RV2023-083-Bijlage-2-Beperkte-verantwoording-EV-Waardenburg-juli-2023.pdf
Tekst van het document
Beperkte verantwoording groepsrisico
Koningin Wilhelminalaan en Koningin Julianaplantsoen, Waardenburg
De Milieuadviseur Datum: 16 augustus 2023 Projectnummer: 21127
Colofon
De Milieuadviseur Amsterdamseweg 86 6814 GG Arnhem 06 - 29 33 43 53 info@milieuadviseur.nl
Project: Gemeente: Projectnummer: Datum
Beperkte verantwoording groepsrisico Koningin Wilhelminalaan en Koningin Julianaplantsoen, Waardenburg West Betuwe 21127 16 augustus 2023
Opdrachtgever: Contactpersoon:
Legalexion Sander van Keulen
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, elektronisch of op welke wijze dan ook, zonder schriftelijke toestemming van de auteurs.
Inhoud 1 1.1 1.2 2 2.1 2.2 2.3 3 3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 4 5 5.1 5.2 5.3 6 7
Inleiding Aanleiding Doel van het onderzoek Wettelijk kader Weg, spoor, water Buisleidingen Inrichtingen Risicobronnen Wegen Spoorwegen Buisleidingen Inrichtingen Waterwegen Conclusie groepsrisico Omvang verantwoordingsplicht Verantwoording hoogte van het groepsrisico Bevt - Wegtransport en spoorweg Bevb - Transport door buisleidingen Bevi - LPG-tankstation Verwerking van het advies Veiligheidsregio Conclusie
3 3 3 4 4 4 4 5 5 6 9 10 10 10 11 12 12 15 19 23 24
Bijlagen Bijlage A: Berekening groepsrisico voor het LPG-tankstation Esso Waardenburg Bijlage B: Advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid Bijlage C: Transportwaarden van de spoorlijn Meteren – Den Bosch uit 2022
1
2
1
Inleiding
1.1
Aanleiding Op twee locaties in de kern van Waardenburg is woningbouw gepland. Locatie Koningin Julianaplantsoen. De bestaande 24 woningen worden vervangen door 26 woningen. Locatie Koningin Wilhelminalaan. De bestaande 4 woningen worden vervangen door 5 woningen. In de onderstaande figuur zijn de twee locaties gemarkeerd:
Locatie Koningin Wilhelminalaan
Locatie Koningin Julianaplantsoen
Figuur 1: Globale ligging van de twee locaties
1.2
Doel van het onderzoek Voor de ontwikkeling wordt een ruimtelijke procedure doorlopen. De externe veiligheidssituatie alsmede de voorwaarden voor de ruimtelijke invulling. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van activiteiten, die een risico voor de omgeving kunnen opleveren zoals risico’s die kunnen optreden bij de productie, het gebruik en de opslag van gevaarlijke stoffen binnen inrichtingen, maar ook het transport van gevaarlijke stoffen over de weg, het water, het spoor of door ondergrondse leidingen. In het kader van dit plan is door de Omgevingsdienst Rivierenland aan de Veiligheidsregio GelderlandZuid advies gevraagd. Het advies van de veiligheidsregio is bijgevoegd in dit rapport als bijlage B. Het advies van de veiligheidsregio is verwerkt in dit rapport.
3
2
Wettelijk kader
2.1
Weg, spoor, water Het beleid voor vervoer van gevaarlijke stoffen via weg, binnenvaart en spoorweg is opgenomen in het Basisnet. Het Basisnet beoogt voor de lange termijn (2020, met uitloop naar 2040) aan de gemeenten duidelijkheid te bieden over de maximale risico’s die het transport van gevaarlijke stoffen mag veroorzaken. Die maximaal toelaatbare risico’s worden met de bijbehorende risicozones voor alle relevante spoor-, weg- en vaarwegtrajecten in tabellen vastgelegd. Het Basisnet bestaat uit drie onderdelen: Basisnet spoor, Basisnet weg en Basisnet water. Het Basisnet is in de wet- en regelgeving verankerd door o.a. een wijziging van de Wet vervoer gevaarlijke stoffen, het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt) en de Regeling Basisnet, welke op 1 april 2015 in werking zijn getreden. Overeenkomstig het Bevt (artikel 8, lid 1) en de HART (paragraaf 2.1) hoeven geen beperkingen aan het ruimtegebruik van een plan te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt. Indien de risicobron op meer dan 200 meter afstand van het plangebied is gelegen, hoeft geen berekening plaats te vinden van de ligging van de plaatsgebonden risicocontouren of de (toename van) de hoogte van het groepsrisico.
2.2
Buisleidingen Bij de realisatie van (beperkt) kwetsbare objecten dient tevens rekening te worden gehouden met het vervoer van gevaarlijke stoffen door buisleidingen waarvoor bepaalde aan te houden risicoafstanden gelden. Per 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) in werking getreden. Dit besluit sluit aan bij de risiconormering uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi). Eventuele risico’s van buisleidingen zijn pas relevant indien de effecten van een ongeval de plangrens kan overschrijden. Om inzicht te krijgen in de bandbreedte van het invloedsgebied van buisleidingen wordt tabel 1 ‘Diameter en druk afhankelijke afstand ter inventarisatie bebouwing bij een bepaald tracé’ gehanteerd die opgenomen is in de notitie ‘Eisen omgevingsdata in het kader van groepsrisicoberekeningen bij ruimtelijke ontwikkeling, revisie 4’ van de N.V. Nederlandse Gasunie. Hieruit blijkt dat de grootst mogelijke inventarisatieafstand van een buisleiding 580 meter bedraagt.
2.3
Inrichtingen Voor risicovolle activiteiten en/of risicovolle installaties bij inrichtingen worden ten aanzien van het milieuhygiënische aspect externe veiligheid regels gesteld in het Activiteitenbesluit milieubeheer. In het Activiteitenbesluit milieubeheer wordt aangesloten op de van toepassing zijnde publicatiereeks Gevaarlijke Stoffen (PGS). Daarnaast is een aantal rechtstreeks geldende besluiten van belang waarin te respecteren veiligheidsafstanden en/of risicocontouren zijn opgenomen. Hierbij kan gedacht worden aan het Besluit risico’s zware ongevallen (Brzo 1999), het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi), de Circulaire opslag ontplofbare stoffen voor civiel gebruik en het Vuurwerkbesluit.
4
3
Risicobronnen De bestaande 24 woningen worden vervangen door 26 woningen in de locatie Koningin Julianaplantsoen. Op deze locatie is er sprake van een beperkte toename van het aantal (2) woningen. Deze toename is dusdanig beperkt dat het aantal personen nabij de risicobronnen niet significant toeneemt bij de locatie Koningin Julianaplantsoen. De bestaande 4 woningen worden vervangen door maximaal 5 woningen in de locatie Koningin Wilhelminalaan. Op deze locatie is er sprake van een beperkte toename van één woning. Deze toename is dusdanig beperkt dat het aantal personen nabij de risicobronnen niet significant toeneemt de locatie Koningin Wilhelminalaan. Nabij de twee ontwikkelingslocaties zijn verschillende risicobronnen aanwezig. In dit hoofdstuk zijn de risicobronnen inzichtelijk gemaakt.
3.1
Wegen De locatie Koningin Julianaplantsoen ligt in de directe nabijheid van de A2 (57 meter).De locatie Koningin Wilhelminalaan ligt op meer dan 300 meter van de A2. Uit bijlage I van de Regeling basisnet blijkt dat op het weggedeelte van de A2 een PR 10-6-risicocontour geldt van 0 meter. De PR 10-6risicocontour reikt derhalve niet tot aan beide plangebieden. Tevens blijkt uit de regeling basisnet dat voor dit weggedeelte geen sprake is van een plasbrandaandachtsgebied. Over deze weg vinden transporten plaats van brandbare vloeistoffen (LF1, LF2), brandbare gassen (GF2 en GF3) en toxische stoffen (LT1, LT2 en GT3). De invloedsgebieden van de brandbare gassen en de toxische stoffen reiken tot over het plangebied. Het effect van deze stoffen op de planvorming dient nader te worden beschouwd. De nieuwe woningen in de locatie Koningin Wilhelminalaan hebben ongeveer ruime afstand van 370 meter van de A2. De nieuwe woningen liggen op ongeveer dezelfde afstand tot de A2 dan in de huidige situatie. Hierdoor zal er geen sprake zijn van verandering van de groepsrisicocurve van de A2. De realisatie van de nieuwe woningen in de locatie Koningin Wilhelminalaan heeft dan ook een verwaarloosbare bijdrage op de hoogte van het groepsrisico.
5
3.1.1 Groepsrisico In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van relevante afstanden van de A2 en afstand tot nieuwe woningen (bouwvlak) in het plangebied.
Gegevens van de A2 PR 10-6 risicocontour in meters
Brand- of explosie aandachtsgebieden in meters
Invloedsgebied in meters
0
200
880
A2
Afstand van de snelweg tot ontwikkeling in meters Koningin JulianaKoningin plantsoen Wilhelminalaan 57
370
Tabel 1: Overzicht van de A2
Het groepsrisico van de A2 wordt bepaald door het transport van stofcategorie GF3 (brandbaar gas). Een deel van de A2 loopt echter langs het woongebied van Waardenburg, waarbij aan de westzijde van de A2 een bedrijventerrein en aan de oostzijde woonwijken zijn gelegen. Op grond van de toegelaten bestemmingen aan weerszijde van de A2 en “Vuistregels externe risico’s transport gevaarlijke stoffen” van de Handleiding Risicoanalyse Transport (HART) mag worden aangenomen dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden. Voor twee woningbouwplannen in de kern van Zaltbommel is het groepsrisico1 voor de A2 bepaald. Het berekende groepsrisico bedraagt 0,0265 en 0,0317 door de A2. Doordat de hoeveelheid getransporteerde gevaarlijke stoffen ter hoogte van Waardenburg en Zaltbommel gelijk is en de bebouwingsdichtheid in de kern van Zaltbommel hoger is dan de kern van Waardenburg zal het groepsrisico in Waardenburg lager zijn 0,0317. Het groepsrisico is dan ook lager dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde afkomstig van de A2 afkomstig bij de kern van Waardenburg.
3.2
Spoorwegen Spoortraject Meteren-Den Bosch In locatie Koning Wilhelminalaan ligt in de directe nabijheid het Spoortraject Meteren-Den Bosch (ongeveer 35 meter). De locatie Julianaplantsoen ligt op circa 250 meter van het Spoortraject MeterenDen Bosch Volgens de Regeling basisnet bij het Bevt hoeft op het traject Meteren-Den Bosch in de huidige situatie geen rekening gehouden te worden met structureel vervoer van gevaarlijke stoffen. Er bestaat echter een reële kans dat in de toekomst het traject Meteren - Den Bosch wordt aangewezen als basisnetroute voor het structureel vervoer van gevaarlijke stoffen (bron: Beleidsvisie externe veiligheid West Betuwe 2019 – 20232).
6
1
Externe veiligheid Waluwe III, uitgevoerd Anteagroup, , projectnummer: 0437684.00, d.d. 10 februari 2021 https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0297.ZBMBP20210002-VS01/b_NL.IMRO.0297.ZBMBP20210002VS01_tb3.pdf en Milieuonderzoek Waluwe III, uitgevoerd Anteagroup, projectnummer 0437684.100, d.d. 24 september 2019 https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0297.ZBMBP20190017-VS01/b_NL.IMRO.0297.ZBMBP20190017VS01_tb1.pdf
2
Beleidsvisie externe veiligheid West Betuwe 2019 – 2023, vastgesteld door de gemeenteraad van West-Betuwe
In de Beleidsvisie externe veiligheid West Betuwe 2019-2023 is hierover het volgende vermeld: De meest relevante zone voor een verantwoording van het groepsrisico (GR) reikt tot 200 meter. Uitgaande van het Bevt is een GR-berekening en uitgebreide verantwoording alleen nodig bij ruimtelijke plannen binnen 200 m vanaf de buitenrand van een transportroute, waarbij het GR groter is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde én de toename groter is dan 10% dan wel de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Op grond van het "Besluit externe veiligheid transportroutes" zal ook een beperkte GRverantwoording moeten plaatsvinden binnen het invloedsgebied (995 meter, i.v.m. transport van stofcategorie B2, z.g. toxische gassen) van de spoorlijn. Betuweroute Op grote afstand van het plangebied (±3000 m) ligt de Betuweroute. Over deze spoorlijn worden o.a. D4 en B3 stoffen vervoerd, welke een invloedsgebied hebben van groter 4000 meter. Het effect van deze stoffen op de planvorming dient nader te worden beschouwd in een beperkte verantwoording.
3.2.1 Groepsrisico In de onderstaande tabel zijn de relevante afstanden voor externe veiligheid voor de ontwikkeling en afstand tot nieuwe woningen (bouwvlak) in het plangebied weergegeven.
Gegevens van de spoorlijnen
spoortraject Meteren-Den Bosch Betuwelijn
PR 10-6 risicocontour in meters
Brand- of explosie aandachtsgebieden in meters
Invloedsgebied in meters
Afstand van de spoorlijn tot ontwikkeling in meters Koningin JulianaKoningin plantsoen Wilhelminalaan
30
200
4.000
250
39
30
200
4.000
3.000
2.850
Tabel 2: Overzicht van de spoorlijnen
7
Spoorlijn Meteren – Den Bosch Uit de ‘Rapportage toetsing realisatiecijfers vervoer gevaarlijke stoffen over het spoor aan de risicoplafonds Basisnet, Jaar 2022’, opgesteld door AVIV, Versie RO_22_K4 v01, d.d. 22 maart 20233, blijkt dat over het spoortraject Meteren – Den Bosch gevaarlijke stoffen zijn vervoerd in 2022. De tabel met vervoerde gevaarlijke stoffen in 2022 is weergeven in bijlage C. In de onderstaande tabel is de samenvatting van de vervoerde gevaarlijke stoffen in 2022 en toegestane vervoerde gevaarlijke stoffen uit het Basisnet weergeven.
Transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Meteren – Den Bosch
Brandbare gassen (A)
Toegestaan op basis van het Basisnet Gerealiseerde
Gevaarlijke stoffen in ketelwagen-eqivalenten (KWE)/jaar Zeer Toxische Brandbare Toxische Zeer toxische vloeistoffen vloeistoffen gassen (B2) toxische vloeistoffen (D3) (C3) gassen (D4)( (B3) 0
0
0
0
0
3.570
56
0
1.339
Totaal
0 0
97
19
5.081
Tabel 3: Vervoerde gevaarlijke stoffen in 2022
Uit de bovenstaande tabel blijkt dat in 2022 meer gevaarlijke stoffen over de spoorlijn Meteren – Den Bosch zijn getransporteerd dan is toegestaan op basis van het Basisnet. In het kader van een goede ruimtelijke ordening is voor de beoordeling van het groepsrisico uitgegaan van de feitelijke situatie (dus met het vervoer van gevaarlijke stoffen). In het kader van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer (PHS) is onderzocht hoe het goederenvervoer over het spoor beter kan worden verspreidt over het bestaande spoorwegnetwerk. In het kader van het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer wordt ook goederenvervoer met gevaarlijke stoffen toegestaan op de spoorlijn Meteren – Den Bosch. Door het Programma Hoogfrequent Spoorvervoer wordt het Basisnet aangepast (opgehoogd) naar de gewenste situatie, daarmee verdwijnt de huidige van het Basisnet opgelost. Voor het Tracébesluit is een onderzoek externe veiligheid4 met een groepsrisicoberekening uitgevoerd. In dit onderzoek is het groepsrisico berekend voor de toekomstige situatie met het transport van gevaarlijke stoffen over de spoorlijn. Uit deze berekening blijkt dat het groepsrisico bij de kern van Waardenburg maximaal 0,003 van de oriëntatiewaarde bedraagt. Door de realisatie van beide woningbouwplannen neemt het slechts 3 woningen in Waardenburg slechts zeer beperkt toe.
Het groepsrisico door het plan neemt dan ook maar verwaarloosbaar toe. Betuwelijn Ten noorden van de A15 ligt de Betuweroute op ruime afstand (ongeveer 3 kilometer). Beide ontwikkelingslocaties liggen binnen het invloedsgebied van de Betuwelijn. Door de gehele ontwikkeling (Locatie Koningin Julianaplantsoen en Koningin Wilhelminalaan) neemt het aantal woningen in Waardenburg toe met 3. In de kern van Waardenburg waren in 2022 854 woningen (bron CBS). De toename van het aantal woningen (en daarmee het aantal personen) in de kern van Waardenburg is daarmee zeer beperkt [(3/854*100%=) 0,35%]. De realisatie van de nieuwe woningen heeft dan ook een verwaarloosbare bijdrage op de hoogte van het groepsrisico van de Betuweroute. 3 4
8
https://www.infomil.nl/onderwerpen/veiligheid/basisnet/spoor/#h979c1e76-d694-4b59-bd38-5da9d74158a9 Deelonderzoek EV (QRA) - Externe Veiligheid (MB1.7.1-04), PHS Meteren – boxtel, uitgevoerd door Arcadis, d.d. 1 april 2019, https://platformparticipatie.nl/meterenboxtel/tracbesluit+23/relevante+documenten+114/handlerdownloadfiles.ashx?idnv=1848990
3.3
Buisleidingen In de nabijheid van het plangebied (zoekstraal: grootst mogelijk invloedsgebied, zijnde 580 meter) zijn twee buisleiding aanwezig. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van deze aardgastransport-leidingen met invloedsgebied en afstand tot nieuwe woningen (bouwvlak) in het plangebied.
Gegevens van de aardgastransportleiding Buisleiding
W-531-01 W-531-06
Diameter in inch
6,61 12,76
Druk in bar
40 40
Inventarisatie afstand in meters
70 140
Afstand van de leiding tot de woningen (bouwvlak) in meters Koningin Koningin Juliana- Wilhelmina plantsoen -laan 270 270
70 70
Ontwikkeling binnen inventarisatie-afstand Koningin Julianaplantsoen
Koningin Wilhelminalaan
Nee Nee
Ja Ja
Tabel 4: Overzicht van de aardgastransportleiding
De ontwikkeling Koningin Wilhelminalaan ligt binnen de inventarisatieafstanden van de buisleidingen. Het transport van gevaarlijke stoffen over door buisleidingen vormt dan ook een aandachtspunt bij de planvorming.
3.3.1 Groepsrisico Nabij de locatie Wilhelminalaan is in het kader van de ontwikkeling van een supermarkt met appartementen een groepsrisico-berekening5 uitgevoerd. Op 20 september 2012 is er door AVIV een Corola-berekening uitgevoerd voor de aardgasleidingen Waardenburg. Deze rapportage is naar de gemeente toegestuurd. Uit deze berekening blijkt dat door de realisatie van een supermarkt, winkels en appartementen het groepsrisico niet toeneemt. De realisatie van de twee nieuwbouwwoningen zal dan zeker niet leiden tot een toename van het groepsrisico.
5
Technische rapportage Externe veiligheid aardgasleiding Waardenburg, gemeente Neerijnen, opgesteld door Aviv, behorend bij het bestemmingsplan “Waardenburg, Steenweg 57”, d.d. 20 september 2012, te downloaden op: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0304.BPwaasteenweg57-1303/b_NL.IMRO.0304.BPwaasteenweg571303_tb7.pdf
9
3.4
Inrichtingen Volgens de Risicokaart ligt in de directe omgeving (in een straal van 500 m) van het projectgebied één relevante risicovolle inrichting, te weten een LPG-tankstation met een jaardoorzet van groter dan 1.000 m3 bij het bedrijf LPG-Willemsen aan de Dorpsstraat 8 te Waardenburg. De ontwikkellocaties ligt niet binnen de PR-contour 10-6/jr van deze risicovolle inrichting. De huidige en nieuwe woningen van de locatie Koningin Julianaplantsoen liggen binnen het invloedsgebied voor groepsrisico (contour van 150 meter) gelegen. Hierdoor dient de invloed van deze risicobron op de planvorming van de locatie Koningin Julianaplantsoen nader te worden beschouwd. De nieuwe woningen van de locatie Koningin Wilhelminalaan liggen wel buiten het invloedsgebied van het LPG-tankstation. Deze locatie hoeft dan ook niet nader worden beschouwd. In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van het LPG-tankstation (Dorpsstraat 8, Waardenburg) met invloedsgebied en afstand tot nieuwe woningen (bouwvlak) in het plangebied.
Gegevens van het LPG-tankstation PR 10-6 risicocontour in meters
Brand- of explosie aandachtsgebieden in meters
Invloedsgebied in meters
40
160
160
LPG-tankstation (Dorpsstraat 8)
Afstand van het vulpunt tot de woningen (bouwvlak) in meters Koningin JulianaKoningin plantsoen Wilhelminalaan 68
300
Tabel 5: Overzicht van het LPG-tankstation
3.4.1 Groepsrisico Voor het LPG-tankstation Esso Waardenburg, aan de Dorpsstraat 8, is een nieuwe LPG-groepsrisicoberekening uitgevoerd. De huidige situatie en de nieuwe situatie (extra 2 woningen in de 100 meter cirkel) zijn doorgerekend. De berekening van de groepsrisico voor het LPG-tankstation Esso Waardenburg is weergegeven in bijlage A. Hieruit blijkt dat in de huidige situatie de normwaarde 0,242 van de oriëntatiewaarde is en in de nieuwe situatie is de normwaarde 0,244 van de oriëntatiewaarde. Door de realisatie van twee extra woningen nabij het LPG-tankstation neemt de groepsrisico dan ook verwaarloosbaar toe. Binnen de kern van Waardenburg bevinden zich geen situaties waar in de huidige of de geprojecteerde situatie rond Bevi-inrichtingen de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
3.5
Waterwegen In de nabijheid van het plangebied (zoekstraal: grootst mogelijk invloedsgebied, zijnde 1.070 meter) is géén waterweg aanwezig. Het transport van gevaarlijke stoffen over het water vormt dan ook géén aandachtspunt bij de planvorming.
3.6
Conclusie groepsrisico Uit voorgaande kan geconcludeerd worden dat ter plaatse van het plangebied de oriëntatiewaarde van de hoogte van het groepsrisico voor de A2, gasleidingen en het lpg tankstation aan de Dorpsstraat 8 niet wordt overschreden. Aangezien de planvorming een verwaarloosbare bijdrage op de hoogte van het groepsrisico heeft, geldt deze conclusie eveneens voor de toekomstige situatie
10
4
Omvang verantwoordingsplicht Het Besluit externe veiligheid transportroutes (Bevt), het Besluit externe veiligheid buisleidingen (Bevb) en het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) verplicht het bevoegd gezag om een beoordeling en afweging van de externe veiligheid mee te nemen bij ruimtelijke plannen die in de directe nabijheid zijn gelegen van een risicobron. Het Bevt , het Bevb en het Bevi geven een opsomming van onderdelen die in ieder geval in de verantwoording van het groepsrisico dienen te worden opgenomen Onderdelen die in de verantwoording moeten zijn opgenomen, betreffen: 1. Aanwezige dichtheid van personen in het invloedsgebied van de betrokken risicobron (Bevt/Bevi/Bevb). 2. De omvang van het groepsrisico (Bevt/Bevi/Bevb). 3. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico bij de betrokken inrichting(en) en/of transportroute (Bevt) 4. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in het ruimtelijke besluit (Bevt/Bevb) 5. andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan (Bevb) 6. De mogelijkheden tot voorbereiding op en bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval (Bevt/Bevi/Bevb). 7.
De mogelijkheden van personen die zich in het invloedsgebied van de risicobron bevinden om zichzelf in veiligheid te brengen (Bevt/Bevi/Bevb). 8. De voor- en nadelen van andere mogelijkheden tot ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico (Bevt). 9. De mogelijkheden en voorgenomen maatregelen ter beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst (Bevt/Bevi). 10. Het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar ( Bevb ) Ten aanzien van transportassen waarover transporten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden wordt bij deze verantwoordingsplicht groepsrisico onderscheid gemaakt tussen een volledige verantwoording en een beperkte verantwoording. Op grond van het Bevt is een uitgebreide verantwoording alleen nodig bij ruimtelijke plannen binnen 200 m vanaf de buitenrand van een transportroute, waarbij het GR groter is dan 0,1 maal de oriëntatiewaarde én de toename groter is dan 10% dan wel de oriëntatiewaarde wordt overschreden.
Bij een beperkte verantwoordingsplicht kan volstaan worden met een beschouwing van de mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp en de mogelijkheden van zelfredzaamheid. Een beperkte verantwoording is altijd minimaal aan de orde bij het toelaten van een (beperkt) kwetsbaar object binnen het invloedsgebied van een transportroute. Conclusie Gezien de beperkte toename van het aantal woningen (totaal 3) op de beide locaties zorgt voor een zeer beperkte toename van de groepsrisico en daarmee zeer beperkte toename van de oriëntatiewaarde. De toename van de oriëntatiewaarde is veel minder dan 10 % hierdoor kan worden volstaan met een beperkte verantwoording van het groepsrisico.
11
5
Verantwoording hoogte van het groepsrisico Met het invullen van de verantwoordingsplicht wordt antwoord gegeven op de vraag in hoeverre externe veiligheidsrisico's in het plangebied worden geaccepteerd en welke maatregelen getroffen zijn om het risico zoveel mogelijk te beperken. Het invullen van de verantwoordingsplicht is een taak van het bevoegd gezag. Door de verantwoordingsplicht worden gemeenten verplicht het externe veiligheidsaspect mee te laten wegen bij het maken van ruimtelijke keuzes. Deze verantwoording is kwalitatief en bevat verschillende onderdelen die aan bod kunnen of moeten komen. Ook bestaat de verplichting om de Veiligheidsregio in de gelegenheid te stellen advies uit te brengen. In het kader van dit plan is door de Omgevingsdienst Rivierenland aan de Veiligheidsregio GelderlandZuid advies gevraagd. Het advies van de veiligheidsregio is bijgevoegd in dit rapport als bijlage B. Het advies van de veiligheidsregio is verwerkt in dit rapport. Het Bevi en het Bevt geeft de regionale brandweer/de veiligheidsregio een wettelijke adviestaak bij het invullen van de verantwoordingsplicht. Het advies van de regionale brandweer/ veiligheidsregio gaat vooral over het groepsrisico en mogelijkheden om een ramp of zwaar ongeval te voorkomen of de omvang ervan te beperken en de zelfredzaamheid van personen te vergroten.
5.1
Bevt - Wegtransport en spoorweg Het plangebied Julianaplantsoen is gelegen binnen de 200 meter zone vanaf de A2 en binnen het invloedsgebied IG van de Betuweroute en het spoortraject Meteren-Den Bosch . Aangetoond is echter dat de oriëntatiewaarde niet wordt overschreden en daarnaast de planvorming een verwaarloosbare bijdrage levert op de hoogte van het groepsrisico blijkt uit hoofdstuk 4 van dit rapport. Hiermee kan bij de besluitvorming worden volstaan met een beperkte verantwoording van de risico’s van de A2, . de Betuweroute en het spoortraject Meteren-Den Bosch Voor de spoortrajecten Meteren-Den Bosch welke is gelegen binnen de 200 meter van plangebied Koningin Wilhelminalaan, en de Betuweroute en de A2 welke binnen het IG van plangebied Koningin Wilhelminalaan zijn gelegen kan op grond van afstand tussen het plangebied en de transportas eveneens volstaan worden met een beperkte verantwoording van de risico’s. In een beperkte verantwoording worden de volgende aspecten beschouwd: bestrijdbaarheid; zelfredzaamheid. Als gevolg van het vervoeren van gevaarlijke stoffen over de wegen A2, het spoortraject Meteren- Den Bosch en de Betuweroute ligt de projectlocatie binnen het invloedsgebied van de volgende stoffen: A2: brandbare gassen GF2 en GF3, toxische stoffen LT1, LT2 en GT3.
Spoortraject Meteren-Den Bosch: toxische stoffen B2 en brandbare stoffen LF2 Betuweroute: toxische stoffen D4 en B3
12
5.1.1 Bestrijdbaarheid 5.1.1.1 Beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid”. Opgemerkt wordt dat de planvorming geen wijziging van de bereikbaarheid of de benodigde bluswatercapaciteit tot gevolg heeft. Daarnaast heeft de planvorming geen wijziging van de infrastructuur tot gevolg. 5.1.1.2 Bereikbaarheid Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvals-wegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. 5.1.1.3 Bluswatervoorziening Voor het voorkomen van een warme BLEVE6 dient een aangestraalde tankwagen tijdig (afhankelijk van vullingsgraad en omgevingstemperatuur binnen circa 15 minuten) te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. De brandweer heeft hiervoor voldoende bluswatercapaciteit nodig.
Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tank meteen explodeert. Bij een ongeval met toxische gassen en vloeistoffen kan de brandweer, afhankelijk van de stofintensiteit en het groeiscenario, optreden door de gaswolk neer te slaan of te verdunnen/op te nemen met water. 5.1.1.4 Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden.
6
BLEVE: Boiling liquid expanding vapour explosion.
13
5.1.2 Zelfredzaamheid De zelfredzaamheid geeft aan in welke mate de aanwezigen in het plangebied in staat zijn zich op eigen kracht in veiligheid te brengen door te vluchten of te schuilen in een gebouw. Van belang hierbij is onder andere: mogelijkheden voor ontvluchting van gebied mogelijkheden voor ontvluchting van gebouwen (en interne logistiek); schuilmogelijkheden in gebouwen; de mobiliteit van de aanwezigen; communicatie en informatie / alarmering. Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchting. Het zelfredzame vermogen van personen in de buurt van een risicovolle bron is een belangrijke voorwaarde om grote effecten bij een incident te voorkomen. Het plangebied bevindt zich binnen het invloedsgebied van de A2 en de spoorlijnen Betuweroute en het spoortraject Meteren-Den Bosch) De personen binnen het plangebied kunnen zich bij een eventuele dreigende situatie op eigen kracht goed in veiligheid brengen.
De functie-indeling, de infrastructuur en nieuw te realiseren bebouwing kan op verschillende manieren op de zelfredzaamheid inspelen: de woning zodanig inrichten dat de vluchtwegen van de risicobronnen aflopen; Het toepassen van zo min mogelijk glas aan de risicozijde; De woning dusdanig ontwerpen zodat niet-verblijf ruimten als berging, keuken, wc en trappenhuis aan de gevaarszijde zijn geplaatst. Bouwkundige maatregelen treffen bij de woningen, zoals brandwerende gevels en brandwerend/scherfvrij glas. Op dit moment is het ontwerp van de woningen nog niet bekend. Daardoor is het ook nog niet duidelijk of er glas komt te zitten in de gevels in de richting van de risicobron. Daarom heeft de gemeente West Betuwe besloten om bij de verlening van de Omgevingsvergunning (voormalige bouwvergunning) te besluiten of brandwerende gevels en brandwerend/scherfvrij glas noodzakelijk zijn. Om personen goed te kunnen beschermen tegen de effecten van een giftige gaswolk dienen ramen en deuren goed gesloten te kunnen worden. Tevens moeten de centrale ventilatie van de woningen uitschakelbaar zijn. Voor zover de genoemde maatregelen niet kunnen worden geborgd in het voorliggende bestemmingsplan zullen deze in volgende fasen (ontwerp, uitvoering) nadrukkelijk aan de orde moeten komen. Daarnaast dient aandacht te zijn voor risicocommunicatie (zie paragraaf 5.1.2.1).
5.1.2.1 Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringsinstallatie en risico-communicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op eerder genoemde scenario’s (toxisch en BLEVE). In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van levensbelang om ervoor te zorgen dat de aanwezigen veilig kunnen vluchten. Ook zal de invulling van de risicocommunicatie door de gemeente moeten worden uitgevoerd in het kader van de gemeentelijke informatieplicht over de voorbereiding op en alarmering bij rampen.
14
5.2
Bevb - Transport door buisleidingen Het maatgevende ongevalsscenario voor een hoge druk aardgasleiding is een fakkelbrand, die na een beschadiging van een buisleiding ontstaat als gevolg van een ontsteking. In artikel 12 lid 3 van het Besluit externe veiligheid buisleidingen juncto artikel 8 van de Regeling externe veiligheid buisleidingen is opgenomen wanneer sprake is van het verantwoorden van het groepsrisico. In onderhavige situatie is sprake van een beperkte verantwoordingsplicht voor de buisleiding, waarbij de verantwoording dient in te gaan op de volgende onderdelen: 1. Aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken; 2. Het groepsrisico per kilometer buisleiding op het tijdstip waarop het besluit wordt vastgesteld en de bijdrage van de in dat besluit toegelaten kwetsbare en beperkt kwetsbare objecten aan de hoogte van het groepsrisico, vergeleken met de lijn die de kans weergeeft op een ongeval met 10 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-4 per jaar en de kans op een ongeval met 100 of meer dodelijke slachtoffers van ten hoogste 10-6 per jaar; 3. Indien mogelijk, de maatregelen ter beperking van het groepsrisico die worden toegepast door de exploitant van de buisleiding die dat risico veroorzaakt; 4.
Andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico en de voor- en nadelen daarvan; 5. De mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico in de nabije toekomst; 6. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval; 7. De mogelijkheden voor personen die zich bevinden in het invloedsgebied van de buisleiding of buisleidingen die het groepsrisico mede veroorzaakt of veroorzaken, om zich in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. In de volgende paragrafen is de verantwoording voor de buisleiding weergegeven.
5.2.1 Aanwezige en de te verwachten dichtheid van personen in het invloedsgebied Het ontwikkeling Wilhelminalaan is gelegen in de bebouwde kom van Waardenburg, waardoor de huidige personendichtheid relatief hoog is. Als gevolg van de planontwikkeling neemt het aantal personen binnen de ontwikkeling beperkt toe, aangezien het aantal woningen toeneemt van 4 naar 5 woningen.
5.2.2 Het groepsrisico buisleiding. De externe veiligheidsrisico’s van de buisleiding zijn kwantitatief beschouwd in deze notitie. Nabij de locatie Wilhelminalaan is in het kader van de ontwikkeling van een supermarkt met appartementen een groepsrisico-berekening7 uitgevoerd. Uit deze berekening blijkt dat het groepsrisico in de huidige situatie (situatie na realisatie van de supermarkt) van beide gasleidingen (W53101 en W531-06) ruim onder de oriëntatiewaarde ligt. Het groepsrisico voor leiding W-531-01 en W-531-06 is huidige situatie meer dan 1000 keer kleiner dan de oriëntatiewaarde. De toevoeging van 1 woning langs de gasleidingen blijft het groepsrisico lager dan 0,1 keer de oriëntatiewaarde. Doordat het groepsrisico minder dan 10% toeneemt, het blijft immers gelijk, kan worden volstaan met een beperkte verantwoording.
7
Technische rapportage Externe veiligheid aardgasleiding Waardenburg, gemeente Neerijnen, opgesteld door Aviv, behorend bij het bestemmingsplan “Waardenburg, Steenweg 57”, d.d. 20 september 2012, te downloaden op: https://www.ruimtelijkeplannen.nl/documents/NL.IMRO.0304.BPwaasteenweg57-1303/b_NL.IMRO.0304.BPwaasteenweg571303_tb7.pdf
15
5.2.3 De maatregelen ter beperking van het groepsrisico Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veilig stellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaats vindt, zal de Gasunie de leiding inblokken. Afhankelijk van het systeem en de afstand tot de breuk kan het enkele uren duren voor de leiding is leeg gelopen. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. De fakkel zelf kan niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingdeel leeg is gelopen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten ‘bereikbaarheid calamiteit’ en de ‘(primaire en secundaire) bluswatervoorziening’ speelt hierin een rol.
5.2.4 Andere mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen Het maatgevende scenario voor ongevallen met aardgastransportleidingen is fakkelbrand. Slachtoffers kunnen vallen door de warmtestraling en een drukgolf. Alle aanwezigen die door de vuurbal worden getroffen komen te overlijden. Hiernaast kunnen rondvliegende brokstukken en glasscherven plaatselijk zware schade aanbrengen aan personen en gebouwen. De mogelijkheden om zelfredzaamheid te vergroten Het risico op een incident met een hoge druk aardgasleiding wordt voornamelijk bepaald door het risico van schade aan de leiding door (graaf)werkzaamheden nabij de leiding. Een belangrijkste bronmaatregel om het risico te verkleinen is het opnemen van een aanlegvergunningstelsel voor een strook aan weerszijden van de aardgastransportleiding. Daarnaast dient in het bestemmingsplan te worden opgenomen dat binnen de belemmeringsstrook (4 meter aan weerszijden van de leiding) een bouwverbod geldt. Tot slot wordt geadviseerd om grondwerkzaamheden, zoals heien, op minder dan 20 meter van de buisleiding onder toezicht van de leidingbeheerder te laten uitvoeren. Door deze maatregelen wordt het groepsrisico verder gereduceerd.
5.2.5 Mogelijkheden en de voorgenomen maatregelen tot beperking van het groepsrisico Doordat in het plan grondgebonden woningen worden gerealiseerd, neemt het groepsrisico niet significant toe. Wanneer er gekozen was voor kleinere appartementen, dan zou het aantal woningen (en daarmee het aantal mensen) binnen de ontwikkeling toenemen. Daardoor zou het groepsrisico sterker toenemen. Het gekozen woningprogramma zorgt er dan ook voor dat het groepsrisico is beperkt.
5.2.6 Mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp of zwaar ongeval Voor de bestrijding van een calamiteit is de inrichting van het gebied van belang. Bij een dreigende breuk van een hogedruk aardgasleiding richt de brandweer zich op het veilig stellen van het effectgebied en het voorkomen van een ontsteking. Als uitstroming plaats vindt, zal de Gasunie de leiding inblokken. Afhankelijk van het systeem en de afstand tot de breuk kan het enkele uren duren voor de leiding is leeg gelopen. In geval van een directe ontsteking kunnen hulpdiensten door de enorme hittestraling de fakkel beperkt benaderen om gewonden te helpen. De fakkel zelf kan niet door de brandweer worden geblust. Er dient te worden gewacht tot het ingeblokte leidingdeel leeg is gelopen. Naast het tijdig aanwezig zijn met voldoende materieel is tevens de bereikbaarheid in algemene zin en de specifieke risicolocatie cruciaal. De aspecten ‘bereikbaarheid calamiteit’ en de ‘(primaire en secundaire) bluswatervoorziening’ speelt hierin een rol.
16
5.2.6.1 Beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van een incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de publicatie “Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid” van brandweer Nederland. 5.2.6.2 Bereikbaarheid en bluswatervoorziening Uit voornoemde handreiking volgt het advies dat het plangebied en de risicobronnen goed bereikbaar moeten zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvalswegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is. Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden.
5.2.6.3 Zorgnorm De brandweerzorgnorm is een aanbevolen opkomsttijd die afhankelijk is van het soort object en de risico’s voor de aanwezige personen. De opkomsttijd bestaat uit een optelsom van de uitruktijd en de aanrijdtijd. De uitruktijd betreft de tijd die men heeft vanaf het alarmeren totdat men gereed is om te vertrekken naar het plaats van het incident. De uitruktijd voor een beroepskorps ligt lager dan die van een vrijwillig korps, omdat de beroepsmedewerkers zich in de directe nabijheid van de kazerne bevinden.
5.2.7 Mogelijkheden voor personen in veiligheid te brengen indien zich een ramp of zwaar ongeval voordoet. Het maatgevende scenario voor ongevallen met aardgastransportleidingen is fakkelbrand. Slachtoffers kunnen vallen door de warmtestraling en een drukgolf. Alle aanwezigen die door de vuurbal worden getroffen komen te overlijden. Hiernaast kunnen rondvliegende brokstukken en glasscherven plaatselijk zware schade aanbrengen aan personen en gebouwen. 5.2.7.1 Zelfredzaamheid Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. 5.2.7.2 Mobiliteit van de aanwezigen Binnen het plangebied zijn geen functies voorzien die specifiek bedoeld zijn voor minder zelfredzame personen. Dit betekent dat personen zich bij een eventuele dreigende situatie over het algemeen op eigen kracht goed in veiligheid kunnen brengen. 5.2.7.3 Mogelijkheden voor ontvluchting/schuilen Binnen het invloedsgebied van de aardgastransportleiding is vluchten de beste optie. Wat betreft een fakkelbrand na leidingbreuk geldt dat het zich snel kan ontwikkelen. Afhankelijk van de afstand van aanwezigen tot de aardgasleiding, zijn er scenario´s waarbij vluchten niet of nauwelijks mogelijk is. De hittestraling is daarvoor te groot.
Personen die aanwezig zijn binnen de 100% letaliteitsgrens komen te overlijden. Indien het incident op grotere afstand van het plangebied plaatsvindt zijn de mogelijkheden voor zelfredzaamheid, voor het gebied dat buiten de 100% letaliteitsgrens valt, groter. De beste manier van vluchten is buiten het ‘zicht’ van de fakkel. Aangezien de aanwezigen zich vrijwel allemaal buiten bevinden is vluchten buiten het ‘zicht’ van de fakkel veelal niet mogelijk. Voor gebouwen die binnen het
17
plangebied worden gerealiseerd is het raadzaam rekening te houden met het verhogen van de brandwerendheid van de gevels aan de zijde van de aardgasleiding en het realiseren van veilige vluchtroutes. Hierdoor worden de gevolgen van hittebestraling beperkt. Vluchtroutes moeten personen direct van de calamiteit wegleiden. Bij de inrichting van het plangebied dienen voldoende vluchtwegen aanwezig te zijn om het plangebied in geval van calamiteit te ontvluchten. De vluchtwegen dienen van de leiding af gericht te zijn. 5.2.7.4 Risicocommunicatie In zijn algemeenheid kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid kan worden verbeterd door maatregelen zoals een waarschuwings- en alarmeringssysteem en risicocommunicatie (hoe te handelen bij een incident, gebaseerd op de relevante scenario’s). In geval van een calamiteit is een snelle alarmering van aanwezige personen binnen het effectgebied essentieel voor een goede zelfredzaamheid. De invulling van de risicocommunicatie dient conform de Wet veiligheidsregio’s door het bestuur van de Veiligheidsregio’s uitgevoerd te worden. De veiligheidsregio ondersteunt en adviseert de gemeenten hierin in voorbereiding op een alarmering bij rampen. De Omgevingsdienst Rivierenland heeft adviesg gevraagd van de veiligheidsregio Gelderland Zuid. Het advies van de Veiligheidsregio is bijgevoegd als bijlage B bij dit rapport.
18
5.3
Bevi - LPG-tankstation Het bevoegde gezag dient bij de besluitvorming omtrent de planontwikkeling de hoogte van het groepsrisico te verantwoorden aan de hand van de onderdelen uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) artikel 13. Het aantal personen in het invloedsgebied (Bevi, artikel 13, lid 1a) De omgeving van het LPG-tankstation wordt in noordelijke en oostelijke richting in hoofdzaak bepaald door een woningbouw en bedrijven. Het groepsrisico (Bevi, artikel 13, lid 1b) Uit de Beleidsvisie externe veiligheid West Betuwe 2019-2023 blijkt dat binnen de gemeente West Betuwe zich geen situaties bevinden waar in de huidige of de geprojecteerde situatie rond Beviinrichtingen de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Tevens is in het kader van dit plan het groepsrisicoberekend. Deze berekening is weergegeven in bijlage A. De huidige situatie en de nieuwe situatie (extra 2 woningen in de 100 meter cirkel) zijn doorgerekend. De berekening van de groepsrisico voor het LPG-tankstation Esso Waardenburg is weergegeven in bijlage A. Hieruit blijkt dat in de huidige situatie de normwaarde 0,242 is en in de nieuwe situatie is de normwaarde 0,244. . Door de realisatie van twee extra woningen nabij het LPG-tankstation neemt de groepsrisico dan ook verwaarloosbaar toe.
Binnen de kern van Waardenburg bevinden zich geen situaties waar in de huidige of de geprojecteerde situatie rond Bevi-inrichtingen de oriëntatiewaarde wordt overschreden. Mogelijkheden tot risicovermindering (Bevi, artikel 13, lid 1 c, d, e en g) De installatie voor het afleveren van LPG valt onder de werkingssfeer van het Besluit LPG- tankstation. Ingevolge dit besluit zijn diverse veiligheidsmaatregelen voorgeschreven om risico’s te voorkomen en te beheersen. Zo dient het beheer van een LPG-afleverinstallatie te worden uitgevoerd door ter zake geïnstrueerde personen. De met het toezicht belaste persoon moet over voldoende deskundigheid beschikken, zowel ten aanzien van de bij normaal bedrijf in acht te nemen veiligheidsvoorschriften, als ten aanzien van de in geval van een gaslekkage of brand noodzakelijk te verrichten handelingen. Daarnaast dient een noodplan te zijn uitgewerkt. Het bedienend personeel moet op de hoogte zijn van de inhoud van het noodplan en de werkbaarheid van de vastgestelde noodprocedure moet regelmatig in de praktijk worden beproefd. Tevens zijn voorschriften opgenomen ten aanzien van blusmiddelen. Alternatieven (Bevi, artikel 13 lid 1 f) Binnen de huidige projectlocatie en de daar aanwezige bebouwing is geen andere mogelijkheid voor ruimtelijke ontwikkelingen met een lager groepsrisico.
Daarbij wordt opgemerkt dat de planontwikkeling een verwaarloosbare bijdrage heeft op de hoogte van het groepsrisico. De mogelijkheden tot voorbereiding van bestrijding en beperking van de omvang van een ramp (Bevi, art. 13 lid h) Opgemerkt wordt dat de planvorming geen wijziging van de bereikbaarheid of de benodigde bluswatercapaciteit tot gevolg heeft. Daarnaast leidt de planvorming niet tot een wijziging van de infrastructuur.
19
5.3.1 Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval De ‘Circulaire effectafstanden externe veiligheid LPG-tankstations voor besluiten met gevolgen voor de effecten van een ongeval’ is gericht aan het bevoegd gezag dat te maken heeft met de ruimtelijke ordening en de vergunningverlening voor milieu in relatie tot LPG-tankstations. Met deze circulaire wordt een handreiking gegeven ten behoeve van de beoordeling van externe veiligheid van LPG1tankstations. Daarbij staat het rekening houden met effectafstanden centraal en wordt aangesloten bij hetgeen geregeld is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi). De circulaire beoogt de toename van de veiligheid als gevolg van maatregelen van de sector ook in de omgeving van de LPG-tankstations te verzilveren. Om die reden is de circulaire van toepassing op een nieuw bestemmingsplan op grond waarvan kwetsbare of beperkt kwetsbare objecten nabij een LPG-tankstation gerealiseerd kunnen worden. In deze circulaire wordt het bevoegd gezag verzocht om naast het toepassen van het Bevi en de Revi aanvullend effectgericht beleid te voeren, waarmee voor belangrijke ongevalsscenario’s de gevolgen van een ongeval bij een LPG-tankstation worden beperkt.
Met de effectgerichte benadering wordt aangesloten bij de modernisering van het omgevingsveiligheidsbeleid, waarbij de effecten van ongevallen een rol zullen innemen naast de nu in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) gehanteerde risicobenadering. In deze circulaire wordt het bevoegd gezag voor LPG-tankstations gevraagd om naast het hanteren van de risicoafstanden uit de Regeling externe veiligheid inrichtingen (Revi) rekening te houden met de effectafstanden uit deze circulaire. Het bevoegd gezag wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 60 meter tot (beperkt) kwetsbare objecten. Dit wil zeggen dat deze afstand in beginsel aangehouden moet worden, maar dat gemotiveerd afwijken is toegestaan door het treffen van veiligheidsmaatregelen. Daarnaast wordt verzocht om rekening te houden met een effectafstand van 160 meter tot zeer kwetsbare objecten. In onderstaande figuur zijn de 60 meter en 160 meter vanaf het vulpunt weergegeven, zie https://www.atlasleefomgeving.nl/kaarten .
Figuur 2: Globale ligging van de nieuwe woningen t.o.v. 60 meter en 160 meter contour
20
In de onderstaande figuur is verbeelding van het plan met daarbij de contour van 60 meter vanuit de atlasleefomgeving weergegeven.
Figuur 3: Verbeelding met de 60 meter contour
Zoals in figuur 3 is te zien ligt er slechts een deel van de ontwikkeling ligt binnen de 60 meter contour van het tankstation. Echter alle bouwvlakken van de woningen liggen buiten de 60 meter contour van het LPG-tankstation. Daardoor de bouw van de woningen binnen 60 meter van het tankstation niet mogelijk. geen nieuwe ontwikkeling binnen de 60 meter contour. Binnen de 160 meter contour ligt alleen de locatie Koningin Julianaplantsoen. De bestaande 24 woningen worden vervangen door 26 woningen. Conform de toelichting in punt 4.5 van de circulaire zijn (beperkt) kwetsbare objecten toegestaan binnen de 160 meter contour en buiten de 60 meter contour. Woningen worden in het Bevi als kwetsbare objecten gezien. Het extra realiseren van de twee woningen bij de locatie Koningin Julianaplantsoen is dus toegestaan.
21
5.3.2 Beheersbaarheid De beheersbaarheid is afhankelijk van de inzetbaarheid van hulpverleningsdiensten. De brandweer moet in staat zijn om haar taken goed uit te kunnen voeren om daarmee verdere escalatie van en incident te voorkomen. Hierbij kan gedacht worden aan het voldoende/ adequaat aanwezig zijn van aanvalswegen en bluswatervoorzieningen, maar ook de brandweerzorgnorm wordt hier onder geschaard. Hierbij hanteert de regionale brandweer richtlijnen zoals beschreven in de NVBR publicatie “Handleiding bluswatervoorziening en bereikbaarheid”.
Bereikbaarheid Uit bovengenoemde handleiding volgt het advies dat het plangebied goed bereikbaar moet zijn voor de hulpverleningsdiensten via twee van elkaar onafhankelijke aanvals-wegen, waardoor in geval van calamiteiten het plangebied bereikbaar is.
5.3.3 Bluswatervoorziening Voor het voorkomen van een warme BLEVE8 dient een aangestraalde tankwagen tijdig (afhankelijk van vullingsgraad en omgevingstemperatuur binnen circa 15 minuten) te worden gekoeld en de brandhaard te worden geblust. De brandweer heeft hiervoor voldoende bluswatercapaciteit nodig. Een koude BLEVE is niet te bestrijden omdat de tank meteen explodeert.
De mogelijkheden tot zelfredzaamheid (Bevi, art 13, lid i) Zelfredzaamheid is het zichzelf kunnen onttrekken aan een dreigend gevaar, zonder daadwerkelijke hulp van hulpverleningsdiensten. De mogelijkheden voor zelfredzaamheid bestaan globaal uit schuilen en ontvluchten. Binnen de nieuwe ontwikkeling zijn uitsluitend zelfredzame personen aanwezig binnen een laagbouw object. Het maatgevende scenario bij een LPG tankstation is een BLEVE (vuurbal en drukgolf). Slachtoffers kunnen vallen door de warmtestraling en een drukgolf. Alle aanwezigen die door de vuurbal worden getroffen komen te overlijden. Hiernaast kunnen rondvliegende brokstukken en glasscherven plaatselijk zware schade aanbrengen aan personen en gebouwen. Tegen de warmtestraling en overdrukeffecten van een BLEVE zijn binnen het invloedsgebied van 150 meter van het LPG-tankstation geen maatregelen te nemen. Bij een calamiteit met een volle tankwagen, het maximale calamiteitscenario, hebben bewoners geen enkele overlevingskans binnen de 150 meter. Bij calamiteiten met een gedeeltelijk gevulde tankwagen, reikt de calamiteitsgrens minder ver. Buiten het invloedsgebied, van 150 meter, is in het geval van een BLEVE schuilen in een gebouw of woning in beginsel de beste manier om de calamiteit te overleven. Verder is het zaak een veilige plek op te zoeken buiten het bereik van rondvliegend glas.
Na afloop van de BLEVE dient het gebied ontvlucht te worden om effecten door de secundaire branden te vermijden. Wanneer een incident dreigt met LPG (explosiescenario: BLEVE) is vluchten het uitgangspunt, aangezien schuilen niet effectief is. In geval van een calamiteit is een vroegtijdige alarmering van de omwonende van levensbelang om ervoor te zorgen dat zij veilig kunnen vluchten. Tevens is het van belang dat de omwonende kunnen vluchten van de risicobron af.
8
22
BLEVE: Boiling liquid expanding vapour explosion
6
Verwerking van het advies Veiligheidsregio In het kader van dit plan is door de Omgevingsdienst Rivierenland aan de Veiligheidsregio GelderlandZuid advies gevraagd. Het advies van de veiligheidsregio is bijgevoegd in dit rapport als bijlage B. Het advies van de veiligheidsregio is verwerkt in het plan. Het advies van de Veiligheidsregio Gelderland-Zuid geeft de volgende aandachtspunten voor de realisatie van het plan. Deze worden als volgt verwerkt De bluswatervoorzieningen nabij het plangebied voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit (art. 6.30) en de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019. Extra bluswatervoorzieningen zijn dan ook niet nodig. Communicatie van risico’s Het uitgangspunt is dat men zichzelf goed in veiligheid kan brengen. Geadviseerd wordt om naar de aanwezigen in het plangebied te communiceren over de mogelijke scenario’s en het handelingsperspectief. Centraal afschakelbare ventilatie Om de schuilen van de bewoners in een woning te verbeteren tijdens een gifwolk wordt kan de centrale ventilatie worden uitgeschakeld. De woningen worden dan ook voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie Brandwerende gevels en brandwerend/scherfvrij glas Op dit moment is het ontwerp van de woningen nog niet bekend. Daardoor is het ook nog niet duidelijk of er glas komt te zitten in de gevels in de richting van de risicobron.
Daarom heeft de gemeente West Betuwe besloten om bij de verlening van de Omgevingsvergunning (voormalige bouwvergunning) te besluiten of brandwerende gevels en brandwerend/scherfvrij glas noodzakelijk zijn.
23
7
Conclusie Op twee locaties in de kern van Waardenburg is woningbouw gepland. Locatie Koningin Julianaplantsoen. De bestaande 24 woningen worden vervangen door 26 woningen. Locatie Koningin Wilhelminalaan. De bestaande 4 woningen worden vervangen door 5 woningen. De nieuwe woningen liggen nabij de A2, spoortraject Meteren-Den Bosch, de Betuwelijn, de aardgasleiding en LPG-tankstation Esso Waardenburg (Dorpsstraat 8). Deze transportroutes en inrichtingen zorgen voor beperkingen voor hun omgeving. Door het plan neemt het aantal woningen niet relevant toe. Hierdoor neemt ook het groepsrisico door de realisatie van het plan niet significant toe. Conform het advies van de Veiligheidsregio Gelderland Zuid zijn de volgende aandachtspunten overgenomen in het plan: De bluswatervoorzieningen nabij het plangebied voldoen aan de eisen uit het Bouwbesluit (art. 6.30) en de Handreiking bluswatervoorziening en bereikbaarheid 2019. Extra bluswatervoorzieningen zijn dan ook niet nodig. Communicatie van risico’s Het uitgangspunt is dat men zichzelf goed in veiligheid kan brengen. Geadviseerd wordt om naar de aanwezigen in het plangebied te communiceren over de mogelijke scenario’s en het handelingsperspectief. Centraal afschakelbare ventilatie Om de schuilen van de bewoners in een woning te verbeteren tijdens een gifwolk wordt kan de centrale ventilatie worden uitgeschakeld.
De woningen worden dan ook voorzien van uitschakelbare mechanische ventilatie Brandwerende gevels en brandwerend/scherfvrij glas Op dit moment is het ontwerp van de woningen nog niet bekend. Daardoor is het ook nog niet duidelijk of er glas komt te zitten in de gevels in de richting van de risicobron. Daarom heeft de gemeente West Betuwe besloten om bij de verlening van de Omgevingsvergunning (voormalige bouwvergunning) te besluiten of brandwerende gevels en brandwerend/scherfvrij glas noodzakelijk zijn. De nieuwe woningen dienen ter vervanging van de bestaande (verouderde) woningen. De nieuwe woningen zorgen voor een betere zelfredzaamheid, door o.a. de uit te schakelen mechanische ventilatie en de brandwerende gevels en brandwerend/scherfvrij glas, ten opzichte van de huidige woningen. Op grond van het bovenstaande van uit oogpunt van externe veiligheid kan de voorgenomen ontwikkeling dan ook als gewenst worden gezien.
24
Bijlagen Bijlage A: Berekening groepsrisico voor het LPG-tankstation Esso Waardenburg
LPG groepsrisico berekeningsmodule Project: EV Waardenburg
Disclaimer De LPG-rekentool biedt naast een groepsrisicoberekening volgens de kansen gebaseerd op de Regeling externe veiligheid inrichtingen (de wettelijk verankerde veiligheidssituatie) de mogelijkheid een groepsrisicoberekening uit te voeren op basis van bevoorrading door een LPG-tankwagen met hittewerende coating. Dit betekent dat de LPG-rekentool nu de mogelijkheid biedt om te rekenen met: • Situatie met bevoorrading door een LPG-tankwagen zonder hittewerende coating; • Situatie met bevoorrading door een LPG-tankwagen met hittewerende coating; • Situatie met zowel bevoorrading door een LPG-tankwagen met als zonder hitterwerende coating (de tool geeft beide fN-curves).
BETROUWBAARHEID BEREKENING - Groepsrisicoberekening gebaseerd op bevoorrading door een LPG-tankwagen zonder hittewerende coating Indien de entree-criteria in het begin van de invulbladen van de rekentool juist worden ingevuld, dan heeft het rekenresultaat van de LPG-rekentool een zeer hoge, met een QRA te vergelijken, betrouwbaarheid. - Groepsrisicoberekening gebaseerd op bevoorrading door een LPG-tankwagen met hittewerende coating Het integreren van de convenantmaatregelen maakt het niet mogelijk om uitkomsten te genereren met een vergelijkbare betrouwbaarheid als bij de berekening zonder deze maatregelen. De verminderde betrouwbaarheid wordt veroorzaakt doordat bij de situatie zonder convenantmaatregelen sprake is van één zeer dominant scenario, de Bleve. Dit scenario dicteert vrijwel de gehele uitkomst. Door deconvenantmaatregelen is het Bleve-scenario van sterk verminderd belang. Ook is de bijdrage van de losslang in de risicoberekening sterk gereduceerd. Door het wegvallen van deze ‘bovenliggende’ risicoscenario’s, wordt het voorheen onderliggende scenario, het ontwijken van gaswolk bij de ondergrondse tank, mede bepalend. De verspreiding van deze gaswolk en de plaats van ontsteking van deze wolk, wordt beïnvloed door de windrichting en de locatiespecifieke aanwezigheid van ontstekingsbronnen.
Het effect op het GR van de gaswolk (zowel directe ontsteking als vertraagde onsteking) is met complexe wiskundige formules benaderd en is daarmee niet zo eenvoudig en precies berekend als bij de Bleve scenario's. Het is daarom aannemelijk te veronderstellen dat de nauwkeurigheid en betrouwbaarheid van de groepsrisicoberekening op basis van bevoorrading door een LPG-tankwagen met hittewerende coating iets lager is dan de groepsrisicoberekening zonder deze maatregelen. Overigens wordt opgemerkt dat bij de groepsrisicoberekening op basis van bevoorrading door een LPG-tankwagen met hittewerende coating als laatste stap voor de presentatie van het resultaat een veiligheidsfactor toegepast is waardoor het GR minimaal gelijk is, en in andere gevallen hoger ligt dan de GR-curve berekend met Safeti-NL (voor slachtofferaantallen hoger dan 13). Daarom: Indien de berekening op basis van bevoorrading door een LPG-tankwagen met hittewerende coating volledig betrouwbaar moet zijn, of wanneer de uitkomst zeer nabij de oriëntatiewaarde ligt, wordt het uitvoeren van een volwaardige QRA met Safeti-NL aanbevolen.