RV2022-135-bijlage-A-bij-raadsvoorstel-begroting-2023-toelichting-Septembercirculaire-2022-definitief.pdf
Tekst van het document
Toelichting op de Septembercirculaire 2022 en de (financiële) effecten voor West Betuwe 1. Inleiding Jaarlijks verschijnen er meestal drie circulaires. Mei geeft de vertaling van de Voorjaarsnota van de rijksoverheid, september van de vertaling van de Miljoenennota, december rondt het uitkeringsjaar zoveel mogelijk af. De septembercirculaire 2022 is een dag na Prinsjesdag verschenen. Deze circulaire bevat informatie over de actualisatie van het accres op basis van de Miljoenennota en een eenmalige rijksbijdrage in 2026. De circulaire hebben we doorgerekend met de applicatie PAUW. Overigens zijn er na het verschijnen van de circulaire nog een aantal onvolkomenheden geconstateerd die in de berekeningen zijn meegenomen. Financieel effect van de circulaire Bedragen x 1.000 euro 2022
2023
2024
2025
2026
2027
Bruto toename algemene uitkering (excl. extra Jeugdgelden) Correctie netto meerjarig accres in meicirculaire 2022 Oormerken prijsontwikkelingen Oormerken taakmutaties Extra Jeugdgelden (t.o.v. meicirculaire 2022) Subtotaal
3.287 0 -0 -1.833 0 1.454
1.218 0 -905 -149 0 164
1.141 -114 -1.109 -136 692 475
996 -442 -1.210 -38 622 -72
3.226 -2.008 -1.345 -38 424 260
856 -2.555 -1.150 0 259 -2.590
Actualisatie uitkering 2020 Actualisatie uitkering 2021 Totaal netto effect septembercirculaire 2022
15 -87 1.382
0 0 164
0 0 475
0 0 -72
0 0 260
0 0 -2.590
Effect op begrotingsjaar
2. Samenvatting 2.1 Accressen Via de normeringsystematiek ‘samen trap op en samen de trap af’ wordt de algemene uitkering van het gemeentefonds geïndexeerd, ook wel het accres genoemd. Sinds de meicirculaire 2022 is het accres gesplitst in een volume- en een nominaal deel, waarbij het nominale deel ter compensatie is van loonen prijsstijging en het volumedeel ter compensatie van bevolkingstoename en reëel accres. Vervolgens zijn in de septembercirculaire 2022 de accressen vanaf 2022 bijgewerkt. Voor alle jaren vanaf 2023 is sprake van een lichte opwaartse bijstelling van het nominale (t.b.v. loonen prijsstijgingen) accres. De cumulatieve mutaties ten opzichte van de meicirculaire 2022 zijn als volgt: Per jaar Cumulatief - 2023: € 389 miljoen € 389 miljoen - 2024: € 90 miljoen € 479 miljoen - 2025: € 44 miljoen € 523 miljoen - 2026: € 60 miljoen € 583 miljoen - 2027: € 82 miljoen -/€ 501 miljoen De bedragen hebben tot en met 2025 een structurele doorwerking. Op de normeringssystematiek zijn sinds de meicirculaire 2022 de volgende wijzigingen van toepassing: De splitsing in een volume- en een nominaal deel is op basis van de standen bij de Startnota en de loon- en prijsontwikkeling uit de Macro Economische Verkenning (MEV) 2022 van het CPB.
Het jaarlijkse volumedeel (in euro) staat vast en het lpo-deel beweegt mee met de CPB-ramingen naar de stand van de meicirculaire van dat jaar. Het Rijk en de VNG zijn kort na de meicirculaire 2022 overeengekomen dat het volume-accres voor de jaren 2022 tot en met 2025 wordt bevroren. Verder heeft het rijk (eenzijdig) besloten dat vanaf 2026 het gemeentefonds niet langer meer zal worden geïndexeerd via de huidige normeringssystematiek. Er wordt geen volume-accres meer
Pagina 2 van 7
verstrekt, alleen nog maar een nominaal accres voor de loon- en prijsontwikkeling. Het Rijk verwacht dus dat de gemeenten de areaalontwikkelingen vanuit dit nominaal accres zullen opvangen. Op termijn neemt hierdoor de netto vrij besteedbare omvang van het fonds af. De index voor loon-prijsontwikkeling geschiedt op basis van de CPB-raming van de loonvoet sector overheid, index materiele overheidsconsumptie en overheidsinvesteringen. Hierbij wordt een verdeling van 60% loonontwikkeling, 20% consumptie en 20% investeringen aangehouden. Voor de jaren 2022 t/m 2027 zijn de indexeringen opgenomen in onderstaande tabel:
2.2 BTW-compensatiefonds (BCF) Het BCF-plafond bedraagt € 3,7 miljard voor gemeenten in 2022. Als de gezamenlijke declaraties onder het plafond blijven wordt het verschil in het gemeentefonds gestort. Bij overschrijding van het plafond volgt een uitname. Het plafond muteert jaarlijks met het accrespercentage. Door de bevriezing van het accres in 2022 tot en met 2025 is het plafond in die jaren ook gefixeerd. In het systeem is opgenomen dat jaarlijks bij de septembercirculaire een voorschot wordt verstrekt op de verwachte onderschrijding van dat kalenderjaar. In de meicirculaire volgend op het kalenderjaar volgt dan de afrekening. In deze circulaire bedraagt het voorschot voor het jaar 2022 € 320,9 miljoen. In de meicirculaire 2023 vindt de afrekening plaats. De provinciaal toezichthouder staat toe een meerjarige stelpost op te nemen als inschatting op de jaarlijkse onder- of overschrijding van het plafond. Dit ter hoogte van de laatst bekende afrekening. In dit geval is dat de landelijke afrekening van € 335,4 miljoen in 2021. Het gemeentelijk aandeel hierin mag dan structureel geraamd worden vanaf 2023. Voor West Betuwe bedraagt de voorschotafrekening 2022 € 739.000. Op begrotingsbasis hielden we al rekening met een bedrag van € 204.000, zodat er in 2022 een incidenteel voordeel van € 535.000 is.
Vanaf 2023 houden we rekening met een stelpost van € 390.000 per jaar (50% van de afrekening 2021). Ten opzichte van de oude stelpost van € 204.000, is er een structureel voordeel van € 186.000 per jaar.
2.3 Eenmalige rijksbijdrage Het Rijk werkt met gemeenten aan een nieuwe financieringssytematiek vanaf 2026. In aanloop daar naar toe stelt het kabinet eenmalig € 1 miljard extra in 2026 beschikbaar. Via de algemene uitkering komt € 924 miljoen beschikbaar. Een bedrag van € 76 miljoen wordt toegevoegd aan het BTWcompensatiefonds. Voor West Betuwe bedraagt het aandeel in deze eenmalige rijksbijdrage € 2.116.000.
2.4 Sociaal domein Het Rijk, de VNG en het IPO zijn voor de jaren 2024, 2025 en 2026 overeengekomen dat gemeenten zowel de extra rijksbijdragen voor de jeugdzorg als de geplande bezuinigingen voor 100% in de begroting 2023 mogen opnemen. In de begroting 2022 mochten de gemeenten nog 75% opnemen. Verder zijn afspraken gemaakt over een aanvullende besparing van structureel € 511 miljoen, waarbij de Rijksoverheid de verantwoordelijkheid heeft om deze besparing in te vullen met (wettelijke) maatregelen.
Pagina 3 van 7
De afspraken over de extra rijksbijdragen voor de jeugdzorg dienen alleen voor de verwerking in de begroting 2023 en de meerjarenbegroting 2024 - 2026. Voor de jaren na 2026 blijft onduidelijk of gemeenten 100% mogen ramen of 75%, aangezien deze jaren nog niet opgenomen zijn in de richtlijnen van de provinciaal toezichthouder. Bedragen x € 1 mln. 1. Basis 2. Dossiers met overeenstemming 3. idem zonder Ministerie van VWS uitvoering hervormingsagenda Inkomensafhankelijke bijdrage Totaal middelen Jeugdzorg 4. Aanvullende maatregelen (besparing) CA Gereserveerd op aanvullende post (AP) norm provinciaal toezichthouders
2023 1.828 -374 pm -9 pm 1.445
2024 1.828 -463 pm
2025 1.828 -570 pm
2026 1.828 -961 pm
2027 1.828 -1.017 pm
2028 1.828 -1.017 pm
pm 1.365
pm 1.258
pm 867
pm 811
pm 811
100% 1.445 2.041
100 1.265 100% 1.265 2.041
500 758 100% 758 2.041
500 367 100% 367 2.041
511 300 75% 225 2.041
511 300 75% 225 2.041
2.949.728 2.949.728 0
2.582.300 2.090.000 492.300
1.547.300 1.925.000 -377.700
749.200 1.325.000 -575.800
459.300 1.240.000 -780.700
459.300 1.240.000 -780.700
0 0
200.000 692.300
1.000.000 622.300
1.000.000 424.200
1.040.000 259.300
1.040.000 259.300
1
5. € 1 mln. staat voor West Betuwe gelijk aan: Scenario voor de baten van de begroting: 6. Reeds opgenomen bedrag bij meicirculaire 2022 Budgettair effect compensatie jeugdzorg voor begroting 2023-2025 Scenario voor de lasten van de begroting 7. Lager te ramen uitgaven in de begroting Totaal effect t.o.v. meicirculaire 2022
2
Compensatie West Betuwe 2023 in meicirculaire 2022
2.949.728
1
Het coalitieakkoord vermeldt dat dat ”vanaf 2024 in aanvulling op de huidige hervormingsagenda extra beleidsmaatregelen in de jeugdzorg genomen worden”. Voor de jaren 2024, 2025 en 2026 gaat het om een besparing van respectievelijk 100 miljoen, 500 miljoen en 500 miljoen Vanaf 2027 en structureel gaat het om € 511 miljoen. 2
Voor de jaren 2024 en verder moeten gemeenten rekening houden met de voorgenomen besparingen en in de begroting voor Jeugdzorg een lagere raming opnemen voor de uitgaven.
Voor West Betuwe bedraagt het voordeel van de toegestane stelpost ten opzichte van de meicirculaire 2022 € 692.000 in 2024 aflopend tot € 259.000 vanaf 2027 (voordelen in 2025 en 2026 respectievelijk € 622.000 en € 424.000). Hierbij wordt uitgegaan van een besparingsmogelijkheid van € 200.000 in 2024 en € 1 miljoen per jaar vanaf 2025 en de volledige ontvangst in 2024 t/m 2026 van de op de rijksbegroting gereserveerde middelen (aanvullende post op de rijksbegroting).
2.5 Decentralisatie- en integratie-uitkeringen In de septembercirculaire zijn drie nieuwe decentralisatie-uitkering opgenomen voor West Betuwe. Het gaat om de volgende DU’s: DU Invoeringskosten Omgevingswet € 150,9 miljoen in 2022 DU Wet kwaliteitsborging bouw € 24,7 miljoen in 2022. Voor 2023-2026 € 10 miljoen DU Leerlingenvervoer Oekraïne € 9,2 miljoen in 2022 Invoeringskosten Omgevingswet: De grootste mutatie betreft de decentralisatie-uitkering Invoeringskosten Omgevingswet. Vanwege de transitiekosten die gemeenten hebben gemaakt in aanloop naar de invoering van de Omgevingswet ontvangen de gemeenten een bijdrage voor de transitiekosten. Er volgt nog een stelselevaluatie, waarbij de daadwerkelijk gemaakte kosten in kaart worden gebracht. Voor West Betuwe gaat het om een eenmalige bijdrage van € 575.000 in 2022.
Pagina 4 van 7
Wet kwaliteitsborging bouw: De gemeenten ontvangen in 2022 een bijdrage voor de noodzakelijke voorbereiding die de gemeenten nog moeten treffen tot de inwerkingtreding van de wet Kwaliteitsborging voor het bouwen (Wkb) vanaf 1 januari 2023. Daarnaast ontvangen de gemeenten na inwerkingtreding een jaarlijkse bijdrage (tot en met 2026) voor het uitvoeren van de Wkb-taken. Voor West Betuwe gaat het om een eenmalige bijdrage van € 94.000 in 2022 en een jaarlijkse bijdrage van € 38.000 in 2023 t/m 2026. Leerlingenvervoer Oekraïne: De gemeenten ontvangen in 2022 een bijdrage voor de kosten van het leerlingenvervoer van Oekraïense leerlingen. De decentralisatie-uitkering ziet toe op de periode vanaf 1 maart 2022 tot aan de zomervakantie op 16 juli 2022. De bedragen die worden toegekend aan een gemeente zijn gebaseerd op het aantal geregistreerde kinderen uit de Oekraïne, met peildatum 6 mei 2022. In de uitkering wordt onderscheid gemaakt tussen leerlingen in het Voortgezet Onderwijs (VO) en het Primair Onderwijs (PO). Voor West Betuwe gaat het om een eenmalige bijdrage van € 45.000 in 2022.
2.6 Taakmutaties In de septembercirculaire 2022 zijn de volgende taakmutaties opgenomen: ▪ Energietoeslag € 550 miljoen eenmalig in 2022 ▪ Asiel (inburgering) voor de jaren 2022, 2023 en 2024 € 20, € 40 en € 30 miljoen ▪ Participatie: IPS Regeling - € 10,75 miljoen eenmalig in 2023 ▪ Maatschappelijke begeleiding statushouders: IPS Regeling € 35 miljoen eenmalig in 2022 Energietoeslag: In de meicirculaire van dit jaar heeft verwerking plaats gevonden van het beschikbaar gestelde bedrag van € 854 miljoen in verband met het verstrekken van een energietoeslag aan huishoudens met een laag inkomen. In het debat over de Voorjaarsnota op 5 juli jl. heeft het Kabinet aangekondigd het richtbedrag van de eenmalige energietoeslag te verhogen, van € 800 naar € 1.300. Het kabinet heeft hiervoor een eenmalig extra budget (van € 550 miljoen) beschikbaar gesteld. Hiervan is € 500 miljoen bestemd voor de ophoging van de energietoeslag en € 50 miljoen voor de extra uitvoeringskosten van gemeenten. De verdeling van deze aanvulling via de algemene uitkering is in deze circulaire verwerkt. De energietoeslag bedraagt voor het jaar 2022 in totaal € 1.300 voor mensen die leven van 120% van het sociaal minimum. Tijdens de augustusbesluitvorming is besloten om in 2023 nogmaals € 1.300 aan deze doelgroep uit te keren. Dit is opgenomen in de Miljoenennota 2023.
Om huishoudens in 2022 nog beter te ondersteunen, wordt gemeenten de mogelijkheid geboden om € 500 hiervan al in 2022 uit te keren. Gemeenten hebben onder de huidige wetgeving de tijd om de toeslag tot 1 juli 2023 uit te keren. De begroting voor het Gemeentefonds zal hier nog op worden aangepast. Van de € 1,4 miljard voor 2023 is het kabinet voornemens om € 500 miljoen naar 2022 te schuiven, waardoor er € 900 miljoen in 2023 overblijf. Over de verdeling van de middelen in 2022 volgt zo spoedig mogelijk nadere informatie. Voor West Betuwe gaat het in 2022 om een extra (eenmalige) bijdrage van € 916.000 voor de energietoeslag 2022. Asiel (inburgering): In het bestuurlijk akkoord met betrekking tot de opvang van asielzoekers op 26 augustus jl. is afgesproken dat het kabinet voldoende financiële middelen beschikbaar stelt voor integratie. Als gevolg van een hogere instroom van inburgeraars is afgesproken het budget voor de inburgering voor de jaren 2022, 2023 en 2024 op te hogen met respectievelijk € 20, 40 en 30 miljoen. Hiermee worden gemeenten in staat gesteld alle inburgeraars passende ondersteuning te bieden. Voor West Betuwe gaat het in 2022, 2023 en 2024 om een incidentele bijdrage van respectievelijk € 57.000, € 125.000 en € 97.000.
Pagina 5 van 7
Participatie: IPS Regeling: Voor de IPS (Individuele plaatsing en steun) regeling is voor de gemeentelijke doelgroep in totaal € 21,5 miljoen beschikbaar. De gemeenten dragen de helft bij van de uitgaven van de subsidie. Daarom wordt eenmalig in 2023 € 10,75 miljoen uitgenomen uit het gemeentefonds. Voor West Betuwe gaat het in 2023 om een incidentele korting van € 14.300. Maatschappelijke begeleiding statushouders: Conform artikel 18 van de Wet Inburgering voorziet het college in de maatschappelijke begeleiding van inburgeringsplichtige asielmigranten en hun gezinsleden. Gemeenten ontvangen voor de maatschap-pelijke begeleiding van inburgeringsplichtige asielmigranten en hun gezinsleden in 2022 een bijdrage. Voor West Betuwe gaat het in 2022 om een incidentele bijdrage van € 126.000.
3. Financiële effecten voor West Betuwe De septembercirculaire 2022 levert voor West Betuwe de volgende effecten op: Bedragen x 1.000 euro 2022
2023
2024
2025
2026
2027
Bruto toename algemene uitkering (excl. extra Jeugdgelden) Correctie netto meerjarig accres in meicirculaire 2022 Oormerken prijsontwikkelingen Oormerken taakmutaties Extra Jeugdgelden (t.o.v. meicirculaire 2022) Subtotaal
3.287 0 -0 -1.833 0 1.454
1.218 0 -905 -149 0 164
1.141 -114 -1.109 -136 692 475
996 -442 -1.210 -38 622 -72
3.226 -2.008 -1.345 -38 424 260
856 -2.555 -1.150 0 259 -2.590
Actualisatie uitkering 2020 Actualisatie uitkering 2021 Totaal netto effect septembercirculaire 2022
15 -87 1.382
0 0 164
0 0 475
0 0 -72
0 0 260
0 0 -2.590
Opbouw effect
2022
2023
2024
2025
2026
2027
1. Voorschot afrekening BCF plafond 2022/stelpost BCF-plafond 2. Stelpost Extra Jeugdgelden/lagere lasten Jeugdzorg 3. Eenmalige rijksbijdrage financieringssytematiek 4. Nominale ontwikkeling (correctie lopende naar constante prijzen) 5. Bevolkingsdaling 6. Hoeveelheidsverschillen 7. Ontwikkeling uitkeringsbasis 8. Overige ontwikkelingen (o.a. afronding) 9. Actualisatie uitkeringen voorgaande jaren Totaal netto effect septembercirculaire 2022
535 0 0 0 -27 1.187 -274 33 -72 1.382
186 0 0 0 0 -83 -1 63 0 164
186 692 0 -114 0 -116 -191 18 0 475
186 622 0 -442 0 -97 -331 -11 0 -72
186 424 2.116 -2.008 0 -85 -468 94 0 260
186 259 0 -2.555 0 -80 -469 68 0 -2.590
Effect op begrotingsjaar
Dit effect bestaat uit de volgende onderdelen: Bedragen x 1.000 euro
ad 1 BCF-plafond: Zie toelichting onder 2.2 ad 2 Jeugdgelden: Zie toelichting onder 2.4 ad 3 Eenmalige rijksbijdrage financieringssystematiek: Zie toelichting onder 2.3
Pagina 6 van 7
ad 4 Nominale ontwikkeling (correctie lopende naar constante prijzen) De rijksoverheid neemt in de meerjarenraming een loon/prijsontwikkeling (LPO) op en raamt dus inclusief inflatie (lopende prijzen). Voor alle gemeenten geldt bij deze circulaire dat de jaren t (2022) en t+1 (2023) worden geraamd op basis van lopende prijzen. Ongeveer twee derde van de gemeenten raamt echter tegen constante prijzen vanaf jaar t+2 (2024) omdat ze een stabiel budgettair beeld willen creëren, lasten en baten houden hetzelfde niveau. Bij deze gemeenten wordt vanaf het jaar t+2 (2024) het effect van de inflatie uit de accressen gehaald. Tot en met de meicirculaire 2022 gebeurde dit op basis van de prijsmutatie Bbp, een officieel indexcijfer van Centraal Bureau Statistiek (CBS). Afgelopen jaren is de prijsmutatie Bbp laag gebleken. De huidige stand is 2,5%, maar nog steeds laag vergeleken met de huidige inflatie. Met ingang van de septembercirculaire 2022 worden de lopende prijzen naar constante prijzen gecorrigeerd op basis wat de gemeenten via het loon- en prijsaccres (LPO) voor de loon- en prijsontwikkeling van het rijk gecompenseerd krijgen. Dat is een sluitend systeem. Wel ontstaat er eenmalig een probleem, aangezien er in de meicirculaire 2022 gecorrigeerd is op basis van de prijsmutatie Bbp, die achteraf gezien te laag was.
ad 5 Bevolkingsdaling De huidige decentralisatie-uitkering Bevolkingsdaling loopt tot en met 2021. Om de negen ontvangende regio’s duidelijkheid te geven voor 2022, hebben de fondsbeheerders besloten de middelen voor dat jaar nog eenmalig te continueren. Het totaal benodigde bedrag ad € 11,2 miljoen wordt onttrokken aan de algemene uitkering. De middelen lopen per 1 januari 2023 definitief af. ad 6 Hoeveelheidsverschillen Naast de mutaties in de algemene uitkering die worden veroorzaakt door wijzigingen in de maatstafgewichten en de wegingsfactoren als gevolg van beleidsmatige maatregelen, wordt een deel van de mutatie veroorzaakt door mutaties in de basisgegevens. Voor 2022 betreft dit een aanzienlijk voordeel als gevolg van het beschikbaar komen van actuelere gegevens van onder andere het CBS. Meerjarig is er sprake van een nadeel. Dit nadeel wordt vooral veroorzaakt doordat het aantal kernen volgens de definitie van het gemeentefonds is afgenomen van 26 naar 25. ad 7 Ontwikkeling uitkeringsbasis Bij het begrip ontwikkeling van de uitkeringsbasis praten we over de mutaties van de landelijke aantallen inwoners, woonruimten, leerlingen, uitkeringsgerechtigden, WOZ-waarden enzovoort. In de veronderstelling dat het te verdelen bedrag niet toeneemt als de hoeveelheid (Q) stijgt, zal per maatstaf het maatstafgewicht (P) evenredig moeten dalen.
Dat is een ingewikkelde methode en daarom wordt gekozen voor een eenvoudiger oplossing, in casu, de daling van de uitkeringsfactor. Gemeenten kunnen deze korting goedmaken door evenredig te stijgen met de aantallen. Groeigemeenten lukt dat eenvoudig, plattelandsgemeenten moeten hier veelal een veer laten en dat geldt zeker voor de krimpgemeenten. Voor het uitkeringsjaar 2022 zijn landelijk bij diverse maatstaven de aantallen aanzienlijk bijgesteld. Vooral de ontwikkelingen in het aantal bijstandsontvangers, omgevingsadressendichtheid, bedrijven en de omvang van de OZB-maatstaven hebben een sterke invloed op de uitkeringsfactoren. Voor de uitkeringsjaren vanaf 2023 werd de stijging van de uitkeringsfactor vooral veroorzaakt door stijgende WOZ-waarden ten opzichte van de meicirculaire. Dit leidt tot een hogere aftrek bij de gemeenten door het negatieve rekentarief. Dus tot een lagere algemene uitkering. Dat werd gecompenseerd met een verhoging van de uitkeringsfactor. Na publicatie is gebleken dat het ministerie een fout heeft gemaakt bij de bepaling van de totale WOZ-waarden voor 2023 waardoor de eerdere stijging teniet wordt gedaan. ad 8 Overige ontwikkelingen Deze categorie bestaat vooral uit afrondingsverschillen bij de berekening van de algemene uitkering.
Pagina 7 van 7
ad 9 Actualisatie voorgaande jaren De verdeelmaatstaven voor 2020 en 2021 zijn geactualiseerd ten opzichte van de jaarrekening 2021. Daarnaast wordt de uitkeringsfactor 2021 met 2 punten verlaagd. Deze daling wordt vooral veroorzaakt door de actualisatie van de gegevens over het aantal huishoudens naar (oudere) leeftijdsgroep, minderheden en omgevingsadressendichtheid.
4. Overige onderwerpen Klimaat en Energie Medeoverheden krijgen naar aanleiding van het Klimaatakkoord en het Coalitieakkoord veel nieuwe taken op het terrein van de sectoren gebouwde omgeving, mobiliteit, industrie, landbouw en elektriciteit. De Raad voor het Openbaar Bestuur (ROB) heeft advies uitgebracht genaamd “Van Parijs naar Praktijk” uitgebracht met daarin de geschatte uitvoeringsmiddelen die medeoverheden nodig hebben voor de periode 2022-2030 voor de uitvoering van het Klimaatakkoord15. In de meicirculaire is reeds bekend gemaakt dat vanaf 2023 tot en met 2030 gemeenten en provincies, aanvullend op de reeds eerder toegekende middelen, extra uitvoeringsmiddelen voor klimaat- en energiebeleid krijgen zodat zij hun uitvoeringskracht kunnen voorzetten en intensiveren. Om de uitvoering van het bestaande klimaatbeleid in 2022 te kunnen voortzetten is van de toekomstige uitvoeringsmiddelen in de meicirculaire reeds € 74,3 miljoen naar 2022 verschoven. Dat brengt de totale decentralisatie-uitkering voor 2022 op € 112,6 miljoen. De verdeling is in de meicirculaire gecommuniceerd. Over de resterende middelen die in het Coalitieakkoord zijn gereserveerd voor de uitvoeringskosten van medeoverheden voor het klimaatakkoord en aanvullend klimaatbeleid vinden nog gesprekken plaats tussen onder andere de VNG, het IPO en het Rijk.