verplichting tot het vaststellen op grond van de selectiecriteria in de EEG-richtlijn milieueffectbeoordeling of sprake is van geen m.e.r.-beoordelingsplicht in het ruimtelijk plan. Voor de beantwoording van de vraag of er een m.e.r.-(beoordelings) plicht bestaat voor de ruimtelijke ontwikkeling is allereerst het bepaalde in het Besluit mer van belang. De verplichting tot het opstellen van een m.e.r. is opgenomen in artikel 7.2 Wet milieubeheer (Wm). Dit artikel vormt een omzetting van de EG-m.e.rrichtlijnen. Voor de beantwoording van de vraag of voor een concreet plan een m.e.r. dient te worden doorlopen, dient primair te worden beoordeeld of de activiteit valt binnen de onderdelen C en D van de Bijlage bij het Besluit m.e.r. Onderdeel C geeft aan wanneer sprake is van een m.e.r.-plicht. Een onderscheid dient te worden gemaakt tussen een plan-m.e.r. (kolom 3 van onderdeel C) en een besluitm.e.r (kolom 4 van onderdeel C).
Onderdeel D geeft de activiteiten en gevallen aan waarin sprake is van een m.e.r.beoordelingsplicht (dan moet worden nagegaan of er al dan niet sprake is van significante milieugevolgen en als deze aan de orde zijn dient een m.e.r. plaats te vinden). Plan Het plangebied heeft in de vigerende beheersverordening “Kern Asperen” reeds de bestemming ‘Bedrijf’ met een specifieke vorm van bedrijf 'groothandel in lichtreclame (inclusief werkplaats). Het plangebied kent slechts deels een aanduiding waarmee bedrijfsvoering van categorie 2 is toegestaan. Het voorliggend plan voorziet in de mogelijkheid tot vestiging van bedrijven met categorie 2. Aanvullend hierop wordt wel een keerlus aangelegd waardoor vrachtwagen niet meer vooruit en achteruit hoeven te manoeuvreren. Er vindt geen uitbreiding plaats van het areaal met stedelijke functies. Het plangebied maakt geen deel uit van een beschermd gebied en/of locatie betreffende: Natura2000, Beschermd natuurmonument, Wetland, Nationaal Park of Natuurnetwerk Nederland (Gelders Natuurnetwerk). Als gevolg van de planontwikkeling zal er geen toename plaatsvinden in het aantal verkeersbewegingen, zoals onderbouwd in paragraaf 4.3. Op basis van bovenstaande betreft het onderhavige plan geen ‘stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in activiteit D 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r.
Op basis hiervan is het doorlopen van een m.e.r.-beoordelingsprocedure niet vereist dan wel noodzakelijk. In de voorgaande hoofdstukken zijn de verschillende milieuaspecten nader onderbouwd. Hieruit blijkt dat er door de voorgenomen ruimtelijke ontwikkeling geen sprake zal zijn van nadelige milieueffecten. Conclusie Het onderhavige plan betreft geen ‘stedelijk ontwikkelingsproject, zoals bedoeld in activiteit D 11.2 in de bijlage van het Besluit m.e.r. Er zijn tevens geen belangrijke nadelige milieugevolgen te verwachten en zijn er geen gevolgen voor kwetsbare gebieden. Gezien de aard van de ingreep zijn verder geen negatieve effecten te verwachten, zodat op basis hiervan verder kan worden afgezien van het verrichten van een (vorm)vrije m.e.r.-beoordeling.
38/40 - ontwerp - NL.IMRO.1960.ASPEngweg5tm9-ONT2 -
Hoofdstuk 7 Economische uitvoerbaarheid 7.1 Economische uitvoerbaarheid Op grond van het bepaalde in artikel 6.12 lid 1 Wet ruimtelijke ordening is de gemeenteraad verplicht bij de vaststelling van een ruimtelijk plan een exploitatieplan vast te stellen voor gronden waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen. In het bestemmingsplan 'Engweg 5 - 7 - 9' is geen bouwplan als bedoeld in artikel 6.2.1 van het Besluit ruimtelijke ordening voorzien. In afwijking van het bepaalde in artikel 6.12, lid 1 Wet ruimtelijke ordening bepaalt lid 2 van dit artikel dat de gemeenteraad kan besluiten bij de vaststelling van het bestemmingsplan geen exploitatieplan vast te stellen omdat sprake is van een privaat initiatief. Op basis van de onderbouwing uit de toelichting zijn geen nadelige gevolgen voor omliggende functies te verwachten. Hiermee is de financiële haalbaarheid gewaarborgd. Conclusie Op basis van het vorenstaande kan worden vastgesteld dat de economische uitvoerbaarheid gewaarborgd is.
39/40 - ontwerp - NL.IMRO.1960.ASPEngweg5tm9-ONT2 -
Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak 8.1 Vooroverleg ex artikel 3.1.1 Bro De gemeente heeft er bij dit plan voor gekozen om geen vooroverleg conform artikel 3.1.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) te voeren en derhalve is het plan in het kader van het vooroverleg niet aan de diverse instanties toegezonden.
8.2 Zienswijzen Op de voorbereiding van een ruimtelijke procedure is afdeling 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 3.8 van de Wet ruimtelijke ordening van toepassing. Het ontwerp bestemmingsplan en bijbehorende stukken zijn ter beoordeling aan de diverse instanties toegezonden. Teven heeft het ontwerpbestemmingsplan en de bijbehorende stuken gedurende zes weken ter inzage gelegen. PM In deze periode zijn wel/geen zienswijzen ingediend.
40/40 - ontwerp - NL.IMRO.1960.ASPEngweg5tm9-ONT2 -