RV2021-133 Bijlage 20211102_t_NL.IMRO.1960.BEEachterstr1822-VSG2.pdf
Tekst van het document
4.7 Ecologie Bij ruimtelijke ingrepen dient rekening te worden gehouden met de natuurwaarden ter plaatse. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen gebiedsbescherming en soortenbescherming. Ter bescherming van de natuurwaarden is per 1 januari 2017 de Wet natuurbescherming (Wnb) van toepassing. Deze wet vervangt de Natuurbeschermingsweg 1998, de Boswet en de Flora- en faunawet. Doel van de Wet natuurbescherming is drieledig:
• • •
bescherming van de biodiversiteit in Nederland; decentralisatie van verantwoordelijkheden; vereenvoudiging van regels.
Gebiedsbescherming Wat betreft de gebiedsbescherming richt de Wet natuurbescherming zich op de bescherming van Natura 2000-gebieden. Per Natura 2000-gebied zijn (instandhoudings)doelen (voor soorten en vegetatietypen) opgesteld. Iedereen die vermoedt of kan weten dat zijn handelen of nalaten, gelet op de instandhoudingdoelen, nadelige gevolgen voor een Natura 2000-gebied kan hebben, is verplicht deze handelingen achterwege te laten of te beperken. Naast de bescherming vanuit de Wet natuurbescherming is in hat kader van de gebiedsbescherming het Natuurnetwerk Nederland (NNN) van belang. Het NNN vormt een samenhangend netwerk van belangrijke natuurgebieden in Nederland en omvatten bestaande natuurgebieden, nieuwe natuurgebieden en ecologische verbindingszones. Het NNN draagt bij aan het bereiken van de hoofddoelstelling van het Nederlandse natuurbeleid, namelijk: 'Natuur en landschap behouden, versterken en ontwikkelen, als bijdrage aan een leefbaar Nederland en een duurzame samenleving'. Hiertoe zijn de volgende uitgangspunten van belang:
25
• • •
vergroten: het areaal natuur uitbreiden en zorgen voor grotere aaneengesloten gebieden; verbinden: natuurgebieden zoveel mogelijk met elkaar verbinden; verbeteren: de omgeving zo beïnvloeden dat in natuurgebieden een zo hoog mogelijke natuurkwaliteit haalbaar is.
Soortenbescherming De Wet natuurbescherming is gericht op het bereiken of herstellen van een gunstige staat van instandhouding van beschermde soorten. Op basis van de wet zijn activiteiten die schadelijk zijn voor beschermde dier- en plantsoorten verboden. Waar de voormalige Flora- en faunawet echter uitging van drie beschermingsniveaus, verdeelt de Wet natuurbescherming beschermde soorten in twee groepen:
• •
strikt beschermde soorten waaronder soorten uit de Vogel- en Habitatrichtlijn; andere soorten, bijvoorbeeld uit de Rode Lijst.
Ten opzichte van de Flora- en faunawet zijn circa 200 soorten (vooral vaatplanten en vissen) niet langer beschermd en zijn enkele bedreigde soorten (met name bepaalde vlinders en vaatplannen) toegevoegd. Daarnaast geldt voor iedereen in Nederland altijd, dus ook los van het voorliggende beoogde ruimtelijke project, dat de zorgplicht nageleefd moet worden bij het verrichten van werkzaamheden. Voor menig soort geldt dat indien deze zorgplicht nagekomen wordt een bepaald beoogd project uitvoerbaar is. Gelders Natuurnetwerk en Groene Ontwikkelingszone De provincie Gelderland draagt middels haar natuur- en landschapsbeleid bij aan het behoud van haar natuurgebieden en de aansluiting op de internationale doelstellingen. Het aaneensluiten van Europese natuurgebieden is hiervan een belangrijk onderdeel. Het Gelderse Natuurnetwerk brengt de natuurgebieden in beeld en geeft daarnaast aan waar ruimte en mogelijkheden zijn voor nieuwe initiatieven. Planspecifiek Er is een oriënterend onderzoek naar beschermde flora en fauna (Blom Ecologie, BE/2018/347/r, 23 juni 2018) uitgevoerd. Uit het onderzoek volgt dat in het plangebied of de directe omgeving daarvan beschermde diersoorten van de Wet natuurbescherming voorkomen. De te slopen bebouwing hebben geen essentiële betekenis voor beschermde soorten.
De planlocatie is mogelijk geschikt leefgebied voor algemene zoogdieren, foeragerende vleermuizen, amfibieën, insecten en broedvogels. De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland. Van externe werking is geen sprake. Gelet op de aard van de werkzaamheden, de afstand tot de gebieden en de beoogde situatie is van externe werking op omliggende Natura2000-gebieden geen sprake. Op de planlocatie zijn geen houtopstanden aanwezig waarvoor bij kap een melding- of vergunningplicht geldt in het kader van de Wet natuurbescherming. Uitvoerbaarheid De sanering van de bedrijfshal en de realisatie van een appartementengebouw leidt niet tot aantasting van beschermde natuurwaarden en/of beschermde gebieden. Tijdens de uitvoering dient rekening te worden gehouden met de (mogelijke) aanwezigheid van foeragerende vleermuizen (tijdens schemerperiode) en algemene broedvogels. Voor deze soorten dienen eventueel maatregelen te worden getroffen om effecten te voorkomen. De aanwezigheid van beschermde soorten (Wet-Nb, overige soorten, art. 3.10) en hun leefgebied vormen geen bezwaar voor de beoogde ontwikkelingen (vrijstellingsbesluit). Stikstofdepositie De planlocatie maakt geen onderdeel uit van een Natura 2000-gebied of het Natuurnetwerk Nederland.
Ten behoeve van de Wet natuurbescherming is voor de ontwikkeling van de 4 appartementen een 'Aeriusberekening' uitgevoerd. Hierbij is voor zowel de gebruiksfase als de bouwfase de stikstofdepositie op de omliggende Natura 2000-gebieden berekend. In beide gevallen geldt dat er voor de omliggende Natura 2000-gebieden geen rekenresultaten hoger dan 0,00 mol/ha/j zijn. Er kan geconcludeerd worden dat de
26
depositie vanwege de beoogde ontwikkeling van de vier appartementen geen significant effect heeft op de daarvoor gevoelige habitattypen. Daarmee is geen vergunning nodig in het kader van de Wet Natuurbescherming. Conclusie De ontwikkeling van een appartementengebouw aan de Achterstraat - Huis te Beestlaan te Beesd is uitvoerbaar zoals bepaald in de Wro (artikel 3.1.6 Bro).
4.8 Externe veiligheid Sommige activiteiten brengen risico's op zware ongevallen met mogelijk grote gevolgen voor de omgeving met zich mee. Externe veiligheid richt zich op het beheersen van deze risico's. Het gaat daarbij om onder meer de productie, opslag, transport en het gebruik van gevaarlijke stoffen. Dergelijke activiteiten kunnen een beperking opleggen aan de omgeving. Door voldoende afstand tot de risicovolle activiteiten aan te houden kan voldaan worden aan de normen. Aan de andere kant is de ruimte schaars en het rijksbeleid erop gericht de schaarse ruimte zo efficiënt mogelijk te benutten. Het ruimtelijk beleid en het externe veiligheidsbeleid moeten dus goed worden afgestemd. De wetgeving rond externe veiligheid richt zich op de volgende risico’s:
• • •
risicovolle (Bevi-inrichtingen; vervoer gevaarlijke stoffen door buisleidingen; vervoer gevaarlijke stoffen over weg, water of spoor.
Daarnaast wordt er in de wetgeving onderscheid gemaakt tussen de begrippen kwetsbaar en beperkt kwetsbaar en plaatsgebonden risico en groepsrisico. Kwetsbaar en beperkt kwetsbaar Kwetsbaar zijn onder meer woningen, onderwijs- en gezondheidsinstellingen, kinderopvang- en dagverblijven en grote kantoorgebouwen (>1.500 m²). Beperkt kwetsbaar zijn onder meer kleine kantoren, winkels, horeca en parkeerterreinen. De volledige lijst wat onder (beperkt) kwetsbaar wordt verstaan is in het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) opgenomen. Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2019 Op 16 juni 2015 heeft de gemeente Geldermalsen de ‘Beleidsvisie externe veiligheid 2015-2019’ vastgesteld. Deze visie maakt onderdeel uit van de duurzame ontwikkeling van Geldermalsen. Het betreft een actualisatie van de op 30 mei 2008 vastgestelde ‘Externe veiligheidsvisie Gemeente Geldermalsen'. Het vertrekpunt van de visie is het huidige risicoprofiel externe veiligheid van Geldermalsen met zijn specifieke kenmerken. Op grond van de regelgeving moet bij ruimtelijke plannen worden getoetst aan risiconormen (op korte afstand van de risicobronnen) en moet binnen een groot invloedsgebied worden afgewogen in hoeverre ruimtelijke ontwikkelingen aanvaardbaar zijn.
Met ambities voor nieuwe situaties geeft de gemeente concreet richting aan een aanvaardbaar veilige invulling van haar ruimtelijke ontwikkelingen in de buurt van risicobronnen. Verder wordt duidelijk gemaakt waar de nieuwvestiging of uitbreiding van risicobedrijven wel of niet wordt toegestaan. Ook zijn in de visie ambities opgenomen over de organisatie van de uitvoering van de wettelijke regels.
27
Planspecifiek Voor de beoordeling of in de omgeving van het plangebied risicovolle inrichtingen en/of transportroutes gevaarlijke stoffen aanwezig zijn is de risicokaart geraadpleegd. De navolgende afbeelding toont een uitsnede van deze kaart.
Uitsnede risicokaart (plangebied is zwart omkaderd)
Er liggen geen risicovolle inrichtingen of transportroutes voor gevaarlijke stoffen in de directe nabijheid van het plangebied die een belemmering kunnen vormen voor de ontwikkeling. De A2, een transportroute voor gevaarlijke stoffen, en een defensieleiding zijn op minimaal 540 m afstand gelegen. Een nadere toetsing aan de wettelijke regels en de gemeentelijke beleidsvisie is daarmee niet relevant.
4.9 Luchtkwaliteit In de Wet Milieubeheer gaat paragraaf 5.2 over luchtkwaliteit en staat ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Deze wet maakt onderscheid tussen 'kleine' en 'grote' projecten. Kleine projecten dragen 'niet in betekenende mate' (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Een paar honderd grote projecten dragen juist wel 'in betekenende mate' bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Het gaat hierbij vooral om bedrijventerreinen en infrastructuur (wegen). Wat het begrip 'in betekenende mate' precies inhoudt, staat in een de algemene maatregel van bestuur ‘Niet in betekenende mate bijdragen’ (Besluit NIBM). Op hoofdlijnen komt het erop neer dat 'grote' projecten die jaarlijks meer dan 3 % bijdragen aan de jaargemiddelde norm voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2) (1,2 µg/m³) een 'betekenend' negatief effect hebben op de luchtkwaliteit. 'Kleine' projecten die minder dan 3 % bijdragen, kunnen doorgaan zonder toetsing. Dat betekent bijvoorbeeld dat lokale overheden een woonwijk van minder dan 1.500 woningen niet hoeven te toetsen aan de normen voor luchtkwaliteit. Deze kwantitatieve vertaling naar verschillende functies is neergelegd in de 'Regeling niet in betekenende mate bijdragen'.
28
Een belangrijk onderdeel voor de verbetering van de luchtkwaliteit is het Nationale Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit (NSL). Binnen dit NSL, dat sinds 1 augustus 2009 in werking is, werken het Rijk, de provincies en gemeenten samen om de Europese eisen voor luchtkwaliteit te realiseren. Vanaf 1 januari 2015 geldt er ook een grenswaarde voor een kleinere fractie van fijn stof namelijk PM 2,5. De grenswaarde voor PM2,5 bedraagt 25 µg/m³. Gezien het grote verschil tussen de grenswaarde en de achtergrondconcentratie zullen overschrijdingen van deze grenswaarde niet vaak voorkomen. Het blijkt dat als de grenswaarde voor PM10 niet wordt overschreden, er geen overschrijding van de grenswaarde voor PM2,5 zal zijn. Het is de verwachting dat door het schoner worden van de autotechniek de concentratie van met name stikstofdioxide in de toekomst nog verder afneemt. Besluit gevoelige bestemmingen Op 16 januari 2009 is het Besluit gevoelige bestemmingen in werking getreden. Het Besluit gevoelige bestemmingen is gebaseerd op artikel 5.16a van de Wet milieubeheer. Met het Besluit wordt de vestiging van zogeheten 'gevoelige bestemmingen' in de nabijheid van provinciale- en rijkswegen beperkt. Dit heeft consequenties voor de ruimtelijke ordening.
Het Besluit is gericht op bescherming van mensen met een verhoogde gevoeligheid voor fijn stof (PM10) en stikstofdioxide (NO2), in het bijzonder kinderen, ouderen en zieken. Indien een project betrekking heeft op een gevoelige bestemming en geheel of gedeeltelijk is gelegen op een afstand van 300 m aan weerszijden van rijkswegen en 50 m langs provinciale wegen (gemeten vanaf de rand van de weg) mag het totaal aantal mensen dat hoort bij een gevoelige bestemming niet toenemen als overschrijding van de grenswaarden voor PM10 of NO2 dreigt/plaatsvindt. De volgende gebouwen met de bijbehorende terreinen zijn aangemerkt als gevoelige bestemming:
• • •
scholen; kinderdagverblijven; verzorgings-, verpleeg- en bejaardentehuizen.
Het gaat niet om bestemmingen in de meest enge zin van het woord, maar om alle vergelijkbare functies, ongeacht de exacte aanduiding ervan in bestemmingsplannen en andere besluiten. In het kader van het opstellen van een bestemmingsplan moeten er twee aspecten in beeld gebracht worden. Ten eerste of de luchtkwaliteit de nieuwe functie toelaat. Ten tweede moet bekeken worden of het plan de luchtkwaliteit ‘niet in betekenende mate’ verslechtert. Indien het plan wel ‘in betekenende mate’ bijdraagt aan verslechtering van de luchtkwaliteit, is het van belang om te toetsen of de grenswaarden niet overschreden worden. Indien geen overschrijding van de grenswaarden plaatsvindt, kan het plan alsnog gerealiseerd worden. Planspecifiek De voorgenomen ontwikkeling betreft de sloop van een bedrijfshal en de realisatie van vier appartementen. Een dergelijke ontwikkeling kan aangemerkt worden als een NIBM-project, omdat het aantal wooneenheden met slechts vier toeneemt. Toetsing van het aspect luchtkwaliteit is daardoor, op grond van artikel 4 van de Regeling NIBM niet noodzakelijk. Het project heeft 'niet in betekenende mate' invloed op de luchtkwaliteit ter plaatse.
Tevens blijkt uit raadpleging van de NSL-monitoringstool (2017) dat de achtergrondconcentraties NO2 en PM10 nabij het plangebied in het jaar 2016 met respectievelijk 21,3 µg/m³ en 18,9 µg/m³ ruimschoots aan de norm van 40 µg/m³ voldoen. Wat betreft de concentratie PM 2,5 wordt met een waarde van 11,7 µg/m³ ook ruimschoots aan de norm van 25 µg/m³ voldaan. Het aspect luchtkwaliteit vormt geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling.
29
4.10 Bedrijven en milieuzonering Het aspect bedrijven en milieuzonering gaat in op de invloed die bedrijven kunnen hebben op hun omgeving. Deze invloed is afhankelijk van de afstand tussen een gevoelige bestemming en de bedrijvigheid. Milieugevoelige bestemmingen zijn gebouwen en terreinen die naar hun aard bestemd zijn voor het verblijf van personen gedurende de dag of nacht of een gedeelte daarvan (bijvoorbeeld woningen). Daarnaast kunnen ook landelijke gebieden en/of andere landschappen belangrijk zijn bij een zonering tot andere, minder gevoelige, functies zoals bedrijven. Bij een ruimtelijke ontwikkeling kan sprake zijn van reeds aanwezige bedrijvigheid en van nieuwe bedrijvigheid. Milieuzonering zorgt er voor dat nieuwe bedrijven een juiste plek in de nabijheid van de gevoelige functie krijgen en dat de (nieuwe) gevoelige functie op een verantwoorde afstand van bedrijven komen te staan. Doel hiervan is het waarborgen van de veiligheid en het garanderen van de continuïteit van de bedrijven als ook een goed klimaat voor de gevoelige functie. Milieuzonering beperkt zich tot milieuaspecten met een ruimtelijke dimensie zoals: geluid, geur, gevaar en stof. De mate waarin de milieuaspecten gelden en waaraan de milieucontour wordt vastgesteld, is voor elk type bedrijvigheid verschillend.
De 'Vereniging van Nederlandse Gemeenten' (VNG) geeft sinds 1986 de publicatie 'Bedrijven en Milieuzonering' uit. In deze publicatie is een lijst opgenomen, met daarin de minimale richtafstanden tussen een gevoelige bestemming en bedrijven. Indien van deze richtafstanden afgeweken wordt dient een nadere motivatie gegeven te worden waarom dat wordt gedaan. Het belang van milieuzonering wordt steeds groter aangezien functiemenging steeds vaker voorkomt. Hierbij is het motto: 'scheiden waar het moet, mengen waar het kan'. Het scheiden van milieubelastende en milieugevoelige bestemmingen dient twee doelen:
•
het reeds in het ruimtelijk spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar bij gevoelige bestemmingen;
•
het bieden van voldoende zekerheid aan de milieubelastende activiteiten (bijvoorbeeld bedrijven) zodat zij de activiteiten duurzaam, en binnen aanvaardbare voorwaarden, kunnen uitoefenen.
Planspecifiek In de VNG-publicatie 'Bedrijven en milieuzonering' (editie 2009) wordt onderscheid gemaakt in nietbindende richtafstanden voor de omgevingstypen 'gemengd gebied' en 'rustige woonwijk en rustig buitengebied'. Een gebied met een matige tot sterke functiemenging is een gemengd gebied. Direct naast woningen komen ook andere functies voor. De Achterstraat is van oorsprong een straat waar aan de voorzijde van de percelen (zijde van de weg) woningen gesitueerd zijn en waar de achterzijde van de percelen voor bedrijfsactiviteiten worden gebruikt. In de nabijheid van het plangebied zijn nog enkele van deze bedrijfsactiviteiten toegestaan. Verder zijn in de omgeving maatschappelijke voorzieningen toegestaan. Derhalve is er sprake van het omgevingstype 'gemengd gebied'. Dit betekent dat de richtafstanden met één afstandsstap kunnen worden verminderd, met uitzondering van het aspect gevaar. In het voorgenomen plan worden gevoelige bestemmingen (woningen) mogelijk gemaakt, terwijl de betreffende gronden in de bestaande planologische reeds voor wonen zijn bestemd. Derhalve neemt de afstand tot milieubelastende activiteiten in de omgeving niet of nauwelijks af. Desalniettemin is aan de hand van het bestemmingsplannen 'Beest 2018' en 'Lingehof Beesd' bepaald welke milieubelastende activiteiten in de omgeving toegestaan zijn. Deze zijn weergegeven in de navolgende tabel. Adres
Activiteit
SBI-2008
Milieucategorie
Richtafstand gemengd gebied (m)
Achterstraat 22 Achterstraat
verhuurbedrijf
772
2
10
Afstand tot woningen in het plangebied (m) 0
groente- en fruitbedrijf
011, 012, 013
2
10
0
30
24 Achterstraat 32a Achterstraat 32a Huis te Beestlaan 39
kantoor
metaalbedrijf niet-woonfuncties, gericht op gebruik van de gronden en/of opstallen ten behoeve van religieuze, educatieve, sportieve, sociale dan wel culturele doeleinden, gezondheidszorg, alsmede voor openbaar bestuur en openbare dienstverlening; - zorginstellingen
63, 69 t/m 71, 73, 74, 77, 78, 80 t/m 82 251, 331 1a
1
0
48
3.1
30
48
- 84 A, 852, 8531, 8532, 854, 855, 8610, 8621, 8622, 8623, 8691, 8692, 9101, 9102, 9491 - 871 1
-2 -2
- 10 - 10
25
Uit de tabel blijkt dat er, met uitzondering van het verhuurbedrijf aan de Achterstraat 22 en het groenteen fruitbedrijf aan de Achterstraat 24, wordt voldaan aan de richtafstanden tot milieubelastende activiteiten in de omgeving. Ten aanzien van het verhuurbedrijf en het groente- en fruitbedrijf geldt dat deze bedrijfsactiviteiten relatief weinig hinder en gevaar met zich mee brengen. Dit wordt bevestigd door het feit dat deze binnen een woonbestemming en daarmee direct aangrenzend aan woningen, niet zijnde bedrijfswoningen, toegestaan zijn. Het is dan ook aannemelijk dat er sprake is van een goed woon- en leefklimaat ter plaatse van de beoogde woningen. Daarnaast worden de bedrijven in de omgeving niet belemmerd door het voorgenomen plan, omdat direct aangrenzend aan de bedrijven reeds woningen zijn toegestaan, waarmee die woningen reeds maatgevend zijn voor de bedrijfsvoering. Het aspect bedrijven en milieuzonering vormt gezien het voorgaande geen belemmering voor de uitvoerbaarheid van de voorgenomen ontwikkeling. Aanvulling naar aanleiding van de tussenuitspraak Raad van State In de tussenuitspraak van 28 juli 2021 heeft de Raad van State geoordeeld dat de bovenstaande onderbouwing onvoldoende is. Het aanvullende akoestisch onderzoek, zoals ingediend door de gemeente West Betuwe, in het kader van het verweer toonde gebreken.
De Raad van State heeft de gemeente West Betuwe opgedragen dit onderzoek te herstellen. Hiertoe zijn door Adviesburo Van der Boom op locatie metingen verricht en is een hernieuwd advies uitgebracht. Op locatie is overleg geweest over eventuele aanpassingen. Daar is door de eigenaar van Achterstraat 22 de suggestie gedaan een overkapping te realiseren en daarmee eventuele overlast te voorkomen. Uit het onderzoek van Van der Boom blijkt dat het oprichten van een overkapping bijdraagt om te kunnen voldoen aan de norm bij nieuwe woningen. Uit het onderzoek blijkt dat voor het laden en lossen een overkapping nodig is om te kunnen voldoen bij de norm voor de nieuwe woningen. Daarnaast zijn voor de piekgeluiden voor beide bedrijven maatwerkvoorschriften nodig om de huidige bedrijfsvoering in relatie tot de bestaande en nieuwe woningen uit te kunnen blijven voeren. In de planregels zijn beide zaken middels een voorwaardelijke verplichting geborgd.
31
4.11 Verkeer en parkeren 4.11.1 Verkeer Voor het maken van een inschatting van de hoeveelheid autoverkeer dat wordt gegenereerd bij ruimtelijke ontwikkelingen, zijn kencijfers verkeersgeneratie ontwikkeld. Onder verkeersgeneratie wordt hierbij verstaan de totale hoeveelheid gemotoriseerd verkeer (exclusief openbaar vervoer) die gedurende een gekozen tijdsperiode naar de beoogde ontwikkeling toe rijdt en hiervan wegrijdt. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' deze kencijfers voor verkeersgeneratie. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen wat de totale verkeersaantrekkende werking bedraagt. Planspecifiek In de oorspronkelijke situatie werd het bedrijfsperceel gebruikt ten behoeve van een bedrijf. In de toekomstige situatie worden er twee seniorenappartementen en twee startersappartementen gerealiseerd. Dit type woningen heeft een relatief beperkte verkeersaantrekkende werking. Ten opzichte van de huidige situatie treedt er naar verwachting geen of een beperkte toename van de verkeersaantrekkende werking op.
De woningen in het plangebied worden ontsloten via de Huis te Beestlaan (noordzijde). 4.11.2 Parkeren Het benodigde of gewenste aantal parkeerplaatsen bij ruimtelijke ontwikkelingen kan worden bepaald op basis van parkeerkencijfers of op basis van parkeernormen. Parkeerkencijfers zijn op de praktijk gebaseerde cijfers van de verwachte parkeerbehoefte. Parkeernormen staan voor het aantal vereiste parkeerplaatsen per type bestemming. Op basis van deze parkeernormen wordt parkeerbeleid veelal vormgegeven. Het nationale kennisplatform voor infrastructuur, verkeer, vervoer en openbare ruimte (CROW) geeft in publicatie 317 'Kencijfers parkeren en verkeersgeneratie' richtlijnen voor parkeernormen. In de richtlijnen wordt onderscheid gemaakt op basis van de functie van de ontwikkeling (wonen, bedrijf, etc.) en op basis van de locatiekenmerken. Zodoende kan bij ruimtelijke ontwikkelingen voor vrijwel elke locatie een goed beeld worden verkregen of voorzien wordt in voldoende (auto)parkeerplaatsen. Voorts voorziet de publicatie in minimale voorwaarden voor parkeervoorzieningen. Planspecifiek In het voorliggende bestemmingsplan worden twee seniorenappartementen en twee startersappartementen in de huursector mogelijk gemaakt.
Voor het bepalen van de parkeerbehoefte wordt uitgegaan van de parkeernorm van 'huur, etage, midden/goedkoop' in de categorieën 'rest bebouwde kom' en 'weinig stedelijk' uit CROW-publicatie 317. De maximum parkeernorm hierbij bedraagt 1,8 parkeerplaatsen per woning. Voor vier appartementen bedraagt de parkeerbehoefte 7,2 parkeerplaatsen. Op eigen terrein is voorzien in 8 parkeerplaatsen (zie toelichting paragraaf 2.2). Daarmee wordt er voldaan aan de parkeerbehoefte.
32
5 Juridische planbeschrijving 5.1 Algemeen Voor het bestemmingsplan is gebruik gemaakt van de in de Wet ruimtelijke ordening opgenomen standaardvorm van de Standaard Vergelijkbare Bestemmingplannen 2012 (SVBP 2012). Dit bestemmingsplan bestaat uit een verbeelding, planregels en een toelichting. De verbeelding en de planregels vormen samen het juridisch bindende gedeelte van het bestemmingsplan. Beide planonderdelen dienen in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast. Op de verbeelding zijn de bestemmingen aangewezen, met daarbij andere bepalingen als gebiedsaanduidingen, bouwaanduidingen, bouwvlakken etc.. Aan deze bestemmingen zijn bouwregels en regels betreffende het gebruik gekoppeld. De toelichting heeft geen rechtskracht, maar vormt niettemin een belangrijk onderdeel van het plan. De toelichting van dit bestemmingsplan geeft de beweegredenen, de onderzoeksresultaten en de beleidsuitgangspunten weer die aan het bestemmingsplan ten grondslag liggen. Ook is de toelichting van wezenlijk belang voor een juiste interpretatie en toepassing van het bestemmingsplan. Tot slot maakt een eventuele bijlage onlosmakelijk onderdeel uit van het bestemmingsplan.
5.2 Planregels De planregels zijn onderverdeeld in vier hoofdstukken: inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels en overgangs- en slotregels. Inleidende regels In dit hoofdstuk worden begrippen verklaard die in de regels worden gebruikt (artikel 1). Dit gebeurt om een eenduidige uitleg en toepassing van de regels te waarborgen. Ook is bepaald de wijze waarop gemeten moet worden bij het toepassen van de regels (artikel 2). Bestemmingsregels In dit tweede hoofdstuk zijn de regels van de bestemmingen opgenomen. Dit gebeurt in alfabetische volgorde. Per bestemming is het toegestane gebruik geregeld en zijn bouwregels en, eventueel, ook bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen. Ook de dubbelbestemmingen zijn in dit hoofdstuk opgenomen. Die komen, ook in alfabetische volgorde, achter de bestemmingsregels. Ieder artikel kent een vaste opzet. Eerst wordt het toegestane gebruik geformuleerd in de bestemmingsomschrijving. Vervolgens zijn bouwregels opgenomen. Aansluitend volgen afwijkingsregels met betrekking tot bouw- en/of gebruiksregels. Ten slotte zijn eventueel bepalingen met betrekking tot het uitvoeren van werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden opgenomen.
Belangrijk om te vermelden is dat naast de bestemmingsregels ook in andere artikelen relevante informatie staat die mede gelezen en geïnterpreteerd moet worden. Alleen zo ontstaat een volledig beeld van hetgeen is geregeld. Algemene regels In dit hoofdstuk zijn regels opgenomen met een algemeen karakter. Ze gelden dus voor het hele plan. Het zijn achtereenvolgens een anti-dubbeltelregel, algemene bouwregels, algemene gebruiksregels, algemene aanduidingsregels en algemene afwijkingsregels.
33
Overgangs- en slotregels In het laatste hoofdstuk is het overgangsrecht en een slotregel opgenomen. Hoewel het hier in wezen ook algemene regels betreft, zijn deze vanwege hun meer bijzondere karakter in een apart hoofdstuk opgenomen.
5.3 Wijze van bestemmen Voorliggend bestemmingsplan bevat de volgende (dubbel)bestemmingen: Wonen De voor 'Wonen' aangewezen gronden zijn bestemd voor woondoeleinden, water, openbare nutsvoorzieningen en bijbehorende voorzieningen. Deze bestemming heeft betrekking op nietcultuurhistorisch waardevolle gebieden, wat de gronden in het plangebied zijn. Verder zijn aan huis gebonden beroepen toegestaan en kunnen met een omgevingsvergunning aan huis gebonden bedrijven worden toegestaan. Gebouwen zijn toegestaan binnen het bouwvlak. De maximum goot- en bouwhoogte zijn op de verbeelding aangeduid. Ter plaatse 'specifieke bouwaanduiding - hoofdgebouw' zijn hoofdgebouwen toegestaan. Ter plaatse van de aanduiding 'specifieke bouwaanduiding - appartementen' zijn maximaal 4 woningen toegestaan. Waarde - Archeologie 2 De archeologische dubbelbestemming dient ter bescherming van mogelijk aanwezige archeologische waarden in de bodem.
34
6 Uitvoerbaarheid 6.1 Economische uitvoerbaarheid Bij de voorbereiding van een bestemmingsplan, een wijzigingsplan als bedoeld in artikel 3.6, eerste lid Wro of naar aanleiding van een omgevingsvergunning waarbij met toepassing van artikel 2.12, eerste lid, onder a, 3°van de Wabo wordt afgeweken van het bestemmingsplan of de beheersverordening, dient, op grond van artikel 3.1.6 lid 1, sub f van het Bro, onderzoek plaats te vinden naar de (economische) uitvoerbaarheid van het plan. In principe dient bij vaststelling van een ruimtelijk besluit tevens een exploitatieplan vastgesteld te worden om verhaal van plankosten zeker te stellen. Op basis van artikel 6.12, lid 2 van de Wro kan de gemeenteraad bij het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan echter besluiten geen exploitatieplan vast te stellen indien:
• • •
het verhaal van kosten van de grondexploitatie over de in het plan of besluit begrepen gronden anderszins verzekerd is; het bepalen van een tijdvak of fasering als bedoeld in artikel 6.13, eerste lid, onder c, 4°, onderscheidenlijk 5°, niet noodzakelijk is; het stellen van eisen, regels, of een uitwerking van regels als bedoeld in artikel 6.13, tweede lid, onderscheidenlijk b, c of d, niet noodzakelijk is.
Planspecifiek Het project wordt op initiatief van het betreffende bedrijf gerealiseerd. De kosten in verband met de realisatie van de ontwikkeling zijn dan ook voor rekening van deze initiatiefnemer. De kosten voor het volgen van de bestemmingsplanprocedure zullen via de gemeentelijke legesverordening/gemeentelijke plankosten en de anterieure exploitatieovereenkomst aan de initiatiefnemer worden doorberekend.
6.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid 6.2.1 Algemeen Bij de voorbereiding van een (voor)ontwerp ruimtelijk plan dient op grond van artikel 3.1.6 lid 1 Wro sub c overleg te worden gevoerd als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro. Op basis van het eerste lid van dit artikel wordt overleg gevoerd met waterschappen en met die diensten van provincie en Rijk die betrokken zijn bij de zorg voor de ruimtelijke ordening of belast zijn met de behartiging van belangen die in het plan in het geding zijn. Voor wat kleinere plannen kan, in overleg, afgezien worden van dit overleg. Een ontwerp bestemmingsplan dient conform afdeling 3.4 Awb gedurende 6 weken ter visie gelegd worden. Hierbij is er de mogelijkheid voor een ieder om zienswijzen in te dienen op het plan. Na vaststelling door de Raad wordt het vaststellingsbesluit bekend gemaakt en ligt het bestemmingsplan na bekendmaking 6 weken ter inzage. Gedurende deze termijn is er de mogelijkheid beroep in te dienen bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Het bestemmingsplan treedt vervolgens de dag na afloop van de tervisielegging in werking als er geen beroep is ingesteld. Is er wel beroep ingesteld, dan treedt het bestemmingsplan ook in werking, tenzij naast het indienen van een beroepschrift ook om een voorlopige voorziening is gevraagd.
De schorsing van de inwerkingtreding eindigt indien de voorlopige voorziening wordt afgewezen. De procedure eindigt met de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
35
In aanloop op de formele procedure is op 5 september 2018 informatieavond door initiatiefnemer gehouden. Op deze avond zijn 7 omwonenden aanwezig geweest. Op de avond is het plan aan de omwonenden gepresenteerd. De plannen zijn in het algemeen goed ontvangen. Wel is aandacht gevraagd voor groen en bomen en de toepassing van geblindeerd glas. In de uitwerking van het bouwplan krijgt dit verder zijn beslag. Voor het bestemmingsplan leidt de inloopavond niet tot aanpassing van het bestemmingsplan. 6.2.2 Vooroverleg Gezien de beperkte schaal van project is het wettelijk vooroverleg als aparte ronde achterwege gelaten. Gelijk aan de ter inzage legging van het ontwerp bestemmingsplan worden de vaste overleg partners in kennis van het plan gesteld. 6.2.3 Zienswijzen Vanaf donderdag 1 augustus 2019 tot en met woensdag 11 september 2019 heeft het ontwerp bestemmingsplan ‘Achterstraat 18-22 Beesd’ ter inzage gelegen. Tijdens de terinzagelegging is een ieder in de gelegenheid gesteld om zijn of haar zienswijze omtrent het ontwerp bestemmingsplan aan de raad kenbaar te maken. Hiervan hebben meerdere belanghebbenden gebruik gemaakt. Deze zienswijzen zijn samengevat en voorzien van een inhoudelijke beantwoording in de Nota van zienswijzen. Deze nota is als bijlage aan het bestemmingsplan toegevoegd.
6.2.4 Beroep en tussenuitspraak Raad van State Tegen het vastgestelde bestemmingsplan is door drie partijen beroep ingesteld. Over deze beroepen heeft de Raad van State een tussen oordeel gegeven. Als gevolg van deze tussenuitspraak, zoals ook beschreven in paragraaf 1.1., is in het kader van het herstelbesluit het bestemmingsplan gewijzigd vastgesteld. De wijzigingen zien op:
• •
aanpassen van de verbeelding door het verkleinen van het bouwvlak, het opnemen van de aanduiding bijgebouwen; bijstelling van de planregels waarbij twee voorwaardelijke verplichtingen zijn opgenomen ten aanzien van privacy en geluid. Hierbij is bepaald dat balkons uitsluitend aan de noordzijde van het gebouw zijn toegestaan, raampartijen aan de westzijde voorzien moeten worden van melkglas. Aanvullend is bepaald dat het gebruik t.b.v. wonen niet eerder kan dan dat maatwerkvoorschriften zijn genomen en op het perceel Achterstraat 22 voorzien wordt in een overkapping t.b.v. het laden en lossen. Mocht onverhoopt de overkapping niet gerealiseerd worden is het mogelijk voor het college toestemming te geven voor een afscheiding tot 5 meter hoog waarmee eenzelfde geluidwering mee kan worden bereikt.
36