RV2023-019 bijlage Landschapsontwikkelingsplan West Betuwe 2023.pdf
Tekst van het document
STROOMLIJNEN DOOR HET LANDSCHAP LOP West Betuwe 2023: aanvulling op het landschapsontwikkelingsplan (LOP) voor de gemeente West Betuwe, met als doel het op elkaar afstemmen van verschilllende ruimtelijke opgaven en tendenzen om zo de transformatie naar een mooi, veilig en functioneel landschap van de toekomst te stimuleren
2 | GEMEENTE WEST BETUWE
STROOMLIJNEN DOOR HET LANDSCHAP LOP West Betuwe 2023: aanvulling op het landschapsontwikkelingsplan (LOP) voor de gemeente West Betuwe, met als doel het op elkaar afstemmen van verschilllende ruimtelijke opgaven en tendenzen om zo de transformatie naar een mooi, veilig en functioneel landschap van de toekomst te stimuleren voor burgers, buitenlui én boeren.
LOP 2022 | 3
INHOUDSOPGAVE
1. Inleiding 6 Context 6 Omgevingsvisie 6 Werkwijze 7 Koester deze groene parel! 7
2. Korte biografie van het landschap van West Betuwe
10
Natuurlijk landschap 10 Bewoning 11 Bedijking van dorpspolders 11 Middelen van bestaan 13 Verdediging en oorlogsschade 16 Ruilverkaveling 16 Koester deze groene parel! 21
3. Actuele ontwikkelingen en opgaven landschap
BASIS
26
Inleiding 26 Thema biodiversiteit 27 Thema klimaatadaptatie 29 Thema Energie- en materialentransitie 31 Thema Wonen, werken, mobiliteit 33 Overige relevante beleidsthema’s 36
4. LOP op hoofdlijnen: stroomlijn de opgaven in het landschap
40
Inleiding 40 Visie in het kort 41 Actualisatie 2022 42 L 1. Gemeente, geef het goede voorbeeld! 43 L 2. Gemeente, stimuleer en inspireer initiatieven van onderop 45 R 1. UITmeERWAARDE! 46 R 2. Blauwe boezem en groene ribbenkast 47 R 3. Flexibele klimaatkwartieren maken 50 Winst door een West Betuws Landschapsnetwerk 54 De organisatorische opgave, landschapsfonds 55
5. Aan de slag met zeven landschapsensembles
56
Indeling van het West Betuws landschap 56 Zeven landschapsensembles, met eigen boek 56 De structuur van de ensembleboeken 57 Hoe kun je ensembleboeken gebruiken? 58 Sturing van landschappelijke ontwikkeling 59
Bijlagen: Werkboeken voor ieder van de zeven landschapsensembles en contour van een uitvoeringsprogramma
4 | GEMEENTE WEST BETUWE
VISIE
UITVOERING
LEESWIJZER De inleiding van dit LOP wordt gevolgd door drie delen: BASIS, VISIE en UITVOERING. Het eerste deel vormt natuurlijk de onderbouwing voor de andere twee delen, maar de doelgerichte lezer kan ook dit deel eerst overslaan en direct naar de visie of de uitvoering doorbladeren. Heeft u als ondernemer een plan, of wilt u als burgers en buitenlui een initiatief opzetten, of heeft u als inwoner van West Betuwe een idee voor het landschap dan kunt u met de werkboeken voor de landschapsensembles ook al snel een indruk krijgen van de mogelijkheden die dit LOP voor u en de andere inwoners van deze gemeente biedt. Deze ‘ensembleboeken’ zijn als bijlage bij heet LOP gevoegd, maar ook apart te raadplegen. Samen met de gemeente kunt u op basis van het LOP en de richtlijnen in de ensembleboeken verder verkennen hoe u uw project kunt realiseren.. Dit LOP is zo opgesteld dat het voorbereid is op de gebiedsprocessen die de komende tijd op het gebied zullen afkomen. Het biedt daarvoor handreikingen en kansen voor buitenlui, burgers én boeren.
LOP 2022 | 5
1. INLEIDING
Context
Omgevingsvisie
In 2008 hebben de drie gemeentes Lingewaal, Geldermalsen en Neerijnen, die later opgegaan zijn in de gemeente West Betuwe gezamenlijk een landschapsontwikkelingsplan (LOP) laten opstellen. Het LOP is als beleidsstuk een handvat om ruimtelijke ontwikkelingen landschappelijk verantwoord plaats te laten vinden. Daarnaast geeft een LOP inspiratie voor projecten om landschappelijke structuren te versterken. Daarom hoort er bij het LOP ook een uitvoeringsprogramma met daarin projecten waarmee de doelen die zijn beschreven behaald kunnen worden. Omdat het LOP uit 2008 stamt en omdat de drie voormalige gemeentes waarvoor het LOP gemaakt inmiddels zijn gefuseerd, is het nodig om het LOP te actualiseren. Hiervoor is grotendeels hetzelfde team van adviseurs ingeschakeld dat het vorige LOP heeft opgesteld. Het LOP uit 2008 is daarbij het vertrekpunt, omdat de visie op het landschap door de jaren heen niet veel veranderd is. Wel zijn andere thema’s actueler geworden ((energie, klimaat, circulair, kringlooplandbouw, woningbouwopgave, biodiversiteit, natuurinclusiviteit) en dienen er accentverschillen te worden aangebracht. Daarnaast is het in 2021 vastgestelde erfgoedbeleid belangrijke input bij deze actualisatie en willen we het LOP opnieuw positioneren ten opzichte van andere beleidsstukken, mede gelet op de komst van de Omgevingswet.
In de Omgevingsvisie zijn drie kernambities opgenomen: we zetten in op toekomstbestendige en leefbare kernen, we ontwikkelen ons tot dé fruitgemeente van Nederland, we versterken ons beleefbaar rivierenlandschap waarin kleinschaligheid en de dorpse sfeer de boventoon voeren. Dit LOP helpt om deze kernambities te realiseren. Bij de vaststelling van de Omgevingsvisie 1.0 wordt ook een onderzoeksagenda voor de eerstvolgende actualisatie vastgesteld. Een deel van de onderwerpen wordt ingevuld in deze versie van het LOP. Denk aan: de invulling van het productielandschap, zoekgebieden voor natuurontwikkeling in combinatie met het versterken van de ambities op biodiversiteit.
6 | GEMEENTE WEST BETUWE
Na vaststelling van het LOP gaat de gemeente het bijbehorende uitvoeringsprogramma afronden. Daarin komen projecten te staan die (gezamenlijk) tot doel hebben de in het LOP beschreven visie te bereiken. Het uitvoeringsprogramma wordt opgesteld voor de jaren 2022 tot en met 2025. Daarna wordt een nieuw uitvoeringsprogramma opgesteld, wederom op basis van de in het LOP beschreven visie. In het uitvoeringsprogramma worden thema’s die de Omgevingsvisie agendeert uitgewerkt, zoals ‘duisternis’ en een visie op ‘teeltondersteunende voorzieningen’ .
Werkwijze
Koester deze groene parel!
De beeldvorming is gestart met een verkenning van thema’s waarop dit LOP geactualiseerd of uitgebreid moest worden. Daartoe werden drie scenarioschetsen met verschillende gemeentelijke werkwijzen uitgewerkt en bediscussieerd in een meningsvormende raadsvergadering waarvoor inwoners, ondernemers, ‘groene’ organisaties en andere samenwerkingspartners waren uitgenodigd. De planvorming werd verder gevoed door een verkenning van het beleid aangaande landschap en biodiversiteit binnen een Regio Deal project samen met de andere gemeentes in Regio Rivierenland. Zo werd duidelijker welke onderdelen van het LOP door de gemeente zelf kunnen worden gerealiseerd en welke onderdelen beter ook in regionaal verband kunnen worden aangepakt.
Voortbouwen op het waardevolle en gevarieerde landschap is het centrale motto van het oude en dit vernieuwde LOP. Het behoud, beheer en de ontwikkeling van natuur - en biodiversiteit - is dan ook gebaseerd op dit historisch gegroeide landschap. Ook in de toekomst blijft het landschap een belangrijke basis voor de initiatieven en activiteiten van de mensen in West Betuwe. De gemeente wil meedenken als mensen in het landschap initiatieven willen ontplooien. De landschapsvisie biedt daarvoor inspiratie, handvatten en spelregels. Het uitgangspunt daarbij is dat iedereen een bijdrage kan leveren aan een positieve ontwikkeling van het landschap, waarbij privaat en publiek belang samen kunnen gaan. Zo werken alle betrokkenen aan een cultureel en natuurlijk rijk landschap.
Dit plantraject leidde tot een actualisatie van de LOP-visie via vijf sporen en een vertaling daarvan naar de hoofdlijnen voor een vernieuwd uitvoeringsprogramma. Ook werd overleg gevoerd zodat de visie van het LOP mede richtinggevend voor de nieuwe gemeentelijke Omgevingsvisie kon zijn. Belangrijkste integratiekader voor het ruimtelijk beleid van de gemeente is immers de Omgevingsvisie die begijn 2022 wordt vastgesteld. In die omgevingsvisie is het oude LOP verwerkt als deel van het bestaand beleid. Omgekeerd is bij de actualisatie van het LOP de nieuwe Omgevingsvisie een belangrijke basis. De actualisatie van het LOP is dus gekoppeld aan de uitwerking van de Omgevingsvisie voor onder andere energietransitie, klimaatadaptatie en ruimtelijke ordening.
Het hoofddoel van het oude èn het nieuwe LOP is samen te vatten als: “Bescherm de erkend waardevolle elementen in het landschap, maar ontwikkel ook actief nieuwe kwaliteiten in dit landschap! Bestaande kwaliteiten worden ingezet bij toekomstige ontwikkelingen en dragen bij aan een cultuurhistorisch landschap waar het goed werken, wonen en recreëren is.”
LOP 2022 | 7
Legenda Waardevolle akkercomplexen
Kerk
Kromakkers (draaiakkerscomplexen)
Landgoederen
Hoogstamfruitboomgaard
(Verdwenen) kastelen
Eendekooi
(Voormalige) steenfabriek
Waardevolle kom (openheid, onbebouwd)
Nieuwe Hollandse Waterlinie . Inundatiegebied
Dijken en (verdwenen) kades Cultuurhistorisch waardevolle weteringen Wielen
. Fortificatie met verboden kring Bos- en natuurterrein Recreatieterrein
Molen Veerpont Oude bewoningsplekken Beschermde dorpsgezichten Acquoy, Beesd en Neerijnen
?
?
?
Kaart met karakteristieke landschapselementen in de gemeente West Betuwe (Bron: LOP 2008)
8 | GEMEENTE WEST BETUWE
?
? ? ?
? ?
? ?
? ? ?
?
? ? ? ?
LOP 2022 | 9
2. KORTE BIOGRAFIE VAN HET LANDSCHAP VAN WEST BETUWE
In het LOP van 2008 is een uitgebreid hoofdstuk opgenomen over de opbouw van het landschap van de toenmalige gemeenten Geldermalsen, Lingewaal en Neerijnen. In deze LOP-actualisatie wordt daarnaar verwezen, maar er wordt hier ook een korte biografie van het landschap opgenomen. Daarin komt de ontwikkeling van het landschap in grote lijnen aan bod. Er wordt nadrukkelijk ook stilgestaan bij de ontwikkeling van het landschap in de afgelopen 75 jaar. Ook dit recente landschap is een belangrijk deel van de identieteit van de regio geworden, met een eigen karakteristiek en schoonheid. In die tweede helft van de twintigste eeuw maakte het landschap ook in West Betuwe een enorme ontwikkeling door waarbij de ruilverkavelingen voor een enorme transformatie hebben gezorgd. Het planmatig vormgegeven landschap van de ruilverkavelingen zorgde ervoor dat de groei van dorpen, infrastructuur en bedrijvigheid een logische plek in het landschap konden vinden. In de eenentwintigste eeuw volgde een volgende fase van schaalvergroting en intensivering die veel verder gaat dan die in de tijd van de ruilverkavelingen. Tot slot van deze biografie wordt een opmaat gegeven voor de uitdagingen waar we in deze tijd voor staan en die in het volgende hoofdstuk nader worden besproken.
Natuurlijk landschap Het verhaal van het landschap van de Betuwe begon zo’n tienduizend jaar geleden. Na de laatste ijstijd veranderde het klimaat. Het werd warmer, de permanent bevroren ondergrond verdween en de begroeiing nam in sterke mate toe. Ook veranderden de rivieren van karakter: de Rijn kreeg een relatief nauwe en diepe bedding. En aan beide zijden van de bedding ontstonden oeverwallen door sedimentatie van het meegevoerde grove zandige materiaal. Het fijnste materiaal (zware klei) dat door het rivierwater werd meegenomen kwam met overstromingen op enige afstand van de rivierbedding tot bezinking. Zodoende ontstond een systeem van oeverwallen en komgebieden. De rivierbedding veranderde gedurende de tijd van plek. De buitenbochten van de Rijn schuurden steeds verder uit en in de binnenbochten ontstonden zandbanken. Omdat de bedding geleidelijk opvulde, brak de rivier verschillende keren door haar oeverwal, meestal in een buitenbocht. Er ontstond dan in het naastliggende (kom)gebied een nieuwe loop, waarlangs opnieuw oeverwallen werden gebouwd. De twee oeverwallen van een verlaten riviergedeelte worden tezamen met de dichtgeslibde bedding ‘stroomrug’ genoemd. Resten van voormalige rivierlopen die niet met sediment zijn gevuld, worden strangen genoemd.
Wat nu in het rivierengebied aan het oppervlak ligt, bestaat uit een ingewikkeld netwerk van oeverwallen, stroomruggen en komgebieden van diverse ouderdom, die in, op en naast elkaar liggen. De stroomruggen kunnen stammen uit het Bronstijd systeem (circa 2000 tot 700 voor Chr.), het preRomeinse systeem (circa 700 voor Chr. tot 400 na Chr.) en het Middeleeuwse systeem (na 400 na Chr.). De betrekkelijk geringe hoogteverschillen tussen de stroomruggen en de kommen, die samengaan met een aanzienlijk verschil in bodemgesteldheid, hebben een grote invloed gehad op de ontwikkeling van het landschap.
Ouderdom van voormalige rivierlopen (zandbanen) van Rijn en Maas in de Nederlandse Delta. Bron: Digitaal Basisbestand Paleografie van de Rijn-Maas Delta (K.M. Cohen en E. Stouthamer, 2012).
10 | GEMEENTE WEST BETUWE
Bewoning
Bedijking van dorpspolders
Het onbedijkte rivierengebied werd al in de Steentijd door de mens benut. In de Bronstijd en IJzertijd (2000-50 voor Chr.) werd de streek ook daadwerkelijk bewoond door boeren met kleine nederzettingen op de stroomruggen. Archeologische sporen en vondsten uit die perioden zijn verspreidt over het gebied aangetroffen. In de Romeinse tijd (50 voor Chr.-400 na Chr.) nam de bewoningsdichtheid op de stroomruggen toe, hier en daar met legerplaatsen en wachttorens.
Gedurende de Late Middeleeuwen nam het aantal overstromingen toe. Ter bescherming tegen het overstromingswater legde men benedenstrooms dijken aan. Die veroorzaakten echter een hoger oplopen van de waterstranden bovenstrooms, waardoor ook daar dijken moesten worden opgeworpen. Elke dorpspolder regelde zijn eigen waterhuishouding en beschermde zich met kaden of dijkgedeelten tegen het rivierwater. Wanneer de eigenlijke dijken zijn aangelegd, is niet meer met zekerheid te achterhalen. De oudste dijken zijn waarschijnlijk zogenaamde dwarskaden (zijdwenden) geweest. Bij hoog water leidden deze dwarskaden het overstromingswater naar het laagste deel van het komgebied. In loop van de tijd werden ook langs de rivieren kaden opgeworpen. Langs de Linge was al in 1259 een dijk en langs de Waal in 1270. Elke dorpspolder had een deel van de winterdijk - ook wel bandijk genoemd - te onderhouden.
De stroomruggen werden na de Romeinse tijd grotendeels verlaten. Het gebied vernatte en veel bewoners van de Betuwe trokken weg naar hogere gronden. Sinds de Karolingische tijd (800-900 na Chr.) raakten de hooggelegen delen in het rivierengebied weer in trek. Waarschijnlijk is de Betuwe vanuit de Karolingische nederzettingen in de tiende of elfde eeuw ontgonnen. De stroomruggen in de Betuwe moeten in de tiende of elfde eeuw uit parkachtige loofbossen hebben bestaan met onder meer eik, iep, beuk en linde. Binnen de open ruimten in de bossen hadden de boeren hun akkers en weiden. De moerassige komgronden waren onbewoonbaar en begroeid met ruigten, wilgen- en elzenstruweel. Na voltooiing van de bedijking bleven de komgebieden nog lang extensief in gebruik en pas in de twintigste eeuw zouden ze echt ontgonnen worden.
Bron: ‘Aan de Wieg van het Waterschap; Inventarisatie van dijken, kaden en watergangen in het Gelders rivierengebied; Ontwerphandreikingen voor wateropgaven.’ Robbert de Koning, Ferdinand van Hemmen en Alterra, 2009. Opgesteld in opdracht van provincie Gelderland en Waterschap Rivierenland.
LOP 2022 | 11
Na het sluiten van de dijken kon men de komgebieden gaan ontginnen. Weteringen werden gegraven om het overtollige water af te voeren. De bekendste wetering in het rivierengebied is misschien wel het riviertje de Linge. De Linge, tussen Rijn en Waal, voerde het water af van alle dorpspolders in Over- en Neder-Betuwe, in de Landen van Buren en Culemborg en in de Tielerwaard. Ten oosten van de huidige gemeente West Betuwe is dit afwateringssysteem kunstmatig, maar ten westen van Tiel is het grotendeels de natuurlijke loop van de Linge. Met het sluiten van de dijken en het regelen van de afvoer van binnenwater was het overstromingsgevaar niet geweken. De ellende voor de inwoners tijdens en na een overstroming was niet te overzien. Er waren berichten van duizenden beesten die verdronken waren. Hooi en graan verrotten op de velden. Door een hoge waterstand in de Linge stagneerde de afwatering en het binnenwater stroomde niet zomaar weg:
Middelen van bestaan Bij de boerderijen en de dorpen op de stroomruggen lagen vruchtbare gronden. Die zijn van oudsher geschikt voor akker- en weidebouw, fruitteelt en bomenkwekerij. In de 14de eeuw is al sprake van boomteelt in de Betuwe. Zo kocht in 1389-1396 kasteel Rozendaal te Herwijnen ‘paeten en ynte’, een poter of ent. Het is niet duidelijk of we te maken hebben met poters of enten van fruitbomen en/of van laanbomen. In de 16de eeuw kwam de boom- en fruitteelt volop voor. Na 1850 nam de fruitteelt een grote vlucht in de Betuwe. Menig akker maakte plaats voor een hoogstamboomgaard. De bodem van de stroomruggen was geschikt voor kersen, appels en peren. Op de lagere, nattere delen stonden in de regel pruimen en stoofperen. In de jaren 60 van de vorige eeuw stelde de rijksoverheid een rooipremie voor hoogstamboomgaarden in, om een efficiëntere, economisch meer rendabele laagstamteelt te stimuleren en zo de productiviteit te verhogen. Die maatregel luidde het einde in van veel van de hoogstamfruitbomen. Minder bekend is dat in de 16de en 17de eeuw de boomteelt vaak werd gecombineerd met de teelt van hop. In maart werden de jonge scheuten geplant in hopkuilen, ook wel hophopen genoemd. Een hoop was circa 1,2 meter hoog. Langs hopstaken (elzen, wilgen of sparren) van circa 4 tot 5,50 meter werden de ranken omhoog geleid.
Eind augustus/begin september van het daaropvolgende jaar werden de hopbellen geoogst, die na het drogen aan het bier werden toegevoegd. De consumptie van bier nam aan het eind van de 17de eeuw af ten gunste van koffie en thee. Daarmee kwam op den duur ook een eind aan de hopteelt in de Betuwe en kwam de teelt van tabak in opkomst op lichte zandige delen van stroomruggen en overslaggronden. De tabak vroeg veel mest en werd geteeld op en nabij huis-erven van boerderijen.
12 | GEMEENTE WEST BETUWE
De dorpspolder van Vuren als voorbeeld van de overgang van oeverwal naar kom op een historische kaart van rond 1900: een kleinschalig gebied met afwisselend grondgebruik op kleinere kavels met verschillende kavelgrens beplantingen. Sinds de ruilverkavelingen is deze overgang grootschaliger, kaler en harder geworden. De dynamiek in deze zone is daardoor vaak duidelijk zichtbaar en ontbeert een vanzelfsprekende landschappelijke inpassing. De laatste jaren wordt zo’n ontwikkeling ‘verdozing van het landschap’ genoemd.
Aan het eind van de 19de eeuw kwam een einde aan de tabaksteelt.
hiervan treffen we aan in het meest zuidelijke deel van de polder Enspijk: het Broekse Blok.
De uiterwaarden langs Nederrijn en Waal waren geschikt voor de steenfabricage. Bij die steenovens stond een steenbackershuys. Pas aan het eind van de 19de eeuw kam de steenfabricage goed op gang.
“De laaggelegen gebieden binnen de overgangszone tussen kom en oeverwal waren in gebruik als gemeenschappelijk hooi- en weidegronden. De meest laaggelegen delen werden vóór de bedijking gebruikt voor waterberging. Dorpspolders zoals Ophemert die op een brede oeverwal lagen strekten zich daarom ver uit naar het westen. Kenmerkend hiervoor is de perceelsnaam ‘den Schaer’, gelegen in het westelijke blok ‘Westerbroeck’. Dit zou een onverkaveld gemeenschappelijk grasland kunnen zijn, waarvan de geërfden in de meent een aandeel of schaar hadden.” (Uit: geschiedenisverhaal van gemeente Neerijnen in bijlage bij het erfgoedbeleid.)
Zo was het grondgebruik door de eeuwen in grote lijnen helder over de verschillende landschapseenheden verdeeld. Op een bepaald moment waren de oeverwallen en stroomruggen namelijk zo’n beetje allemaal ontgonnen, maar was er nog steeds meer ruimte nodig. Dat gebeurde in de Vroege Middeleeuwen. Hierover is ook een passage opgenomen in een bijlage van de Erfgoednotitie van West Betuwe opgenomen: “Aan het begin van de Late Middeleeuwen waren de gebieden dicht bij de nederzettingen en de lagere delen van de oeverwallen ontgonnen. De komgebieden waren echter nog grote moerassige laagten.” De overgang van stroomruggen naar de komkliegebieden (kommen) was echter tot halverwege de twintigste eeuw niet zo strak. De laaggelegen gebieden binnen de overgangszone tussen kom en oeverwal werden als gemeenschappelijke hooi- en weidegronden gebruikt. Dit kan worden afgeleid uit het voorkomen van toponiemen met het bestanddeel ‘koppel’, ‘made’ of ‘weide’. De laagst gelegen gebieden in de kom werden aangeduid met ‘veld’. Deze gebieden waren in de Vroege Middeleeuwen nog niet ontgonnen en werden gebruikt voor hout- en rietwinning, jacht, visserij en extensieve beweiding. Gebieden met toponiemen waarin ‘broek’ voorkomt, vormden de laagste en moeilijk te ontwateren gebieden. Een voorbeeld
LOP 2022 | 13
Historische kaart van het huidige West Betuwe rond 1900.
14 | GEMEENTE WEST BETUWE
LOP 2022 | 15
Verdediging en oorlogsschade
Ruilverkaveling
In het rivierengebied zijn in de loop der eeuwen diverse verdedigingswerken aangelegd. Die zijn vaak niet meer als zodanig in het huidige landschap te herkennen. De Nieuwe Holandse Waterlinie, UNESCO werelderfgoed, is in het huidige landschap van West Betuwe wel goed terug te vinden. In 1939 werd de stelling in staat van verdediging gebracht om Duitse troepen te weren.
Na de oorlog werd de ruilverkaveling hét instrument om het landelijk gebied - en de mensen die daar woonden - te moderniseren. Naast oorlogsschade was er een andere directe aanleiding tot de ruilverkaveling: de ontwatering van de komgronden was zeer slecht. Ze stonden in de winter vaak dras. De gebieden waren onbewoond en de wegen waren schaars en slecht. In het kader van verschillende ruilverkavelingen is deze situatie sterk veranderd. In de ruilverkavelingen werden afwatering en ontwatering verbeterd. Er werden nieuwe, verharde wegen aangelegd, waarlangs boerderijen zijn gebouwd en berm- en erfbeplantingen aangebracht. Er werd als het ware een nieuw hoofdstuk toegevoegd aan de biografie van het Betuwse landschap. In het kader van de ruilverkavelingen werd het landschap aangepast naar de wensen van die tijd. Het landschap dat werd gemoderniseerd was echter geen leeg canvas voor de ontwerpers van de landschapsplannen die, in het kielzog van de cultuurtechnici, met beplantingsplannen een mooi nieuw landschap probeerden te laten opgroeien. Zij bouwden met hun ontwerpen voort op het historisch gegroeide landschap en hielden rekening met historische landschapselementen.
In de Tweede Wereldoorlog had het rivierengebied veel te lijden onder de oorlog. Grote delen van het gebied overstroomden.
Kaart met in zwart de geinundeerde delen van Nederland tijdens de Tweede Werteldoorlog. Te zien is dat het rivierengebied zwaar werd getroffen. De watersnoodramp van 1953 zorgde opnieuw voor overstromingen.
16 | GEMEENTE WEST BETUWE
Daarbij werden daartoe de volgende ontwerpmiddelen ingezet: * Behouden en handhaven het behouden van karakterisitieke en als waardevol bestempelde landschapselementen, plekken of gebiedjes. Mariënwaard viel buiten de ruilverkaveling, maar veel van de grienden, eendenkooien en bossen in de Culemborgerwaard en de Tielerwaard werden in de ruilverkaveling behouden en aangevuld met nieuwe beplantingen. * Visueel-ruimtelijke compositie het aanbrengen van een decor van bomen, struiken, hagen en singels om een visueel-ruimtelijke compositie te bewerkstelligen en te laten opgroeien die de karakteristieken van de dorpen aan de dijken, uiterwaarden, oeverwallen en kommen als eenheden zichtbaar maakt. Veel van de huidige beplantingen in het gebied stammen van de beplantingsplannen van de ruilverkaveling. * Routes op meerdere snelheden het vormgeven van belevingsroutes over paden en wegen, verhard en onverhard. Het vormgeven bestaat uit de tracering en profilering van de weg en uit de manier waarop de weg wel of niet van beplanting is voorzien. Er werd voor de beplantingen gekozen die op die grond van nature zouden groeien en die er historisch ook al hadden gestaan.
De huidige gemeente West Betuwe viel binnen drie ruilverkavelingen: Tielerwaard-West, Lek en Linge (in de Culemborgerwaard) en Avezaath-Ophemert (in de voormalige gemeente Neerijnen). Voor iedere ruilverkaveling werd een cultuurtechnisch plan van wegen en waterlopen en een landschapsplan opgesteld en uitgevoerd. We gaan hier kort in op de belangrijkste kenmerken van zowel het cultuurtechnische plan als het landschapsplan voor deze drie ruilverkavelingen. Tielerwaard-West werd in de vijftiger jaren voorbereid in in de zestiger jaren uitgevoerd. In deze periode werden er voor het eerst nieuwe boerderijen gebouwd in de ontgonnen kom. Daardoor was in de kom de opgave voor de ontwerpers van het landschapsplan verbreed van het ‘aankleden van nieuw landbouwland’ naar het ontwerpen van een nieuwe woonomgeving voor de boeren in het nieuwe landbouwland. In dat landschapsplan was gebaseerd op de volgende principes die tegenwoordig nog herkenbaar zijn: * Openheid op de dijk met beplantingsaccenten bij wielen en in de historische dorpen op en aan de voet van de dijk; * Wegen op de oeverwallen onbeplant, behalve sommige noord-zuid wegen. * Essenbeplanting langs doorgaande wegen op overgang tussen oeverwal en kom. * In het begin van deze periode experimenteerde men met verschillende mogelijkheden voor inpassing van de erven van de ‘kolonisten’.
De kom van de Tielerwaard werd grotendeels ruimtelijk-visueel geleed door lange lintvormige bermbeplantingen langs de wegen waaraan vaak ook nieuwe erven liggen met hun erfbeplantingen: de boerderijstraten. De ruimtes worden dieper naar het midden van de kom. In oost-west-richting heb je lange doorzichten.
LOP 2022 | 17
In de jaren zestig en zeventig wordt de invloed van grootschalige ontwikkelingen steeds ingrijpender. Zo werden dorpen uitgebreid met nieuwe wijkjes tussen de historische dijkdorpen en de rand van de oeverwal. Het toenemende autoverkeer maakte een opwaardering van de doorgaande weg op overgang oeverwal en kom noodzakelijk. Zo ook de aanleg van de snelweg A15 met afslagen, ook in Tielerwaard. In deze tijd zien we ook de eerste aanzet tot ontwikkeling van grote bedrijventerreinen aan die afslagen. Ook in de landschapsplannen voor de Culemborgerwaard en Avezaath -Ophemert streefde men naar weidse uitzichten vanaf de dijk met beplantingsaccenten bij wielen en in de historische dorpen op en aan de voet van de dijk. Ook paste men weer een beplanting met essen toe langs doorgaande wegen op overgang tussen oeverwal en kom. De wegen op de oeverwallen liet men nog steeds onbeplant, behalve sommige nood-zuid wegen. Er werden in de zeventiger en tachtiger jaren ook nieuwe elementen aan de landschapsplannen toegevoegd als reactie op grootschalige ontwikkelingen die niet altijd gebonden zijn aan de landschappelijke indeling in uiterwaarden, oeverwallen en kommen. Dwars op de oeverwallen werden langwerpige boselementen aangebracht om dorpsuitbreidingen visueel in te passen. En op overgang van oeverwal naar kom werden bij enkele dorpsuitbreidingen populierenbosjes ontworpen.
Die zien we ook verschijnen in de knikken van de snelwegen en gebiedsontsluitingswegen. Het zijn nieuwe bakens in de openheid aanvullend op de gehandhaafde grienden en eendenkooien (met name Lek en Linge). Samen met de wegbeplantingen van de ‘boerderijstraten’ zorgen deze bosjes voor een beleving van de oost-west-richting in het landschap met lange doorzichten.
18 | GEMEENTE WEST BETUWE
De ruilverkavelingen waren een enorme impuls voor de ontwikkeling van het moderne welvarende Nederland en ze zijn ook een stimulans geweest voor de ontwikkeling van een vernieuwd landschap dat bij dat Nederland past, een landschap met functionaliteit én schoonheid. Ook in het rivierenland. Niet alleen werd hier de enorme oorlogsschade hersteld, er werd een volledig gemoderniseerd landschap gerealiseerd. Dit als onderdeel van een grootse operatie waarin de armoede en de sociaalmaatschappelijke achterstand werd bestreden. Dat leverde een grote vooruitgang op al verdween het historische rivierenlandschap voor een groot deel. Aan het eind van de twintigste eeuw was het gemoderniseerde rivierenland opgegroeid tot een helder functioneel cultuurlandschap met een duidelijke ordening in rivier met uiterwaarden. Dorpen aan de dijk, oeverwallen met akkers en boomgaarden en weidse komkleigebieden waardoor lange rijen populieren en essen ijle schermen door de weidsheid vormden.
Wat is een ruilverkaveling? Wat gebeurde er in het kader van de ruilverkavelingen eigenlijk? Net als in grote delen van Nederland werd het land ingrijpend opnieuw ingericht en geschikt gemaakt voor een moderne twintigste eeuwse maatschappij. Dat landschap is voor ons in deze tijd de basis om de uitdagingen van deze tijd aan te gaan. Het is amper voor te stellen hoe sterk het landschap van Rivierenland in die periode is veranderd. In onderstaand stripje wordt de ontwikkeling in grote lijnen geschetst. In het kader van ruilverkavelingen werden ook ontwerpen voor het landschap gemaakt. De duizenden bomenrijen, struweelsingels, bossen en boomweides die op basis van die ‘landschapsplannen’ zijn gerealiseerd bepalen nu voor een belangrijk deel het beeld van het rivierenlandschap. Dit ‘groene maatpak’ is een rijke erfenis, die creatief beheerd en ontwikkeld dient te worden.
In de eerste helft van de twintigste eeuw lagen de dorpen - klein en armoedig - - achter de dijken tussen de rivier met uiterwaarden en de oeverwallen met daarop daarop akkerbouw en fruitteelt. Daarachter lag een groot moerassig en onbewoond gebied: de komgronden.
Tijdens de ruilverkavelingen werden de dorpen en oeverwallen opgeknapt. Het meest opvallend was echter dat de komgronden werden ontgonnen, met nieuwe wegen en waterlopen.
In de kommen werden ook nieuwe boerderijen gebouwd en boeren emigreerden naar moderne landbouwbedrijven.
LOP 2022 | 19
20 | GEMEENTE WEST BETUWE
Links boven: beeld 29 van 60 uit de ‘Canon van het Nederlandse landschap’ uit 2008 Links 0nder: beeld dat op precies dezelfde plek is gemaakt, maar dan 12 jaar later, in het kader van Herfotografie CvhNL2020. © Stichting Bewegend Landschap, Rhenen.
De eenentwintigste eeuw
De komgronden
Twee beelden die op de zelfde plek in de Tielerwaard zijn gemaakt. De bovenste is beeld 29 van 60 uit de ‘Canon van het Nederlandse landschap’ die in 2008 werd gemaakt om de rijkdom aan variatie die het Nederlandse landschap nog steeds bezit in beeld te brengen. Daaronder een beeld dat op precies dezelfde plek is gemaakt, maar dan 12 jaar later, in 2020. Op het eerste gezicht zijn er niet zoveel verschillen te zien, maar bij nadere beschouwing zijn die er zeker. Er is erfbeplanting verdwenen en de bomen langs de weg zijn juist gegroeid. De gemeente heeft er enkele bomen tussen geplant. Het agrarisch bedrijf aan de rechterkant is gestopt en de schuren zullen gesloopt worden, terwijl het bedrijf aan de linkerkant juist is uitgebreid met flinke nieuw schuren. Geen koeien in de wei. In 2008 was er overwegend grasland waarop drijfmest is uitgereden. Het gewas op het perceel naast de stoppende boer bestaat uit snijbloemen en de trekker en giertank van de andere boer is flink groter.
In de kommen vinden we de lange wegbeplantingen met populieren en essen langs de oost-westlopende wegen op een onderlinge afstand van 800, 1600 of 3000 meter. Dwars daarop om de 3 -6 kilometer ook wegen met beplanting van populieren en essen. Deze beplantingen zijn vaak nog intact en beeldbepalend, maar op sommige plaatsen al gekapt, omdat de populieren na 70 jaar aan het eind van hun leven als wegbeplanting zijn en omdat veel van de essen lijden aan essentakziekte en andere aantastingen door plagen. Midden in de kom (en langs grotere wegen) vinden we nog oude grienden, eendenkooien en ruilverkavelingsbosjes (uit de jaren zeventig) die stedelijke ontwikkelingen visueel afschermen. Omgaan met de schaalvergroting door een upgrade van het wegen- en waterlopenpatroon is een uitdaging. De nieuwe grote stallen knallen uit hun toenmalig ontworpen erfbeplanting. Het wegenpatroon in de kommen is sinds de ruilverkavelingen niet gewijzigd. De maatvoering van de wegprofielen is gebaseerd op de classificaties die in die tijd functioneel waren, als erftoegangsweg voor landbouwverkeer. Sindsdien is de bedrijfsvoering van landbouwbedrijven echter flink veranderd en meer gedifferentieerd, met bijvoorbeeld veel grotere en bredere landbouwvoertuigen. Daarnaast zijn de wegen eigenlijk niet berekend op de vele personenauto’s die er tegenwoordig met hoge snelheid over rijden.
Dat maakt deze wegen ook minder aantrekkelijk - en minder veilig - voor recreanten. De afvoer van het water in de kom is goed geregeld, maar bij droge zomers hebben boeren water tekort. Ook de beplantingen en bomen hebben last van de droogte wat leidt tot takbreuk .
Sinds de ruilverkavelingen heeft de maatschappij en dus ook het landschap nieuwe ontwikkelingen doorgemaakt. Er heeft weer een enorme schaalvergroting plaatsgevonden en een intensivering van het grondgebruik. In heel het land is het landgebruik grootschaliger en intensiever geworden sinds 2008. Op het platteland vragen landbouwhervorming, klimaatadaptatie, energietransitie en ecologie aandacht. Hoe om te gaan met nieuwe ruimteclaims voor uitbreiding van woningbouw, voor industrie- en bedrijfsvestigingen, voor de aanleg van wegen, voor recreatieve functies. Het bestaande landschap vraagt om revisie en onderhoud. De oude dorpskernen, bijvoorbeeld, maar ook het patroon van plattelandswegen. Dat is overbelast. Bermen worden kapotgereden. Burgers, boeren en buitenlui vragen om veilge én mooie plattelandswegen.
LOP 2022 | 21
Uiterwaarden
Oeverwallen
Meestal werden de uiterwaarden buiten de ruilverkavelingen gehouden, maar de dijken kregen extra aandacht, zeker de oudere dijken die cultuurhistorisch belangrijk zijn. Juist daar kun je de sporen van de vele dijkdoorbraken en overstromingen nog duidelijk ervaren. In de ruilverkavelingen zijn langs de dijk vele wielen gespaard en voorzien van een beplanting. Vaak zijn ook de dorpen subtiel beplant. Dorpsentrees vanaf de dijk of de oeverwal met notenbomen, meerdere rijen populieren, stoere essen, of soms zelfs fruitbomen. Langs de wegen aan de achterkant van de dorpen staan vaak nog de knotwilgen van de landschapsplannen. Die beplantingen zijn in veel van dorpen en dorpsranden nog terug te vinden. Ze dragen bij aan het authentieke karakter van de rivierdorpen.
De rijke bodems op de oeverwallen (en de stroomruggen) zijn vanouds het meest intensief in gebruik. De ruilverkavelingen hebben een verdere modernisering van de akkerbouw, fruit- en boomteelt mogelijk gemaakt. Bij voorkeur werd er niet veel kostbare vruchtbare grond aan de beplanting van wegbermen besteed. Toch zijn in het kader van de ruilverkavelingen voor de wegen op de oeverwallen pleksgewijs wel beplantingen ontworpen. Die zijn vaak gekoppeld aan de erven aan die wegen of de entrees van dorpen. Zo sluiten ze veelal aan op de historische beplantingen langs de oudere wegen over de oeverwallen. Vaak zijn dat bomen die geknot, gesnoeid of geleid worden om hun ruimtebeslag en schaduwwerking te beheersen. Ook langs kwelkades achter de dijk werden vaak knot-wilgen en knotessen geplant.
Terwijl de laatste ruilverkavelingen in het rivierengebied nog in uitvoering waren werd de nieuwe landinrichtingswet aangenomen. De landbouw was niet meer in principe de voornaamste grondgebruiker. Dat leidde tot nieuwe strategieën voor het combineren van bijvoorbeeld landbouw en natuur. Vanaf het verschijnen van Plan Ooievaar in 1985 nam de natuurontwikkeling een grote vlucht. Binnen enkele jaren vond een omslag plaats in het beleid aangaande de uiterwaarden. Was het tot die tijd gericht op behoud van de kwaliteiten van het extensieve weidelandschap van de uiterwaarden, vanaf Ooivaar sloeg dat om naar de aansturing van zelfregulerende ecologische processen. Die bleken goed te combineren met een nieuw rivierbeheer. Ondertussen willen steeds meer mensen genieten van het landschap in die uiterwaarden en op de zomer- en winterdijken.
Op de oeverwallen zijn de dorpen uitgebreid en er zijn veel mensen die van het landschap willen genieten. Juist hier is de behoefte aan ommetjes vanuit het dorp het grootst. Dorpelingen willen wandelen, met of zonder hond, tussen de akkers en boomgaarden door. Dit biedt ook kansen om cultuurhistorische en natuurwetenschappelijke elementen te ontsluiten en de zorg ervoor te versterken. Uitdaging is om die dooradering met ommetjes over kavelranden en wegbermen mogelijk te maken. En wel op manieren die voor de boeren niet alleen geen last, maar zelfs profijt oplevert. Daar zijn voorbeelden genoeg van.
22 | GEMEENTE WEST BETUWE
Dynamische zones De ontwerpers van de landschapsplannen van de ruilverkavelingen keken met hun plannen tienrtallen jaren vooruit, maar ze hebben niet (kunnen) voorzien dat de schaal en intensiteit van de bedrijventerreinen en woonwijken - aan de rand van de dorpen (op de overgang tussen oeverwal en kom) en bij de afslagen van de snelwegen - zo’n grote vlucht zouden nemen. Eigenlijk zijn die zones langs de dorpen en bij snelwegafslagen een nieuwe landschapseenheid gaan vormen naast de uiterwaarden, oeverwallen en kommen. Die nieuwe landschapseenheid heeft een eigen karakteristiek en grote dynamiek. In het laatste deel van de ruilverkavelingsperiode hebben de ontwerpers wel getracht om de oude indeling van landschapseenheden in stand te houden. De grootschalige vernieuwing wilde men uit het zicht houden. Men plaatste in het landschapsplan stevige singels dwars op de oeverwallen en langs dorpsranden en bedrijvigheid. En langs nieuwe wegen werden op visueel strategische plekken bossen opgenomen. Deze aanpak heeft in de decennia na de ruilverkavelingen echter niet veel vervolg gekregen. De nieuwe landschapseenheid van de dynamische zones ontbeert een eigen groen maatpak. Boven: het rivierengebied met West Betuwe met in oranje de oeverwallen en in geeld de wegen die daarover lopen. In blauw de uiterwaarden en in groen de komkleigebieden.
Gearceeerd zijn de delen van het landschap, veelal op de randen van de oeverwallen en kommen waar de economische dynamiek ook voor grote dynamiek in het landschapsbeeld zorgt.
Tot ver in de twintigste eeuw viel het eigenlijk wel mee met de dorpsuitbreidingen, maar zeker de jaren negentig zijn vrijwel alle dorpen sterk uitgebreid. Opvallend is dat in iedere waard steeds de dorpen op één van de twee oeverwallen zeer sterk zijn gegroeid. Zo ook in de Tielerwaard. Aan de oeverwal langs de Waal is ook de nieuwe provinciale weg komen te liggen. Die wegen zijn samen met de snelwegen de hoofdaders van nieuwe dynamische zones. Historisch benaderde men een dorp of stad over de dijk. Bij deze dorpen is dat niet meer het geval. Die hebben een entree aan de andere kant van de oeverwal gekregen als deel van de dynamische zone. Het is een uitdaging om van die entree een voorkant met allure te maken. De uitdaging gaat echter veel verder. Juist in de dorpen en de zones direct eromheen zit veel dynamiek en liggen enkele urgente opgaven. Hier is veel versteend oppervlak en daardoor zijn de pieken in de aanvoer van regenwater hier het snelst voelbaar. In plaats van dat water zo snel mogelijk af te voeren - en daarmee het regionale watersysteem te belasten - kan in deze zones waterberging niet alleen een last, maar ook een kans bieden.
Juist de dynamische zone biedt kansen voor het het gecombineerd aanpakken van klimaatadaptatie, energietransitie en nieuwe ruimteclaims voor uitbreiding van woningbouw, voor industrie- en bedrijfsvestigingen, voor de aanleg van wegen, voor recreatieve functies, voor natuurbeleving en biodiversiteit. In het volgende deel van dit LOP gaan we daar nader op in.
LOP 2022 | 23
een rijke erfenis ... en wat er sindsdien gebeurde
Nog tot na de tweede wereldoorlog was het rivierenlandschap duidelijk onder te verdelen in drie landschapseenheden: * de rivier met zijn uiterwaarden, die extensief voor weidebouw en kleiwining gebruikt werd; * de oeverwal met zavelige vruchtbare gronden die zeer geschikt is voor akkerbouw en fruitteelt; * de komkleigebieden met zware klei, die vaak moerassig waren en zeer extensief in gebruik waren, voor weidebouw, griendteelt en eendenkooien.
Op de overgang tussen de uiterwaarden en de oeverwal lag de winterdijk. De dorpen lagen veilig achter en tegen de dijk. Tijdens de ruilverkaveling werden de dorpen achter de dijk opgeknapt en boerderijen in de dorpskern werden vervangen door nieuwe boerderijen net buiten de dorpen op de oeverwal. Dat was een zegen voor de leefomstandigheden in de dorpen, maar ook op de moderne boerderijen. De grote moerassige komgronden werden met nieuwe verharde wegen, een rationele verkaveling en een efficiënte ontwatering ontgonnen. Hier ontstond zo minstens even veel moderne landbouwgrond als in de Flevopolders.
Aan het eind van de vijftiger jaren durfde men het aan om ook nieuwe boerderijen in de ontgonnen komkleigebieden te bouwen. Vooral jonge boeren betrokken - vaak aarzelend die nieuwe erven, die direct aan de bedrijfskavels stonden.
24 | GEMEENTE WEST BETUWE
In de zestiger jaren begonnen de dorpen uit te breiden met kleine nieuwbouwwijken. Eeuwenlang waren de dorpen vooral over de dijk bereikbaar geweest. In de ruilverkaveling werd ook een nieuwe verharde weg op de rand van de oeverwal en de kom aangelegd. Dit verbeterde de bereikbaarheid van de dorpen aanzienlijk. Die weg was een stimulans voor de vestiging van nieuwe bedrijvigheid tussen die weg en het dorp.
In de laatste decennia van de twintigste eeuw was de periode van de ruilverkavelingen voorbij. Eerst konden de dorpsuitbreidingen nog wel ingepast worden. Bij de uitbreidingen van de dorpen en de toename van bedrijvigheid aan wegen als de Graaf Reinaldweg bleek dat moeilijk Dergelijke wegen werden rond de eeuwwisseling drukke provinciale wegen en steeds meer een barrrière tussen oeverwal en kom. De dorpen breiden zich over de hele breedte van de oeverwal uit tot aan de provinciale weg. Die weg was voortaan de hoofdingang van de dorpen en niet langer over de dijk. De dijk werd meer de weg langs de rustige achterkant van het dorp. De voorkant van de dorpen kantelde dus richting de kom.
De ontwerpers van de ruilverkavelingsplannen hielden nog wel rekening met de aanleg of verbreding van de provinciale wegen en Rijkssnelwegen A15, A2 en A50. Die pasten ze in de jaren zeventig landschappelijk in met uitgekiende beplantingsplannen. Wat ze niet zagen aankomen was de bedrijvigheid die zich bij de afslagen van de snelwegen zou vestigen. Ook middenin de kom. Bedrijven werden niet langer landschappelijk ingepast. Nee, het omgekeerde gebeurde. Onder het mom van zicht-lokaties, onstonden vele ‘geengezicht’-lokaties. Op de oeverwallen groeiden intussen de akkerbouwbedrijven. Boomteelt en fruitteelt intensiveerden. Ook grote glastuinbouwbedrijven vestigden zich op de oeverwallen van een groot deel van het rivierengebied. In de kom veranderden ruilverkavelingsboerderijen in erven met burgerwoningen en andere boeren ging grootschalig door. De schuren van nu zijn vele malen groter dan die uit de tijd van de ruilverkaveling.
LOP 2022 | 25
3. ACTUELE ONTWIKKELINGEN EN OPGAVEN LANDSCHAP
Inleiding Hoe kunnen we er voor zorgen dat de aarde een mooie gezonde stabiele plek blijft om te leven? We staan in de wereld voor grote uitdagingen die allemaal samenkomen in de noodzaak om een vernieuwd evenwicht te bewerkstelligen tussen ons handelen en de aarde als levend geheel. Het landschap biedt daarvoor enerzijds de ruimte, maar anderzijds vraagt het landschap ook om een bedachtzame creatieve verzorging. We willen er op de korte termijn ons brood kunnen verdienen, maar er ook zorg voor dragen dat de natuur (inclusief mensen) op langere termijn kan overleven. We hebben geen reserve-landschap. Het vraagt om een daadkrachtige samenwerking op internationaal niveau én om een verstandig landschapsbeleid - als onderdeel van het integrale omgevingsbeleid - op het niveau van het Rijk, de provincies en de gemeenten. Ook als West Betuwe kunnen we daaraan een bijdrage leveren. De nieuwe Omgevingsvisie zal mede op basis van het LOP worden uitgewerkt in allerlei regelingen, projecten en de begeleiding van initiatieven. Dit LOP geeft in dit hoofdstuk een analyse van de opgaven en en bestaand en aankomend beleid. De oplossingsrichtingen die we kiezen zullen van invloed zijn op ons landschap.
We onderscheiden voor het LOP de opgaven die van invloed zullen zijn op de ontwikkeling van het landschap aan de hand van vier thema’s: • Biodiversiteit • Klimaatadaptatie • Energie- en materialentransitie • * Een leefomgeving om in te wonen en te werken.
26 | GEMEENTE WEST BETUWE
Belangrijk om op te merken is dat ‘onderscheiden’ niet ‘scheiden’ betekent. De problemen die opgelost moeten worden kennen gemeenschappelijke oorzaken, ze beïnvloeden elkaar onderling en oplossingen kunnen elkaar dwars zitten, maar ook versterken. Het is ook belangrijk om bij elk thema te beseffen dat de opgaven veelal op meerdere schaalniveaus tegelijk spelen en ook op verschillende niveaus oplossingen gevonden kunnen worden. In een nieuw evenwicht tussen menselijk handelen en de natuur is het raadzaam om te streven naar een wereld zonder afvalstoffen - naar een ‘circulaire samenleving’. Daarmee wordt bedoeld dat we duurzaam kringlopen proberen te sluiten in de processen die samenhangen met ons produceren en consumeren. Die kringlopen kunnen worden gesloten op verschillende schaalniveaus: op lokaal niveau, op regionaal niveau (in het geval van West Betuwe het Rivierengebied), of op (inter)nationaal niveau. De gemeente zou kunnen besluiten om bijvoorbeeld al het groenafval vanuit het bermbeheer lokaal te laten composteren zodat die lokaal weer zou kunnen worden ingezet als bodemverbeteraar. Het na gebruik gescheiden plastic kan regionaal worden verzameld en gerecycled. Metalen kunnen beter op landelijk niveau worden bijeengebracht en klaargemaakt voor nieuwe bestemmingen.
Alhoewel keuzes op (inter)nationaal schaalniveau wel degelijk impact hebben op het lokale landschap, zijn dat geen keuzes waarop het LOP direct grote invloed zal hebben. Daarom wordt in dit LOP vooral rekening gehouden met de effecten vanuit internationale oplossingen en worden voorstellen gedaan voor de twee lagere schaalniveaus. Daar kan het LOP wel een directe invloed hebben.
De uitdagingen waar we voor staan beïnvloeden elkaar onderling en oplossingen kunnen elkaar dwars zitten, maar ook versterken. Uiteindelijk gebeurt alles binnnen de natuurlijke samenhang op aarde en spiegelt zich in ons landschap.
Thema biodiversiteit Ook biodiversiteit speelt op meerdere niveaus. Op internationale schaal gaat het er om dat de variatie in verschillende natuurlijke systemen blijft. Dan kun je denken aan het verschil tussen de natuur van het hooggebergte zoals de Alpen, de natuur van de middelgebergten en plateaus van midden-Duitsland, overgaand in de Nederlandse glooiende zandlandschappen, doorsneden door riviersystemen van grote stromen als de Rijn en de delta’s zoals die langs de Noordzee. Op Europees niveau wordt ernaar gestreefd om juist de typerende natuur die bij die verschilende natuurlijke eenheden hoort te behouden en ontwikkelen. Op dat niveau is de echt belangrijke natuur in het Rivierengebied uiteraard riviergebonden: de op Europese schaal aangewezen Natura 2000-gebieden liggen of langs de grote rivieren of langs de Linge. Met name langs de grote rivieren Waal en Lek zijn de natuurwaarden ook min of meer autonoom aan de rivier gebonden: ze hebben het achterland nauwelijks nodig. Het gaat om vissen, habitattypen als stroomdalgraslanden en glanshaverhooilanden die zich verspreiden via de rivier, en processen als waterdynamiek, erosie en sedimentatie die zich afspelen als gevolg van de rivier en in het winterbed van de rivier. De winterdijk is daarbij een harde grens.
Dit geldt veel minder voor de natuur van Natura2000-gebied ‘Lingegebied en Diefdijk-zuid’, dat door de kleinschaligheid en minder dynamische natuur meer is geïntegreerd in het omringende landschap. Hier hebben we zeer bijzondere natuurwaarden: o.a. kalkmoerassen en verlandende wateren met fonteinkruiden.
LOP 2022 | 27
In het cultuurland tussen de dijken zijn de op Europese schaal bijzondere natuurwaarden lang niet overal meer aanwezig. Er komen in het cultuurlandschap tussen de dijken wel enkele bijzondere dier- en plantensoorten voor: kamsalamanders, grote modderkruiper, riet- en moerasvogels en weidevogels. Ze zijn feitelijk relicten van het oude, niet-bedijkte riviersysteem: de overstromingsvlaktes achter de oeverwallen, nu vooral de komgebieden, al dan niet volledig in cultuur gebracht. Met name de natte gebieden hebben nu nog bijzondere waarden, soms in combinatie met agrarisch gebruik, zoals de weidevogelgebieden, soms als natuurterrein: (riet)moerassen en moeras- en rivierbossen. Voor het overige zijn de echt bijzondere natuurwaarden beperkt en is het lastig deze grootschalig te ontwikkelen: bijvoorbeeld hardhoutooibossen op de oeverwallen zijn er niet meer en moeten minstens 25 ha beslaan om enigszins als ecosysteem te kunnen functioneren. Voor de ontwikkeling van biodiversiteit op regionale schaal zijn er toch nog wel aanknopingspunten. Dan gaat het om de variatie aan natuur die samenhangt met de verschillen tussen de landschapseenheden die horen bij het cultuurlandschap: uiterwaarden en dijken, oeverwallen, stroomruggen, dynamische overgangszones en komkleigebieden. De inrichting en het grondgebruik zorgen ervoor dat er verschillen zijn in de flora en fauna per landschapseenheid.
De biodiversiteit op dit niveau is echter sterk verschraald. In dit LOP worden richtlijnen gegeven om die biodiveristeit te vergroten. Dat kan door gebruik te maken van de dooradering van het cultuurlandschap met bermen en slootkanten die door een goed beheer een veel grotere soortenrijkdom kunnen krijgen. En door anders te boeren: niet overal het maximale, maar hier en daar een stukje of een strookje zoals het vroeger overal was: kruidenrijk gras of akkerranden, hagen en singels, bosjes en (knot)bomen. Veel van de natuur, zelfs die hele bijzondere natuur, is ontstaan als boerenland. Maar dan zonder drijfmest en gewasbescherming.
28 | GEMEENTE WEST BETUWE
Vogelbescherming Nederland pleit voor het terugbrengen van een ‘basiskwaliteit natuur’ in het cultuurlandschap op lokale schaal. Het is vooral deze basiskwaliteit natuur die we grotendeels zijn kwijtgeraakt doordat het landschap zo is ingericht dat leefgebieden verdroogd, versnipperd en vernietigd zijn. Voor deze dieren is er daarom geen kans meer om contact te maken met soortgenoten, te eten of de winter door te brengen. Die basiskwaliteit natuur kunnen we proberen terug te brengen door onze bedrijventerreinen en woongebieden natuurinclusief te maken. Door daar - liefst samenmet mensen die er wonen en werken - meer ruimte te geven aan biodiversiteit, bijvoorbeeld door bloemrijke graslandjes, water met natuurvriendelijke oevers en meer bomen en struiken. In het bedijkte land wil men men zo’n basiskwaliteit natuur stimuleren door een groen-blauw netwerk dat het cultuurland dooradert. Daarin kun je van alles vinden dat misschien niet zo zeldzaam is, maar wel waardevol voor de biodiversiteit in het cultuurlandschap. Denk bijvoorbeeld aan insecten, waaronder bijen en vlinders (bestuivers van het Betuws fruit en biologische bestrijders van ziekten en plagen), vogels van moerasjes, struwelen en halfopen landschap of boerenlandvogels zoals de steenuil en de kerkuil of de patrijs en de veldleeuwerik. Zoogdieren als ree, wezel, hermelijn, egels en vleermuizen.
Salamanders en kikkers (waaronder de wel weer bijzondere heikikker in de Regulieren). Hierbij is het van belang dat bijzondere waarden van natuur en landschap ook door betrokken bewoners worden ingebracht. Cultuurhistorie en bijzondere geomorfologie, recreatieve waarden of bijzondere bosjes, bomen of rietlanden zijn voor veel mensen de moeite waard. Alertheid op natuurwaarden is geboden, ook tijdens de uitvoering. Inzaai van de dijken met een geschikt inheems en autochtoon gras-kruidenmengsel en een goed beheer naderhand zijn noodzakelijk voor herstel van de biodiversiteit en zeker ook van de belevingswaarde van de dijken. De Waaldijk in de Ooijpolder is bijvoorbeeld een bijzonder fraai voorbeeld van Glanshaverhooiland en ook de Waaldijk
bij Hurwenen is op dit punt niet alleen een prachtig stuk biodiversiteit (bijen, vlinders andere insecten), maar in lente en voorzomer een kleurig lust voor het oog. Ook is het van belang dat het beheer van die groenstructuur lokaal wordt ingebed, bijvoorbeeld via contracten voor natuurbeheer met lokale boeren die daarmee extensiever kunnen boeren en waarin bijvoorbeeld bewoners en lokale natuurorganisaties kunnen meedenken. Agrarisch Collectief Rivierenland heeft hiervoor het concept “Waardmanschap” opgezet. (https://collectiefrivierenland.nl/subsidieregelingbiodiversiteit-en-landschap-2-2-2/ ). Ook andere partijen zoals Stichting Landschapsbeheer Gelderland met haar projecten en burgerinitiatieven kunnen bijdragen aan het steeds verder uit te bouwen groen-blauwe netwerk kan ook aansluiten op het historische patroon van dorpspolders dat in het eerste hoofdstuk werd besproken. In de omgevingsvisie is dit patroon ook opgenomen als middel om vorm te geven aan de ecologische verbindingen in het gebied door de komkleigebieden heen. Door zo’n koppeling aan de historische opbouw van het landschap versterkt het ook de herkenbaarheid van de historie in het landschap. En soms kan ook in deze basisnatuur ineens een stukje met wél bijzondere natuur ontstaan: een biotoop voor zeldzame bijen of vlinders, een veldje met orchideeën. De natuur zal ons blijven verrassen!
Thema klimaatadaptatie Veranderingen in ons klimaat zijn van alle tijden, maar ze verlopen tegenwoordig in hoog tempo. Dat heeft gevolgen waaraan de inrichting van ons land nog niet is aangepast. Op nationaal en regionaal niveau zijn er adaptatiestrategieën ontwikkeld voor de verschillende manieren waarop de klimaatverandering zich uit. Ook op lokaal niveau wordt momenteel een adaptatiestrategie ontwikkeld (LAS). Hierna worden de verschillende gevolgen van klimaatverandering apart aan de orde. Zeespiegelstijging Dat de zeespiegel steeds hoger wordt is een “zwaard van Damocles” dat over heel West-Nederland hangt. Ook het Gelders rivierenland ligt voor een flink deel in de zone die zonder robuuste zeewering ernstig bedreigd wordt door de zee. De hoogteligging van West Betuwe varieert van ca. 6,5 m + NAP bij Tiel en Beusichem tot beneden NAP bij Spijk en Gorinchem. Daar komt bij dat de venige gronden in het westen van de Tielerwaard door ontwatering inklinken en zo steeds lager komen te liggen. Hoeveel de zee zal stijgen is nog niet te voorspellen, maar de IPPC heeft daarover gerapporteerd dat de veranderingen gaan sneller dan ze eerder voorspelden. Dat we ons daar in deze eeuw mee bezig zullen moeten houden staat buiten kijf.
In Nederland, maar ook in internationaal verband, is het zaak te zorgen dat toename van broeikassen wordt gestopt, dus stoppen met opwekken van fossiele energie en terugdringen van broeikasgassen.
Waterschap Rivierenland hanteert daarvoor nu een vuistregel van 436 m3 water per hectare verhard oppervlak bij het huidige klimaat. Een van de mogelijkheden om dat te realiseren is het aanleggen van natuurvriendelijke oevers met een stuk oever dat plas-dras staat. Als de maximaal toelaatbare waterstijging bijvoorbeeld 0,4 m is moet ca. 1100 m2 aan natuurvriendelijke oever of extra wateroppervlak worden aangelegd. Op een terrein van een hectare betekent dat een verbrede oever van 5,5 m breed om twee zijden van het terrein of 200 m verbrede oever langs een sloot die van het terrein vandaan loopt. Bij een kassencomplex van 10 ha verharding hoort dus 2 km natuurvriendelijke oever. De gemeentelijke hemelwaterverordening verplicht dat men op eigen terrein hemelwater vasthoudt, bovenop de compensatie van het waterschap. https://lokaleregelgeving.overheid.nl/CVDR657708/1 Dat biedt ook ruimere mogelijkheden dan waterberging alleen. Combineren we dit met een gelijke lengte aan beplanting en waar mogelijk een klompenpad dan krijgen we een weer een stuk van een multifinctioneel groen-blauw netwerk. Het kan functioneren als ecologische verbindingszone en basisbiotoop voor een groot aantal verschillende dieren en planten.
Daarnaast is het uiteraard een landschappelijk kader voor de inliggende bebouwing en nodigt het uit tot bewegen in het buitengebied, vangt het fijnstof in, legt het CO2 en stikstof vast en kan het een deel van de taakstelling uit de Bossenstrategie vervullen.
LOP 2022 | 29
Piekafvoeren, piekbuien, slechte waterafvoer Op regionaal niveau vormen de piekafvoeren via de rivieren een grote zorg. Veel volwassenen herinneren zich nog goed de evacuatie of bijna-evacuatie in 1995 in delen van het rivierengebied. Daarom worden de dijken verhoogd. De planvorming voor de verhoging van de Waaldijk langs de Tielerwaard (Gorinchem – Waardenburg en Tiel – Waardenburg en Stad Tiel en Neder-Betuwe) is afgerond en is het plan in uitvoering. Daarnaast is langs de Lek de planvoorbereiding van de dijkversterking Streefkerk – Ameide – Fort Everdingen in voorbereiding. Verder speelt de zorg voor waterafvoer in de rivieren zich grotendeels af in de uiterwaarden en wordt geregeld door Rijkswaterstaat, soms samen met het Waterschap Rivierenland. Het is echter zeker denkbaar dat op termijn ook in binnendijks gebied maatregelen nodig zullen zijn. Ook daarbij is het van belang dat lokale organisaties meedenken en mogelijkheden voor natuur, cultuurhistorie en recreatie signaleren. Clusterbuien of piekbuien met grote hoeveelheden regen in een korte periode kunnen leiden tot overstromingen, zoals in de zomer van 2021 in de Eifel, Ardennen en Zuid-Limburg. Vooral in heuvelachtige gebieden is dit verschijnsel gevaarlijk, omdat het water zich daar snel in rivier- en beekdalen ophoopt. In het relatief vlakke Gelderse rivierengebied is dit veel minder een probleem.
In laaggelegen gebieden kan echter wel wateroverlast optreden. De gemeente heeft lokaal een kaart voor vijf kernen ontwikkeld waar de kwetsbaarheid van wateroverlast in beeld is gebracht, waarbij in de berekening de werking van het rioolsysteem en watersysteem in samenhang is weergegeven. (https:// stresstest-gemeente-west-betuwe-arcadis.hub.arcgis. com/apps/analyse-naar-wateroverlast-in-gemeente-westbetuwe/explore) Wateroverlast kan ook optreden als water niet in de bodem kan trekken, zoals in dicht bebouwde en bestrate stedelijke gebieden en op bedrijventerreinen en kassencomplexen. Met name in delen van het landschap met veel bebouwing zoals in de dynamische zones op de overgang van oeverwallen en dorpen naar de komkleigebieden moet speciale aandacht besteed worden aan het vasthouden, verwerken, hergebruiken en vertraagd afvoeren van hemelwater. Hiervoor is ruimte nodig veelal op de plek waar hemelwater valt. Droogte Droge perioden kunnen normaal gesproken in het rivierengebied goed worden opgevangen door water in te laten vanuit de grote rivieren. De Linge is een boezemrivier die bij hoge waterstanden op de Waal extra water kan bufferen. Met droogte kan ook het rivierengebied niet goed omgaan. De Waalstand is in de zomers van 2018, 2019 en 2020 zo laag geweest dat er op momenten niet
30 | GEMEENTE WEST BETUWE
voldoende water kon worden ingelaten. Ook moet het waterschap in deze gevallen extra pompcapaciteit inzetten om water te kunnen inlaten. De verwachting is dat dit in de toekomst vaker en over een langere periode zal gaan voorkomen. Voor de fruitteelt is er een knelpunt als gevolg van beregening en verneveling tegen zonnebrand. In droge perioden kan soms onvoldoende water worden aangevoerd. Er wordt steeds sneller een beregeningsverbod ingesteld. De veeteelt heeft hier als eerste hinder van. Graslanden (ondiepe beworteling) moet steeds vaker en vroeger gaan beregenen om voldoende gewasopbrengst te hebben. Niettemin is het zaak om ook op perceels- en gewasniveau uitdroging te voorkomen. We zien daar wel droogtestress optreden in droge perioden, door het diep wegzakken van grondwaterstanden. Beplantingen van bomenrijen of andere lijnvormige beplantingselementen voorkomen uitdroging van de bodem en zorgen voor opbrengstverhoging in het naastliggende terrein door de temperende werking op het klimaat. Denk daarbij – naast uitdroging – ook aan windwerking en bevriezing. Zeker als ook enige opbrengst kan worden gegenereerd uit de bomenrijen zelf, ontstaat een vorm van ‘agroforestry’ (bosbouw gecombineerd met landbouw), die hierdoor meer in de belangstelling staat. Iets soortgelijks is aan de hand in de bodem, vooral op akkerland.