RV2021-132 Bijlage 5 Voorlopig advies MER.pdf
Tekst van het document
Bestemmingsplan buitengebied 2018 Geldermalsen Voorlopige toetsingsadvies over het milieueffectrapport 26 maart 2018 / projectnummer: 3367
Advies over het MER De gemeente West Betuwe wil in het buitengebied van Geldermalsen agrariërs de mogelijkheid bieden hun bouw- en gebruiksmogelijkheden uit te breiden. Hiervoor wordt het bestemmingsplan gewijzigd, en voor het besluit hierover is een milieueffectrapport (MER) opgesteld. De gemeente heeft de Commissie1 gevraagd te adviseren over het MER. In dit advies spreekt de Commissie voor de milieueffectrapportage (hierna ‘de Commissie’) zich uit over de juistheid en de volledigheid van het MER.
Wat blijkt uit het MER?
G
Het MER laat zien dat uitbreiding van agrarische bouwpercelen aanzienlijke gevolgen kan hebben voor natuur, geurhinder en landschap. Door extra voorwaarden te stellen aan de uitbreiding kunnen deze effecten worden voorkomen of verzacht. Zo wordt geurhinder
beperkt door een maximum te stellen aan de geurbelasting in gebieden binnen en buiten de
RL O PI
dorpen, en een bepaalde minimum afstand aan te houden tussen veehouderijen en
woningen. Ook hebben landschappelijke kwaliteiten in het bestemmingsplan een duidelijke plaats gekregen bij de bestemmingsomschrijving, zodat de toelaatbaarheid van nieuwe gebouwen of activiteiten hieraan kan worden getoetst.
Wat is advies van de Commissie?
Het MER is logisch en goed gestructureerd opgezet en voorzien van goed kaartmateriaal. Veel informatie is beschikbaar gekomen over de milieueffecten van het plan. De Commissie signaleert bij de toetsing van het MER echter een aantal tekortkomingen. Zij acht deze informatie essentieel voor het volwaardig meewegen van het milieubelang bij de
besluitvorming over bestemmingsplan door de gemeenteraad. Het MER bevat nog
onvoldoende informatie om te kunnen beoordelen in welke mate de nog latent aanwezige
O
uitbreidingsruimte binnen het huidige bouwvlak en de potentiële ruimte voor verdere uitbreiding die het bestemmingsplan biedt voor agrarische bedrijven ook daadwerkelijk benut kan worden. Deze informatie is voor zowel de betreffende bedrijven als voor hun omgeving van belang. Ook ontbreekt informatie over de geuremissie en -hinder die kan optreden
VO
samenhangend met de maximale mogelijkheden voor uitbreiding die het bestemmingsplan biedt. De Commissie adviseert bovenstaande informatie in een aanvulling op het MER op te nemen, en dan pas een besluit te nemen over het bestemmingsplan buitengebied Geldermalsen.
In hoofdstuk 2 licht de Commissie haar beoordeling toe en geeft ze aandachtspunten voor het vervolgtraject. Achtergrond Het MER is opgesteld ter onderbouwing van het besluit over het ‘Bestemmingsplan buitengebied Geldermalsen 2018’. Het bestemmingsplan biedt het kader voor toekomstige activiteiten in het gebied, waaronder uitbreiding van bestaande veehouderijen. Het College van B&W en de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe is initiatiefnemer, respectievelijk bevoegd gezag.
1
De samenstelling en werkwijze van de werkgroep van de Commissie m.e.r. en verdere projectgegevens staan in bijlage 1 van dit advies. U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt door nummer 3367 op www.commissiemer.nl in te vullen in het zoekvak.
-1-
Waarom een advies? De onafhankelijke Commissie m.e.r. is bij wet ingesteld en adviseert over de inhoud en de kwaliteit van het MER. Zij stelt voor ieder project een werkgroep samen van onafhankelijke deskundigen. De Commissie schrijft geen milieueffectrapporten, dat doet de initiatiefnemer. Het bevoegd gezag – in dit geval de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe - besluit over het ‘Bestemmingsplan buitengebied
RL O PI
G
Geldermalsen 2018’.
O
Figuur 1: Agrarische bouwvlakken in het buitengebied van Geldermalsen
VO
Toelichting op het advies In dit hoofdstuk licht de Commissie haar oordeel toe en geeft zij adviezen voor de op te stellen aanvulling. Deze adviezen zijn opgenomen in een tekstkader. Naar het oordeel van de Commissie is het uitvoeren ervan essentieel om het milieubelang volwaardig mee te wegen bij de besluitvorming door de gemeenteraad van de gemeente West Betuwe. In de tekst wordt ook een aantal aanbevelingen gedaan. Deze zijn bedoeld om de kwaliteit van de besluitvorming, nu en in de toekomst, te verbeteren.
Uitvoerbaarheidstoets In het MER wordt gesteld dat veel bedrijven de geboden uitbreidingsruimte kunnen benutten zonder dat de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden toeneemt. Ter staving van deze conclusie heeft de Commissie tijdens haar adviestraject de beschikking gekregen over het ‘Veebestand Geldermalsen 0.3 geanonimiseerd’. Bij de toetsing van dit overzicht signaleert de Commissie verschillende onvolkomenheden, waardoor de conclusie niet bevestigd kan worden en twijfel bestaat over de juistheid van de uitkomsten:
-2-
•
de gehanteerde ‘emissiefactor optimaal’ is in een aantal gevallen correct, maar soms ook te hoog (voor melkgeiten) of juist te laag (voor legpluimvee)2;
•
voor de ruimte die één dier gemiddeld op het bouwblok inneemt (dus inclusief alle overige gebruikelijke voorzieningen) is uitgegaan van 0,5 m2/dier. Deze waarde geldt echter alleen voor biggen. Vleesvarkens en zeugen hebben meer ruimte nodig;
•
in de berekening is er van uitgegaan dat voor uitbreiding altijd extra bouwblokruimte nodig is, zonder na te gaan of het huidige bouwblok ruimte biedt om uitbreiding te realiseren.
Gegeven bovenstaande is dan ook nog niet duidelijk in welke mate de in het bestemmingsplan geboden planologische ontwikkelruimte voor uitbreiding van agrarische bedrijven ook daadwerkelijk gebruikt kan worden zonder een toename van de
G
stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. En daarmee is ook niet duidelijk of de in het MER beschreven alternatieven daadwerkelijk uitvoerbaar zijn. Voor de betreffende bedrijven én
RL O PI
voor de omgeving is het van belang dat het MER hierover duidelijkheid geeft.
De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER per bedrijf navolgbare en juiste informatie te presenteren die duidelijk maakt in welke mate uitbreiding van agrarische bedrijven mogelijk is zonder toename van de stikstofdepositie op Natura 2000-gebieden. Geef aan bij welke en hoeveel locaties de maximale ontwikkelruimte ook daadwerkelijk benut kan worden
Geurhinder
In het MER wordt gesteld dat de geuremissies slechts in geringe mate kunnen toenemen omdat de niet-grondgebonden bedrijven geen aanvullende ontwikkelruimte krijgen en daardoor nauwelijks kunnen uitbreiden. De Commissie merkt op dat bij uitbreiding via
O
opvulling van het huidige bouwvlak met een emissie-armer systeem inderdaad geen toename van de ammoniakemissie zal plaatsvinden, maar dat, door de ermee samenhangende toename van het aantal dieren, de geuremissies wél kunnen toenemen.3 Ook signaleert zij dat de CBS-gecorrigeerde vergunninggegevens uitgangspunt zijn geweest voor het bepalen
VO
van de geuremissies. De maximale geuremissies en de ermee samenhangende hinder ten opzichte van de huidige situatie zijn hierdoor onderschat. Wat vergund is mag immers in principe ook gerealiseerd worden. De Commissie adviseert in een aanvulling op het MER de maximale geuremissies en -hinder te bepalen uitgaande van de maximale mogelijkheden die het bestemmingsplan biedt.
2
De Commissie interpreteert de kolom ‘NH3-optimaal’ als de meest gunstige huisvestingssysteem (met lage emissiefactor) die bij de betreffende diercategorie mag worden toegepast om tot een maximale invulling (uitbreiding) te komen. Het valt op dat voor melkgeiten als emissiefactor 1,9 kg wordt gehanteerd, terwijl daar luchtwassystemen beschikbaar zijn die slechts 0,19 kg NH3/dierplaats per jaar emitteren. Bij legpluimvee is weliswaar een batterij-huisvestingssysteem met luchtwasser beschikbaar die slechts 1 gr NH3 per dierplaats per jaar emitteert, maar batterijhuisvesting mag niet meer worden gerealiseerd. Volierehuisvesting is nu de praktijk en daarop is een beduidend hogere ‘optimale’ emissiefactor van toepassing (25 gr per dierplaats per jaar)
3
De geuremissie kan toenemen omdat de emissiereductie van ammoniak die behaald wordt door het toepassen van een schoner stalsysteem niet gelijk opgaand is met de emissiereductie van geur.
-3-
Landschap In het MER is aandacht gegeven aan de landschappelijke effecten van zonnevelden, schuilstallen, minicampings, paardenbakken, boomgaarden, teeltondersteunende voorzieningen en kassen.4 De landschappelijke effecten van genoemde activiteiten zijn ieder apart en kwalitatief beschreven. Echter de optelsom van vele kleine, op zichzelf wellicht weinig impact hebbende, nieuwe activiteiten kan met name in het relatief kleinschalige en kwetsbare Lingelandschap op termijn tot aantasting van de kwaliteit leiden. Het MER gaat niet in op deze mogelijke cumulatieve effecten. De Commissie ziet dit niet als een essentiële tekortkoming omdat de planregels al een gedegen toetsingskader voor landschap bevatten. De Commissie beveelt wel aan, om - mede met het oog op de nagestreefde energietransitie (zie hoofdstuk 2.4) - nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen in relatie tot de kwaliteit van het
G
landschap te monitoren, en op basis daarvan waar nodig bij te sturen.
RL O PI
Energietransitie
De gemeente West Betuwe heeft tijdens het locatiebezoek van de Commissie aangegeven te streven naar energieneutraliteit in 2030. Dit vraagt grote veranderingen inzake de
energievoorziening en het energiegebruik met mogelijk ook grote ruimtelijke impact. Tegelijkertijd is aangegeven dat het huidige College van B&W geen voorstander is van meer windturbines dan nu zijn voorzien. Wat betreft de winning van zonne-energie wil zij eerst bestaande geschikte oppervlakten zoals daken benutten in plaats van agrarische gronden. In de loop van 2019 stelt het College een integraal uitvoeringsplan Energietransitie op met daarbij een routekaart 2019-2022. De Commissie wijst er op dat het realiseren van
genoemde energieneutraliteit consequenties kan hebben voor het realiseren van andere gebiedsambities, waaronder die voor natuur, leefomgevingskwaliteit en landschap.
De Commissie adviseert bij de besluitvorming over het bestemmingsplan buitengebied
O
Geldermalsen 2018 dan ook de relatie met het uitvoeringsplan Energietransitie aan te geven. Ga na in hoeverre ruimtelijke keuzes die nu gemaakt worden belemmerend kunnen zijn voor doorvoering van toekomstig energiebeleid. Beschrijf hoe in de toekomst zal worden
VO
omgegaan met eventuele conflicten tussen de energie- en andere gebiedsambities.
Klimaatbestendigheid De gemeente heeft tijdens het locatiebezoek van de Commissie aangegeven momenteel in regionaal verband te werken aan een klimaatstresstest. Verwacht wordt dat het buitengebied gevoelig is voor droogte en overstroming. Op basis van de uitkomsten van de stresstest kunnen maatregelen geformuleerd worden om goed met deze risico’s om te gaan. De Commissie adviseert bij de besluitvorming over het bestemmingsplan buitengebied Geldermalsen 2018 aan te geven hoe de uitkomsten van de stresstest gaan doorwerken in toekomstige ruimtelijke plannen. Ga na in hoeverre ruimtelijke keuzes die nu gemaakt worden belemmerend kunnen zijn voor het klimaatbestendig maken van het buitengebied.
4
De effecten van baggerspecieopslag en mestvergisters als effectveroorzakers zijn niet beschreven. Dit acht de Commissie te billijken aangezien de baggeropslag slechts een beperkt en tijdelijk effect heeft, en mestvergisters alleen op bestaand bouwvlak kunnen worden gerealiseerd, en niet hoger mogen zijn dan 10 meter dezelfde maximale hoogte als bedrijfsgebouwen.
-4-
BIJLAGE 1: Projectgegevens toetsing Toetsing door de Commissie De Commissie bestaat uit een werkgroep van deskundigen. Deze werkgroep beoordeelt of het MER de benodigde milieu-informatie bevat en of deze juist is. Als er informatie ontbreekt of onjuist is, beoordeelt de Commissie of zij die essentieel vindt. Dat is het geval als aanvullende informatie in haar ogen kan leiden tot andere afwegingen. Dan adviseert de Commissie de ontbrekende of gecorrigeerde informatie alsnog beschikbaar te stellen, voordat het besluit wordt genomen. Om zich goed op de hoogte te stellen van de situatie heeft de werkgroep het gebied bezocht waar milieugevolgen kunnen optreden. Meer informatie over de Commissie en
Samenstelling van de werkgroep Bij dit project bestaat de werkgroep uit: ir. Jan Bakker
RL O PI
ir. Sjoerd Bokma
G
over haar werkwijze vindt u op onze website.
dr. Geert Draaijers (secretaris) mr. Tom Smit (voorzitter) drs. Rik Zegers
Besluit waarvoor dit milieueffectrapport is opgesteld Bestemmingsplan buitengebied Geldermalsen
Waarom wordt hiervoor een milieueffectrapport opgesteld?
Voor activiteiten die grote milieugevolgen kunnen hebben, kan in Nederland een MER vereist zijn. De bijlagen C en D bij het Besluit milieueffectrapportage geven aan om welke activiteiten het gaat. Voor deze procedure gaat het in ieder geval om de wijziging of uitbreiding van een veehouderij (activiteit C14 en D14), glastuinbouwgebied (activiteit D9) en recreatieterrein (ac-
O
tiviteit D10), als ook de uitbreiding of wijziging van een stedelijk ontwikkelingsproject (activiteit D11.2).
Bevoegd gezag besluit
VO
Gemeenteraad van de gemeente West Betuwe Initiatiefnemer besluit
College van B&W van de gemeente West Betuwe Heeft de Commissie ook zienswijzen en adviezen bij haar advies betrokken? De Commissie heeft alle zienswijzen en adviezen gelezen die het bevoegd gezag heeft toegestuurd. Ze heeft ze in haar advies verwerkt, voor zover relevant voor het MER. Waar vind ik de stukken die de Commissie heeft beoordeeld? U vindt de projectstukken die bij het advies zijn gebruikt, door op www.commissiemer.nl projectnummer 3367 in te vullen in het zoekvak.