RV2021-132 Bijlage 6 Eindadvies MER.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan Buitengebied Geldermalsen Toetsingsadvies over het milieueffectrapport en de aanvulling daarop 3 december 2019 / projectnummer: 3367
Advies over het aangevulde MER in het kort De gemeente West Betuwe wil agrariërs in het buitengebied van (de voormalige gemeente) Geldermalsen de mogelijkheid bieden uit te breiden. Hiervoor wordt het bestemmingsplan buitengebied gewijzigd. Voor het besluit hierover is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De Commissie signaleerde in een eerder advies1 over dit project dat in het MER informatie ontbrak om te kunnen beoordelen in welke mate agrarische bedrijven daadwerkelijk kunnen uitbreiden2 zonder aantasting van natuurwaarden en over de geurhinder voor de omgeving. Zij adviseerde deze informatie aan te vullen voorafgaand aan de besluitvorming. De gemeente West Betuwe heeft de Commissie gevraagd te adviseren over het MER en de aanvulling. De aanvulling is opgenomen in een nieuwe integrale versie van het MER.
Wat blijkt uit het aangevulde MER? Het aangevulde MER laat net als het oorspronkelijke MER zien dat uitbreiding van agrarische bouwpercelen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor natuur, geurhinder en landschap. Door extra voorwaarden te stellen aan de uitbreiding kunnen deze effecten worden voorkomen of verzacht. Op basis van het eerdere advies van de Commissie zijn in het aangevulde MER enkele uitgangspunten nader onderbouwd en is meer aandacht besteed aan cumulatieve effecten op het landschap. De geurcontouren zijn aangepast naar de vergunde situatie.
Wat is het advies van de Commissie? Het MER is logisch en goed gestructureerd opgezet en voorzien van goed kaartmateriaal. Het MER bevat veel informatie over de milieueffecten van het plan. De Commissie constateert echter dat in het aangevulde MER nog altijd informatie ontbreekt, die essentieel is om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming over het bestemmingsplan. Het aangevulde MER maakt nog niet duidelijk of alle fysieke ontwikkelruimte die het plan biedt daadwerkelijk kan worden benut, zonder dat dit leidt tot aantasting van Natura 2000-gebieden door toename van stikstofdepositie. Bovendien zijn onjuiste en onvolledige uitgangspunten, waarop de Commissie in haar eerdere toetsingsadvies heeft gewezen, niet allemaal op een juiste manier in het aangevulde MER verwerkt. Daardoor zijn stikstofemissies mogelijk onderschat. De Commissie adviseert deze informatie in een nieuwe aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan. In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar oordeel toe. Verder wijst de Commissie op het volgende: als gevolg van de uitspraken van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State rond het Programma Aanpak Stikstof (PAS) zijn het beleid en de regelgeving omtrent stikstof sterk in ontwikkeling, zowel landelijk als provinciaal.
Bij de besluitvorming over het bestemmingsplan moet worden uitgegaan van het op dat moment geldende beleid en regelgeving.
1
Zie het voorlopig toetsingsadvies over het milieueffectrapport, uitgebracht op 26 maart 2018.
2
Dat wil zeggen: in hoeverre de nog latent aanwezige uitbreidingsruimte binnen het huidige bouwvlak en de potentiële ruimte voor verdere uitbreiding die het bestemmingsplan biedt voor agrarische bedrijven daadwerkelijk benut kan worden.
-1-
Figuur 1: Agrarische bouwvlakken in het buitengebied van Geldermalsen (bron: MER)
Achtergrond Het MER is opgesteld ter onderbouwing van het besluit over het ‘Bestemmingsplan buitengebied Geldermalsen 2018’. Het bestemmingsplan biedt het kader voor toekomstige activiteiten in het gebied, waaronder uitbreiding van bestaande veehouderijen. Het college van B&W en de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe zijn respectievelijk initiatiefnemer en bevoegd gezag. Waarom een advies? De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe - besluit over het ‘Bestemmingsplan buitengebied Geldermalsen’.
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeente West Betuwe.
-2-
Effecten op natuur door stikstofdepositie In het oorspronkelijke MER ontbrak volgens de Commissie de volgende informatie om te kunnen beoordelen in welke mate de in het bestemmingsplan geboden planologische ruimte voor uitbreiding van agrarische bedrijven ook daadwerkelijk gebruikt kan worden zonder een toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden3: 1.
de gehanteerde ‘emissiefactor optimaal’ is in een aantal gevallen correct, maar soms te hoog (voor melkgeiten) of juist te laag (voor legpluimvee);
2.
voor de ruimte die één dier gemiddeld op het bouwblok inneemt (dus inclusief alle overige gebruikelijke voorzieningen) is uitgegaan van 0,5 m 2/dier. Deze waarde geldt echter alleen voor biggen. Vleesvarkens en zeugen hebben meer ruimte nodig;
3.
de berekening gaat ervan uit dat voor uitbreiding altijd extra bouwblokruimte nodig is, zonder na te gaan of het huidige bouwblok ruimte biedt om uitbreiding te realiseren.
Omdat in veel van de genoemde Natura 2000-gebieden natuurwaarden voorkomen die gevoelig zijn voor stikstof, kan een toename van stikstofdepositie leiden tot aantasting van deze natuurgebieden. Daardoor kon niet worden vastgesteld of de maximale ontwikkelruimte die het plan biedt daadwerkelijk benut kan worden.
Maximale mogelijkheden en uitvoerbaarheid van het plan Uit het aangevulde MER zelf is niet de informatie te halen die inzichtelijk maakt in hoeverre bedrijven gebruik kunnen maken van de geboden planologische ruimte zonder toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden. Bij het aangevulde MER is een vertrouwelijke bijlage 7 opgenomen.4 Doel van deze bijlage is (volgens het MER): ‘om te toetsen of het mogelijk is dat grondgebonden en niet-grondgebonden veehouderijen uitbreiden, zonder dat de ammoniakuitstoot toeneemt‘. De Commissie constateert, dat uit de tabel in deze bijlage niet is op te maken in hoeverre deze eventuele uitbreiding ook past binnen de planologisch beschikbare ruimte. Daarmee biedt het MER niet de bouwstenen voor een uitvoerbaar alternatief. Met andere woorden, ook het aangevulde MER maakt niet duidelijk of alle ontwikkelruimte die het plan biedt daadwerkelijk kan worden benut, zonder dat dit leidt tot aantasting van Natura 2000gebieden door toename van stikstofdepositie.
3
Binnen de gemeentegrens van de voormalige gemeente Geldermalsen ligt een deel van het Natura 2000-gebied Lingegebied & Diefdijk-Zuid. Binnen een straal van 10 km rond het plangebied liggen verder de Natura 2000-gebieden Rijntakken, Loevestein, Pompveld en Kornsche Boezem en Zouweboezem.
4
In bijlage 7 bij het MER is een tabel opgenomen met geanonimiseerde gegevens en totale aantallen dieren per diercategorie. Naar aanleiding van het eerdere advies van de Commissie is het MER aangevuld met een separate bijlage 7, waarin de gegevens per bedrijf zijn opgenomen. Deze separate bijlage is niet openbaar toegankelijk.
-3-
Uitgangspunten voor de emissieberekeningen Los van bovenstaande constateringen is de in de tabel gepresenteerde informatie lastig te begrijpen.5 Bovendien zijn onjuiste en onvolledige uitgangspunten, waarop de Commissie in haar eerdere toetsingsadvies heeft gewezen, niet allemaal op een juiste manier in het aangevulde MER verwerkt. Tenslotte is de informatie in bijlage 7 niet openbaar toegankelijk en dus niet voor een ieder verifieerbaar. Hieronder gaat de Commissie nader in op de geconstateerde onjuistheden bij de uitgangspunten onder de berekeningen, en op de wijze waarop deze in het aangevulde MER zijn behandeld.
Ad. 1 De in het eerdere advies genoemde voorbeelden van onjuiste uitgangspunten zijn in het aangevulde MER op een juiste manier verwerkt. Er is echter niet naar de emissiefactoren voor alle diercategorieën gekeken. Bijvoorbeeld: •
Voor verschillende categorieën varkens is 0,07 kg NH3/dierplaats per jaar aangehouden bij “optimaal” terwijl dit uiteenloopt van 0,03 kg voor gespeende biggen tot 0,42 kg voor kraamzeugen.
•
Voor melkkoeien is uitgegaan van 5,1 kg NH3/dierplaats per jaar. Deze emissiefactor geldt voor melkveestallen voorzien van mechanische ventilatie en luchtwassers die al geruime tijd niet meer vergund mogen worden.
Ad. 2 De gehanteerde oppervlaktes voor verschillende categorieën varkens zijn in het aangevulde MER aangepast, waarbij is uitgegaan van het ‘informatiedocument leefoppervlaktes’. De Commissie constateert echter dat de gehanteerde kentallen niet altijd correct zijn overgenomen en, met uitzondering van melkvee, een doorvertaling naar benodigd bouwblokoppervlak per dier ontbreekt. Hierdoor bevat de inschatting van het maximaal aantal te houden dieren onnodige fouten.
Ad. 3 In het aangevulde MER is toegelicht dat in de berekeningen ook rekening is gehouden met de uitbreidingsruimte binnen de huidige bouwvlakken. Daarmee vervalt deze tekortkoming.
5
De Commissie constateert daarnaast dat de bijlage enkele onduidelijkheden en onjuistheden bevat. Voorbeelden: •
Voor melkkoeien (A1.100) wordt voor de referentiesituatie soms de factor 12 kg, soms 13 kg gehanteerd. 13 kg is de correcte factor voor bestaande stallen.
•
Voor melkvee wordt een “all-in” oppervlak per melkkoe van 70 m2 gehanteerd. Dat is de leefruimte voor de koe inclusief vrouwelijk jongvee, met de hierbij behorende verzorgingsruimten, voer- en mestopslagen, infrastructuur en werktuigenberging. Het is onduidelijk waarom in bijlage 7 voor het vrouwelijk jongvee (A3.100) alsnog aanvullende stalruimte wordt opgevoerd.
•
Voor bijvoorbeeld vleesstieren, varkens en melkgeiten wordt enkel de leefruimte per dier bij “m2 per dier” gehanteerd in plaats van een reëel “all-in oppervlak”.
•
Het is niet navolgbaar wat de kolommen “Uitbreidingsruimte per adres op basis van optimale invulling NH3”, “Oppervlakte bouwvlak”, “Uitbreidingsruimte bouwvlak” en “Beperking bestemmingsplan” in bijlage 7 inhouden en hoe deze tot stand zijn gekomen.
-4-
De Commissie adviseert om in een aanvulling op het MER: •
de uitgangspunten (emissiefactoren en oppervlaktes) voor de berekeningen te corrigeren;
•
de uitgangspunten en berekeningen zodanig te presenteren dat deze voor een ieder toegankelijk en begrijpelijk zijn;
•
inzichtelijk te maken hoeveel bedrijven de geboden planologische ontwikkelruimte kunnen benutten zonder dat toename van de stikstofemissie plaats vindt;
•
op basis hiervan te onderbouwen in welke mate uitbreiding van agrarische bedrijven mogelijk is zonder toename van stikstofdepositie in Natura 2000-gebieden.6
Geurhinder Het oorspronkelijke MER stelde dat geuremissies door het plan slechts in geringe mate kunnen toenemen, omdat niet-grondgebonden veehouderijen nauwelijks kunnen uitbreiden. De Commissie constateerde dat dit onvoldoende onderbouwd was, omdat een toename van het aantal dieren wel mogelijk is7 en omdat bij de bepaling van de emissie geen rekening is gehouden met ‘vergunde ruimte’. In het aangevulde MER zijn de geurberekeningen aangepast aan ‘niet CBS-gecorrigeerde vergunningsgegevens’, waardoor reeds vergunde ruimte ook is mee genomen in de effectbeoordeling. Dit leidt tot een enigszins aangepaste effectbeoordeling voor de voorbeelduitwerking van een ‘modelbedrijf’ in het alternatief 1 (alternatief nietgrondgebonden veehouderij 2 ha). De Commissie wijst er op dat in de geurberekening nog niet met alle mogelijke situaties rekening is gehouden. Zo is bijvoorbeeld niet gekeken naar de invulling van grondgebonden veehouderijen met schapen. Het aangevulde MER bevat hiermee voldoende informatie voor de besluitvorming over geur. Bovenstaande constateringen leiden niet tot andere conclusies ten aanzien van geurhinder van het plan.
6
Hiervoor is het noodzakelijk om per bedrijf aan te geven in hoeverre ‘stikstofneutraal’ kan worden uitgebreid en welke oppervlakte hiervoor nodig is.
7
Uitbreiding van het aantal dieren is mogelijk onder de voorwaarde dat emissiearme stalsystemen worden toegepast die leiden tot vermindering van de ammoniak uitstoot. Deze systemen leiden echter niet per definitie tot een vermindering van de geuruitstoot.
-5-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en over haar werkwijze vindt u op onze website. Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Jan Bakker ir. Sjoerd Bokma drs. Pieter Jongejans (secretaris) mr. Tom Smit (voorzitter) drs. Rik Zegers Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan buitengebied Geldermalsen Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld? Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat.
Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de wijziging of uitbreiding van een veehouderij (activiteit C14 en D14), glastuinbouwgebied (activiteit D9) en recreatieterrein (activiteit D10), als ook de uitbreiding of wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject (activiteit D11.2). Bevoegd gezag besluit Gemeenteraad van de gemeente West Betuwe Initiatiefnemer besluit College van B&W van de gemeente West Betuwe Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft geen zienswijzen op het aangevulde MER van het bevoegd gezag ontvangen. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3367 in te vullen in het zoekvak.