RV2023-083-Bijlage-10-Quickscan-flora-fauna-renovatieprojecten-Waardenburg-2020-2021.pdf
Tekst van het document
Quickscan flora en fauna renovatieprojecten De Goede Woning – Neerijnen Locaties: Waardenburg (103, 104, 106, 111 en 112)
Oriënterend onderzoek in het kader van de Wet Natuurbescherming
Colofon
Status:
Concept 1.0
Project:
BE/2019/477
Datum:
13 september 2019
Samensteller(s):
ing. G. Fairhurst
Projectleider(s):
ing. ir. K.J. Rebergen
Opdrachtgever:
De Goede Woningen-Neerijnen Koningsstraat 19 4175 AE Haaften Contactpersoon:
dhr. W. Driesen
Disclaimer Blom Ecologie B.V. is niet aansprakelijk voor schade die voortkomt uit toepassing van de resultaten van werkzaamheden en/of gegevens verkregen van Blom Ecologie B.V. © Blom Ecologie B.V. / Woningbouwvereniging De Goede Woning Niets uit deze rapportage mag zonder schriftelijke toestemming van de opdrachtgever en Blom Ecologie B.V. worden gebruikt door derden. Onder gebruik worden alle vormen van kopie, openbaarmaking en elke andere toepassing begrepen. Deze rapportage mag alleen gebruikt worden voor het doel waarvoor het is samengesteld.
1
Voorwoord Voor u ligt de rapportage ‘Quickscan flora en fauna renovatieprojecten Woningbouwvereniging De Goede Woning – Neerijnen’. De quickscan is uitgevoerd ten behoeve van renovatiewerkzaamheden aan verscheidene woonblokken in Waardenburg. De rapportage is opgesteld in opdracht van Woningbouwvereniging De Goede Woning-Neerijnen. De renovatiewerkzaamheden hebben mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en natuurwaarden. In het kader van de Wet natuurbescherming dient een oriënterend onderzoek uitgevoerd te worden naar de mogelijke negatieve effecten voor beschermde flora en fauna. Woningbouwvereniging De Goede Woning-Neerijnen heeft Blom Ecologie B.V. opdracht verleend om de betekenis van de complexen voor de aanwezige beschermde soorten en de effecten van de voorgenomen handelingen daarop te beoordelen. In deze rapportage worden de bevindingen beschreven en wordt er geadviseerd hoe deze te interpreteren en in de praktijk te hanteren.
2
Inhoud
1
2
3
4
5
6
Inleiding
4
1.1 1.2 1.3
Aanleiding en doel Oriënterend onderzoek (quickscan) Wettelijk kader Wet Natuurbescherming
4 4 5
Plangebied en voorgenomen ingrepen
8
2.1 2.2 2.3 2.4 2.5 2.6 2.7
9 10 12 14 16 18 20
Te verwachten soorten en functies Complex 103, Koningin Juliana plantsoen, Waardenburg Complex 104, Koningin Julianaplantsoen, Waardenburg Complex 106, Koning Wilhelminalaan, Waardenburg Complex 111, Dokter Kijlstradreef, Waardenburg Complex 112, Dokter van Wieringenstraat, Waardenburg Voorgenomen ingrepen
Beoordeling Wet Natuurbescherming
21
3.1 3.2 3.3 3.4 3.5 3.6 3.7
21 22 23 25 26 27 28
Vaatplanten Zoogdieren Vleermuizen Amfibieën en reptielen Vissen Vlinders, libellen en overige ongewervelden Vogels
Gebiedsbescherming
30
4.1 4.2
30 32
Natura2000 gebieden Gelders Natuurnetwerk
Conclusies en aanbevelingen
33
5.1 5.2 5.3 5.4 5.5 5.6 5.7
33 34 34 35 36 37 38
Complex 103, Koningin Julianaplantsoen 1-13 en 17-31 Complex 104, Koningin Julianaplantsoen 16-22 en 39-43 Complex 106, Koningin Wilhelminalaan 18-36 Complex 111, Dokter Kijlstradreef 2-20 en 11-27 Complex 112, Dokter van Wieringenstraat 97-107 Te treffen maatregelen en handelingen Vervolgstappen
Literatuur
39
3
1 Inleiding 1.1
Aanleiding en doel Woningbouwvereniging De Goede Woning-Neerijnen is een woningcorporatie gevestigd in Haaften. Het werkveld van de coöperatie bevindt zich in Neerijnen en omgeving. Het verduurzamen en vitaliseren van woningen zijn onder andere twee speerpunten van de corporatie. In dit kader is de woningcorporatie voornemens om woningen op diverse (project)locaties in Waardenburg te renoveren. De beoogde renovatie heeft mogelijk een negatief effect op beschermde flora en fauna en/of beschermde natuurgebieden. Ten behoeve van de ontwikkeling geldt de wettelijke verplichting onderzoek te verrichten naar de aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de mogelijk effecten van de ruimtelijke ingreep daarop. Middels voorliggende ecologische quickscan is de (potentiele) aanwezigheid van beschermde flora en fauna en de betekenis van het plangebied voor deze soorten in kaart gebracht. Woningbouwvereniging De Goede Woning-Neerijnen heeft Blom Ecologie BV verzocht het plangebied te onderzoeken op aanwezige beschermde natuurwaarden en vervolgens deze te toetsen aan de effecten van de werkzaamheden en vigerend beleid. Onderzoeksdoel Middels dit oriënterende onderzoek worden de volgende onderzoeksvragen beantwoord: •
Welke, krachtens de Wet Natuurbescherming, beschermde flora en fauna zijn (potentieel) aanwezig in het plangebied?
•
Welke negatieve effecten treden op voor (potentieel) aanwezige flora en fauna als gevolg van de werkzaamheden?
•
Leiden de werkzaamheden, gelet op de verwachtte negatieve effecten, tot overtreding van de Wet Natuurbescherming en/of vigerend beleid?
1.2
Oriënterend onderzoek (quickscan) Quickscan Een quickscan is een oriënterend onderzoek waarbij een beoordeling wordt gegeven van de aanwezigheid van flora en fauna in het plangebied, de betekenis van het plangebied voor de aanwezige soorten en de effecten van de voorgenomen ingrepen op de soorten. De quickscan bestaat uit veldbezoek en raadpleging van externe bronnen. De quickscan geeft uitsluitsel voor het (direct) uit kunnen voeren van de werkzaamheden, vervolgonderzoek en/of een ontheffingsaanvraag. Veldbezoek Het veldbezoek is een momentopname van de aanwezige beschermde flora en fauna. Tijdens het veldbezoek wordt het plangebied nauwkeurig onderzocht waarbij ook gelet wordt op sporen en delen of restanten van planten en/of dieren. Het veldbezoek heeft plaatsgevonden op 23 april 2019 en is uitgevoerd door ing. M.J. Visschers en ing. G. Fairhurst. De weersomstandigheden tijdens het veldbezoek waren; droog/onweersbui, 5/8 bewolkt, 31 Celsius en windkracht 1-2 (Bft).
4
Externe bronnen Vaak zijn er al gegevens bekend over een plangebied en de directe omgeving hiervan. Deze gegevens worden onder andere beheerd in rapporten en naslagwerken en door het Natuurloket (www.natuurloket.nl). Raadpleging van externe bronnen levert vaak nuttige aanvullende informatie op en daarmee een vollediger beeld van de (mogelijk) aanwezige flora en fauna.
1.3
Wettelijk kader Wet Natuurbescherming Vogelrichtlijn Onder de vogelrichtlijn vallen alle van nature in Nederland in het wild levende vogels. De meeste vogels hebben in het broedseizoen (15 maart t/m 15 juli) een vaste rust- en verblijfplaats. Voor alle vogels geldt, dat deze gedurende het broedseizoen beschermd zijn en de nestlocatie gedurende de periode dat de jongen hiervan afhankelijk zijn. De nestlocatie en de functionele leefomgeving van een aantal kwetsbare vogelsoorten zijn het gehele jaar beschermd. Hierbij wordt onderscheidt gemaakt in vijf categorieën waarvan categorie 1 t/m 4 het gehele jaar beschermd zijn en categorie 5 wanneer er zwaarwegende feiten of ecologische omstandigheden dat rechtvaardigen. De huismus en gierzwaluw zijn onderverdeeld in categorie 2; nesten van (semi)koloniebroeders die elk broedseizoen op dezelfde plaats broeden en die daarin zeer honkvast of afhankelijk van bebouwing of biotoop zijn. De (fysieke) voorwaarden voor de nestplaats zijn vaak zeer specifiek en limitatief beschikbaar. Ontheffing voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt alleen verleend na een zware toetsing en op basis van zwaarwegende criteria: dwingende redenen van groot openbaar belang, dreiging voor volksgezondheid en veiligheid en/of (voorkoming) van ernstige (economische) schade.
Ten aanzien van de vaste rust en verblijfplaatsen van vogels bestaat de mogelijkheid om mitigerende maatregelen toe te passen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen (mitigatieplan). Habitatrichtlijn Onder de habitat richtlijn vallen alle soorten die genoemd zijn in Bijlage IV van de Habitatrichtlijn, Bijlage I en II van het Verdrag van Bern en Bijlage II van het Verdrag van Bonn. Afhankelijk van de werkzaamheden geldt een vrijstelling met een, door de provincie goedgekeurde gedragscode of een ontheffingsaanvraag (uitgebreide toets). Voor ruimtelijke ontwikkeling en –inrichting geldt altijd een ontheffingsaanvraag. Ontheffing voor het overtreden van de verbodsbepalingen wordt alleen in specifieke situaties verleend. Alle inheemse vleermuissoorten vallen onder de habitatrichtlijn. Vleermuizen maken gebruik van 4 typen verblijfplaatsen (kraam-, zomer-, paar- en winterverblijfplaats). Afhankelijk van de soort bevinden deze verblijfplaatsen zich in gebouwen, bomen, rotsen of andere specifieke locaties. In de schermer- en nachtperiode trekken vleermuizen van de verblijfplaats naar de foerageergebieden. Vleermuizen opportunistisch waardoor er vaak sprake is van een geleidelijk diffuse verspreiding gedurende de avond. Vleermuizen oriënteren zich op elementen in het landschap tijdens de migratie tussen de verblijfplaats en foerageergebieden.
De verblijfplaatsen en de functionele leefomgeving (foerageergebieden en verbindingsroutes) zijn strikt beschermd. Wanneer er bij ruimtelijke ontwikkelingen sprake is van aantasting van de verblijfplaatsen en/of functionele leefomgeving leidt dit altijd tot een ontheffingsaanvraag.
5
Ontheffing voor ruimtelijke ontwikkelingen wordt alleen verleend na een zware toetsing en op basis van zwaarwegende criteria: dwingende redenen van groot openbaar belang, dreiging voor volksgezondheid en veiligheid en/of (voorkoming) van ernstige (economische) schade. De renovatie leidt tot een beter binnenklimaat (volksgezondheid) en een afname de CO 2 uitstoot (klimaatverandering; groot openbaar belang). Ten aanzien van de vaste rust- en verblijfplaatsen alsmede de functionele leefomgeving van vleermuizen bestaat de mogelijkheid om mitigerende maatregelen toe te passen en daarmee overtreding van de verbodsbepalingen te voorkomen (mitigatieplan). Nationaal beschermde soorten Voor alle beschermde soorten geldt een ontheffingsplicht. Het bevoegd gezag (de provincie) kan voor de soorten die zijn opgenomen in het ‘beschermingsregime andere soorten’ vrijstellingsbesluit nemen en hierin onderscheid maken tussen meer en minder strikt beschermde soorten. In de Verordening uitvoering Wet natuurbescherming provincie Gelderland is voor de volgende soorten vrijstelling opgenomen in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen: Tabel 1 Vrijgestelde soorten in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen in de provincie Gelderland Aardmuis Gewone bosspitsmuis Ondergrondse woelmuis Bastaardkikker
Gewone pad
Ree
Bosmuis Bruine kikker Dwergmuis Dwergspitsmuis Egel
Haas Huisspitsmuis Kleine watersalamander Konijn Meerkikker
Rosse woelmuis Tweekleurige bosspitsmuis Veldmuis Vos Woelrat
Nee, tenzij Het basisprincipe in de Wet natuurbescherming is het verbod op beschadiging van beschermde planten en dieren en hun leefomgeving. Ruimtelijke ingrepen mogen niet plaatsvinden tenzij beschermde flora en fauna niet beschadigd en verstoord worden. Bij sommige ruimtelijke ingrepen is schade echter onvermijdelijk. Een wettelijk verplichte natuurtoets geeft vervolgens uitsluiting voor een vrijstelling, een ontheffingsaanvraag of een afkeuring. Belangrijke verbodsbepalingen ten aanzien van ruimtelijke ontwikkelingen zijn de §3.1 artikel 3.1 – 3.4 (Vogelrichtlijn), §3.2 artikel 3.5 – 3.9 (Habitatrichtlijn) en §3.3 artikel 3.10 – 3.11 (Nationaal Beschermde Soorten). De belangrijkste artikelen zijn hieronder weergegeven. Artikel 3.1. Vogelrichtlijn 1:
Het is verboden opzettelijk van nature in Nederland in het wild levende vogels van soorten als bedoeld in artikel 1 van de Vogelrichtlijn te doden of te vangen.
2:
Het is verboden opzettelijk nesten, rustplaatsen en eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te vernielen of te beschadigen, of nesten van vogels weg te nemen.
3:
Het is verboden eieren van vogels als bedoeld in het eerste lid te rapen en deze onder zich te hebben.
4:
Het is verboden vogels als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te storen.
5:
Het verbod, bedoeld in het vierde lid, is niet van toepassing indien de storing niet van wezenlijke invloed is op de staat van instandhouding van de desbetreffende vogelsoort.
6
Artikel 3.5. Habitatrichtlijn 1:
Het is verboden in het wild levende dieren van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel a, bij de Habitatrichtlijn, bijlage II bij het Verdrag van Bern of bijlage I bij het Verdrag van Bonn, in hun natuurlijk verspreidingsgebied opzettelijk te doden of te vangen.
2:
Het is verboden dieren als bedoeld in het eerste lid opzettelijk te verstoren.
3:
Het is verboden eieren van dieren als bedoeld in het eerste lid in de natuur opzettelijk te vernielen of te rapen.
4:
Het is verboden de voortplantingsplaatsen of rustplaatsen van dieren als bedoeld in het eerste lid te beschadigen of te vernielen.
5:
Het is verboden planten van soorten, genoemd in bijlage IV, onderdeel b, bij de Habitatrichtlijn of bijlage I bij het Verdrag van Bern, in hun natuurlijke verspreidingsgebied opzettelijk te plukken en te verzamelen, af te snijden, te ontwortelen of te vernielen.
Zorgplicht Naast de door de Wet Natuurbescherming beschermde diersoorten geldt voor alle in het wild levende dieren de algemene zorgplicht. De zorgplicht houdt in dat iedereen voldoende zorg in acht nemen moet nemen voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. Gebiedsbescherming Naast de specifieke soortenbescherming kent Nederland ook gebiedsbescherming, waarbij bepaalde gebieden extra bescherming genieten. Het gaat hier hoofdzakelijk om Natura 2000-gebieden en het Natuurnetwerk Gelderland ‘Gelders Natuurnetwerk’. In deze gebieden mogen in principe geen werkzaamheden binnen de grenzen uitgevoerd worden. Voor werkzaamheden in Natura 2000gebieden is bij mogelijke effecten een Voortoets vereist en binnen het Gelders Natuurnetwerk geldt het ‘nee, tenzij’-principe. In bepaalde gevallen dient er natuurcompensatie uitgevoerd te worden. Ten aanzien van Natura 2000-gebieden kunnen ook externe effecten als stikstofdepositie en licht- of geluidsuitstraling van invloed zijn. Ten aanzien van het Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is. Bij negatieve effecten op beschermde natuurgebieden geldt een ontheffingsplicht. Houtopstanden Houtopstanden onder de Wnb betreffen zelfstandige eenheden van bomen, boomvormers, struiken, hakhout of griend, met een oppervlakte van 1000 m2 of meer, of een rijbeplanting met meer dan 20 bomen.
Het is verboden een houtopstand geheel of gedeeltelijk te vellen of te doen vellen, met uitzondering van het periodiek vellen van griend- of hakhout, zonder voorafgaande melding daarvan bij gedeputeerde staten. Ingeval een houtopstand geheel of gedeeltelijk is geveld, dient deze binnen drie jaar herplant te worden.
7
2 Plangebied en voorgenomen ingrepen Woningbouwvereniging De Goede Woning-Neerijnen is voornemens diverse delen van vijf wooncomplexen bestaande uit in totaal 57 woningen in Waardenburg te renoveren. De renovatieprojecten worden uitgevoerd in het kader van regulier onderhoud en ter verduurzaming van de woningen in het kader van de energietransitie. De aanpak van de woningen bestaat voor een groot deel uit onderhoud (t.b.v. instandhouding), isolatie van de woning (dak, ramen en gevels) en inpandige verbeteringen (vervangen CV en mechanische ventilatie). In figuur 1 is de kern weergegeven, waar de renovaties aan de woningen zullen plaatsvinden. De omgeving van de planlocatie wordt gekenmerkt door landelijk gebied. De A2 loopt dwars door Waardenburg heen van zuid naar noord. Op de grenst ten oosten van Waardenburg loopt het spoor. Ca. 1,3 km naar het zuiden ligt de Waal.
Figuur 1
De planlocaties (rode stippen) in Waardenburg (rood omcirkeld) (bron: arcgis.com).
De voorgenomen werkzaamheden aan de woningen bestaan (mogelijk) uit: •
controleren, repareren/vervangen van metselwerk en voegwerk;
•
isoleren dak;
•
plaatsen HR++ glas;
•
vervangen daken en dakgoten;
•
vervangen kozijnen en ramen;
•
werkzaamheden cv/mechanismeventilatie (dakdoorvoeren);
•
vervangen dakgoten en HWA;
•
overige inpandige werkzaamheden.
8
2.1
Te verwachten soorten en functies De te renoveren woningen zijn visueel geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiele invliegopeningen. Vleermuizen kunnen op verschillende plaatsen in een woning een verblijfplaats hebben.
Mogelijke
invliegopeningen
voor
vleermuizen
zijn
open
stootvoegen,
open
ventilatieroosters, kierende daklijsten, scheefliggende dakpannen en niet aansluitende kant- en/of nokpannen. In hoeverre een potentiele verblijfplaats geschikt is voor vleermuizen is onder andere afhankelijk van (a)biotische factoren, klimatologische omstandigheden, het type verblijfplaatse en de vleermuissoort. Afhankelijk van de type werkzaamheden of ingrepen, het moment van uitvoeren en de toegepaste werkwijze kunnen effecten optreden voor vleermuizen. De huismus broedt vrijwel altijd bij menselijke bebouwing en bouwt zijn nesten onder dakpannen tegen het isolerende dakbeschot of in kieren in de muur. Daarbij geldt dat het onder het dak niet te heet moet worden in de middagzon, maar ook niet te koud. Hierbij moet er in de directe omgeving continu voedsel te vinden zijn in de vorm van zaden van grassen en onkruiden en larven van insecten. Daarnaast moet er beschutting nabij de foerageerlocaties, voldoende jaarrond groene planten, plaatsen met stof of grind voor stofbaden en water voor waterbaden aanwezig zijn (BIJ12 kennisdocument Huismus, 2017). De gierzwaluw leeft evenals de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens als koloniebroeder in gevels en onder (pannen)daken. Een nest maakt hij in bijvoorbeeld ventilatieschachten, spleten in muren, onder dakpannen en in kerktorens (BIJ12 kennisdocument Gierzwaluw, 2017).
De soort is vaak te vinden in woonwijken en is vrij zeldzaam in landelijk gebied. De openingen in de bebouwing moet vrij zijn van versperringen, zodat er een invliegroute mogelijk is. Bovendien gebruiken ze hoogte om zich te laten vallen en zo snelheid te maken waardoor ze bij het wegvliegen minder gemakkelijk gegrepen kunnen worden door roofvogels. De openingen dienen derhalve op minimaal 2,5 of hoger te zitten.
9
2.2
Complex 103, Koningin Juliana plantsoen, Waardenburg Aan de Koningin Julianaplantsoen 1-13 en 17-31 te Waardenbrug zijn 15 woningen gesitueerd (figuur 2). De vier planlocatie(s) zijn ten oosten van de A2 in Waardenburg gelegen en bestaan uit twee bouwlagen en hebben een schuin bitumen dak (figuur 3). Om de dakrand zit een (kierende) metalen daklijst en aan de voor en achterzijde zit een boeiboord. De woningen zijn opgetrokken uit gemetselde muren met een spouw en open stootvoegen. Het terrein rond de planlocatie bestaat uit woonwijken, trottoirs, wegen, voor- en achtertuinen met aan de westzijde de geluidmuur van de A2 met daartegen groene struiken en bomen. Voor alle woningen geldt dat er geen geschikte holtes aanwezig zijn voor gierzwaluwen. Het dak bestaat uit bitumen waaronder geen openingen aanwezig zijn die geschikt zijn als nestlocatie voor de huismus. Daarnaast zorgt het bitumen dak ervoor dat het snel te heet wordt onder het dak. De woningen bieden in meerdere opzichten openingen die kunnen dienen als vaste rust- en of verblijfplaats voor vleermuizen waaronder; kierende daklijsten en boeiboorden, open stootvoegen, ventilatierooster en de aanwezigheid van een vleermuiskast Geen potentiële invliegopeningen: • geen openingen groot genoeg voor gierzwaluwen; •
een bitumen dak is niet geschikt voor huismussen.
Potentiële invliegopeningen voor huismus (HM), gierzwaluw (GZ) en vleermuis (VL): • kierende daklijsten en boeiboorden (VL) (figuur 4); •
open stootvoegen en ventilatieroosters (VL);
•
vleermuiskast (VL).
Figuur 2
De rode omlijning geeft de te renoveren bebouwing bij benadering weer (bron: arcgis.com).
10
Figuur 3
De planlocatie aan de Koningin Julianaplantsoen 1-13 en 17-31 betreft 15 woningen.
Figuur 4
De kierende daklijsten en openstootvoegen.
11
2.3 Complex 104, Koningin Julianaplantsoen, Waardenburg Aan de Koningin Julianaplantsoen 16-22 en 39-43 te Waardenburg zijn 7 woningen gesitueerd (figuur 5). De twee planlocatie(s) zijn ten oosten van de A2 in Waardenburg gelegen en bestaat uit twee woonblokken. Vier woningen (16-22) bestaan uit twee bouwlagen en hebben een schuin zadeldak met dakpannen (figuur 6). Drie woningen (39-43) bestaan uit twee bouwlagen en hebben een schuin bitumen dak met een (kierende) boeiboorden (figuur 7). De woningen zijn opgetrokken uit gemetselde muren met een spouw, open stootvoegen en ventilatieroosters. Rondom de woningen is er onder andere sprake van trottoirs, voor- en achtertuinen, wegen en aan de westzijde de geluidmuur van de A2 met daartegen groene struiken en bomen. Bij alle woningen zijn holtes aanwezig die mogelijk geschikt zijn als nestlocaties voor gierzwaluwen. Woningen 39-43 hebben ruimte onder de dakgoot waar tevens krijtsporten te zien zijn. De woningen 16-22 hebben een bitumen dak met daaronder geen openingen welke kunnen functioneren als geschikte nestlocatie. De woningen 39-43 hebben een zadeldak met dakpannen waaronder ruimtes zijn welke mogelijk geschikt zijn als nestlocatie voor de huismus.
Alle woningen hebben een spouwmuur met open stootvoegen welke kunnen functioneren als in- en uitvliegopening voor vleermuizen en naar een geschikte open kruipruimte leiden wat mogelijk geschikt is als rust- en verblijfplaats. Onder het boeiboord in de woningen 39-43 zijn tevens kieren aanwezig welke geschikt is als in- en uitvliegopening. Geen potentiële invliegopeningen: • een bitumen dak (woningen 16-22) is niet geschikt voor gierzwaluw en huismussen. Potentiële invliegopeningen voor huismus (HM), gierzwaluw (GZ) en vleermuis (VL): • openingen onder de dakgoot (GZ); •
krijtsporen onder dakgoot (GZ) (figuur 8);
•
zadeldak met dakpannen met daaronder open ruimtes (HM);
•
kierende boeiboorden (VL);
•
open stootvoegen (VL).
Figuur 5
De rode omlijning geeft de te renoveren bebouwing bij benadering weer (bron: arcgis.com).
12
Figuur 6
Koning Julianaplantsoen 39-42 te Waardenburg betreft drie woningen.
Figuur 7
Koning Julianaplantsoen 16-22 te Waardenburg betreft vier woningen.
Figuur 8
Krijtsporen op de muren onder de dakgoot. 13
2.4 Complex 106, Koning Wilhelminalaan, Waardenburg Aan de Koningin Wilhelminalaan 18-36 te Waardenburg zijn 10 woningen gesitueerd (figuur 9). De planlocatie is gelegen ten westen op de rand van Waardenburg en bestaat uit twee bouwlagen en hebben
een
schuin
zadeldak
met
dakpannen
(figuur
10).
Onder
de
dakpannen
is
vogelschrootaanwezig. Er is een dak goot aanwezig. Er zijn geen nokpannen aanwezig, wel een (kierende) boeibord aan de zijgevels en onder de dakgoot. De woningen zijn opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en met onder aan de woning ventilatieroosters. De omgeving wordt gekenmerkt door voor- en achtertuinen, openbaar groen met een brede sloot en het spoor. In de woningen zijn geen openingen aanwezig welke geschikt zijn als nestlocatie voor gierzwaluwen. De woningen hebben een schuin zadeldak met dakpannen wat mogelijk geschikt is voor huismussen. Echter is tijdens het veldbezoek vogelschroot (figuur 11) waargenomen onder enkele stukken dak. Indien onder het hele dak vogelschoot aanwezig is kan aanwezigheid van de huismus worden uitgesloten. Onder het boeiboord en tussen de kantpannen zijn kieren aanwezig, daarnaast zijn er schuren en gaten in de muur. Dit zijn mogelijk geschikte in- en uitvliegopeningen welke mogelijk leiden naar een rust- en verblijfplaats voor vleermuizen. Geen potentiële invliegopeningen: • geen openingen onder dakgoot voor gierzwaluwen; •
vogelschroot aanwezig.
Potentiële invliegopeningen voor huismus (HM), gierzwaluw (GZ) en vleermuis (VL): • zadeldak met dakpannen met daaronder mogelijk open ruimtes (HM); •
kierende boeiboorden en kantpannen (VL);
•
scheuren en gaten in de muur (VL).
Figuur 9
De rode omlijning geeft de te renoveren bebouwing bij benadering weer (bron: arcgis.com).
14
Figuur 10
De planlocatie aan de Koningin Wilhelminalaan 18-36 te Waardenburg betreft 10 woningen.
Figuur 11
Vogelschroot aanwezig onder de dakpannen.
15
2.5
Complex 111, Dokter Kijlstradreef, Waardenburg Aan de Dokter Kijlstradreef 2-20 en 11-27 te Waardenburg zijn 19 woningen gesitueerd (figuur 12). De planlocatie is gelegen aan de noordoostzijde van Waardenburg. De woningen 2-20 bestaan uit tweebouwlagen en hebben een schuin zadeldak van dakpannen (figuur 13). Er is een uitstekende dakrand met daar op kant- en nokpannen en een dakgoot. De zijgevel van huisnummer 8 is volledig begroeid met wingerd. De woningen 11-27 bestaan uit één bouwlaag en hebben een schuin zadeldak met dakpannen (figuur 14). Onder de dakpannen zit vogelschroot. Op de zijgevel zit een uitstekende boeiboord met daarop kant- en nokpannen. De woningen zijn opgetrokken uit gemetselde muren met spouw en openstootvoegen. De omgeving wordt gekenmerkt door voor- en achtertuinen, parkeerplaatsen en wegen aan de westzijde. Aan de oostzijde is een groenstrook gelegen welke het talud van de waalbanddijk vormt. De woningen 11-27 hebben onder het dak vogelschroot waardoor het niet toegankelijk is voor huismussen. De woningen 2-20 bestaan uit een schuin zadeldak met dakpannen zonder vogelschroot. Hierdoor zijn openingen toegankelijk en geschikt voor huismussen. Tevens zijn er op het dak en in de wingerd van de zijgevel van huisnummer 8 meerdere huismussen waargenomen. In de woningen zijn weinig geschikte openingen voor gierzwaluwen waargenomen.
Alleen in de nokpannen zijn enkele openingen welke mogelijk geschikt zijn als nestlocatie voor de gierzwaluw. Aan de zijgevel van huisnummer 10 zijn krijtsporen waargenomen. Alle woningen hebben openingen als kierende boeiboorden, open nok- en kantpannen en stootvoegen welke geschikt zijn als in- en uitvlieg opening en mogelijk leiden naar een rust- en verblijfplaats. Geen potentiële invliegopeningen: • geen openingen onder dakgoot voor gierzwaluwen; •
vogelschroot aanwezig.
Potentiële invliegopeningen voor huismus (HM), gierzwaluw (GZ) en vleermuis (VL): • zadeldak met dakpannen met daaronder mogelijk open ruimtes (HM); •
enkele nokpannen met openingen aanwezig (GZ);
•
kierende boeiboorden en open nok- en kantpannen (VL);
•
open stootvoegen in de muur (VL).
Figuur 12
De rode omlijning geeft de te renoveren bebouwing bij benadering weer (bron: arcgis.com).
16
Figuur 13
De planlocatie aan de Dokter Kijlstradreef 2-20 te Waardenburg betreft 10 woningen.
Figuur 14
De planlocatie aan de Dokter Kijlstradreef 11-27 te Waardenburg betreft 9 woningen.
17
2.6 Complex 112, Dokter van Wieringenstraat, Waardenburg Aan de Dokter van Wieringenstraat 97-107 te Waardenbrug zijn 6 woningen gesitueerd (figuur 15). De planlocatie is gelegen in het westen van Waardenburg en bestaat uit twee bouwlagen met een schuin zadeldak met dakpannen en daaronder een dakgoot (figuur 16). De woningen zijn opgetrokken uit gemetselde muren met een spouw en openstootvoegen. De directe omgeving bestaat uit -en achtertuinen, gemeentelijke groenstroken, parkeerplaatsen en wegen. De woningen hebben een schuinzadeldak met dakpannen en een dakgoot, daartussen zijn openingen aanwezig welke geschikt zijn als nestlocatie voor de huismus. Onder de dakgoot en tussen de nokpannen zijn openingen aanwezig welke mogelijk ook geschikt zijn als nestlocatie voor gierzwaluwen. Alle woningen hebben klein openingen zoals kierende nokpannen, schuren tussen de kozijnen en openstootvoegen welke kunnen functioneren als in- en uitvliegopeningen voor vleermuizen en kunnen leiden naar de spouwmuur en/of open kruipruimte te welke geschikt is als rust- en verblijfplaats. Geen potentiële invliegopeningen: • Potentiële invliegopeningen voor huismus (HM), gierzwaluw (GZ) en vleermuis (VL): • zadeldak met dakpannen met daaronder mogelijk open ruimtes (HM); •
onder de dakgoot zijn openingen aanwezig (GZ)
•
enkele nokpannen met openingen aanwezig (GZ);
•
kierende boeiboorden en open nok- en kantpannen (VL);
•
scheuren tussen de muur en het kozijn (VL);
•
open stootvoegen in de muur (VL).
Figuur 15
De rode omlijning geeft de te renoveren bebouwing bij benadering weer (bron: arcgis.com).
18
Figuur 16
De planlocatie aan de Dokter van Wieringenstraat 97-107 te Waardenburg betreft 6 woningen.
Figuur 17
Openingen onder de dakgoot.
19
2.7
Voorgenomen ingrepen Stichting Woonpartners is voornemens om groot onderhoud aan de hierboven beschreven complexen uit te voeren. Tevens worden de woningen energiezuiniger gemaakt door enkele delen van de bebouwing te isoleren. Ten aanzien van beschermde flora en fauna is het relevant op welke locatie aan of in de woningen de werkzaamheden worden uitgevoerd (tabel 2). Voor alle projectlocaties geldt dat vooralsnog onbekend is welke werkzaamheden exact worden uitgevoerd. De voorgenomen werkzaamheden bestaan mogelijk uit: •
controleren, repareren/vervangen van metselwerk en voegwerk;
•
isolatie dak;
•
plaatsing HR++ glas;
•
aanbrengen/vervangen spouwmuurisolatie;
•
vervangen daken en dakgoten;
•
vervangen kozijnen en ramen;
•
werkzaamheden cv/mechanismeventilatie (dakdoorvoeren);
•
vervangen dakgoten en HWA;
•
overige inpandige werkzaamheden.
20
3 Beoordeling Wet Natuurbescherming 3.1
Vaatplanten De planlocaties betreffen rijtjeswoningen of twee-onder-een-kap woningen al dan niet met vooren/of achtertuinen. De directe omgeving van de complexen bestaat uit verharding (wegen en trottoirs), stedelijk gebied en openbaar groen. De openbare ruimte en particuliere tuinen worden vrijwel altijd intensief onderhouden c.q. beheerd met een hoog kwaliteitsbeeld. Door de aanzienlijke aanwezigheid van verharding en intensief onderhouden groenstroken ontbreekt het habitat van kwetsbare en/of zeldzame soorten. Tevens is er geen beschermde muurvegetatie als muurbloem aangetroffen op de bebouwing. Waargenomen soorten betreffen algemene aangeplante soorten als (niet limitatief): buxus, campanula, conifeer, gewone braam, hibiscus, hortensia, klimop, lavendel, liguster,. Aanwezigheid van beschermde flora binnen de invloedsfeer van de ruimtelijke ontwikkelingen is uitgesloten. De beoogde ingrepen bestaan uit werkzaamheden aan de buitenzijde en binnenzijde van de woningen en/of de daarbij behorende berging. De bestaande vegetatie wordt hierbij niet of nauwelijks aangetast. De planlocatie heeft aannemelijk geen betekenis voor beschermde vaatplanten. Gelet op de functie en het gebruik van de locatie in relatie tot de habitatpreferentie van kwetsbare en zeldzame soorten wordt de aanwezigheid hiervan tevens niet verwacht.
Negatieve effecten ten aanzien van beschermde vaatplanten kunnen derhalve worden uitgesloten. Tabel 2
Overzicht van de (mogelijk) potentie en effecten voor beschermde vaatplanten per deelgebied. Potentie* Beschrijving Overtreding**
Alle complexen
geen
algemene soorten zonder beschermde status
nee
* potentie: geen – onwaarschijnlijk – mogelijk – ja ** overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming
Tabel 3
Overzicht van de (mogelijk) aanwezige beschermde vaatplanten conform de Wet Natuurbescherming Geschikt habitat Soortspecifiek Geschikt habitat Geschikt habitat Habitatrichtlijne onderzoek Vogelrichtlijnsoort overige soort n- soort noodzakelijk
Alle complexen
n.v.t.
x
x
x
invulling: x = ongeschikt / ja = geschikt / m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden
21
3.2
Zoogdieren Tijdens het veldbezoek zijn geen sporen aangetroffen van (beschermde) zoogdieren. Er is geen opgaande vegetatie aanwezig en er is sprake van constante verstoring door menselijke factoren en (vracht)verkeer. Tevens staan de percelen niet in verbinding met natuurgebieden. Cumulatief leidt vorengenoemde tot zeer ongeschikt leefgebied voor grote in het wild levende zoogdieren. De tuinen en openbare groenstroken hebben mogelijk een functie voor kleine grondgebonden fauna. Gelet op de gebruiksfuncties, ligging en schaalgrootte van de locatie, landelijke verspreiding en habitatpreferentie betreffen het slechts algemene en tolerante zoogdiersoorten. Voor soorten als: huismuis, vos, mol en egel hebben de locaties mogelijk een (beperkte) functie. In de omgeving Waardenburg is geen voorkomen bekend van beschermde grondgebonden zoogdieren. De werkzaamheden hebben geen of nauwelijks invloed op de tuinen en groenere structuren. Daarnaast lopen in woonwijken vaak huiskatten en honden en is er een continue verstoring door de aanwezigheid van mensen en allerhande activiteiten. Het voorkomen van steenmarter is in de omgeving van de planlocaties niet bekend. De soort prefereert een meer structuurrijk parkachtig of boerenlandschap in de omgeving van dorpen, vrijstaande woningen en schuren.
De aanwezigheid van de steenmarter is makkelijk opgemerkt door de aanwezigheid van sporen als: prooiresten, urinegeur, uitwerpselen, voedselvoorraden en schreeuwen/roepen in paartijd. Gelet op het geprefereerde habitat, de permanente verstoring op de locaties en het ontbreken van waarnemingen en meldingen bij Woningbouwvereniging De Goede Woning-Neerijnen (overlast, schade e.d.), alsmede bekende verspreidingsgegevens is de aanwezigheid van steenmarter op de planlocaties uitgesloten. De beoogde ingrepen leiden niet tot een afname van het leefgebied of aantasting van alle vorengenoemde soorten. Alle soorten die mogelijk gebruik maken van de planlocatie betreffen tolerante en algemeen voorkomende soorten. Voor deze soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. Een gedeelte van de planlocatie zal na de ingreep weer geschikt leefgebied inhouden voor een aantal soorten. In de directe omgeving is voldoende vergelijkbaar habitat waar potentieel aanwezige zoogdieren zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Negatieve effecten ten aanzien van grondgebonden zoogdieren zijn uitgesloten. Tabel 4
Overzicht van de (mogelijk) potentie en effecten voor beschermde zoogdieren per deelgebied. Potentie* Beschrijving Overtreding**
Alle complexen
mogelijk
algemene soorten vrijstellingsbesluit ontwikkelingen
opgenomen in het voor ruimtelijke
nee
* potentie: geen – onwaarschijnlijk – mogelijk – ja ** overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming
Tabel 5
Overzicht van de (mogelijk) aanwezige beschermde grondgebonden zoogdieren conform de Wet Natuurbescherming. Geschikt habitat Geschikt Soortspecifiek Geschikt habitat Habitatrichtlijnhabitat overige onderzoek Vogelrichtlijnsoort soort soort noodzakelijk
Alle complexen
n.v.t.
x
ja
x
invulling: x = ongeschikt / ja = geschikt / m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden
22
3.3
Vleermuizen De directe omgeving van het plangebied bestaat uit laanvormige elementen, gebouwen en open terrein wat geschikt foerageer- en verblijfgebied is voor vleermuizen (Limpens et al., 1997; Dietz et al., 2011). In de omgeving van Waardenburg waar de projectlocaties zijn gelegen is het voorkomen bekend van tenminste 5 vleermuissoorten: gewone dwergvleermuis, gewone grootoorvleermuis, laatvlieger, ruige dwergvleermuis en watervleermuis. Met name de gewone dwergvleermuis en laatvlieger zijn typische gebouw-bewonende soorten die relatief veel voorkomen in dorpen en/of stedelijk gebied. De te renoveren woningen zijn visueel geïnspecteerd op de aan- dan wel afwezigheid van potentiele in- en uitvliegopeningen. Vleermuizen kunnen op verschillende plaatsen in een woning een verblijfplaats hebben (figuur 18). In hoeverre een potentiële verblijfplaats geschikt is voor vleermuizen is onder andere afhankelijk van (a)biotische factoren, klimatologische omstandigheden, het type verblijfplaats en de vleermuissoort. Afhankelijk van de type werkzaamheden of ingrepen, het moment van uitvoeren en de toegepaste werkwijze kunnen effecten optreden voor vleermuizen.
Figuur 18
Vleermuizen kunnen op verschillende plaatsen in een woning een verblijfplaats hebben (bron afbeelding: www.ivnvechtplassen.org).
Op verschillende locaties in het plangebied is sprake van laanvorming, lineaire structuren of geschikt foerageergebied. Essentiele vlieg- en foerageerroutes maken onderdeel uit van het functioneel leefgebied van vleermuizen. Echter leiden de beoogde ingrepen aan de woningen niet tot aantasting van het foerageergebied of de structurele indeling ervan. Tevens worden de werkzaamheden uitgevoerd tussen zonsopkomst en zonsondergang waardoor bouwverlichting niet noodzakelijk is. Vleermuizen foerageren opportunistisch, waarbij het insectenaanbod de duur van het foerageren bepaald. Het grootste deel van de planlocaties is matig geschikt foerageergebied. De mogelijke effecten op vleermuizen zijn in sterke mate gerelateerd aan het type werkzaamheden. Het na-isoleren van een voor vleermuizen toegankelijke spouw leidt bijvoorbeeld tot de vernietiging van een mogelijke verblijfplaats. 23
Daarentegen leidt het vervangen van een cv-installatie in de regel niet tot de aantasting van geschikte vleermuisverblijfplaatsen. Globaal gezien kan gesteld worden dat werkzaamheden aan daken en gevels invloed kunnen hebben op potentiële verblijfslocaties en inpandige werkzaamheden niet. Alle wooncomplexen hebben mogelijk een essentiële functie voor vleermuizen. Hierdoor kunnen de werkzaamheden negatieve effecten hebben op vleermuissoorten. In figuur 19 wordt weergegeven waar de wooncomplexen zich bevinden. Bij de conclusies in paragraaf 5.1 worden deze effecten genuanceerd.
Figuur 19
Overzicht van de (mogelijk) geschikte verblijfslocaties voor vleermuizen in Waardenburg. Alle wooncomplexen hebben mogelijk een essentiële functie voor vleermuizen (rood omkaderd), hier dient er aanvullend onderzoek te worden uitgevoerd.
24
3.4
Amfibieën en reptielen Tijdens het veldbezoek zijn geen amfibieën en reptielen en/of sporen daarvan aangetroffen in het plangebied. In de omgeving is het voorkomen bekend van: bastaardkikker, kamsalamander en , kleine watersalamander (Creemers & Van Delft, 2009, NDFF). Voor de kamsalamander geldt dat deze beschermd is onder de Wet natuurbescherming en geen vrijstelling geldt in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen. De Voor reptielen zijn kale (zandige) plekken, dichte heide en opgaande vegetatie afgewisseld met open structuren van essentieel belang. Vergraafbare grond wordt gebruikt door hagedissen om holen te graven en eieren in af te zetten. Op de planlocatie ontbreken ontwikkelde natuurlijke vegetatiestructuren. Daarnaast is er geen aanwezigheid van reptielen bekend in de omgeving van Waardenburg. De aanwezigheid van reptielen kan uitgesloten worden. De kamsalamander is de grootse salamander soort van Nederland en komt voor in wateren in bosrijk gebieden of in de buurt van houtwalen en struwelen in cultuurlandschappen. Het voortplantingswater bestaat uit matig voedselrijke vennen, leemputten, poelen en vijvers. Door het ontbreken van geschikt habitat kan aanwezigheid worden uitgesloten. Tevens hebben de beoogde werkzaamheden geen effect op het leefgebied van de kamsalamander.
De aanwezigheid van de meer algemene, opportunistische amfibieën als bastaardkikker en gewone pad kan niet worden uitgesloten. Voor de incidenteel aanwezige soorten geldt vrijstelling in het kader van ruimtelijke ontwikkelingen (zie Wet natuurbescherming; Wet-Nb, art 3.10). Dergelijke soorten zijn dermate opportunistisch dat in de directe omgeving voldoende vergelijkbaar habitat aanwezig is waar ze zich al dan niet tijdelijk kunnen ophouden. Behoudens de algemene zorgplicht en enkele maatregelen ter voorkoming van kolonisatie door de rugstreeppad zijn geen bijzondere bepalingen van toepassing en kan overtreding van verbodsbepalingen in het kader van amfibieën en reptielen uitgesloten worden. Tabel 6
Overzicht van de (mogelijk) potentie en effecten voor beschermde amfibieën en reptielen per deelgebied. Potentie* Beschrijving Overtreding**
Alle complexen
Onwaars chijnlijk
Algemene soorten; welke vallen onder het vrijstellingsbesluit voor ruimtelijke ontwikkelingen. Indien sloop- en nieuwbouwwerkzaamheden plaatsvinden tevens rugstreeppad
Nee
* potentie: geen – onwaarschijnlijk – mogelijk – ja ** overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming
Tabel 7
Overzicht van de (mogelijk) aanwezige beschermde amfibieën en reptielen conform de Wet Natuurbescherming. Geschikt habitat Geschikt Soortspecifiek Geschikt habitat Habitatrichtlijnen- habitat overige onderzoek Vogelrichtlijnsoort soort soort noodzakelijk
Alle complexen
n.v.t.
x
x
x
invulling: x = ongeschikt / ja = geschikt / m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden **m: mits maatregelen getroffen worden om kolonisatie door rugstreeppad te voorkomen. Dit is enkel van toepassing indien ingrijpende werkzaamheden als sloop-, grondverzet- en/of nieuwbouwwerkzaamheden plaatsvinden
25
3.5
Vissen Er zijn geen ingrepen voorzien aan of nabij oppervlaktewater. Effecten op vissen kunnen derhalve worden uitgesloten. Tabel 8
Overzicht van de (mogelijk) potentie en effecten voor beschermde vissen per deelgebied. Potentie* Beschrijving Overtreding**
Alle complexen
geen
Geen ingrepen aan of nabij oppervlaktewater
nee
* potentie: geen – onwaarschijnlijk – mogelijk – ja ** overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming
Tabel 9
Overzicht van de (mogelijk) aanwezige beschermde vissen conform de Wet Natuurbescherming. Geschikt habitat Soortspecifiek Geschikt habitat Geschikt habitat Habitatrichtlijne onderzoek Vogelrichtlijnsoort overige soort n-soort noodzakelijk
Alle complexen
n.v.t.
x
x
x
invulling: x = ongeschikt / ja = geschikt / m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden
26
3.6
Vlinders, libellen en overige ongewervelden In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek geen (sporen en/of delen van) beschermde vlinders, libellen of overige ongewervelde aangetroffen. In de omgeving van Waardenburg is de aanwezigheid van de rivierrombout bekend. Deze soort is uitsluitend te vinden in rivierengebied in ruigtes nabij de rivier. Aanwezigheid van deze soort kan derhalve worden uitgesloten. Specifieke omstandigheden die door beschermde insectensoorten worden geprefereerd zijn niet aanwezig (waardplanten, overwinteringslocaties e.d.). Tevens is er geen sprake van een aantal typische habitats zoals dood hout in oude loofbossen of vennetjes en is op basis van landelijke verspreidingsgegevens het voorkomen van een slechts een beperkt aantal soorten bekend. Het is uitgesloten dat de beoogde ontwikkelingen een negatief effect hebben op beschermde ongewervelde. Tabel 10
Overzicht van de (mogelijk) potentie en effecten voor beschermde vlinders, libellen en overige ongewervelden per deelgebied. Potentie* Beschrijving Overtreding**
Alle complexen
geen
Algemene soorten zonder beschermde status
nee
* potentie: geen – onwaarschijnlijk – mogelijk – ja ** overtreding: in het kader van verbodsbepalingen opgenomen in de Wet natuurbescherming
Tabel 11
Overzicht van de beschermingsregimes betreffende vlinders, libellen en overige ongewervelde in de verschillende deelgebieden alsmede de verwachtte effecten naar aanleiding van de renovatie. Geschikt habitat Geschikt Soortspecifiek Geschikt habitat Habitatrichtlijnenhabitat onderzoek Vogelrichtlijnsoort soort overige soort noodzakelijk
Alle complexen
n.v.t.
x
x
x
invulling: x = ongeschikt / ja = geschikt / m (mogelijk) = nader te bepalen of mits maatregelen getroffen worden
27
3.7
Vogels In het plangebied zijn tijdens het veldbezoek foeragerende, overvliegende en rustende vogels waargenomen. De vogelsoorten betreffen: ekster, huismus, houtduif, kauw, merel en Turkse tortel. Alle woningen zijn geïnspecteerd op de geschiktheid voor soorten met jaarrond beschermde onderdelen van het leefgebied als bijvoorbeeld nestlocaties in bebouwing. Dit betreft met name huismus en gierzwaluw. De huismus is een kleine zangvogel. De soort leeft het gehele jaar op dezelfde locaties in de directe omgeving van bebouwing. De nestlocatie bevindt zich vaak onder (pannen)daken in gevels of andere beschutte plaatsen in bebouwing. Het habitat van de huismus moet voldoen aan een aantal aspecten: voldoende dekking (m.n. groenblijvende struiken), voedsel, nestgelegenheid, drinkwater en stofbadplaatsen. Indien deze aspecten niet allemaal aanwezig zijn of te ver uiteen liggen is het habitat ongeschikt voor de soort. Op en/of nabij alle planlocaties zijn waarnemingen van huismus en/of nestlocaties van de soort bekend. Gelet op de constructie van de bebouwing, het ontbreken van vogelschroot bij de meeste complexen en de potentiële invliegopeningen en inkruipmogelijkheden is de aanwezigheid van nestlocaties van huismus niet in alle wooncomplexen uit te sluiten (figuur 15).
Bovendien is het aannemelijk dat alle habitateigenschappen van huismus aanwezig zijn in de tuinen en het openbare groen. Op enkele planlocaties zijn er roepende individuen van huismus en derhalve nestlocaties waargenomen. Om de aan- dan wel afwezigheid van de huismus op de planlocatie aan te tonen dient er een aanvullend onderzoek plaats te vinden. Dit kan doormiddel van twee gerichte veldbezoeken in de periode 1 april tot en met 15 mei of tijdens vier gerichte veldbezoeken in de periode 10 maart tot en met 20 juni of middels een technische inspectie buiten het broedseizoen naar nestenlocaties. De gierzwaluw leeft evenals als de huismus in de directe omgeving van mensen en broedt tevens in gevels en onder (pannen)daken. De gierzwaluw is echter niet het gehele jaar aanwezig in Nederland, maar verblijft hier slechts in de broedperiode van mei tot augustus. De gierzwaluw verblijft met uitzondering van de broedperiode zijn hele leven in de lucht. Nabij alle planlocaties zijn waarnemingen van gierzwaluw en/of nestlocaties van de soort bekend (NDFF, 2009-2019). Gelet op de constructie van de bebouwing, het ontbreken van vogelschroot bij enkele complexen en de potentiële invliegopeningen en inkruipmogelijkheden is de aanwezigheid van nestlocaties van gierzwaluw niet in alle wooncomplexen uit te sluiten (figuur 16).
Om de aan- dan wel afwezigheid van de gierzwaluw op de planlocatie aan te tonen dient er een aanvullend onderzoek plaats te vinden. Dit kan doormiddel drie veldbezoeken in de periode 1 juni t/m 15 juli. De bomen, struiken en hagen aan en nabij de te renoveren woningen bieden voor algemene broedvogels gelegenheid om te foerageren en te nestelen. De werkzaamheden hebben een significant negatief effect op zangvogels als gebruiksfuncties tijdelijk of permanent ernstig worden aangetast. Tijdelijke aantasting van gebruiksfuncties zijn o.a. geluids- en lichtverstoring tijdens de broedperiode waardoor vogels niet tot een broedsel komen of er niet in slagen jongen groot te brengen. Ten aanzien van algemene broedvogels wordt geadviseerd om de werkzaamheden buiten het broedseizoen uit te voeren (indicatieve periode: 15 maart- 15 juli) om potentieel verstorende effecten op broedvogels te voorkomen. Het verwijderen van broedgelegenheden en het daarmee voorkomen van broedgevallen in de herfst- en winterperiode is eveneens een effectieve maatregel.
28
Figuur 20
Overzicht van de geschikte verblijfslocaties voor de huismus. Een aantal wooncomplexen (rood omkaderd) zijn mogelijk geschikt als nestlocatie en dienen nader onderzocht te worden. Voor de overige complexen (groen omkaderd) is geen aanvullend onderzoek nodig.
Figuur 21
Overzicht van de geschikte nestlocaties voor de gierzwaluw. Een aantal wooncomplexen (rood omkaderd) zijn mogelijk geschikt als nestlocatie en dienen nader onderzocht te worden. Voor de overige complexen (groen omkaderd) is geen aanvullend onderzoek nodig. 29
4 Gebiedsbescherming 4.1
Natura2000 gebieden De planlocaties maken geen deel uit van een Natura2000-gebied (figuur 14). In de omgeving op een afstand van ca. 0,4 km van de planlocaties ligt de Natura2000-gebieden: ‘Rijntakken Uiterwaarden Waal’. De beoogde ingrepen leiden niet tot een verkeerstrekkende werking. De renovatie van de woningen leidt tot een tijdelijke toename in stikstofdepositie (projecteffect). Een toename in stikstofdepositie kan een negatief effect sorteren op kwetsbare en gevoelige habitattypen. Vóór de uitspraak van de Raad van State (d.d. 29 mei 2019) werd beargumenteerd dat de afstand tot het Natura 2000-gebied dusdanig groot is, dat er geen effecten t.a.v. de stikstofdepositie zullen optreden. De Raad van State heeft echter beoordeeld dat het Programma Aanpak Stikstof (PAS) niet als basis voor toestemming voor activiteiten mag worden gebruikt. Op basis van het PAS wordt vooruitlopend op toekomstige positieve gevolgen van maatregelen voor beschermde natuurgebieden, alvast toestemming gegeven voor activiteiten die mogelijk schadelijk zijn voor die gebieden. Zo’n toestemming ‘vooraf’ mag niet meer. Hierdoor zijn alle gemelde activiteiten alsnog vergunning plichtig. Uiterlijk in september 2019 komt er nieuwe versie uit van de AERIUS Calculator beschikbaar.
De huidige versie werkt nog met een drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar, terwijl ook effecten tussen de 0 en 0,05 inzichtelijk gemaakt dienen te worden. Dit rekenmodel wordt in het najaar landelijk voorgeschreven als rekeninstrument voor de toestemmingverlening. Ook werken het Rijk en provincies samen aan een beoordelingskader en handreiking voor intern salderen. Deze komen tegelijk met de voorgeschreven calculator beschikbaar. De herbeoordeling d.m.v. de herziene AERIUS Calculator moet daarom plaatsvinden voor alle nog niet onherroepelijke plannen of projecten waarvan uit een Aerius-berekening is gebleken dat de toename van de depositie: • Onder de drempelwaarde van 0,05 mol/ha/jaar blijft. De in het PAS gehanteerde drempelwaarden zijn volgens de Afdeling niet goed onderbouwd en mogen daarom niet langer worden gebruikt (zolang de onderbouwing niet is verbeterd), óf: • Binnen het PAS gemeld moest worden. Dit was het geval voor alle projecten met een depositie groter dan 0,05 en kleiner dan of gelijk aan 1 mol/ha/jaar, zolang er althans nog voldoende depositieruimte beschikbaar was, óf: • Groter is dan 1 mol/ha/jaar (en dus binnen het PAS-vergunningplicht) maar waarvan de vergunning nog niet onherroepelijk is. Dat is het geval wanneer tegen het besluit bezwaar is gemaakt of beroep is ingesteld.
Ondanks de uitspraak is het (beperkt) mogelijk om uw plannen/projecten op korte termijn door te laten gaan. Uit herberekening van de stikstofdepositie moet dan blijken: Dat er ook zonder drempelwaarde géén toename van depositie wordt berekend, óf: • Dat door toename van depositie de kritische depositiewaarden niet worden overschreden; dit is met name het geval wanneer de Natura 2000-gebieden weinig gevoelig zijn of wanneer de stikstofuitstoot uit andere bronnen relatief klein is, óf: • Dat door (aanpassing van) plannen of projecten de emissies van stikstofoxiden en/of ammoniak afnemen waardoor effecten op Natura 2000-gebieden kunnen worden uitgesloten Blom Ecologie B.V. adviseert om projecten die kunnen leiden tot een toename van de uitstoot van stikstofoxiden of ammoniak opnieuw te beoordelen met de herziene versie van de AERIUS 30
Calculator. Doel daarvan is vast te stellen of significante effecten kunnen worden uitgesloten. Tot de vernieuwde AERIUS Calculator er is, verlenen het Rijk en provincies geen toestemming voor activiteiten die extra stikstofdepositie veroorzaken in Natura 2000-gebieden. Verwacht wordt dat de werkzaamheden aan de wooncomplexen geen negatief effect hebben op de stikstofdepositie doordat het slechts renovatieplannen betreft. Vermoedelijk zal de renovatie aan de wooncomplexen zorgen voor een stikstofreductie. Hierdoor kunnen de plannen hoogst waarschijnlijk door gaan. Tevens geldt voor de overige effecten (trillingen, geluid, optische verstoring etc.) dat de afstand tot omliggende Natura2000-gebieden per definitie te groot is.
Figuur 22
In de omgeving van de planlocaties (rode cirkesl) ligt het Natura2000-gebied: ‘Rijntakken Uiterwaarden Waal’ (bron:natura2000.eea.europa.eu).
31
4.2
Gelders Natuurnetwerk De planlocaties zijn geen onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (figuur 15). Op een afstand van ca. 0,4 km ligt het dichtstbijzijnde gebied wat onderdeel is van het Gelders Natuurnetwerk. Ten aanzien van het Gelders Natuurnetwerk geldt dat externe werking geen toetsingskader is.
Figuur 23
De planlocaties (rode cirkels) zijn geen onderdeel van het Gelders Natuurnetwerk (bron: kaarten.gelderland.nl).
32
5 Conclusies en aanbevelingen In onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de benodigde onderzoeken per complex. Effecten op de instandhoudingsdoelen van Natura2000-gebieden en de wezenlijke kenmerken en waarden van het Gelders Natuurnetwerk zijn uitgesloten. Tabel 12
Benodigde onderzoeken per complex. Rood= aanvullend onderzoek vereist, groen= geen aanvullend onderzoek nodig.
Complex
Vleermuis
Huismus
Gierzwaluw
103, Koningin Julianaplantsoen 1-13 en 17-31 104, Koningin Julianaplantsoen 16-22 en 39-43 106, Koningin Wilhelminalaan 18-36 111, Dokter Kijlstradreef 2-20 en 11-27 112, Dokter van Wieringenstraat 97-107
Onderstaand in paragraaf 5.5 tot is uitgewerkt welke werkzaamheden er bij elk complex mogelijk is en voor welke soort(groepen) deze renovatiewerkzaamheden tot effecten leidt.
5.1
Complex 103, Koningin Julianaplantsoen 1-13 en 17-31 Werkzaamheden aan dak buitenzijde en dakgoot Uit de quickscan is gebleken dat het complex potentie biedt voor vleermuizen. Bij werkzaamheden aan het dak dient te worden vastgesteld of vleermuizen hiervan gebruik maken. Werkzaamheden dak binnen Werkzaamheden aan het dak van binnen zijn bijvoorbeeld het aanbrengen van dakisolatie. Uit de quickscan is gebleken dat het complex potentie biedt voor vleermuizen. Bij inpandige werkzaamheden van het dak dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden ten aanzien van de beschermde soorten. Ten eerste dienen de werkzaamheden t.a.v. algemene broedvogels buiten het broedseizoen plaats te vinden. Bovendien dienen de werkzaamheden voor de vleermuis buiten de kritische periode plaats te vinden, dit is de periode van december - maart. Daarnaast dienen maatregelen getroffen te worden zodat de nestlocaties toegankelijk blijven. Werkzaamheden gevel en kozijnen Werkzaamheden als het plaatsen van HR++ glas, controleren, repareren/vervangen van metselwerk en voegwerk, vervangen van ramen en kozijnen zijn voorbeelden die vallen onder werkzaamheden aan de gevel en kozijnen. De werkzaamheden kunnen een effect op vleermuizen hebben die mogelijk een vaste rust- of verblijfplaats hebben in de spouwmuur. Uit de quickscan is gebleken dat het complex potentie biedt voor vleermuizen.
Bij werkzaamheden aan de gevel en kozijnen dient te worden vastgesteld of vleermuizen hiervan gebruik maken. Werkzaamheden spouwmuur Het aanbrengen/vervangen van de spouwmuurisolatie wordt verstaan onder de werkzaamheden spouwmuur. De werkzaamheden hebben een effect op vleermuizen die mogelijk een vaste rust- of verblijfplaats hebben in de spouwmuur. Uit de quickscan is gebleken dat het complex potentie biedt
33
voor vleermuizen. Bij werkzaamheden aan de spouwmuur dient te worden vastgesteld of vleermuizen hiervan gebruik maken.
5.2
Complex 104, Koningin Julianaplantsoen 16-22 en 39-43 Werkzaamheden aan dak buitenzijde en dakgoot Uit de quickscan is gebleken dat de woningen potentie bieden voor huismussen, gierzwaluw en/of vleermuizen. De woningen 16-22 zijn niet geschikt voor huismussen en de gierzwaluw. De woningen 39-43 bieden wel potentie. Bij werkzaamheden aan het dak en/of goot dient te worden vastgesteld of deze soorten hiervan gebruik maken. Werkzaamheden dak binnen Werkzaamheden aan het dak van binnen zijn bijvoorbeeld het aanbrengen van dakisolatie. Uit de quickscan is gebleken dat de woningen potentie bieden voor huismussen, gierzwaluw en/of vleermuizen. Bij inpandige werkzaamheden van het dak dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden ten aanzien van de beschermde soorten. Ten eerste dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Bovendien dienen de werkzaamheden voor de vleermuis buiten de kritische periode plaats te vinden, dit is de periode van december - maart. Daarnaast dienen maatregelen getroffen te worden zodat de nestlocaties toegankelijk blijven. Voor huismussen en de gierzwaluw geldt dat er enkel potentie aanwezig is aan Koningin Julianaplantsoen 29-43. Het aanvullend onderzoek t.a.v. huismussen en gierzwaluwen geldt alleen voor deze woningen, op de overige woningen is de aanwezigheid van de huismus en gierzwaluw uitgesloten.
Werkzaamheden gevel en kozijnen Werkzaamheden als het plaatsen van HR++ glas, controleren, repareren/vervangen van metselwerk en voegwerk, vervangen van ramen en kozijnen zijn voorbeelden die vallen onder werkzaamheden aan de gevel en kozijnen. De werkzaamheden kunnen een effect op vleermuizen hebben die mogelijk een vaste rust- of verblijfplaats hebben in de spouwmuur. Voor huismussen en gierzwaluwen geldt dat deze werkzaamheden geen effect hebben op deze soorten. Uit de quickscan is gebleken dat de woningen potentie bieden voor vleermuizen. Bij werkzaamheden aan de gevel en kozijnen dient te worden vastgesteld of vleermuizen hiervan gebruik maken. Werkzaamheden spouwmuur Het aanbrengen/vervangen van de spouwmuurisolatie wordt verstaan onder de werkzaamheden spouwmuur. De werkzaamheden hebben een effect op vleermuizen die mogelijk een vaste rust- of verblijfplaats hebben in de spouwmuur. Voor huismussen en gierzwaluwen geldt dat deze werkzaamheden geen effect hebben op deze soorten. Uit de quickscan is gebleken dat de woningen potentie bieden voor vleermuizen. Bij werkzaamheden aan de spouwmuur dient te worden vastgesteld of vleermuizen hiervan gebruik maken.
5.3
Complex 106, Koningin Wilhelminalaan 18-36 Werkzaamheden aan dak buitenzijde en dakgoot Uit de quickscan is gebleken dat de woningen potentie bieden voor huismussen en/of vleermuizen. Tijdens het veldbezoek is op enkele plekken vogelschroot waargenomen indien dit het geval is bij alle woningen kan aanwezigheid van de huismus worden uitgesloten en zullen de werkzaamheden geen negatieve effecten hebben op de soort. Bij werkzaamheden aan het dak en/of goot dient te worden vastgesteld of deze soorten hiervan gebruik maken Werkzaamheden dak binnen Werkzaamheden aan het dak van binnen zijn bijvoorbeeld het aanbrengen van dakisolatie. Uit de quickscan is gebleken dat de woningen potentie bieden voor huismussen en/of vleermuizen. Bij 34
inpandige werkzaamheden van het dak dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden ten aanzien van de beschermde soorten. Ten eerste dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Bovendien dienen de werkzaamheden voor de vleermuis buiten de kritische periode plaats te vinden, dit is de periode van december - maart. Daarnaast dienen maatregelen getroffen te worden zodat de nestlocaties toegankelijk blijven. Het aanvullend onderzoek t.a.v. huismussen geldt alleen als er niet over de gehele woning vogelschroot aanwezig is. Werkzaamheden gevel en kozijnen Werkzaamheden als het plaatsen van HR++ glas, controleren, repareren/vervangen van metselwerk en voegwerk, vervangen van ramen en kozijnen zijn voorbeelden die vallen onder werkzaamheden aan de gevel en kozijnen. De werkzaamheden kunnen een effect op vleermuizen hebben die mogelijk een vaste rust- of verblijfplaats hebben in de spouwmuur. Voor de huismus geldt dat deze werkzaamheden geen effect hebben op deze soorten. Uit de quickscan is gebleken dat de woningen potentie bieden voor vleermuizen. Bij werkzaamheden aan de gevel en kozijnen dient te worden vastgesteld of vleermuizen hiervan gebruik maken. Werkzaamheden spouwmuur Het aanbrengen/vervangen van de spouwmuurisolatie wordt verstaan onder de werkzaamheden spouwmuur.
De werkzaamheden hebben een effect op vleermuizen die mogelijk een vaste rust- of verblijfplaats hebben in de spouwmuur. Voor huismussen en geldt dat deze werkzaamheden geen effect hebben op deze soorten. Uit de quickscan is gebleken dat de woningen potentie bieden voor vleermuizen. Bij werkzaamheden aan de spouwmuur dient te worden vastgesteld of vleermuizen hiervan gebruik maken.
5.4
Complex 111, Dokter Kijlstradreef 2-20 en 11-27 Werkzaamheden aan dak buitenzijde en dakgoot Uit de quickscan is gebleken dat de woningen potentie bieden voor huismussen, gierzwaluw en/of vleermuizen. De woningen 11-27 zijn niet geschikt voor huismussen. De woningen 2-20 bieden wel potentie. Bij werkzaamheden aan het dak en/of goot dient te worden vastgesteld of deze soorten hiervan gebruik maken. Werkzaamheden dak binnen Werkzaamheden aan het dak van binnen zijn bijvoorbeeld het aanbrengen van dakisolatie. Uit de quickscan is gebleken dat de woningen potentie bieden voor huismussen, gierzwaluw en/of vleermuizen. Bij inpandige werkzaamheden van het dak dienen mitigerende maatregelen getroffen te worden ten aanzien van de beschermde soorten. Ten eerste dienen de werkzaamheden buiten het broedseizoen plaats te vinden. Bovendien dienen de werkzaamheden voor de vleermuis buiten de kritische periode plaats te vinden, dit is de periode van december - maart. Daarnaast dienen maatregelen getroffen te worden zodat de nestlocaties toegankelijk blijven. Voor huismussen geldt dat er enkel potentie aanwezig is aan Dokter Kijlstradreef 2-20. Het aanvullend onderzoek t.a.v. huismussen geldt alleen voor deze woningen, op de overige woningen is de aanwezigheid van de huismus.