RV2023-083-bijlage-1-Nota-van-zienswijzen-Het-Plantsoen-Waardenburg.pdf
Tekst van het document
NOTA VAN ZIENSWIJZEN BIJ BESTEMMINGSPLAN ‘Koningin Wilhelminalaan en Koningin Julianaplantsoen, Waardenburg’
BEHORENDE BIJ HET RAADSBESLUIT D.D. 26-9-2023
Colofon Auteur : Team Ruimtelijke Ontwikkeling en Wonen, gemeente West Betuwe Versie : 1 Datum : september 2023
1
INHOUDSOPGAVE
Inhoud INHOUDSOPGAVE ........................................................................................................ 2 HOOFDSTUK 1
INLEIDING ......................................................................................... 3
HOOFDSTUK 2
TERVISIELEGGING EX ARTIKEL 3.8 WRO ............................................ 4
HOOFDSTUK 3
ONTVANKELIJKHEID ZIENSWIJZEN................................................... 5
HOOFDSTUK 4
ZIENSWIJZENBEHANDELING ............................................................. 6
HOOFDSTUK 5
AMBTSHALVE WIJZIGINGEN ............................................................. 9
2
HOOFDSTUK 1
INLEIDING
Op 17 december 2019 heeft het bestuur van De Kernen een principeverzoek ingediend om op een tweetal locaties in Waardenburg woningen te slopen en vervangende nieuwbouw te realiseren. Het plan bestaat uit het slopen van 28 grondgebonden sociale huurwoningen waarvan 24 woningen liggen aan het Julianaplantsoen en 4 woningen aan de Koningin Wilhelminalaan en het slopen van woning, gelegen aan het Julianplantsoen die in particulier bezit is. De Kernen wil op de vrijkomende locaties overgaan tot het realiseren van 22 grondgebonden sociale huurwoningen, 8 gestapelde sociale huurwoningen en het juridisch-planologisch mogelijk maken van een twee-onder-een kapper. Het openbaar gebied in en aansluitend aan het Julianaplantsoen wordt opnieuw ingericht. Het college heeft besloten om medewerking te verlenen aan dit verzoek. Het realiseren van deze woningen past in het woningbouwprogramma dat de gemeenteraad heeft vastgesteld. Door het realiseren van nieuwbouw en het inrichten van het openbaar gebied verbetert de ruimtelijke kwaliteit van de bebouwing en de woon- en leefomgeving voor de bewoners.
3
HOOFDSTUK 2
TERVISIELEGGING EX ARTIKEL 3.8 WRO
Vanaf woensdag 3 mei tot en met dinsdag 13 juni 2023 heeft het ontwerpbestemmingsplan ‘Koningin Wilhelminalaan en Koningin Julianaplantsoen, Waardenburg’ ter inzage gelegen in het kader van de ontwerpfase ex artikel 3.8 WRO. De terinzagelegging is gepubliceerd in het Weekblad West Betuwe en de Staatscourant op dinsdag 2 mei 2023. Het ontwerpbestemmingsplan was digitaal te zien via www.ruimtelijkeplannen.nl en www.westbetuwe.nl. Daarnaast was het bestemmingsplan analoog op verzoek in te zien bij het gemeentelijk klantencontactcentrum. Tijdens de terinzagelegging is eenieder in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze omtrent het ontwerp bestemmingsplan aan de raad kenbaar te maken. Hiervan heeft het Waterschap Rivierenland gebruik gemaakt. Deze zienswijze en de ontvankelijkheidbeoordeling is opgenomen in hoofdstuk 3. Van de mogelijkheid om een mondelinge zienswijze in te dienen is geen gebruik gemaakt.
4
HOOFDSTUK 3
ONTVANKELIJKHEID ZIENSWIJZEN
Het ontwerp bestemmingsplan heeft met ingang van 3 mei 2023 ter inzage gelegen. Naar analogie van het bepaalde in artikel 6:9 van de Algemene wet bestuursrecht is een zienswijze tijdig ingediend als deze voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post bepaalt het tweede lid van dit artikel dat sprake is van tijdige indiening indien de zienswijze voor het einde van de termijn per post is bezorgd (verzendtheorie), mits deze niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Hieronder vindt u een overzicht van alle instanties/personen die een schriftelijke zienswijze hebben ingediend, voor zover deze niet zijn geanonimiseerd: Nr. 1.
Indiener van een Zienswijze Waterschap Rivierenland
Straat en huisnummer Postbus 599
Postcode en Woonplaats 4000 AN TIEL
Datum ontvangst 7 juni 2023
Docnr. 1001941
Aan de zienswijze is in volgorde van binnenkomst een nummer toegekend. Dit nummer zal in de rest van dit document als volgnummer worden gebruikt. De zienswijze is ingekomen op of voorgaand aan de sluiting van de zienswijzentermijn d.d. 12 juni 2023. Deze zienswijzen zijn derhalve ontvankelijk en zullen in het navolgende hoofdstuk inhoudelijk worden behandeld.
5
HOOFDSTUK 4
ZIENSWIJZENBEHANDELING
In dit hoofdstuk wordt de ingediende zienswijze behandeld. Ondanks dat de zienswijze is samengevat, is de volledige zienswijze bij onze afweging betrokken. Gekozen is voor een schematische weergave, waarin het hiernavolgende wordt vermeld per zienswijze: Naam en adresgegevens van de indiener van een zienswijze (bij digitaal beschikbaar gestelde exemplaren geanonimiseerd), een samenvatting van de betreffende zienswijze, een standpuntbepaling door de gemeenteraad, een besluit naar aanleiding van de ingediende zienswijze, en voor zover van toepassing de aanpassingen die in het bestemmingsplan worden doorgevoerd naar aanleiding van deze zienswijze.
Indiener zienswijze 1. Waterschap Rivierenland , Postbus 599, 4000 AN TIEL Samenvatting zienswijze De inhoud van de zienswijze luidt als volgt: 1. In het kader van het wettelijk vooroverleg is het voorontwerpbestemmingsplan niet aan het waterschap voorgelegd. Er zijn een aantal inhoudelijke en juridische gebreken. Daarom dient het waterschap een zienswijze in. 2. Ten zuidwesten van het plangebied ligt een rioolgemaal (milieucategorie 2). Op basis van de VNG richtafstandentabel geldt hiervoor een afstand van 30 meter. Binnen deze afstand worden nieuwe woningen mogelijk gemaakt. Het waterschap verzoekt om het rioolgemaal op te nemen in paragraaf 5.7 en de gevolgen hiervan te vermelden op de verbeelding en in de planregels. 3. De consequenties van afkoppelen dienen genoemd te worden. Hiervoor moet de beslisboom uit het beleidsdocument ‘Samen door één buis’ voor het afkoppelen en compensatie doorlopen te worden. Omgang met hemel- en afvalwater moet worden uitgewerkt in rioleringsplan 4. De vier thema’s van klimaatadaptatie dienen uitgewerkt te worden. De thema’s hittestress, droogte en overstromingen worden niet behandeld en het thema wateroverlast wordt slechts beperkt behandeld. Het waterschap verzoekt om een drooglegging van 1,3 meter voor de woningen. 5. Op pagina 42: wij vragen onder het kopje waterberging aan te geven dat de verharding afneemt. 6. Op pag.
43: wij vragen de verharding in tuinen uit te rekenen. Voor rijtjeswoningen hanteren wij dat 90% van de kavel (inclusief woning) wordt verhard. Voor twee-onder-eenkappers en vrijstaande woningen geldenpercentages van 80% en 70%. Daarnaast vragen wij de afname verharding op pagina 42 te benoemen. 7. Wij adviseren de groenvoorzieningen als groen te bestemmen, omdat de groenvoorzieningen hiermee beter zijn beschermd. Nu vallen de groenvoorzieningen in de bestemming ‘verkeer’. Standpunt gemeenteraad 1. Vanwege de beperkte toename van woningen en de uitgebreide participatie met de huidige bewoners en de omwonenden is de bestemmingsplanprocedure gestart in de ontwerpfase. Dat neemt niet weg, dat het voeren van het wettelijk vooroverleg met het waterschap wel vereist is. Hier is sprake van een omissie. Het is gebruikelijk om voorafgaand aan het wettelijk vooroverleg al met het waterschap in overleg te treden over de planvorming. Bij andere planvoornemens zullen wij op deze manier acteren. 2. In de plantoelichting van het bestemmingsplan is uitgegaan van het gebiedstype ‘gemengd gebied’. Voor de milieuzonering is dit gebiedstype van toepassing verklaard. 6
3.
4.
5. 6. 7.
Dit gebiedstype is van toepassing vanwege de ligging zo vlak bij hoofdinfrastructuur (A2 en N830) en het gegeven dat de omgeving niet alleen maar woonbestemmingen kent maar ook de bestemmingen detailhandel, bedrijf en horeca. In gemengd gebied kunnen de richtafstanden redelijkerwijs met 1 afstandstap verkleind worden, de 30 meter voor het rioolgemaal wordt dan 10 meter. De nieuwe woningen vallen buiten de richtafstand van 10 meter. Hiermee wordt dus voldaan aan de milieuzonering voor het rioolgemaal. De beslisboom wordt doorlopen en de uitkomst hiervan wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan. Het rioleringsplan wordt opgesteld als onderdeel van de inrichting van het openbaar gebied, Het rioleringsplan wordt voorgelegd aan het Waterschap. Aan de zienswijze van het waterschap wordt gevolg gegeven. De vier thema’s van klimaatadaptatie worden nader uitgewerkt, namelijk hittestress, droogte, overstromingen en wateroverlast. De drooglegging van 1,3 meter van de woningen is gelet op de beperkte ruimte in het plangebied en de bestaande peilhoogtes helaas niet haalbaar. Wel wordt gepoogd om zoveel mogelijk water te bergen in het openbaar gebied door het peil van de woningen te verhogen in relatie tot het straatpeil. Dit is in bestemmingsplan geborgd. Bij de aanvraag omgevingsvergunning wordt hieraan getoetst. Aan deze opmerking wordt gevolg gegeven.
Aan deze opmerking wordt gevolg gegeven. Bij het opstellen van het bestemmingsplan is aansluiting gezocht bij de planregels van recente bestemmingsplannen van gemeente West Betuwe. Groen in het openbaar gebied valt hiermee inderdaad in de bestemming ‘verkeer’. Het openbaar gebied is gemeentelijk eigendom. Bij het inrichten van het openbaar gebied hanteert de gemeente het Handboek inrichting beheer openbare ruimte. Onderdeel van het HIBOR is het bieden van voldoende ruimte voor het bergen en afvoeren van regenwater. Een inrichting van het openbaar gebied met voldoende ruimte voor groen en water is hiermee geborgd. Bovendien biedt de bestemming ‘verkeer’ flexibiliteit bij het inrichten van het openbaar gebied. Onnodige planologische procedures worden hiermee voorkomen.
Besluit De zienswijze wordt gedeeltelijk gegrond verklaard. Wijzigingen in het bestemmingsplan 1. Het rioolgemaal wordt benoemd in paragraaf 5.7 en de toetsing aan de richtafstanden wordt aan de tekst toegevoegd: Rioolgemaal In de VNG-brochure ‘Bedrijven en milieuzonering’ wordt een rioolgemaal (SBI-code 3700.B) aangemerkt als een milieucategorie 2-inrichting, waardoor sprake is van een hindercontour van 30 meter bij het omgevingstype ‘rustige woonwijk’. De VNG-brochure kent ook het omgevingstype ‘gemengd gebied’. Hiervan is onder andere sprake als het plangebied binnen de invloedssfeer van hoofdinfrastructuur bevindt. Indien sprake is van het omgevingstype ‘gemengd gebied’ mogen de van toepassing zijnde hinderafstanden met één afstandsstap verkleind worden. Nu de Rijksweg A2 zich direct ten westen van het plangebied bevindt, wordt (de directe omgeving van) het plangebied aangemerkt als ‘gemengd gebied’, zoals bedoeld in de VNG-uitgave. Dit betekent dat de rondom het rioolgemaal aanwezige hindercontour met één afstandsstap verkleind mag worden. Hierdoor bedraagt deze hindercontour geen 30 meter maar 10 meter. Aangezien de kortste afstand tussen het perceel waarop het rioolgemaal staat (W.666) en de gevel van de dichtstbijzijnde beoogde woningen 15,5 meter bedraagt, wordt aan deze richtafstand voldaan.
Dit betekent dat het rioolgemaal geen belemmering vormt voor de beoogde ontwikkeling en vice versa. 2. De beslisboom wordt doorlopen en de uitkomst hiervan wordt vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan. Het waterhuishoudkundige plan is als bijlage bij het bestemmingsplan gevoegd.
7
3. De vier thema’s van klimaatadaptatie, namelijk hittestress, droogte, overstromingen en wateroverlast, worden nader uitgewerkt in het waterhuishoudkundig plan, en vermeld in de toelichting van het bestemmingsplan. 4. Op pagina 42 wordt vermeld dat de verharding afneemt. 5. Op pag. 43 is de verharding in tuinen toegevoegd. De aangepaste paragraaf 5.5 is bij de Nota van Zienswijzen gevoegd. De vier thema’s worden nog opgenomen in deze paragraaf.
8
HOOFDSTUK 5 AMBTSHALVE WIJZIGINGEN Ambtshalve wijzigingen toelichting en bijlagen Voor paragraaf 3.2.2 Omgevingsverordening Gelderland De instructieregel artikel 2.65b van onze Verordening en onze Omgevingsvisie Gaaf Gelderland, hoofdstuk 4, paragraaf 2 wordt aan deze paragraaf toegevoegd net als de toetsing aan deze regel. Dit leidt tot de volgende tekst: Voor het woningbouwplan zijn vooral de instructieregels als bedoeld in artikel 2.2 lid 1 en afdeling 2.7a (over klimaatadaptatie) relevant. Artikel 2.2 lid 1: ‘Een bestemmingsplan maakt nieuwe woningen alleen mogelijk als die ontwikkeling past binnen een door Gedeputeerde Staten vastgestelde regionale woonagenda.’ De regio Rivierenland, waar de gemeente West Betuwe onderdeel van uitmaakt, houdt zich bezig met het opstellen van de regionale woonagenda. Belangrijk onderdeel hierin is het opstellen van een kwantitatief en kwalitatief regionaal woningbouwprogramma. Verwezen zij naar de volgende paragraaf (3.3.1), waarin wordt ingegaan op de Regionale woonagenda Rivierenland 2020 – 2030. Voor het aspect externe veiligheid (paragraaf 5.4) Het advies van de Veiligheidsregio geeft aanleiding tot het aanpassen van paragraaf 5.4. Het advies van de Veiligheidsregio, het maatgevende scenario en de restrisico’s alsmede de te nemen maatregelen om het restrisico te beperken worden hierin vermeld.
Het tekstvoorstel is bij de Nota van Zienswijzen gevoegd. In dit tekstvoorstel moeten nog de volgende onderwerpen worden toegevoegd: a. Het besluit van de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe houdende regels omtrent veiligheid Beleidsvisie externe veiligheid West Betuwe 2019 – 2023 wordt vermeld in de toelichting. Aan deze visie wordt getoetst en de uitkomsten van de toetsing worden vermeld in de toelichting b. In de paragraaf wordt opgenomen hoe de initiatiefnemer de risicocommunicatie en het handelingsperspectief richting de toekomstige bewoners gaat uitvoeren. Doel hiervan is om de zelfredzaamheid van de bewoners te vergroten en het restrisico bij calamiteiten te verkleinen. Ambtshalve wijzigingen regels Artikel 4.2.4 komt te vervallen en wordt vervangen door het volgende artikel: Met betrekking tot de maatvoering van bijgebouwen, gelden de volgende regels: a. De goothoogte mag maximaal 3,5 meter bedragen, met dien verstande dat de goothoogte van aangebouwde bijgebouwen maximaal 0,3 meter boven de bovenkant van de scheidingsconstructie met de tweede bouwlaag van het hoofdgebouw mag bedragen. b. De bouwhoogte mag maximaal 6 meter bedragen, met dien verstande dat de bouwhoogte niet meer mag bedragen dan de bouwhoogte van het bijbehorende bouwwerk. c. De gezamenlijke oppervlakte van aan- en uitbouwen en bijgebouwen mag niet meer bedragen dan: 1.
30 m² indien het bouwperceel kleiner of gelijk is aan 200 m²; 2. 60 m2 indien het bouwperceel een oppervlakte heeft van meer dan 150 m² en minder dan 500 m². Nu lid 4 is verwijderd uit de planregels, wordt de aanduiding ‘maatvoering – maximum oppervlakte bijgebouwen 150’ verwijderd van de verbeelding. De planregels voor bijgebouwen sluiten hiermee aan bij de geldende regels voor bijgebouwen in de geldende bestemmingsplannen voor West Betuwe. Zo ontstaat een eenduidige regeling voor bijgebouwen. 9
Aan artikel 4 worden voorwaardelijke verplichtingen toegevoegd, waarmee gevolg wordt gegeven aan het advies van de Veiligheidsregio: Artikel 4.5 Voorwaardelijke verplichting ventilatie Het is verboden de woningen in gebruik te nemen voordat een centraal afschakelbare ventilatie is geïnstalleerd en in werking is en in werking blijft. Artikel 4.6 Voorwaardelijke verplichting bouwkundige maatregelen: a. Het is verboden de woningen in gebruik te nemen voordat bouwkundige maatregelen (brandwerende gevels en brandwerend/scherfvrij glas) zijn getroffen en in de aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen zijn opgenomen. b. De aanvraag omgevingsvergunning voor de activiteit bouwen wordt ter advisering voorgelegd aan de Veiligheidsregio. Artikel 9.1.1 tot en met artikel 9.1.4 komt te vervallen. Artikel 9.1.5 wordt vernummerd naar artikel 9.1 en wordt gewijzigd in: De woningen ter plaatse van de gebiedsaanduiding ‘overige zone – voorwaardelijke verplichting’ mogen niet worden gebruikt zolang op eigen terrein niet is voorzien in 2 parkeerplaatsen per woning. Deze parkeerplaatsen dienen in stand te worden gehouden. Parkeerplaatsen dienen aangelegd te worden op het eigen terrein, waarbij de afmetingen per parkeerplaats ten minste voldoen aan de volgende maatvoeringen: 1.
Haaksparkeren: Lengte 5,0 m, breedte 2,5 m met dien verstande dat er voldoende manoeuvreerruimte beschikbaar dient te zijn voor het kunnen functioneren van de parkeerplaatsen, dat wil zeggen minimaal 5 m achter een insteekvak voor haaksparkeren. 2. Langsparkeren: Vaklengte 6,0 m, breedte 1,8 m.
10
BIJLAGE 1: 5.4 Externe veiligheid Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijk stoffen. Bij ruimtelijke ontwikkelingen moet men rekening houden met verplichte afstandsnormen tussen de ruimtelijke ontwikkeling en de risicobron (inrichtingen met of vervoer van gevaarlijke stoffen) volgens onderstaande wetten: • • •
Besluit externe veiligheid inrichtingen Besluit externe veiligheid buisleidingen Besluit externe veiligheid transportroutes
Risicovolle objecten zijn o.a.: • ondergrondse buisleidingen met transport van aardgas of andere stoffen; • transport van gevaarlijke stoffen over o.a. rijkswegen en spoorbanen; • bedrijven vallend onder de Wet Milieubeheer met grootschalige opslag van chemisch stoffen; • grootschalige opslag van chemische stoffen (PGS15); • LPG-tankstations •
Vervoer gevaarlijke stoffen over water
Bij externe veiligheid gaat het om het beheersen van de veiligheid van personen in de omgeving van activiteiten met gevaarlijke stoffen. Het beleid is er op gericht te voorkomen dat er te dicht bij gevoelige bestemmingen activiteiten met gevaarlijke stoffen plaatsvinden. Het algemene uitgangspunt is dat niemand blootgesteld mag worden aan een kans om door een activiteit met gevaarlijke stoffen te overlijden, die groter is dan één op de miljoen (10-6). In dat geval wordt gesproken over het plaatsgebonden risico, dat wordt weergegeven in een risicocontour. Daarnaast bestaat er een zogenoemd groepsrisico: de kans dat bij één gebeurtenis een groep met ten minste een bepaalde omvang om het leven komt. Het groepsrisico wordt niet weergegeven in een contour, maar in een grafiek. Een aantal calamiteiten met gevaarlijke stoffen, zowel in binnen- als buitenland, heeft aangetoond dat een maatschappij zonder risico's niet bestaat. Het beleid op het gebied van externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. De beleidsmatige kernpunten zijn: • het ontstaan van nieuwe knelpunten tegengaan; • het stimuleren van de eigen verantwoordelijkheid van inrichtingen; • het saneren van bestaande knelpunten; • zorgvuldige risicocommunicatie; • hulpverlening: het bevorderen van de samenwerking en de kwaliteit van de uitvoering en het richting geven aan de organisatorische versterking.
Planspecifiek In de directe omgeving van de projectlocatie aan bevinden zich de potentiële risicobronnen: a. Rijksweg A2 b. Spoortraject Meteren – Den Bosch c. Spoortraject Betuweroute d. Twee buisleidingen e. Inrichting met LPG Door De Milieuadviseur is voor dit plan een verantwoording van het groepsrisico opgesteld (Beperkte verantwoording groepsrisico, Koningin Wilhelminalaan en Koningin Julianaplantsoen, Waardenburg, d.d. 19 juli 2023, zie bijlage VII). In dit onderzoek is ingegaan op bovengenoemde potentiële risicobronnen, voor wat betreft het plaatsgebonden risico en voor wat betreft het groepsrisico.
11
Voor wat betreft het groepsrisico blijkt uit het document van De Milieuadviseur dat er bij geen bovengenoemde bronnen sprake zal zijn van een relevante verhoging van het groepsrisico. Tevens bevat het onderzoek van De Milieuadviseur een (beperkte) verantwoording van het groepsrisico, waarbij wordt ingegaan op bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid. Voor de onderdelen bestrijdbaarheid en zelfredzaamheid heeft het bevoegd gezag deze verantwoording ter advisering aan de Veiligheidsregio Gelderland Zuid voorgelegd. Het advies van is in voornoemd onderzoek verwerkt. Ten aanzien van sub e wordt nog het volgende opgemerkt: Een deel van het plangebied (Julianaplantsoen) ligt binnen de effectafstand van 60 meter van het LPGvulpunt. Hierbinnen zijn in principe geen nieuwe kwetsbare objecten toegestaan. Deze zone van 60 meter ligt over een klein deel van het plangebied. Hierbinnen zijn enkele achtertuinen van de woningen aan het Koningin Julianaplantsoen voorzien; achtertuinen worden niet aangemerkt als een (beperkt) kwetsbaar object. Dit betreft alleen het hoofdgebouw. Omdat de positionering van de hoofdgebouwen met een specifieke bouwaanduiding op de verbeelding is vastgelegd, is het niet mogelijk om hoofdgebouwen binnen deze zone op te richten. Daarmee zijn binnen de 60m zone geen nieuwe kwetsbare objecten . Het opnemen van verdere bepalingen is daarmee niet noodzakelijk.
Conclusie Op grond van bovenstaande beschouwing en uitgevoerde onderzoeken wordt geconcludeerd, dat geen van de risicobronnen leidt tot belemmeringen op de beoogde herstructurering. Desalniettemin ligt het plangebied bij een eventuele rampsituatie (gedeeltelijk) binnen de invloedsfeer van de transportroutes over de Rijksweg A2, het spoortraject Meteren – Den Bosch, de Betuwelijn, twee buisleidingen en het LPG-vulpunt aan de Steenweg. Hoewel vanuit planologisch perspectief geen beperkingen aanwezig zijn, adviseert de Veiligheidsregio enkele maatregelen te treffen, zoals aanbrengen van centraal afschakelbare mechanische ventilatiesystemen in de nieuwe woningen en het mogelijk nemen van bouwkundige maatregelen ter bescherming ingeval van calamiteiten. Om deze maatregelen te waarborgen, zijn de planregels twee voorwaardelijke verplichtingen opgenomen.
12
BIJLAGE 2: 5.5 Water 5.5.1 Algemeen De watertoets, die wettelijk is verankerd in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), vormt het hele proces van informeren, adviseren, afwegen en beoordelen van waterhuishoudkundige aspecten in ruimtelijke plannen en besluiten. Het doel van de watertoets is dat de waterbelangen evenwichtig worden meegewogen bij de totstandkoming van een plan. De watertoets verplicht tot het opnemen van een beschrijving in het bestemmingsplan van de wijze waarop rekening is gehouden met de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Door Geofoxx is een waterhuishoudkundig plan opgesteld (Waterhuishoudkundig plan, Het Plantsoen te Waardenburg, d.d. 17 augustus 2023, zie bijlage VIII). De inhoud van deze waterparagraaf is daar mede op gebaseerd. Via de ‘De Digitale Watertoets’ (www.dewatertoets.nl) kan een automatisch gegenereerd advies worden opgevraagd waaruit blijkt of overleg met het waterschap noodzakelijk is. Wanneer het plan uit deze toets het advies 'geen belang' krijgt, hoeft het plan niet meer aan het waterschap voorgelegd te worden. 5.5.2 Waterschap Rivierenland Op 26 november 2021 heeft het bestuur van Waterschap Rivierenland het Waterbeheerprogramma 2022 - 2027 vastgesteld. Het waterbeheerprogramma beschrijft wat het waterschap in de planperiode (2022-2027) wil bereiken en hoe het waterschap dat wil doen.
Met het Waterbeheerprogramma wordt de lijn van het vorige waterbeheerplan doorgezet. Waterschap Rivierenland zorgt voor veilige dijken en een evenwichtig watersysteem. Deze missie is het vertrekpunt voor alle activiteiten en projecten van Waterschap Rivierenland. Deze langetermijnvisie staat in de Watervisie 2050. Deze visie hebben is in het Waterbeheerprogramma 2022 – 2027 uitgewerkt met oplossingen, maatregelen en ideeën voor de korte termijn; een planperiode van zes jaar. Naast het Waterbeheersprogramma beschikt het Waterschap Rivierenland over een verordening: de Keur voor waterkeringen en wateren. Hierin staan de geboden en verboden die betrekking hebben op watergangen en waterkeringen. Voor het uitvoeren van werkzaamheden kan een vergunning nodig zijn. De werkzaamheden in of nabij de watergangen en waterkeringen worden getoetst aan de beleidsregels. Gewijzigde wet- en regelgeving (voornamelijk Waterwet en Wet Milieubeheer) hebben geleid tot veranderingen in organisatie en beleid van de waterketen. Een belangrijke ontwikkeling voor de wijze van samenwerking tussen waterschap en gemeenten is het landelijke Bestuursakkoord Water 2011 (BAW). In het BAW worden de watertaken "scherper" toebedeeld aan de overheden én wordt een nieuwe impuls gegeven aan samenwerking tussen deze overheden.
In deze setting past het beter om te spreken van "een kader voor het maken van afspraken", dan van een beleidsnota. Hierom is op 19 december 2012 het afsprakenkader voor riolering 'Samen door één buis' vastgesteld. 5.5.3 Water- en rioleringsplan 2019 - 2023 Het Water- en rioleringsplan 2019 – 2023 is gebaseerd op de regionale blauwdruk en beschrijft de wijze waarop de gemeente West Betuwe invulling wil geven aan de zorgplicht voor (stedelijk) afvalwater, hemelwater en grondwater, alsmede een doelmatig en duurzaam beheer van de gemeentelijke riool- en watervoorzieningen en oppervlaktewater. Dit plan bevat de visie voor de lange termijn, alsmede de beleidskaders en de concrete activiteiten voor de aankomende planperiode (20192023). 5.5.4 Verordening afvoer hemel- en grondwater en Rioolaansluitverordening De Verordening afvoer hemel- en grondwater en Rioolaansluitverordening zijn een actualisatie en harmonisatie van beleid uit de voormalige gemeenten. 13
Verordening afvoer hemel- en grondwater Door klimaatverandering neemt de kans op onder andere wateroverlast en overstromingen toe. Dat vraagt om maatregelen, die samen met bewoners en projectontwikkelaars genomen moeten worden. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen nieuwbouw en bestaande bouw. Zie hiervoor nader de watertoets als bedoeld in paragraaf 5.5.5. Rioolaansluitverordening Een aansluitleiding is de leiding die vanaf een (particulier) bouwwerk naar het gemeentelijk verzamelriool loopt. Deze aansluitleiding transporteert afvalwater naar het riool. Met een rioolaansluitverordening legt de gemeente het beleidskader vast voor het eigendom en beheer van aansluitleidingen op de openbare riolering, zoals onderhoud, renovatie, vervanging en verstopping. De inhoud van deze rioolaansluitverordening heeft geen consequenties voor de ruimtelijke ordening van onderhavig plan. 5.5.5 Watertoets Algemeen Een belangrijk instrument om water belangen in ruimtelijke plannen te waarborgen is de watertoets. Initiatiefnemers zijn verplicht in ruimtelijke plannen een beschrijving op te nemen van de gevolgen van het plan voor de waterhuishouding. Het doel van de wettelijk verplichte watertoets is te garanderen dat waterhuishoudkundige doelstellingen expliciet en op een evenwichtige wijze in het plan worden afgewogen.
Deze waterhuishoudkundige doelstellingen betreffen zowel de waterkwantiteit (veiligheid, wateroverlast, tegengaan verdroging) als de waterkwaliteit (riolering, omgang met hemelwater, lozingen op oppervlaktewater). Waterberging Op basis van de Keur Voor plannen waarbij nieuwbouw plaatsvindt is compenserende waterberging nodig. Vanuit de keur van het waterschap Rivierenland geldt dat voor plannen met meer den 500 m2 extra verharding in stedelijk gebied en meer dan 1.500 m2 verharding in landelijk gebied is compenserende waterberging nodig. Om te voorkomen dat particulieren voor kleine voorzieningen zoals serres, tuinschuurtjes een enkele woning, moeten compenseren geldt voor particulieren een eenmalige vrijstelling van de compensatieplicht van 500 m2 voor stedelijk gebied en 1.500 m2 voor landelijk gebied. Voor dit plan geldt dat er sprake is van vervangende nieuwbouw. Uit het door Geofoxx opgestelde waterhuishoudkundig plan blijkt, dat de beoogde herontwikkeling leidt tot een afname van het verhard oppervlak. In de huidige situatie is 8.022 m2 aan verhard oppervlak (bebouwing + verharding) aanwezig en na realisatie van het beoogde bouwplan bedraagt dit 7.170 m2. Hierdoor is sprake van een afname van 852 m2 aan verhard oppervlak, zodat geen sprake is van een opgave voor watercompensatie vanuit de Keur.
Op basis van de gemeentelijke Verordening afvoer hemel- en grondwater Voor de gemeentelijke Verordening afvoer hemel- en grondwater geldt dat met oog op het beperken van wateroverlast, het beperken van verdroging en het doelmatig beheer van afvalwater alleen hemelwater vanaf nieuwe gebouwen in een openbaar riool wordt geloosd, als een hemelwaterberging op eigen terrein is aangebracht en in stand wordt gehouden. De minimale capaciteit van de hemelwaterberging is 20 liter per m2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak niet meer is dan 500 m2 of 43,6 liter per m2 verhard oppervlak op het perceel als de totale omvang van het verhard oppervlak 500 m2 of meer is als er geen compenserende waterberging is gerealiseerd op grond van de keur van het waterschap. Het regenwater bergen is in de meeste gevallen haalbaar en wordt met de bouw meegenomen. Dit kan bijvoorbeeld in een krattensysteem, regenwaterschutting, regenwaterkelder (voor hergebruik), groen dak, et cetera. De hemelwaterberging dient zo ontworpen en in stand gehouden te worden dat deze tussen 1 en 3 dagen weer voor 90% beschikbaar is, tenzij het opgevangen hemelwater bestemd is voor hergebruik.
14
Bij herinrichtingsprojecten, met daarin bijvoorbeeld gevoelige locaties uit klimaatstresstesten, wordt samen met de bewoners bekeken wat de beste oplossingen en maatregelen zijn. Ingevolge de Verordening afvoer hemel- en grondwater is het verboden hemelwater te lozen op het openbaar vuilwaterriool. Uitgangspunt is dat hemelwater gescheiden wordt afgevoerd. Het afgekoppelde hemelwater kan rechtstreeks via lijngoten of ander afvoermateriaal afstromen naar een aan te leggen hemelwaterstelsel. In of nabij het plangebied is geen oppervlaktewater aanwezig waarop aangesloten kan worden. Om te voldoen aan de gemeentelijke hemelwaterverordening zal bij elke woning op eigen terrein een voldoende grote wateropvang gerealiseerd worden. Hiervoor worden hoogstwaarschijnlijk infiltratiekratten voor gebruikt, al bestaat ook de mogelijkheid dat nieuwe technieken worden toegepast. Een en ander wordt in het kader van de omgevingsvergunningaanvraag nader uitgewerkt. Zoals hiervoor aangegeven, leidt de beoogde herstructureringsplan tot een afname van het verhard oppervlak. Hierdoor is er sprake dat er voor hemelwater meer mogelijkheden zijn om te infiltreren. Zo worden bijvoorbeeld de nieuwe parkeervakken met gebruikmaking van waterdoorlatende bestrating uitgevoerd.
Desondanks dient op de grond van de gemeentelijke hemelwaterverordening de bergingsopgave van het toekomstig verhard oppervlak bepaald te worden. In lijn met de bergingseis (20 mm) is binnen het plangebied 85 m3 bergingscapaciteit benodigd. In samenspraak met de gemeente zal bepaald worden hoe deze bergingsopgave op eigen terrein wordt vormgegeven. Hierbij wordt gedacht aan het toepassen van infiltratiekratten in combinatie met regenwatertonnen en/of regenwaterschuttingen. Op eigen terrein is voldoende ruimte aanwezig om aan deze opgave te voldoen. Riolering Binnen het plangebied zal het hemelwater en vuilwater (droogweerafvoer) gescheiden worden afgevoerd. Op de locatie is reeds een HWA en DWA-rioolstelsel aanwezig. De geplande woningen zullen hierop worden aangesloten. Afvalwater wordt afgevoerd naar de dichtstbijzijnde afvalwaterzuivering. Voor zover bekend zijn er geen problemen bekend omtrent de capaciteit van riolering of zuivering. Waterkering Er liggen geen waterstaatswerken of beschermingszones in het plangebied. De regels uit de Keur over activiteiten op en langs waterkeringen zijn dan ook niet van toepassing. Conclusie Het aspect water vormt geen belemmering voor het planvoornemen. Het waterschap rivierenland is geïnformeerd over het plan door gebruik te maken van de digitale watertoets.
Uit de ingevoerde gegevens volgt dat er sprake is van een ruimtelijk plan dat een geringe invloed heeft op de taken en belangen van het waterschap.
15