RV2022-005 Bijlage 1 Beleids- en beheerplan watergangen West Betuwe.pdf
Tekst van het document
maaiwerkzaamheden niet in 1 keer uitgevoerd worden. Figuur 7 geeft een samenvattend overzicht van de verschillende strategieën om gedifferentieerd maaien toe te passen (STOWA, 2021).
Figuur 1, Visualisering van de maaistrategieën (STOWA, 2021)
Waar mogelijk kunnen we aansluiten bij de maaipakketten van Waterschap Rivierenland. Deze zijn weergegeven in onderstaande figuur 2.
Figuur 2: Maaipakketten van Waterschap Rivierenland
Bijlage 5. Functies, functieomschrijving en functie-eisen Voor het beheer van het watersysteem wordt onderscheid gemaakt tussen vier verschillende functies. Sommige onderdelen van het watersysteem (oevers, duikers, oppervlaktewater) kunnen meer dan één functie vervullen. Functie 1
Gebruiksdoel Watertransport, waterberging
2
Stadswater en agrarisch water Water voor beleving
3
Water voor natuur
Watertransport, waterberging, ecologie
4
Water voor recreatie
Watertransport, waterberging, oeverrecreatie en sportvisserij
Watertransport, waterberging, beleving
Tabel 1: Functies voor stedelijk water in combinatie met gebruiksdoelen
Functie en functieomschrijvingen Stadswater en agrarisch water De stedelijke en agrarische omgeving hebben een direct effect op de aanwezige wateren. De wateren zijn cultuurrijk ingericht en er is weinig ruimte aanwezig om een natuurlijke inrichting mogelijk te maken. Het doel van stadswater en agrarisch water is: watertransport en waterbergen (zie figuur 1)
Water voor beleving
Figuur 2, water voor beleving
water beleven.
De wateren zijn ingericht om het water te 'beleven', om ervan te genieten. Deze wateren zijn uitgerust met natuurvriendelijke oevers, waardoor Figuur 1, Stadswater het aantrekkelijk is om in deze omgeving te zijn. Water met deze functie zijn meestal wateren waaraan achtertuinen grenzen, water in parken zoals in figuur 2 of langs wandel en in wandelgebieden. Het doel van deze wateren is: watertransport, waterbergen en
Water voor natuur De stedelijke omgeving heeft een gering effect op deze wateren. De wateren zijn natuurlijk ingericht, of de ruimte is aanwezig om een natuurlijke inrichting mogelijk te maken. Water gerelateerde flora en fauna heeft de ruimte om zich te ontwikkelen, dit wordt gestimuleerd door de inzet van ecologische beheermaatregelen. De verschillende watergangen die de functie water voor natuur hebben gekregen, sluiten waar mogelijk op elkaar aan om zo hoogwaardige ecologische verbindingszones te vormen. Zichtbaar Figuur 3: water voor natuur zijn de natuurlijk gevormde oevers langs de waterpartij. Het doel van deze wateren is: watertransport, waterbergen en ecologie, zie figuur 3. Water voor recreatie
Figuur 4: water voor recreatie
De wateren kunnen gebruikt worden om op en langs te recreëren. Hierbij kan gedacht worden aan sportvissen, spelevaren of wandelen en fietsen. Afhankelijk van het soort recreatie dat zich op of langs de wateren afspeelt worden voorzieningen getroffen om deze functie te ondersteunen. Hierbij kan gedacht worden aan visvlonders of overzetplaatsen voor kano’s (figuur 15). Het doel van deze wateren is: watertransport, waterbergen en recreatie. De Linge is een voorbeeld van water voor recreatie.
Functie-eisen Het watersysteem is aangelegd voor meerdere gebruiksdoelen. In deze paragraaf is per gebruiksdoel beschreven wat de eisen zijn die aan deze doelen worden gesteld. Watertransport (WT) De definitie van de doelstelling watertransport is: “Onbelemmerd water aan- en afvoeren ter voorkomen van wateroverlast / overstromen.” De eis aan de doelstelling is: “Het natte doorstroomprofiel van de watergangen en de capaciteit van de duikers moet voldoende en altijd beschikbaar zijn om de huidige benodigde afvoer te verwerken. De stroomsnelheden zijn gering; minder dan 0,2 m/s.
Waterberging (WB) De definitie van de doelstelling waterberging is: “Het watersysteem bezit voldoende opslagcapaciteit voor het tijdelijk bergen van een overschot aan water.” De capaciteit van het volume waterbergend vermogen wordt bepaald door het wateroppervlak en de waterpeilstijging die mogelijk is zonder dat wateroverlast ontstaat. De eis aan de doelstelling is: “De waterbergingscapaciteit mag niet afnemen. Dat betekent dat het oppervlak niet kleiner mag worden, en de kleinste drooglegging (verschil in hoogte tussen maaiveld en waterpeil) in het gebied niet mag afnemen.” Ecologie (Eco)
De definitie van de doelstelling ecologie is: “Het watersysteem bezit een gezond en veerkrachtig ecosysteem, dat gekenmerkt wordt door de voor het gebied karakteristieke biodiversiteit en landschappelijke identiteit, terwijl medegebruik mogelijk is.” De eis aan de doelstelling is: “De biodiversiteit is gelijk gebleven of toegenomen, vispopulaties zijn gezond, langlevende soorten worden regelmatig waargenomen en vogelpopulaties zijn divers en stabiel. Aan de Nederlandse en Europese natuurbeschermingsdoelstellingen wordt voldaan. Er is voldoende ruimte voor natuurlijke processen en waar mogelijk zijn of worden overgangszones tussen water en land zijn hersteld. Het watersysteem ontwikkelt zich tot een nagenoeg natuurlijk systeem. Er is een goede afstemming tussen waterkwaliteits- en waterkwaliteitsbelangen, recreatie en sportvisserijactiviteiten.” Beleving (Bel)
De definitie van de doelstelling beleving is: “De uitstraling van het watersysteem draagt ertoe bij dat de gebruiker van de openbare ruimte deze hoger waardeert.” De eis aan de doelstelling is: “Het watersysteem is schoon, heel en veilig. De uitstraling voldoet aan de vastgestelde beeldkwaliteit.” Recreatie (Rec)
De definitie van de doelstelling recreatie is: “Het gebruiken van de mogelijkheden van het watersysteem voor sport en ontspanning.” Bij deze functie kan gedacht worden aan (sport)vissen, kanovaren, spelenvaren en wandelen. De eis aan de doelstelling is: “De voorzieningen in het watersysteem die deze functie ondersteunen zijn schoon, heel en veilig. De uitstraling s voldoet aan beeldkwaliteit B. Er vindt actief visstand beheer plaats.”
Bijlage 6: Beschrijving achtergrond beheer en onderhoud Beheer Het operationeel beheer van het watersysteem is de specifieke zorg voor oppervlaktewater, beschermde en natuurvriendelijke oevers en duikers. In de Waterwet wordt dit kortweg aangemerkt als beheer. De waterbeheerder/ rechthebbende is verantwoordelijk voor het operationele waterbeheer. De beheersactiviteiten zijn te onderscheiden in direct beheer en indirect beheer. De indirecte beheersactiviteiten omvatten: • • •
Planvorming: Nieuwe plannen worden getoetst aan de wetgeving en beleid, waarna eventueel gehandeld wordt om deze tot uitvoering te laten komen; Vergunningverlening: Dit is de bijdrage die de afdeling levert aan het behandelen van vergunningaanvragen aangaande de sub domeinen oppervlaktewater, oevers en duikers; Schouw: Dit is het periodiek controleren van de domeinen waarbij gekeken wordt of het areaal voldoet aan de gekozen beeldkwaliteit.
De directe beheersactiviteiten watersystemen omvatten: Het zorgdragen voor de uitvoering van concrete werkzaamheden ten behoeve van het beheer en onderhoud van oppervlaktewater, zoals benoemd in dit beheer- en onderhoudsplan. Onderhoud omvat het klein-dagelijks onderhoud en het groot onderhoud van het oppervlaktewater, de beschermde en natuurvriendelijke oevers en de duikers. Met het woord beheer als onderdeel van het beheer en onderhoud, wordt bedoeld het feitelijk beheersmatig handelen, zoals het organiseren van onderhoudswerkzaamheden, opstellen van planningen en het verkrijgen van geld voor onderhoud. Het directe en indirecte beheer richt zich op veiligheid, kwantiteit en kwaliteit voor zowel de hydrologische als ecologische aspecten van het watersysteem. Bij integraal waterbeheer wordt rekening gehouden met de functies (bebouwing, natuur, recreatie) in een gebied. Zowel het directe als het indirecte beheer zal op integrale wijze plaatsvinden. Integraal waterbeheer kenmerkt zich door de samenhang met de omgeving. Onderhoud Bij de uitvoering van planmatig onderhoud hoort een gestructureerde aanpak. Hierbij maken we onderscheid in klein/dagelijks onderhoud, groot onderhoud en vervangingen. Klein/dagelijks en groot onderhoud staat in de exploitatiebegroting voor regulier beheer. Vervangingen vormen over het algemeen een investering en worden gezien als kwaliteitsimpuls.
Kenmerkend voor klein/dagelijks en groot onderhoud is: • •
dat de geprognosticeerde levensduur van een object wordt gehaald; dat wordt voldaan aan het gekozen kwaliteitsniveau;
• •
dat vervanging kan worden uitgesteld; dat dit gericht is op dagelijkse exploitatie.
Onderhoud bestaat uit dagelijks- en grootonderhoud. Dagelijks onderhoud omvat onder andere de (meer)jaarlijkse maaiwerkzaamheden. Er is ook dagelijks verzorgend onderhoud zoals storingsonderhoud en het verwijderen van zwerf-en drijfvuil. Met groot onderhoud worden activiteiten als baggerwerkzaamheden en het herstellen van natuurvriendelijke oevers bedoeld. Vervangen betreft het nieuw plaatsen of modificeren van een voorziening bij het bereiken van het einde van Figuur 8: Kwaliteitsverloop en de invloed van vast en variabel onderhoud. de technische levensduur. Hiermee wordt voorkomen dat de kwaliteit van voorzieningen onder het interventieniveau daalt. Het proces is weergegeven in bijgaande figuur. Opgemerkt wordt dat de term vast onderhoud staat voor klein/dagelijks en groot onderhoud, variabel onderhoud betekent in deze vervanging. Interventieniveau Een interventieniveau of ingrijpmoment is de grens tussen acceptabel en onacceptabel risico met betrekking tot het functieverlies. De grens waarbij het object niet langer aan de functie-eisen kan voldoen. Het vastleggen van interventieniveaus maakt het mogelijk om aan de hand van inspectiegegevens objectief te beoordelen of variabel onderhoud wel of niet nodig is. Met regelmatig meten, inspecteren, wordt het mogelijk een goede voorspelling te doen wanneer onderhoud nodig is omdat het interventieniveau binnenkort wordt bereikt.
Het vervangen van objecten wordt ingepland als met redelijke zekerheid kan worden aangenomen dat het interventieniveau binnen afzienbare tijd wordt bereikt. Deze afweging hangt af van: • • • •
kan met onderhoud de levensduur nog worden verlengd; zijn de kosten hiervoor nog maatschappelijk verantwoord; voldoet het object nog aan de technische stand van dat moment; vereisen wet en regelgeving vervanging/modificatie.
Input voor deze afweging zijn inspectieresultaten, onderzoeken en/of aanpassing van wet en regelgeving. Nu zijn nog geen interventieniveaus vastgelegd voor de domeinen waarvoor dit beleidsen beheerplan wordt opgesteld. Voorbeelden van interventieniveaus zijn: 1) Onderhoudsmaten uit de legger van het waterschap. Als deze onderhoudsmaat wordt bereikt moet er gebaggerd worden. 2) Conditiescore, uit een inspectie volgens de NEN2767 blijkt dat een onderdeel niet meer voldoet aan het vereiste conditieniveau. Het onderdeel moet worden vervangen. NEN is een neutrale partij die normen beheert en publiceert op uiteenlopende gebieden. De NEN2767 standaard richt zich specifiek op de conditiemeting. Elk element wordt in detail beoordeeld, de intensiteit en de omvang van eventuele gebreken worden in kaart gebracht middels een conditiescore. 3) Beeldkwaliteitsmeetlat, voor een evenwichtige en objectieve beoodeling of een interventieniveau is bereikt kan gebuik worden gemaakt van beeldkwaliteitsmeetlatten. De CROW (Centrum voor Regelgeving en Onderzoek in de Grond- Water- en Wegenbouw en de Verkeerstechniek) heeft al veel van deze meetlatten ontwikkeld.
Dit Nederlandse kennisinstituut helpt bij het opstellen van aanbevelingen en richtlijnen over het algemeen geldt dat als er van de richtlijnen afgeweken is er goed gemotiveerd moet kunnen worden waarom ervoor gekozen is om van de richtlijnen af te wijken. Monitoring Om de voortgang van beleid in te borgen moeten effecten van beheer en onderhoud met enige regelmaat gemonitord worden. Er zijn verschillende monitoringsactiviteiten, allemaal met een ander resultaat, die we in kunnen zetten om na te gaan of de ambities, streefbeelden worden behaald. Toename areaal NVO De wijze waarop de monitoring plaats vindt, de resultaten worden gerapporteerd en geïnterpreteerd moet in de komende planperiode uitgewerkt worden. Middels oeverinspectie kan er aan het eind van de beheerperiode gemonitord worden in welke mate het aantal natuurvriendelijke oevers in het areaal is toegenomen. Toename biodiversiteit Momenteel is de biodiversiteit in oevers onbekend. Door een meer biodivers maaibeheer wordt beoogd de biodiversiteit te laten toenemen. Door een 0-meting kan de huidige biodiversiteit worden vastgelegd. Door bij een volgend beleids- en beheerplan de situatie op dat moment vast te leggen kan eventuele vooruitgang worden gemonitord. Inspectie De functie van inspecties is het beoordelen in welke technische staat een object verkeert.
Aan de hand van de waargenomen degradatie kan beoordeeld worden of een object nog aan de functieeisen voldoet. Inspectie bepaalt waar, wanneer en welk variabel onderhoud moet worden ingepland.
Van onderhoudswerkzaamheden kan de cyclus waarmee onderhoud wordt uitgevoerd worden bijgesteld. Er zijn verschillende soorten inspecties. Dit zijn schouwen, visuele inspecties onderhandbereik zoals volgens de NEN2767-4 en gericht technische inspectie, het zogenaamde nader onderzoek. Schouwen: Dit is een eenvoudige, snelle manier van inspecteren. Het kan twee doelen nastreven, 1) het bepalen welke (variabel) onderhoud exact nodig is voor het herstellen van een eenvoudig object nadat een uitgebreidere inspectie aan het licht gebracht heeft dat het object (op onderdelen) in een slechte staat verkeert, of 2) het periodiek beoordelen of objecten nog aan de functie-eisen voldoet. Deze tweede vorm van schouwen wordt vaak gebruikt tussen twee cycli van visuele inspectie om te bepalen of er wellicht objecten door plotselinge oorzaken direct onderhoud nodig hebben waarvan dat aanvankelijk niet was vastgesteld. Voor technische objecten (oevers en duikers) kan voor het schouwen een eenvoudig formulier met een beperkt aantal controle items met een eenvoudige kwantificatie van de kwaliteit zoals: Goed, matig, slecht worden gebruikt. Voor objecten zoals water en natuurvriendelijke oevers wordt de beeldkwaliteitsmeetlat van de CROW gebruikt. De schouwfrequentie loopt uiteen van 1 tot meerdere keren per jaar en wordt door eigen medewerkers verricht. Vaak is dit na een melding of klacht.
Visuele inspectie: Visuele inspecties worden ingezet voor het bepalen van de technische conditie en de verzorgingsstaat van objecten. Visuele inspecties worden vaak uitgevoerd voor het opstellen van een nieuw beheerplan. De frequentie ligt hierbij op 1 keer per 5 jaar. Er wordt gebruik gemaakt van klein handgereedschap. Watergangen kwantitatief: Watergangen kunnen zowel kwantitatief als kwalitatief worden beoordeeld. Kwantitatief zegt iets over de diepte van de watergang en daarmee iets over het voldoen aan de functie afvoer overtollig water. Visuele kwantitatieve inspectie vindt plaats aan de hand van een zogenaamde diepte schouw (quickscan). Bij een diepte schouw wordt op willekeurige plekken in de watergang een meting verricht waarbij het verschil tussen schouwpeil = waterlijn en de bovenzijde van de baggerlaag wordt gemeten. Met deze meting kan beoordeeld worden of wordt voldaan aan de keur en legger eisen van het waterschap. Het bepaalt de noodzaak en jaar van baggeren. Watergangen kwalitatief: Voor het bepalen van de waterkwaliteit kan de ecologische kwaliteitsbepaling worden toegepast. Dit is een vereenvoudigde inspectie die toegepast wordt bij het bepalen van de waterkwaliteit in waterlichamen volgens de KRW. Per watergang wordt op basis van ecologische parameters (op soortgroep niveau) de waterkwaliteit ingedeeld in 5 klassen. 1 is zeer goed en 5 zeer slecht.
Beschermde oevers:
Voor het inspecteren van beschermde oevers kan gebruik gemaakt worden van de NEN 2767, de inspectienorm voor kunstwerken. Vanwege de vorm van beschermde oevers, relatief eenvoudige constructies, met vaak een grote lengte is het werken met de NEN 2767 vaak moeilijk uit te voeren. Aan een beschoeiing kunnen vaak meerder schadebeelden voorkomen met verschillende intensiteit en omvang. Dit vastleggen met als uitkomst een bruikbare conditiescore is erg tijdrovend en uiteindelijk moeilijk te interpreteren. Een combinatie tussen NEN2767 en beeldkwaliteit verwerkt in een GIS (Geografisch informatiesysteem) levert vaak veel betere en overzichtelijke informatie. Natuurvriendelijk oevers: NVO kunnen heel goed geïnspecteerd worden volgens de Tansley methode, deze methode brengt de soortrijkdom en het soortvoorkomen van de vegetatie in een gebied in kaart. Per aangetroffen soort wordt er aangegeven hoe vaak de soort voorkomt in een gebied. De Tansley methode rekent met een schaalniveau van 1-9 waarmee onderscheid gemaakt wordt tussen zeer zeldzame soorten, dominante soorten en alles ertussenin. De kennis die hieruit voortvloeit helpt bij het bepalen in hoeverre voldaan wordt aan de biodiversiteitsdoelstellingen.
Door frequent te monitoren middels deze methode is te meten hoe de soorten zich in een gebied ontwikkelen en in welke mate daarmee de (ecologische) doelstellingen in een gebied gerealiseerd worden. Om specifiek de vegetatie te monitoren is de Braun- Blanquet schaal een veelgebruikte methode. Bij deze methode wordt de aard van de vegetatie in proefvlak geïnventariseerd. De hoeveelheid, bedekkingsgraad, frequentie, mate van groepering, vitaliteit, fenologische toestand en de mate van vruchtzetting van een vegetatiesoort worden in kaart gebracht. Door te inventariseren in welke mate soorten voortkomen en hoe deze het gebied bedekken in het proefvak verschaft het onderzoek inzicht in de staat van de vegetatie van het areaal. Duikers Duikers worden geïnspecteerd aan de hand van de NEN2767. Dit zegt iets over de technische conditie van de in- en uitstroomzijde van de duikerconstructie. Dat is belangrijk voor de doorstroming van water. Het zegt echter weinig over de rest van de constructie of vullingsgraad. Gericht technische inspectie/nader onderzoek: Deze vorm van inspecteren volgt op een van de hierboven beschreven inspectievormen. Als uit de schouw of een visuele inspectie blijkt dat de technische staat van een object zorgelijk is en dat er een redelijke kans is op functieverlies, of een risico voor de veiligheid, dan wordt een gericht technisch onderzoek gedaan.
Watergangen kwantitatief: Als uit de diepte schouw blijkt dat watergangen gebaggerd moeten worden wordt voorafgaande aan de werkvoorbereiding vaak een inpeiling verricht. Hierbij worden om de 50 meter profielen ingemeten die een gedetailleerd inzicht geven in het baggervolume dat uit de watergangen moet worden verwijderd. Na uitvoering van de baggerwerkzaamheden is het aan te raden ook een uitpeiling uit te voeren. Het verschil in het in- en uitpeilprofiel is het werkelijk gebaggerde hoeveelheid baggerspecie. Aan de hand van de uitpeiling kan worden beoordeeld of wordt voldaan
aan de leggereisen van het waterschap. Bovendien vormt de uitpeiling de nieuwe watergangdiepte waarmee het opnieuw baggeren van de watergang kan worden ingepland. Watergangen kwalitatief: Voor het bepalen van de waterkwaliteit kan de ecologische kwaliteitsbepaling worden toegepast. Dit is een vereenvoudigde inspectie die toegepast wordt bij het bepalen van de waterkwaliteit in waterlichamen volgens de KRW. Per watergang wordt op basis van ecologische parameters (soortgroepen) de waterkwaliteit ingedeeld in 5 klassen. 1 is heel goed en 5 heel slecht. Beschermde oevers: Voor technisch complexe en risicovolle oeverbeschermingen zoals kademuren kan het soms voorkomen dat uit de visuele inspectie blijkt dat nader onderzoek gewenst is. Dit is vaak het geval bij verzakking of scheefstand van de constructie. Het kan zijn dat de fundering is bezweken. Wat voor nader onderzoek precies nodig is, is vooraf moeilijk te bepalen en zal per incident uitgezocht moeten worden. Duikers Voor een duiker die na doorspuiten nog steeds slecht doorstroomt of als een duidelijk zakking in de constructie boven de duiker waarneembaar is of een duiker (die al decennia geleden) is aangebracht op een locatie waar een groot risico bij technisch falen van de duiker aanwezig is geldt dat nadere inspectie inzicht in de technische conditie kan geven.
Nader onderzoek bestaat vaak uit een controle met een robotcamera. Dit zijn vaak kostbare inspecties.
Bijlage 7: Databeheer objecten Voor de diverse onderdelen geldt dat data in een eigen omgeving wordt opgeslagen en gedeeld. Hieronder wordt de werkwijze per type beheerobject weergegeven. Watergangen Gegevens van watergangen worden opgeslagen in GBI. In dit beheerpakket worden de eigenschappen van het oppervlaktewater opgeslagen in paspoorten en wordt vastgelegd op welke wijze deze tot het gemeentelijk onderhoudsareaal worden gerekend. Oevers Van de oevers worden de eigenschappen vastgelegd in GBI. Hierin wordt vastgelegd wat het type oever is, vanuit de inspectie vastgesteld, en welk beheertype bij de oever behoort. Baggeren Dieptegegevens van watergangen worden in de voorbereiding van baggerrondes en als controle na het baggeren verzameld. Deze gegevens worden vastgelegd in het WIT-systeem van leverancier Tijhuis Ingenieurs. In dit systeem wordt nu nog passief de slibdikte vastgelegd met de mogelijkheid hier actiever informatie aan toe te voegen of aan te onttrekken. Duikers Gegevens van duikers worden vastgelegd in Kikker, een beheerpakket waarin ook rioolgegevens vastgelegd worden. Deels worden duikers gebruikt voor de afvoer van hemelwater waardoor het logischerwijze voor de hand ligt gegevens over hemelwaterriolen en duikers op één locatie te registeren. De fysieke aanwezigheid van duikers is vastgesteld. Na inspectie worden meta eigenschappen ook in kikker vastgelegd.
Bijlage 8: Overzicht faalfactoren In deze bijlage wordt een overzicht gegeven van de faalfactoren in het watersysteem die het functioneren beïnvloeden. Faalfactoren Er zijn 4 functies beschreven, stadswater en water voor beleving, natuur en recreatie. Elke functie heeft meerdere doelstellingen. Hieronder zijn per doelstelling de faalfactoren uitgewerkt.
De doelstelling watertransport wordt beïnvloed door:
Sedimentatie o Afname van capaciteit door baggervorming o Afkalving oevers o Riolering (overstorten) Drijf en zwerfvuil o Consumptieafval (plastictassen, karton en papier, etc.) Objectvreemde obstakels o Organische en anorganische objecten (winkelwagentjes, afgerukte takken, etc.) Ecologisch falen o Belemmering door woekerbegroeiing Technisch falen o Falen duikers o Uitvallen gemaal, stuw of duiker
De doelstelling waterberging wordt beïnvloed door:
Aanwas van plasbermen Daling maaiveld Demping door derden Niet functioneren van duikers
De doelstelling ecologie wordt beïnvloed door:
Nutriëntrijk inlaatwater van buitenaf Uitlogen van nutriënten uit bodem Hondenpoep Ongunstige ligging
De doelstelling beleving wordt beïnvloed door:
Zwerf- en drijfvuil Objectvreemde obstakels
Ontbreken van zicht Monocultuur Veel drijflagen met weinig zichtbaar wateroppervlak
De doelstelling recreatie wordt beïnvloed door:
Zwerfvuil Ontbreken van zicht Drijflagen Woekerplanten Vandalisme aan voorzieningen
Bijlage 9: Overzicht prognose voorziening ‘Beheer Watergangen’
Prognose verloop voorziening 'Beheer en onderhoud Watergangen' in de 0-variant 1-jan € Toevoeging € Kosten € 31-12 €
2021 293.485 € 274.403 € 245.273 € 322.615 €
Kosten baggeren: Jaar Omschrijving 2022 Geen projecten 2023 Baggeren gebieden 25.1/24.1 2024 Gebied 28.2 2025 Gebied 25.1 2026 Gebied 29.1/kernen 2027 Gebied 30.2 2028 Gebied 24.1/25.1 2029 Linge, Gebied 30.1 2030 Gebied 39.3 en 27.1, 29.3 2031 Gebied 29.1 en 30.2, 29.3
Kosten Onderzoek en beleid Jaar Omschrijving 2022 Implementatie 2023 Jaarplan 2024 Jaarplan 2025 Jaarplan 2026 2027 Jaarplan 2028 Jaarplan 2029 Jaarplan 2030 Jaarplan 2031 Jaarplan
2022 322.615 € 319.258 € 185.000 € 456.873 €
2023 456.873 € 727.258 € 585.750 € 598.381 €
2024 598.381 € 319.258 € 484.845 € 432.794 €
2025 432.794 € 319.258 € 361.350 € 390.702 €
€ €
351.750 250.845
Kosten oevers Jaar Omschrijving 2022 Groot onderhoud C-kwaliteit 2023 Achterstallig onderhoud 2024 Achterstallig onderhoud
€ € € € € € €
301.350 496.202 346.500 332.850 330.750 307.650 327.319
2025 Groot onderhoud C-kwaliteit 2026 Groot onderhoud C-kwaliteit 2027 Groot onderhoud C-kwaliteit 2028 Groot onderhoud C-kwaliteit 2029 Groot onderhoud 2030 Groot onderhoud 2031 Groot onderhoud
€ € € €
Kosten 100.000 5.000 5.000 5.000
€ € € €
5.000 5.000 5.000 5.000
Kosten
2026 390.702 € 319.258 € 551.202 € 158.758 €
2027 158.758 € 319.258 € 406.500 € 71.516 €
Kosten € 60.000 € 204.000 € 204.000 € € € € € € €
30.000 30.000 30.000 30.000 30.000 30.000 30.000
2028 71.516 € 319.258 € 392.850 € -2.076 €
2029 -2.076 € 319.258 € 390.750 € -73.568 €
2030 -73.568 € 319.258 € 367.650 € -121.960 €
Kosten duikers Jaar Omschrijving 2022 Groot onderhoud 2023 Groot onderhoud 2024 Groot onderhoud 2025 Groot onderhoud 2026 Groot onderhoud 2027 Groot onderhoud 2028 Groot onderhoud 2029 Groot onderhoud 2030 Groot onderhoud 2031 Groot onderhoud
2031 -121.960 319.258 382.319 -185.020
€ € €
Kosten 25.000 25.000 25.000
€ € € € € € €
25.000 25.000 25.000 25.000 25.000 25.000 25.000
Prognose verloop voorziening 'Beheer en onderhoud Watergangen' in de Plus-variant per 1-1 € Toevoeging € Kosten € per 31-12 €
2021 293.485 € 274.403 € 245.273 € 322.615 €
Kosten baggeren: Jaar Omschrijving 2022 Geen projecten 2023 Baggeren gebieden 25.1/24.1 2024 Gebied 28.2 2025 Gebied 25.1 2026 Gebied 29.1/kernen 2027 Gebied 30.2 2028 Gebied 24.1/25.1 2029 Linge, Gebied 30.1 2030 Gebied 39.3 en 27.1, 29.3 2031 Gebied 29.1 en 30.2, 29.3
2022 322.615 € 319.258 € 210.000 € 431.873 €
2023 431.873 € 835.686 € 600.750 € 666.809 €
Kosten Onderzoek en beleid Jaar Omschrijving 2022 Implementatie 2023 Actualisatie jaarplan en toestandsonderzoek 2024 Actualisatie jaarplan en toestandsonderzoek 2025 Actualisatie jaarplan en toestandsonderzoek 2026 Nieuw beleids- en beheerplan 2027 Actualisatie jaarplan en toestandsonderzoek 2028 Actualisatie jaarplan en toestandsonderzoek 2029 Actualisatie jaarplan en toestandsonderzoek 2030 Actualisatie jaarplan en toestandsonderzoek 2031 Actualisatie jaarplan en toestandsonderzoek
2025 594.650 € 427.686 € 431.350 € 590.986 €
Kosten oevers Jaar Omschrijving 2022 Groot onderhoud C-kwaliteit 2023 Achterstallig onderhoud 2024 Achterstallig onderhoud 2025 Groot onderhoud C-kwaliteit 2026 Groot onderhoud C-kwaliteit 2027 Groot onderhoud C-kwaliteit 2028 Groot onderhoud C-kwaliteit 2029 Groot onderhoud 2030 Groot onderhoud 2031 Groot onderhoud
Kosten € € € € € € € € €
2024 666.809 € 427.686 € 499.845 € 594.650 €
351.750 250.845 301.350 496.202 346.500 332.850 330.750 307.650 327.319
€ € € € € € € € € €
Kosten 100.000 20.000 20.000 20.000 65.000 20.000 20.000 20.000 20.000 75.000
2026 590.986 € 427.686 € 671.202 € 347.470 €
€ € € € € € € € € €
2027 347.470 € 427.686 € 476.500 € 298.656 €
Kosten 85.000 204.000 204.000 85.000 85.000 85.000 85.000 85.000 85.000 85.000
2028 298.656 € 427.686 € 462.850 € 263.492 €
2029 263.492 € 427.686 € 460.750 € 230.428 €
2030 230.428 € 427.686 € 437.650 € 220.464 €
Kosten duikers Jaar Omschrijving 2022 Groot onderhoud 2023 Groot onderhoud 2024 Groot onderhoud 2025 Groot onderhoud 2026 Groot onderhoud 2027 Groot onderhoud 2028 Groot onderhoud 2029 Groot onderhoud 2030 Groot onderhoud 2031 Groot onderhoud
€ € € € € € € € € €
2031 220.464 427.686 512.319 135.832
Kosten 25.000 25.000 25.000 25.000 25.000 25.000 25.000 25.000 25.000 25.000